← België

Arrest 204255 - Penitentiair recht - 25/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.255 Rolnummer: A. 192188/IX-6318 Zaak: Arrest 204255 - Penitentiair recht - 25/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.255 van 25 mei 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.255 van 25 mei 2010 in de zaak A. 192.188/IX-6318 In zake : Roger GEUSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Donné kantoor houdend te Geetbets Verdaelstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 april 2009, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van 12 februari 2009 van de directeur van de gevangenis te Hasselt, waarbij aan Roger Geusens de tuchtsanctie van drie dagen individuele wandeling wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. IX-6318-1/10 Advocaat Peter Donné, die verschijnt voor de verzoeker, is gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker verblijft op het ogenblik van de tuchtfeiten in de gevangenis van Hasselt. 3.
  6. Op 8 februari 2009 wordt lastens de verzoeker een tuchtrapport opgesteld wegens onbeschoft en ongepast gedrag ten aanzien van het penitentiair personeel. In dit rapport aan de directeur staat hetgeen volgt : “Omstreeks 8.45u ontstond er een conflict tussen Geusens Roger en mij. Op dat moment kwam Heide Reynders naar sectie 32 om een dienstwissel te ondertekenen. Toen zij kort daarna de sectie verliet riep bovenvermelde gedetineerde ‘ze gaat weer lopen, de stom KUT!’ Toen ik hem vroeg of hij dat normaal vond om zo te reageren zei hij ‘Dat ze maar eens naar hier komt, dan zeg ik in haar gezicht STOMME KUT’. Ik zei hem dat zijn zwaar onbeschoft gedrag volledig ongepast was en zeker in het bijzijn van andere gedetineerden. Hij haalde zwaar uit naar mijn collega omtrent zijn observaties van 07/02/2009 en 03/02/
  7. Hij had gehoopt dat Heidi Reynders mee in discussie ging met hem, zodat hij haar nog eens flink de huid kon uitschelden! Doch bleef mijn collega professioneel omdat ze die dag niet van dienst was op sectie
  8. Hij bleef maar amok maken over de ‘respectloze cheffen’. Het is een feit dat Geusens Roger de laatste weken misbruik maakt van zijn vertrouwensfunctie en dat hij op zijn eigen houtje zijn taken begint te herverdelen. Zijn gedrag verpest heel de werksfeer en hij maakt het iedereen moeilijk om efficiënt te kunnen werken.” 3.
  9. Later op die dag wordt aan de directeur een tweede rapport overgemaakt wegens verbaal agressief gedrag vanwege de verzoeker. In dit rapport wordt het volgende gesteld : “Toen ik terug kwam van het eten stond Geusens Roger in de berging. Ik heb hem enkele uren geleden moeten vertellen dat hij afgezet wordt als knecht. Hij was weer zeer verbaal agressief ten opzichte van mij, ik kreeg het ene verwijt IX-6318-2/10 na het andere naar mijn hoofd geslingerd! Toen hij eenmaal op cel was, heb ik geprobeerd om een klaar en rustig gesprek te voeren maar hij werd nog meer furieus. Hij zette zijn voet tussen de deur zodat hij me verhinderde om deze te sluiten. Hij zei ‘Pascal Claas weet perfect hoe alles hier draait en hoe schijnheilig de cheffen zijn. Jij en uw collega’s gaan hierbuiten wat meemaken. Ik zeg het niet alleen, ge zult wel zien! Vermassen zal U wel eens bij Uw vel pakken’ Hij is er van overtuigd dat ik de schuldige ben van zijn afzetting als knecht en wil dan ook een officiële klacht bij Mevr. Coucke neerleggen samen met Pascal Claes! Met wat duwen en trekken kreeg ik dan uiteindelijk de deur dicht!” 3.
  10. Op 9 februari 2009 beslist de directeur dat tegen de verzoeker een tuchtprocedure wordt opgestart. Aan de verzoeker worden de betrokken rapporten overgemaakt. Hij geeft te kennen bijgestaan te willen worden door een raadsman. 3.
  11. De verzoeker wordt op 12 februari 2009 gehoord, bijgestaan door zijn raadsman. Hij ontkent de feiten en geeft aan dat de penitentiair beambte die beide tuchtrapporten opstelde, hem geviseerd heeft. 3.
