← België

Arrest 204253 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 25/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.253 Rolnummer: A. 175722/IX-5392 Zaak: Arrest 204253 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 25/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.253 van 25 mei 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.253 van 25 mei 2010 in de zaak A. 175.722/IX-5392 In zake : Erwin WUESTENBERG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 augustus 2006, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissingen van 3 en 6 juli 2006, respectievelijk van de directeur- generaal van de algemene directie personeel van de federale politie en van de directeur-generaal van de algemene directie bestuurlijke politie, waarbij Erwin Wuestenberg bij ordemaatregel wordt gedetacheerd van de veiligheidsdienst bij het Koninklijk Paleis naar de 101-centrale te Brussel. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 164.038 van 24 oktober 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-5392-1/12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei 2010. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Els Van Rossem, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is inspecteur van politie bij de federale politie en was, vooraleer de thans bestreden beslissingen werden genomen, ingedeeld bij de veiligheidsdienst van het Koninklijk Paleis (DAP/VDKP). 3.2. Op 9 juni 2006 richt het hoofd van de Veiligheidsdienst bij het Koninklijk Paleis een dienstnota aan de algemene directie van de bestuurlijke politie (hierna: DGA), dienstnota die luidt als volgt : “(...) 1. Gebeurtenis Op 30-05-2006 omstreeks 1340u doet zich in het wachtlokaal Brederode te Brussel een zeer agressieve woordenwisseling voor tussen IX-5392-2/12 INP WUESTENBERG en HINP DUYVEJONCK die op dat ogenblik postoverste was. Het komt uiteindelijk zover dat INP WUESTENBERG doodsbedreigingen uit t.a.v. HINP DUYVEJONCK. (...) 3. Genomen maatregelen (...) (Verwezen wordt naar een opdracht aan verzoeker van het diensthoofd van het veiligheidsdepartement om zich door de arbeidsgeneesheer te laten onderzoeken, maar de doorverwijzing, door die geneesheer naar DPI - stressteam voor bijkomend advies over de geschiktheid van verzoeker om een wapen te dragen en naar zijn beslissing niet samen te werken met de persoon met wie het conflict gerezen was). 4. Besluit en voorstel Niettegenstaande het volgens het advies van DPI niet nodig was om het dienstwapen van betrokkene onmiddellijk in te trekken, menen wij toch dat aangezien : . de antecedenten van betrokkene in dezelfde ‘sfeer’ liggen (zie punt 2 supra); . de onmiddellijke en verregaande implicaties voor de dienstorganisatie en de onmogelijkheid om dit ook vol te houden tijdens de grote verlofperiode en in de verdere toekomst; . de onvermijdelijke ruchtbaarheid die aan deze zaak gegeven wordt binnen de eenheid enerzijds en zelfs in het Paleis anderzijds; . het risico op nieuwe incidenten met mogelijks ernstige gevolgen; het noodzakelijk is dat INP WUESTENBERG ASAP herplaatst wordt naar een andere dienst buiten de VDKP, teneinde de rust te laten terugkeren en het verdere functioneren van de bewakingsdienst zone Brussel niet nog meer te verstoren. Wij stellen voor deze herplaatsing te laten doorgaan ten laatste op 01-07-2006, om hoger vermelde reden.” Het “document in bijlage 1” waarnaar de dienstnota verwijst, betreft een fax van 1 juni 2006 waarbij het adjunct-hoofd van de VDKP aan de dienst Arbeidsgeneeskunde een advies vraagt betreffende het dragen van het dienstwapen door de verzoeker. Het “document in bijlage 2” betreft een brief van 2 juni 2006 waarbij de verzoeker door de arbeidsgeneeskundige dienst wordt opgeroepen zich op 8 juni 2006 aan te bieden voor een onderzoek. Het “document in bijlage 3” betreft een “formulier voor gezondheidsbeoordeling” waarop arbeidsgeneesheer MOUSSIAUX vermeldt wat volgt : IX-5392-3/12 “Geschiktheid wapendracht : bijkomend advies DPI moet worden gevraagd. Tijdelijk gescheiden diensten te voorzien met betrekking tot de persoon waarmee conflictsituatie heerst.” 