← België

Arrest 204256 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.256 Rolnummer: A. 180736/IX-5558 Zaak: Arrest 204256 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.256 van 25 mei 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.256 van 25 mei 2010 in de zaak A. 180.736/IX-5558 In zake : Guy URGEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willie Dierick kantoor houdend te Aarschot Gijmelsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:

  1. de minister van Financiën
  2. de minister van Ambtenarenzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 1 februari 2007, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (OFO), meegedeeld bij schrijven van 5 december 2006, waarbij Guy URGEL niet geslaagd wordt verklaard voor de test van de gecertificeerde opleiding “Controle van de bedrijfsmiddelen bij een gewone BTW belastingplichtige”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De beide vertegenwoordigers van de verwerende partij hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-5558-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei
  5. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel Arnauts, die loco advocaat Willy Dierick verschijnt voor de verzoeker, inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoeker is ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën. 3.
  8. Na de gecertificeerde opleiding “Controle van de bedrijfsmiddelen bij een gewone BTW belastingplichtige” te hebben gevolgd, legt hij hierover op 3 juni 2006 de door het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (hierna: OFO) georganiseerde test af. Voornoemde test bestaat uit 40 multiple choice vragen. Uit het protocol nummer 538 van 22 november 2005 waarin de conclusies zijn opgenomen van de onderhandeling in het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten betreffende de nota over de docimologie met betrekking tot de gecertificeerde opleidingen - Principes van het testbeleid van het OFO, blijkt ondermeer dat voor elke multiple choice vraag vier antwoordalternatieven bestaan waarvan telkens slechts één juist is. De score wordt als volgt toegekend: 1 voor een correct antwoord, 0 voor geen antwoord en -0,5 voor IX-5558-2/16 een foutief antwoord. Om te slagen voor de gecertificeerde opleiding dient een deelnemer minstens 60% van de punten te behalen. Bij de test voert het OFO een kwaliteitscontrole “ex ante” en “ex post” uit. De controle “ex ante” gebeurt op basis van drie elementen: het gedetailleerde opleidingsprogramma in combinatie met de specificatietabel en de gefinaliseerde test. De controle “ex post” heeft betrekking op een analyse van de testresultaten zodat bepaalde anomalieën in de antwoorden kunnen gedetecteerd worden. Bij de controle “ex post” van voornoemde test wordt beslist om vraag 27 uit de test te annuleren, daar de vraag niet correct kan worden beantwoord. Daar de verzoeker 26 vragen juist heeft beantwoord, 10 vragen foutief heeft beantwoord en 3 vragen niet heeft beantwoord, behaalt hij een score van 21/39 of 53,85%. Hij wordt aldus als niet geslaagd beoordeeld, wat hem bij brief van 5 december 2006 wordt meegedeeld door de directeur-generaal van het OFO. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  9. Naar aanleiding van deze beslissing vraagt de verzoeker bij e-mail van 8 december 2006 om inzage in zijn examendossier. Met een e-mail van 11 december 2006 wordt de verzoeker uitgenodigd om op 19 december 2006 zijn dossier in te zien. Op voornoemde datum ziet de verzoeker effectief zijn dossier in. In een door hem ondertekend document deelt hij aan het OFO het volgende mee: “Aangezien er geen copies mogen genomen worden, geen nota’s meegenomen mogen worden, (geen fotocopies van de vragen, van de modelantwoorden, van mijn antwoord), ervaar ik dit als zijnde een schending van mijn recht tot verdediging: ik heb geen enkele controle terzake. Quid wat betreft de wet van april 1994 inzake de openbaarheid van bestuur?” Met een e-mail van 21 december 2006 vraagt de verzoeker hem alsnog kopieën te bezorgen van de betrokken vragen, modelantwoorden en het examenblad. Bij een negatieve reactie vraagt hij hem een examenreglement te bezorgen. IX-5558-3/16 IX-5558-4/16 IV. De rechtspleging Standpunt van de partijen
  10. In haar memorie van antwoord vraagt de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij buiten de zaak te worden gesteld, daar de bestreden beslissing niet uitgaat van de minister van Financiën, maar wel van het OFO. Hij wijst in dit verband op artikel 70bis, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, op grond waarvan het OFO zorgt voor de opleidingen of deze delegeert aan andere opleidingsinstellingen en in beide gevallen de leidinggevende ambtenaar van het OFO de valideringsgetuigschriften verstrekt, wanneer de opleiding met gunstig gevolg wordt afgesloten.