  12. Op 12 februari 2009 legt de gevangenisdirecteur aan de verzoeker de tuchtmaatregel van drie dagen individuele wandeling op. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd : “- Overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan: verbaal onbeschoft en beledigend gedrag ten aanzien van een personeelslid - dat dergelijk gedrag niet door de beugel kan en een gepaste sanctie zich opdringt - dat uit zijn gedrag een misprijzen blijkt voor de personeelsleden - dat hij de feiten niet toegeeft hoewel het personeel formeel is over het gebeurde - dat hij helemaal geen spijt heeft over wat er is gebeurd - dat hij door zijn beledigende taal/houding uiting geeft aan een totaal gebrek aan respect voor het personeel” Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt op dezelfde dag ter ondertekening voorgelegd aan de verzoeker, die weigert haar te ondertekenen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  13. De verzoeker zet in zijn verzoekschrift zijn belang uiteen. Hij staaft dit belang vooreerst door te stellen dat hij op een onwettige wijze een tuchtsanctie werd opgelegd. Voorts stelt de verzoeker dat het tuchtrechtelijk IX-6318-3/10 verleden van een gedetineerde een belangrijke factor is bij de toekenning van bepaalde gunsten binnen de gevangenis, evenals bij de beoordeling van een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling of van bijzondere strafuitvoerings- modaliteiten. De omstandigheid dat de bestreden beslissing reeds werd uitgevoerd, impliceert volgens de verzoeker niet dat zijn belang bij onderhavig annulatieberoep is teloorgegaan.
  14. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij stelt dat de verzoeker zijn belang op een dermate algemene en vage wijze omschrijft dat het niet voldoende is aangetoond. De bewering dat tuchtsancties een belangrijke factor zijn bij het toekennen van tal van gunsten in de gevangenis evenals bij de mogelijke toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt volgens de verwerende partij nergens gestaafd. De basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden (hierna: de basiswet) kent aan de gedetineer- den rechten toe, geen gunsten. Een beperking van deze rechten zal volgens de verwerende partij steeds het gevolg zijn van een regelmatig opgelegde tuchtsanctie, dan wel van maatregelen met het oog op de orde en de veiligheid in de gevangenis. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en de wet van dezelfde datum houdende de oprichting van de strafuitvoeringsrechtbanken, vormen het gedrag van de gedetineerde binnen de gevangenis en dus ook eventuele tuchtbeslissingen te zijnen aanzien geen uitdrukkelijk door de wet voorziene tegenaanwijzingen meer voor de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit. Zodoende wordt met de tuchtsancties geen rekening gehouden, behoudens wanneer deze elementen een bewijs zouden vormen van een door de wet voorziene tegenaanwijzing. De verzoeker kan derhalve niet ernstig voorhouden dat de vastgestelde tuchtinbreuk het bewijs of zelfs het begin van bewijs vormt van één van de wettelijke tegenaanwijzingen, minstens maakt hij zulks niet aannemelijk. De verwerende partij merkt ten slotte op dat de verzoeker pas op 7 mei 2011 in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling.
  15. In zijn memorie van wederantwoord staaft de verzoeker zijn belang door te stellen dat hij het slachtoffer is van een overheidsorgaan dat op een onzorgvuldige en onredelijke manier is tewerk gegaan. Volgens de verzoeker is het IX-6318-4/10 kenschetsend dat de verwerende partij aanvoert dat een tuchtrechtelijke beslissing geen enkele negatieve invloed heeft binnen de muren van de gevangenis, terwijl zij het tuchtverleden van de verzoeker aangrijpt om de huidige feiten als waarheidsge- trouw te weerhouden. Beoordeling
  16. De verzoeker doet alleszins blijken van een moreel belang om de bestreden beslissing aan te vechten, waarbij middels een tuchtsanctie zijn gedrag in de gevangenis wordt afgekeurd. Daargelaten de vraag of het tuchtverleden een element is dat in aanmerking wordt genomen door de strafuitvoeringsrechtbanken, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker nog steeds een actueel belang heeft bij de nietigverkla- ring van de bestreden tuchtsanctie. De exceptie dient te worden verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoeker roept in zijn eerste middel de schending in van artikel 144, § 4, van de wet van de basiswet, in samenhang gelezen met de bepalingen van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei
  18. Volgens de verzoeker bepaalt artikel 144, § 4, van de basiswet dat de gedetineerde binnen de 24 uur na de overhandiging van het in artikel 144, § 3, bedoelde formulier aan de directeur dient gehoord te worden. Dit formulier werd aan de verzoeker overhandigd op 9 februari 2009, zodat hij uiterlijk op 10 februari 2009 diende gehoord te worden, wat niet is gebeurd. In de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 wordt onder punt C bevestigd dat de termijnen van de procedure strikt dienen nageleefd te worden. De verzoeker besluit dat de procedure niet werd gevolgd zodat hij zijn verdediging niet deugdelijk heeft kunnen voeren. IX-6318-5/10
  19. De verwerende partij antwoordt dat artikel 144 van de basiswet nog niet in werking is getreden, zodat de schending ervan niet nuttig kan worden aangevoerd. Zij stelt dat het tuchtregime van de gevangenen tot op heden wordt geregeld door artikel 77 en volgende van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, terwijl de tuchtprocedure wordt geregeld door de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei
  20. Deze ministeriële omzendbrief kan overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State niet dienen als middel tot nietigverklaring. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, bepaalt de ministeriële omzendbrief dat de gedetineerde dient gehoord te worden binnen de 7 dagen na ontvangst van het rapport aan de directeur, wat te dezen het geval was. Ten overvloede merkt de verwerende partij op dat de termijnen zoals bepaald in de omzendbrief niet gesanctioneerd worden met nietigheid. Beoordeling
  21. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, waar de verzoeker de schending aanvoert van artikel 144, § 4, van de basiswet, dit artikel nog niet in werking is getreden, zodat de verzoeker er zich niet kan op beroepen.