3.3. Op 12 juni 2006 richt de directeur DAP (directie beveiligingsop- drachten en internationale zendingen), met verwijzing naar “ons onderhoud dd 12.06.2006”, een nota aan de DGA, waarin hij stelt wat volgt : “Gelet op de ernst van de feiten stel ik voor INP WUESTENBERG in een andere dienst te detacheren in afwachting van de resultaten van het tuchtonder- zoek.” 3.4. Op 16 juni 2006 ondertekent de directeur-generaal van de DGA een nota die gericht is aan de algemene directie personeel (hierna: DGP) en aan DAP en waarvan de inhoudt luidt als volgt: “1. Toestand 1. Op 30-05-2006 rond 13.40 Hr doet zich in het wachtlokaal Brederode te Brussel een zeer agressieve woordenwisseling voor tussen INP WUESTENBERG en HINP DUYVEJONCK die op dat ogenblik postoverste was. Deze woordenwisseling escaleert zodanig dat INP WUESTENBERG doodsbedreigingen uit t.a.v. HINP DUYVEJONCK. 2. INP WUESTENBERG werd onmiddellijk na het incident door HINP DECORTE, die getuige was van de feiten, met toestemming van het diensthoofd naar huis gestuurd om erger te voorkomen. 3. Teneinde een nieuwe confrontatie tussen beide personeelsleden te vermij- den, werd de dienstplanning van de bewakingsdienst zone Brussel aangepast zodat INP WUESTENBERG in de nabije toekomst niet meer dient samen te werken (met) HINP DUYVEJONCK. 4. Op vraag van de DstChef VDKP werd betrokkene op 08-06-2006 door de arbeidsgeneesheer (Dr MOUSSIAUX) aan een medisch onderzoek onderworpen hetgeen leidde tot een doorverwijzing naar DPI (stressteam). Tevens vermeldde de arbeidsgeneesheer dat tijdelijk gescheiden diensten dienden voorzien te worden met betrekking tot de persoon waarmee een conflictsituatie heerst. 5. Met de nota in referte 3 stelt de Dir DAP voor om INP WUESTENBERG, en dit in afwachting van de resultaten van het tuchtonderzoek, te detacheren in een andere dienst. IX-5392-4/12 2. Beslissing DGA Rekening houdend met . de ernst van de feiten en de elementen voorhanden in het dossier; . de ruchtbaarheid die aan deze zaak werd gegeven zowel binnen de eenheid enerzijds en zelfs in het Paleis anderzijds; . het advies van de arbeidsgeneesheer om gescheiden diensten te voorzien, hetgeen binnen de veiligheidsdienst niet kan georganiseerd worden voor een lange periode; . het advies van de Dir DAP; . het feit dat het nog enkele weken zal duren vooraleer de zaak op tucht- gebied is afgehandeld en verwerkt is voor de betrokken partijen; . het feit dat de goede werking van de dienst moet gevrijwaard worden, ben ik van oordeel dat het nodig is, ook in het belang van betrokkene, om INP WUESTENBERG te detacheren in een andere dienst. Gelet op het personeelstekort binnen DST-DT OPS-CIC BRUSSEL (101-Centrale) zal ik een voorstel indienen bij de CG om INP WUESTENBERG naar deze dienst te detacheren. 3. Gevraagd 3.1 De Dir DAP wordt gevraagd deze nota ter kennis te brengen aan INP Erwin WUESTENBERG. Betrokkene zal deze ondertekenen voor ‘kennis genomen en één exemplaar ontvangen op (datum)’. 