  11. De verzoeker wenst de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij in de zaak te behouden, aangezien een vernietigingsarrest er toe zou leiden dat het ministerie van Financiën de jaarlijkse certificeringspremie aan de verzoeker dient uit te keren. De verzoeker wijst voorts op een brief van 16 januari 2006 die uitgaat van het OFO in samenwerking met de FOD Financiën, die volgens hem duidelijk maakt dat het ministerie van Financiën betrokken partij is en blijft. Beoordeling
  12. Met de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij moet worden vastgesteld dat zij vreemd is aan de bestreden beslissing. Zij is geenszins betrokken geweest bij de totstandkoming van voornoemde beslissing, die uitsluitend tot de bevoegdheid van het OFO behoort, wat blijkt uit artikel 70bis, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel. Dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij geen deel heeft gehad aan de totstandkoming van de bestreden beslissing, blijkt trouwens uit het stuk 10 van het administratief dossier. In dit stuk met betrekking tot de inzage van het dossier betreffende de test van de betrokken gecertificeerde opleiding wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat bedoeld dossier een dossier van het OFO betreft en dat de rol van de FOD Financiën beperkt is tot de tussenkomst op materieel vlak. De verzoeker ontkent niet dat enkel het OFO over de bevoegdheid beschikt om dergelijke beslissing te nemen en dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij vreemd is aan deze beslissing. Dat uit een eventuele IX-5558-5/16 vernietiging door de Raad van State en een daaropvolgend gunstig resultaat voor deze certificeringstest zou volgen dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij eventueel ertoe gehouden zou zijn een premie uit te betalen, doet hieraan geen afbreuk. Voorts dient de brief van 16 januari 2006 uitgaande van het OFO in samenwerking met de FOD Financiën te worden beschouwd als een loutere instructie met betrekking tot de gecertificeerde opleiding, waaruit echter geenszins kan worden afgeleid dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij effectief deel heeft genomen aan de totstandkoming van de bestreden beslissing. Niets verzet zich dan ook tegen het inwilligen van het verzoek van de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij om buiten de zaak te worden gesteld. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  13. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij werpt als exceptie op dat het verzoekschrift krachtens artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement een uiteenzetting van de middelen dient te bevatten. Onder “middel” dient volgens hem te worden verstaan: “de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden”. Hij stelt dat de loutere uiteenzetting van de redenen waarom de bestreden beslissing nadelige gevolgen zal hebben, niet volstaat en dat de verzoeker zich dus niet kan beperken tot een kritiek op de bestreden beslissing. De verzoeker dient volgens hem aan te tonen dat die beslissing een welbepaalde rechtsnorm schendt, daar de Raad van State enkel bevoegd is om de wettigheid van de bestreden beslissing te toetsen. Te dezen stelt de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij vast dat de verzoeker weliswaar vier verschillende kritieken uitoefent op de organisatie en de verbetering van de betrokken proef, maar dat hij niet aantoont dat de gehanteerde werkwijze van aard is de bestreden beslissing onwettig te maken. IX-5558-6/16 De aangevoerde middelen zijn volgens de tweede vertegenwoordi- ger van de verwerende partij dan ook onontvankelijk.