  22. Daargelaten de vraag in hoeverre een gedetineerde zich op een schending van de bepalingen van de omzendbrief kan beroepen tot staving van een beroep tot nietigverklaring, wordt vastgesteld dat noch de omzendbrief, noch enige andere tekst met een verordenend karakter voorziet in een sanctie op de overschrij- ding van de in de omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtproce- dure tegen een gedetineerde bedoelde termijnen. Het overschrijden van die termijnen, die van orde zijn, tast dan ook de regelmatigheid van de tuchtprocedure niet aan. Voorts voert de verzoeker niet aan op welke wijze het onzorgvul- dig handelen van de verwerende partij door het overschrijden van deze termijnen te dezen de uitoefening van zijn recht van verdediging heeft gehinderd.
  23. Het middel moet verworpen worden. IX-6318-6/10 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  24. De verzoeker roept in zijn tweede middel de schending in van de materiële motiveringsverplichting, de zorgvuldigheidsnorm en het beginsel betreffende het recht van verdediging in tuchtzaken. De verzoeker stelt vooreerst dat de motiveringsplicht impliceert dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen dienen te worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. De verzoeker laat gelden dat de bestreden beslissing is gesteund op twee tuchtrap- porten van 8 februari 2009 die gelet op hun onnauwkeurigheid en onjuistheid niet de basis kunnen vormen voor enige tuchtsanctie. De verzoeker stelt dat hij deze gebreken in de tuchtrapporten heeft opgeworpen in een nota ten behoeve van de gevangenisdirectie, doch dat in de bestreden beslissing op geen van de aangehaalde elementen werd ingegaan. De pertinente opmerkingen die de verzoeker heeft gemaakt op beide tuchtrapporten werden niet onderzocht in de bestreden beslissing, laat staan weerlegd. De tuchtsanctie is op onbestaande of niet voldoende bewezen feiten gegrond en is in rechte niet verantwoord. Zulks impliceert dat de overheid niet zorgvuldig heeft gehandeld en dat de rechten van de verdediging van de verzoeker werden geschaad.
  25. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de motiveringsplicht in tuchtzaken als doel heeft aan de betrokkene duidelijk te maken op grond van welke feiten de overheid besloten heeft tot het opleggen van een tuchtsanctie, waarom deze feiten als inbreuk worden aanzien en hoe de tuchtfeiten de tuchtmaatregel kunnen verantwoorden. Volgens de verwerende partij impliceert de motiveringsplicht niet dat de gevangenisdirecteur ertoe verplicht is te antwoorden op alle argumenten die door een gedetineerde worden aangevoerd. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig is geschied, of van de juiste feitelijke gegevens werd uitgegaan en of de appreciatiebevoegdheid om de feiten als tuchtfeiten te kwalifice- ren op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. Volgens de verwerende partij betwist de verzoeker enkel het bestaan van de tuchtinbreuk en ontkent hij de feiten zoals ze aan de directeur werden gerapporteerd. De verwerende partij benadrukt dat IX-6318-7/10 de Raad van State terzake slechts over een beperkte bevoegdheid beschikt. Zij stelt dat uit de rapporten blijkt dat de verzoeker zich op dezelfde dag twee maal bezondigde aan grof taalgebruik, het uiten van bedreigingen en het vertonen van fysieke weerspannigheid ten aanzien van het personeel. De verwerende partij betoogt dat de verzoeker geen enkel gegeven aanbrengt dat kan doen twijfelen aan de waarheidsgetrouwe rapportering van de feiten. Er dient volgens de verwerende partij te worden aangenomen dat de tuchtoverheid op grond van de haar voorgelegde rapporten kon besluiten dat de ten laste gelegde feiten bewezen waren. Wanneer ambtenaren door of krachtens de wet worden opgedragen schriftelijke verklaringen vast te leggen, kan dit niets anders betekenen dan dat hun verklaringen een verder strekkende bewijskracht hebben dan de verklaringen van een gewone burger in een akte. Aangezien de rapporten niet van valsheid werden beticht zijn het objectieve en waarheidsgetrouwe documenten.