3.2 Een door betrokken ondertekend exemplaar zal terug worden overge- maakt aan DGA/DAG. 3.3 Vanaf de dag na kennisname beschikt betrokkene over een termijn van vijf werkdagen om een eventueel verweerschrift in te dienen.” De verzoeker ondertekent die nota voor kennisname en ontvangst op 19 juni 2006. Hij krijgt vervolgens vijf dagen uitstel om zijn verweerschrift in te dienen. Op 27 juni 2006 bekomt de verzoeker “een bijkomende termijn van vijf werkdagen” om een verweerschrift in te dienen. In een verweerschrift dat wordt afgetekend voor “ontvangen op 04/07/2006 om 7u30”, zet de verzoeker uiteen waarom hij noch met de inhoud, noch met de motivatie van het voorstel tot detachering bij ordemaatregel akkoord gaat. Hij vraagt om gehoord te worden. 3.5. Op 3 juli 2006 ondertekent de directeur-generaal van de algemene directie personeel (DGP), een nota aan de algemene directie bestuurlijke politie waarvan de inhoud luidt als volgt : “In de nota in Ref 1 vraagt DAP/VDKP om INP WUESTENBERG Erwin te herplaatsen wegens een ernstig incident. Met de nota in Ref 2 stelt DGA voor betrokkene te detacheren bij ordemaatre- gel naar DST/DT OPS/CIC Brussel - 101 Centrale. IX-5392-5/12 Ik beslis bijgevolg om INP WUESTENBERG Erwin te detacheren vanuit DAP/VDKP naar DAR Steun en hem in te zetten bij DST/DT OPS/CIC Brussel - 101 Centrale.” De in deze nota van 3 juli 2006 vervatte beslissing van de directeur-generaal DGP maakt het eerste voorwerp uit van het voorliggend beroep. 3.6. Op 6 juli 2006 ondertekent de directeur-generaal DGA een nota die luidt als volgt : “Onderwerp Detachering bij ordemaatregel Betreft : INP Erwin WUESTENBERG (44.17722.51 - DAP/VDKP) Referentie(

  1. s)1. Mijn nota Nr DGA/DAG-Pers-2006/3417-DK 625 van 16-06-2006 2. Mijn fax Nr DGA/DAG-Pers-2006/3617 van 27-06-2006 3. Verweerschrift INP WUESTENBERG dd 02-07-2006 4. Uw nota Nr DGP/DPM/Bur1/kh-31060 van 03-07-2006 (...) 1. Toestand 1. Om redenen vervat in Pt 1 van Ref 1 heb ik een voorstel ingediend om INP WUESTENBERG te detacheren naar DST-DT OPS-CIC Brussel (101- Centrale). Aan betrokkene werd t/m 03-07-2006 toegelaten om een verweerschrift in te dienen (Ref 2). 2. Op 04-07-2006 heb ik het verweerschrift van betrokkene ontvangen. INP WUESTENBERG vraagt hierin om gehoord te worden en wenst zich te laten bijstaan door de heer Adile CLEMMENS (VSOA-politie). 2. Beslissing DGA 2.1 Gezien betrokkene in zijn verweerschrift geen nieuwe elementen naar voor brengt, blijf ik bij mijn standpunt om hem te detacheren in een andere dienst. Gelet op het feit dat betrokkene de mogelijkheid heeft gehad om een verweerschrift in te dienen, ga ik niet in op zijn vraag om gehoord te worden. 2.2 Rekening houdend met de nota in Ref 4, beslis ik om betrokkene vanaf 10-07-2006 vanuit DAP/VDKP te detacheren naar DAR/Steun en hem in te zetten bij DST-DT OPS-CIC BRUSSEL (101-Centrale).” De in die nota van 6 juli 2006 vervatte beslissing, waarvan de verzoeker dezelfde dag kennis neemt maakt het tweede voorwerp uit van het voorliggend beroep. IX-5392-6/12 IV. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker roept in een vierde middel de onbevoegdheid van de stellers van de akten in. De bestreden beslissingen, zo stelt de verzoeker, werden genomen door de (beweerdelijk) waarnemend directeur-generaal van de algemene directie bestuurlijke politie (DGA), Herman Bliki, en/of de directeur-generaal van de algemene directie personeel (DGP), Alain Duchatelet. Binnen de structuur van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol) kan worden besloten dat inzake leiding en organisatie van het korps binnen de federale politie de bevoegdheden van de commissaris-generaal overeenstemmen met deze van de korpschef bij de lokale politie. De commissaris-generaal lijkt dan ook in eerste instantie de bevoegde overheid te zijn voor het nemen van een ordemaatregel. De