  14. De verzoeker antwoordt dat zelfs indien de uiteenzetting van een of ander middel als summier zou overkomen, dan nog maakt deze uiteenzetting -samengelezen met het relaas van de feiten- een middel uit, dat dient te worden onderzocht. Voorts betoogt hij dat wanneer een middel duidelijkheid mist, het met het oog op de rechten van verdediging zo dient te worden begrepen als de verwerende partij het begrepen heeft. De Raad van State verwerpt immers de exceptio obscuri libelli, indien de verwerende partij, ondanks de afwezigheid van een duidelijke formulering van de middelen, er toch in slaagt middelen te onderkennen en deze vrij omstandig te beantwoorden. In dat geval worden de rechten van verdediging namelijk niet geschaad. Beoordeling
  15. Luidens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State dient het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” te bevatten. Onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden.
  16. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij kan niet worden gevolgd waar hij van mening is dat voorliggend beroep in zijn geheel niet ontvankelijk is bij gebrek aan een geldig middel. Zoals hierna zal blijken, bevat het verzoekschrift immers wel degelijk minstens één middel dat kan worden beschouwd als een rechtsmiddel in de zin van voornoemd artikel 2, § 1, 3/, en dat als dusdanig lijkt te zijn begrepen door de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij. Hierbij wordt opgemerkt dat het verzoekschrift in die zin zal worden onderzocht zoals het door de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij in de memorie van antwoord wordt begrepen. De exceptie kan niet worden aangenomen. IX-5558-7/16 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  17. In een eerste middel voert de verzoeker aan latere fouten of manipulaties niet meer te kunnen aantonen en evenmin fouten bij de gestelde vragen en opgegeven antwoorden te kunnen aanduiden, daar bij het beëindigen van de test op 3 juni 2006 geen kopieën van de ingeleverde examenstukken werden verstrekt, zijnde zijn antwoordblad en de bladzijden met de gestelde vragen en voorgestelde antwoorden. Hij wordt aldus weerloos gemaakt tegenover de overheid die het examen inricht en verbetert.
  18. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het praktisch niet haalbaar is aan alle kandidaten die deelnamen aan het examen afschriften van alle stukken te overhandigen. Hij wijst er voorts op dat de verzoeker heeft erkend het origineel van zijn antwoordblad te hebben kunnen raadplegen en ziet dan ook niet in welk belang de verzoeker heeft bij zijn middel. Bovendien bestaat volgens de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij geen rechtsplicht tot het overhandigen van een afschrift van alle examenstukken aan alle kandidaten, op de dag van het examen. Het middel is naar zijn oordeel dan ook onontvankelijk, minstens ongegrond.
  19. In zijn memorie van wederantwoord schrijft de verzoeker dat het middel gesteund is op de schending van de zorgvuldigheidsplicht in hoofde van de inrichtende overheid van de certificeringstest, en van de rechten van verdediging. Hij wijst er op dat het naar aanleiding van de inzage in zijn examendossier is, dat hij voorliggend beroep tot nietigverklaring heeft ingediend. IX-5558-8/16 Hij stelt voorts dat hij op het ogenblik van het afleggen van de test niet kon weten dat achteraf -naar aanleiding van de “ex post controle”- zou worden gesleuteld aan de kwaliteit van de gestelde vragen. Hij meent benadeeld te zijn door deze “ex post controle”, wanneer dit resulteert in het weglaten van bepaalde vragen. Gezien deze “ex post controle”, is volgens de verzoeker geen zekerheid weggelegd voor de kandidaat-examinandus op het ogenblik van het afleggen van de test. Bij de “ex post controle” kan het volgens hem blijkbaar alle kanten uit. Beoordeling