  26. De verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord dat de feitenvinding onzorgvuldig gebeurde, dat bij het nemen van de bestreden beslissing onjuiste feitelijke gegevens in aanmerking werden genomen en dat de appreciatiebevoegdheid om de feiten al dan niet als tuchtfeit aan te merken niet op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. Hij laat gelden dat de vaststelling door de verwerende partij als zou de directeur bij het nemen van de beslissing “impliciet, doch duidelijk vastgesteld hebben dat er geen reden was om te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van de hem voorgelegde rapporten” geen enkele objectieve steun vindt in het administratief dossier. Nochtans had hij in zijn nota pertinente opmerkingen gemaakt bij de inhoud van beide tuchtrapporten waarbij kan worden getwijfeld aan de objectiviteit van de penitentiair beambte die de rapporten heeft opgesteld. Waar de verwerende partij stelt dat de opgestelde verklaringen bewijskracht hebben zolang de betrokken ambtenaren niet worden beticht van valsheid in geschrifte, stelt de verzoeker dat zulks enkel geldt voor beëdigde ambtenaren. De verzoeker voert voorts aan dat hij de feiten die door de verwerende partij werden aangevoerd, steeds ten stelligste heeft betwist. Uit zijn verweernota blijkt volgens de verzoeker duidelijk waarom de feiten zoals voorgesteld door de betrokken penitentiair beambte niet correct zijn en welke de beweegredenen waren voor voormelde beambte om de verzoeker te viseren. Door geen rekening te houden met voormelde argumenten heeft de directie op een kennelijk onredelijke wijze geoordeeld en verwordt de verzoeker tot slachtoffer van volstrekte willekeur en machtsmisbruik. IX-6318-8/10 Beoordeling
  27. Een tuchtbeslissing moet de redenen vermelden die de tuchtover- heid tot haar besluit hebben gebracht. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. De motivering moet afdoende zijn, wat inhoudt dat de motieven pertinent en draagkrachtig dienen te zijn. De motiveringsplicht vereist niet dat op elk argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd afzonderlijk wordt geantwoord. Wel dient te blijken dat de wezenlijke aspecten van het verweer van de gedetineerde bij de beoordeling werden betrokken. Het komt in de eerste plaats aan de directeur van de gevangenis toe om te bepalen welke gedragingen van de gedetineerde als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen. Evenzeer komt het aan de directeur toe om op basis van de weerhouden tuchtfeiten te bepalen welke tuchtsanctie dient te worden opgelegd. Omtrent de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, komt het dus niet aan de Raad van State, maar wel aan de directeur van de gevangenis toe om deze vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid en met de vereiste zorgvuldig- heid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen.
  28. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de bestreden tuchtsanctie is gesteund op twee rapporten die duidelijk aangeven dat de verzoeker zich weinig respectvol heeft uitgelaten over het gevangenispersoneel. Door een tuchtsanctie op te leggen en de feiten als bewezen te verklaren, geeft de directeur van de gevangenis aan, de argumenten zoals die uit de verweernota blijken, niet te aanvaarden en is hij van oordeel dat de feiten in de tuchtrapporten kunnen worden weerhouden aangezien deze rapporten opgesteld zijn door ambtenaren en redelijkerwijze als juist aanzien kunnen worden tot bewijs van het tegendeel. De verzoeker toont niet aan dat de tuchtoverheid door alzo te handelen niet naar recht en redelijkheid en met de vereiste zorgvuldigheid heeft opgetreden.
  29. Het middel dient verworpen te worden. IX-6318-9/10 BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6318-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.255 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.