directeur-generaal DGA was initieel kennelijk ook van oordeel dat het de commissaris-generaal toekwam terzake een beslissing te nemen vermits hij in zijn voorstel tot detachering bij ordemaatregel van 16 juni 2006 zelf stelt dat hij een voorstel zal indienen bij de commissaris-generaal om de verzoeker te detacheren. In het verdere verloop van de procedure is evenwel geen sprake meer van de commissaris-generaal en matigen H. Bliki en/of de heer Duchatelet zich deze bevoegdheid aan. In hoofdorde is de verzoeker dan ook van oordeel dat de bestreden beslissingen genomen werden door een onbevoegde overheid vermits het de commissaris-generaal toekwam terzake een beslissing te nemen. In ondergeschikte orde, met name in de mate dat de verwerende partij ervan uitgaat dat het nemen van ordemaatregelen toebehoort aan de functie van directeur-generaal - standpunt waarvoor volgens de verzoeker steun kan gevonden worden in het arrest Maes, nr. 159.048, 22 mei 2006 - voert de verzoeker aan dat de directeur-generaal van de bestuurlijke politie DGA oorspronkelijk de heer Warny is, en niet H. Bliki, en dat niet duidelijk is op welke rechtsgrond H. Bliki als “waarnemend directeur-generaal” is aangewezen; uit geen enkele akte blijkt immers, aldus de verzoeker, dat H. Bliki als waarnemend directeur-generaal werd aangesteld. De bevoegdheidsregels raken de openbare orde en moeten strikt geïnterpreteerd worden. Het is bij de uitoefening van een specifieke bevoegdheid, IX-5392-7/12 zoals het nemen van een ordemaatregel, van belang te weten of degene die feitelijk optreedt als overheid over een regulier mandaat of een regelmatige aanduiding tot waarneming van het ambt beschikt. Dat H. Bliki zich feitelijk opwerpt als waarnemend directeur-generaal levert geen bewijs dat hij als waarnemend directeur- generaal is aangesteld. Uit een antwoord van de minister op een parlementaire vraag blijkt dat er niemand werd aangewezen om tijdelijk het ambt van directeur-generaal van de bestuurlijke politie uit te oefenen. Er is bijgevolg geen titularis van het ambt van directeur-generaal van de bestuurlijke politie, terwijl deze de enige bevoegde overheid is om een ordemaatregel te nemen. De bestreden beslissing is zodoende genomen door een onbevoegde overheid zodat de bestreden beslissing nietig is. De verzoeker verwijst ter staving van zijn standpunt nog naar het arrest nr. 76.755 van 29 oktober 1998. Inzake de eerste bestreden beslissing van 3 juli 2006 genomen door directeur-generaal DGP Duchatelet stelt de verzoeker dat deze hoegenaamd geen bevoegdheid kan hebben nu de verzoeker als lid van de veiligheidsdienst deel uitmaakt van de algemene directie bestuurlijke politie DGA, zodat een niet nader gedefinieerde beslissing tot detachering uitgaande van de directeur-generaal van de algemene directie personeel DGP onmogelijk enig gevolg kan sorteren ten aanzien van de verzoeker. 5. De verwerende partij antwoordt als volgt: “4.4.2 De verwerende partij wenst vooreerst te duiden dat de tweede bestreden beslissing erin bestaat om de verzoeker bij ordemaatregel te detacheren vanuit DAP/VDKP naar DAR/steun. Zoals de naam zelf zegt, vormt die directie de algemene reserve in steun voor andere politiediensten, het weze van de lokale en /of de federale politie. De vermelding dat hij vervolgens ingezet zal worden bij de 101-centrale is dus eigenlijk overbodig maar biedt alle transparantie. De eerste bestreden beslissing betreft de beslissing van de directeur-generaal personeel om de verzoeker in te zetten bij de 101-centrale. 