  20. Zoals reeds overwogen, dient, opdat een middel ontvankelijk zou worden aangevoerd in het verzoekschrift, op voldoende duidelijke wijze de overtreden rechtsregel daarin te worden omschreven alsook de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Er wordt vastgesteld dat de verzoeker in zijn verzoekschrift, wat het eerste middel betreft, nalaat op voldoende duidelijke wijze aan te geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht. Nochtans dient hij, eventueel summier, doch duidelijk, de beweerde schending van een rechtsregel of rechtsbeginsel door de bestreden beslissing aan te geven. In casu beperkt de verzoeker zich in zijn verzoekschrift tot de kritische bedenking dat op het OFO geen afschriften van ingeleverde examenstukken worden verstrekt, waardoor hij weerloos wordt gemaakt ten overstaan van de inrichtende overheid. De gebrekkige uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift, kan door de verzoeker niet worden rechtgezet door voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord de schending van de zorgvuldigheidsplicht en van de rechten van verdediging aan te voeren. Bovendien geeft de verzoeker een nieuwe grondslag aan het middel door in zijn memorie van wederantwoord de grief aan te voeren met betrekking tot de onzekerheid bij het afleggen van de test omwille van de “ex post controle”. Dit komt neer op het aanvoeren van een nieuw middel, wat slechts op ontvankelijke wijze in de memorie van wederantwoord kan geschieden, indien de verzoeker dit niet eerder had kunnen doen. Te dezen echter had de verzoeker bij het indienen van het inleidend verzoekschrift reeds inzage gehad van zijn examendos- IX-5558-9/16 sier en was hij aldus op dat ogenblik reeds in staat zijn grieven zoals ontwikkeld in zijn memorie van wederantwoord te formuleren. Bijgevolg is het middel niet ontvankelijk. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  21. In een tweede middel stelt de verzoeker dat het recht op inzage werd gereduceerd tot het louter inzien van de stukken van het examendossier, zonder dat van enig stuk een kopie kon worden verkregen, zelfs niet na een uitdrukkelijk verzoek. Hierdoor wordt het volgens hem onmogelijk gemaakt voor de ambtenaar die inzage neemt van zijn examendossier om controle uit te oefenen op de correctheid van de vragen en antwoorden. Hij kan aldus geenszins zijn recht van verdediging in tweede aanleg voor welke instantie dan ook uitoefenen. Omwille van de complexiteit van de aard van het examen en de complexiteit van het onderwerp van de gestelde vragen, kunnen volgens de verzoeker deze vragen niet beoordeeld worden op hun juridische, administratieve en taalkundige juistheid zonder de raadpleging van diverse bronnen. Bovendien wijst hij er op dat tijdens de voorbereidende lesdagen nadrukkelijk is gesteld dat de vragen en antwoorden uit de toen voorgestelde syllabus zouden komen. Bij de inzage van het examendossier werd evenmin ter kennis gebracht welke bronnen als basis hadden gediend voor het opstellen van de vragen en antwoorden.
  22. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat verzoekers kritiek niet de bestreden beslissing zelf betreft, doch de mate waarin de regels inzake de openbaarheid van bestuur al dan niet nageleefd werden. Nu de verzoeker enkel kritiek uit op de manier waarop de consultatie van de examenbladen geschiedde, kan het middel volgens de tweede vertegenwoordiger van de verweren- de partij niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden en is het bijgevolg onontvankelijk. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij stelt voorts dat de kandidaten het origineel van hun examenblad mogen inkijken samen met een exemplaar van het model antwoordformulier, dat niets de kandidaten belet IX-5558-10/16 om hierbij hun cursus of enig ander tekstmateriaal te raadplegen om de juistheid van de vragen en de antwoorden na te gaan en dat het hen ook vrij staat om de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij over de juistheid van een vraag of antwoord te interpelleren.