4.4.3 Het arrest van de Raad van State nr. 159.048 van 22 mei 2006 waarnaar de verzoekende partij in haar verzoekschrift verwijst betreft een mutatie bij ordemaatregel, die volgens de Raad van State binnen het systeem ingesteld door het RPPol beschouwd dient te worden als een herplaatsing als bedoeld in art VI.II.85 RPPol (cf. punt 3.5.1 van dit arrest). In casu betreft het hier echter geen herplaatsing maar wel een detachering waarvoor andere artikelen van het RPPol van toepassing zijn, nl. de artikelen VI.II. 72 en volgende. Artikel VI.II.73 bepaalt dat de bevoegde overheid om te beslissen over een detachering in de schoot van eenzelfde algemene directie van de federale polite, de directeur-generaal is. IX-5392-8/12 4.4.4 H. Bliki werd bij het koninklijk besluit van 5 maart 2006 aangewezen voor de betrekking van adjunct-directeur-generaal van de federale politie. Artikel I.III.1 van het RPPol bepaalt dat alle bij dit besluit toegewezen bevoegdheden eveneens uitgeoefend worden door het personeelslid dat met de waarneming van het ambt van de titularis belast is, evenals bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van deze. De adjunct-directeur-generaal is belast met de waarneming van het ambt van directeur-generaal bij verhindering van de directeur-generaal. 4.4.5 De bevoegdheid van de directeur-generaal personeel vloeit voort uit de nota betreffende de DAR/steun (adm. doss., stuk 8) waarbij beslist werd dat de personeelsleden die gedetacheerd worden naar DAR/steun, en die vervolgens binnen de eigen directie (algemene directie personeel) gedetacheerd worden, deze detachering zal ondertekend worden door de directeur-generaal personeel (cf. punt 3.2.3 van stuk 8). 4.4.6 Het vierde middel is dan ook volgens de verwerende partij niet gegrond.” 6. De verzoeker antwoordt in zijn memorie van wederantwoord als volgt: “Verzoeker verwijst naar wat desbetreffend ter gelegenheid van het verzoekschrift tot vernietiging werd uiteengezet en wat zijns inziens bij de memorie van verwerende partij niet wordt ontkracht. Evenwel merkt verzoeker op dat verwerende partij in alle talen het stilzwijgen bewaart omtrent het feit of enige akte voorligt terzake de aanstelling van dhr. Bliki als ‘waarnemend’ directeur-generaal. Zij beweert wel dat de adjunct- generaal is ‘belast’ met de waarneming van het ambt van directeur- generaal maar legt daar geen enkel bewijs van voor. Voorts is en blijft verwerende partij schimmig omtrent de aard van dit belast zijn. Met name of het een effectieve belasting is dan wel of dhr. Warny afwezig of verhinderd is. Van afwezigheid of verhindering van dhr. Warny kan tenandere hoege- naamd geen sprake zijn nu dergelijke vlag onmogelijk de lading van het structureel functioneren van dhr. Bliki kan verantwoorden.” 7. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie naar haar uiteenzetting in haar memorie van antwoord. IX-5392-9/12 Beoordeling 8. Artikel VI.II.73 RPPol luidt als volgt: “De bevoegde overheid om te beslissen over een detachering of een terbeschikkingstelling is: 1°/ in de schoot van eenzelfde algemene directie van de federale politie: de directeur-generaal; 2°/ in de schoot van eenzelfde korps van de lokale politie: de korpschef; 3°/ tussen twee algemene directies van de federale politie: de commissaris- generaal; 4°/ van de federale politie naar een korps van de lokale politie: de minister na advies van de commissaris-generaal; 5°/ van een korps van de lokale politie naar een korps van de lokale politie of naar de federale politie: de burgemeester of het politiecollege, na advies van de betrokken korpschef waaronder het betrokken personeelslid ressorteert.” Zowel de directie beveiligingsopdrachten en internationale zendingen (DAP) waar de beveiliging van de koninklijke paleizen (VDKP) onder ressorteert als de directie algemene reserve (DAR) ressorteren onder DGA, dit is de algemene directie bestuurlijke politie. Vermits de bestreden detachering plaatsvindt binnen dezelfde algemene directie bestuurlijke politie staat het vast dat de directeur-generaal van die algemene directie de bevoegde overheid was en niet de commissaris-generaal. In die zin dient het middel verworpen te worden. Evenmin is echter aldus de directeur-generaal van de algemene directie personeel (DGP) bevoegd voor de detachering van de verzoeker vanuit DAP naar DAR zodat het middel ten aanzien van de eerste bestreden beslissing, voorzover deze inhoudt dat de verzoeker in voornoemde mate gedetacheerd wordt, gegrond is. 9. In de mate dat de verzoeker in ondergeschikte orde aanvoert dat de tweede bestreden beslissing genomen werd door een onbevoegde overheid omdat geen enkel bewijs voorligt dat adjunct-directeur-generaal Bliki als waarnemend directeur-generaal van de algemene directie bestuurlijke politie werd aangesteld, moet het volgende worden opgemerkt. IX-5392-10/12 De verwerende partij stelt dat het feit dat H. Bliki als adjunct- directeur-generaal van die directie werd aangesteld, op zich volstaat om het ambt van directeur-generaal waar te nemen, zodat hij overeenkomstig artikel I.III.1 RPPol, dat bepaalt dat alle bij dit besluit toegewezen bevoegdheden eveneens worden uitgeoefend door het personeelslid dat met de waarneming van het ambt van de titularis is belast, evenals bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van deze, alle aan het ambt van directeur-generaal verbonden bevoegdheden kan uitoefenen. De verwerende partij legt echter geen enkel stuk voor waaruit de aanstelling van een waarnemend directeur-generaal blijkt. Zoals de Raad van State reeds aannam in het arrest Vandewalle, nr. 198.352 van 30 november 2009, is het feit dat H. Bliki de facto het ambt van directeur-generaal waarnam, geen bewijs dat hij tijdelijk als waarnemer in dit ambt werd aangesteld aangezien het waarnemen van een hoger ambt onderworpen is aan regels, de artikelen VI.II.78 en volgende, die te dezen klaarblijkelijk niet werden nageleefd. Evenmin, aldus voornoemd arrest, kan de verwerende partij zich beroep op de theorie van de feitelijke of noodambtenaar. Nu aldus vaststaat dat H. Bliki niet aangesteld was als waarne- mend directeur-generaal DGA en aldus de bevoegdheden van de directeur-generaal in het kader van artikel VI.II.73 RPPol niet vermocht uit te oefenen, is de tweede bestreden beslissing genomen door een daartoe niet bevoegde overheid en is het middel ten aanzien van de tweede bestreden beslissing gegrond. 10. Voorzover in de eerste bestreden beslissing de verzoeker wordt toegewezen aan de 101-centrale te Brussel, dient dit deel van de bestreden beslissing dat uitsluitend steunt op de hierboven onwettig bevonden detachering binnen de algemene directie bestuurlijke politie, evenzeer het lot van deze detachering te ondergaan. 11. Het middel is ten aanzien van de beide bestreden beslissingen gegrond. IX-5392-11/12 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissingen van 3 en 6 juli 2006, respectieve- lijk van de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie en van de directeur-generaal van de algemene directie bestuurlijke politie, waarbij Erwin Wuestenberg bij ordemaatregel wordt gedetacheerd van de veiligheidsdienst bij het Koninklijk Paleis naar de 101- centrale te Brussel. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5392-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.253 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.