  23. De verzoeker repliceert, in antwoord op het argument dat het middel geen betrekking zou hebben op de bestreden beslissing zelf, dat blijkt dat hij bij het formuleren van het middel tracht duidelijk te maken dat hij zich totaal verongelijkt voelt door de thans bestreden beslissing. Hij meent dat zijn betoog ontegensprekelijk rechtstreeks verband houdt met het zich niet kunnen neerleggen bij de bestreden beslissing. De verzoeker ontkent niet dat in de mogelijkheid tot inzage is voorzien en dat hij daar gebruik van heeft gemaakt. Het gaat hem echter om de wijze waarop dat inzagerecht dient te gebeuren. Dit maakt volgens hem een schending uit van de zorgvuldigheidsplicht in hoofde van de inrichtende overheid van de certificeringstest. Het feit dat de regels inzake de openbaarheid van bestuur niet werden nageleefd, heeft volgens de verzoeker precies tot gevolg dat de bestreden beslissing mank loopt en terecht kan worden bestreden als gebrekkig tot stand gekomen. De verzoeker meent dat zijn belangen overduidelijk geschaad zijn, precies omwille van het arbitrair karakter van de beslissing. Beoordeling
  24. De verzoeker voert aan dat zijn recht op inzage beperkt wordt en dat hij daardoor zijn recht op verdediging in tweede aanleg niet kan uitoefenen. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij geeft aan in het middel een schending van de regels inzake de openbaarheid van bestuur te kunnen onderken- nen. Het middel dient dan ook te worden gelezen in de zin zoals het door hem is begrepen. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat de wijze waarop het OFO het inzagerecht heeft georganiseerd, een van de beslissing betreffende het al dan niet geslaagd verklaren van de verzoeker afgescheiden beslissing is, waartegen de verzoeker kan opkomen volgens de specifieke door artikel 8, § 2, van de wet van IX-5558-11/16 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur voorgeschreven procedure. De eventuele onregelmatigheid van de beperking van het inzagerecht van de verzoeker beïnvloedt geenszins de wettigheid van de thans bestreden beslissing. Bijgevolg kan het middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  25. In een derde middel voert de verzoeker aan dat het examendossier geen proces-verbaal bevat in verband met de wijze van verbetering en quotering van de door hem afgelegde test. Het is volgens hem dan ook onmogelijk om te beoordelen of dit gebeurd is volgens ernstige en consequente normen, of integendeel opportunistische redenen dienden. Hij meent dat het bijgevolg onmogelijk is beroep in te stellen tegen de gehanteerde werkwijzen.
  26. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het examen uitsluitend uit meerkeuzevragen bestond en dat de verzoeker zowel zijn origineel examenblad als het model antwoordformulier heeft mogen raadplegen, wat ruimschoots moet volstaan om na te gaan of de hem toegekende punten al dan niet op correcte wijze werden berekend. Voorts bestaat er volgens de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij geen rechtsplicht tot het opstellen van een proces-verbaal in verband met de wijze van verbetering en quotering van de test.
  27. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat het zijn intentie is met dit middel te verduidelijken dat de motiveringsplicht zoals voorgeschreven door het protocol nummer 538 van 22 november 2005 niet werd nagekomen. Volgens de verzoeker ontbreekt elke motivering in de bestreden beslissing. Hij voert derhalve de schending aan van de motiveringsplicht in hoofde van de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij als inrichtende macht van de certificeringstest. IX-5558-12/16 Beoordeling
  28. Zoals reeds uiteengezet, dient, opdat een middel ontvankelijk zou worden aangevoerd in het verzoekschrift, op voldoende duidelijke wijze de overtreden rechtsregel te worden omschreven alsook de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De verzoeker laat in zijn inleidend verzoekschrift na op voldoende duidelijke wijze aan te geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht door de bestreden beslissing. Hij duidt zelfs niet op summiere wijze de door hem geschonden geachte rechtsregel aan. Hij beperkt zich in zijn inleidend verzoekschrift tot een kritiek in verband met de door het OFO gehanteerde werkwijze, meer bepaald het feit dat het OFO geen proces-verbaal heeft opgesteld in verband met de wijze van verbetering en quotering van de test. De gebrekkige uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift kan niet worden rechtgezet door de verzoeker, door voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord de geschonden geachte rechtsregel, met name de motiveringsplicht, aan te duiden. De verzoeker kan dit slechts op ontvankelijke wijze doen, zo hij dit op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift niet heeft kunnen doen. Dit was te dezen echter niet het geval. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  29. In een vierde middel betoogt de verzoeker dat de vraag nr. 27 blijkbaar bij de verbetering van de test werd geannuleerd, terwijl dergelijke annulering van een vraag volgens hem logischerwijze dient te gebeuren vóór het begin van de test. Hij meent dat dergelijke werkwijze, met name het mogelijks opnemen van foutieve vragen of van vragen met meerdere antwoordmogelijkheden in de test, niet past in een normaal meerkeuzevragenexamen en evenmin vóór het begin van de test werd aangekondigd. IX-5558-13/16
  30. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat de verzoeker na het annuleren van die ene vraag een resultaat behaalde van 21/39 of 53,85%, wat niet wordt betwist. Indien die vraag niet zou zijn geannuleerd en de verzoeker deze correct zou hebben beantwoord, zou hij een resultaat hebben behaald van 22/40 of 55%. De annulering van die vraag heeft de verzoeker dan ook niet geschaad en de verzoeker heeft derhalve geen belang bij het vierde middel, zo stelt de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij.
  31. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de verzoeker naar de brief van 16 januari 2006 uitgaande van het OFO in samenwerking met de FOD Financiën, waarin wordt gesteld dat de deelnemer verschillende antwoordmogelijk- heden krijgt gepresenteerd, waarvan één correct is en alle andere foutief. De verzoeker meent aldus te zijn misleid. In zoverre het OFO de “ex post controle” hanteert, is deze werkwijze volgens de verzoeker volkomen arbitrair. In de mate dat deze “ex post controle” in casu slechts één problematische vraag aan het licht heeft gebracht, vormt dit volgens hem op zichzelf reeds een probleem, wanneer de kandidaten de test afleggen. Bovendien meent hij dat het een louter eenzijdige bewering van de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij is dat slechts sprake zou zijn van één problematische vraag. In dat verband verwijst de verzoeker naar stuk 4 van het administratief dossier betreffende de resultaten van de “ex post controle”, dat hem volstrekt onbekend was op het ogenblik van het afleggen van de test. De verzoeker is van oordeel dat voornoemde brief van 16 januari 2006 aldus volledig wordt uitgehold en dat de door het OFO gehanteerde werkwijzen een inbreuk uitmaken op het zorgvuldigheidsbeginsel in hoofde van de inrichtende overheid van de certificeringstest. De verzoeker merkt voorts op dat hij wel degelijk de beslissing van 5 december 2006 en dus meteen ook de toekenning van de punten betwist door de bezwaren die hij heeft uitgebracht. Aan de hand van deze uiteenzetting blijkt volgens de verzoeker tevens dat het rechtzekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn geschonden. Hij stelt verder dat de schending van het vertrouwensbeginsel kan gekoppeld worden aan de schending van het gelijkheidsbeginsel. Ter zake verwijst hij naar deze toelichting, maar ook naar de andere middelen. IX-5558-14/16 Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, verwijst de verzoeker nog naar het koninklijk besluit van 25 april 2004 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de competentiemetingen, in het bijzonder naar artikel
  32. Krachtens deze bepaling hebben personeelsleden die genieten van een syndicaal verlof in de hoedanigheid van vaste afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie immers ambtshalve recht op de verhoging in weddeschaal in hun graad en ontvangen zij ambtshalve de competentietoelage, vastgesteld voor hun graad, zonder een competentiemeting te moeten afleggen. Beoordeling
  33. Zoals reeds overwogen, dient, opdat een middel ontvankelijk zou worden aangevoerd in het verzoekschrift, op voldoende duidelijke wijze de overtreden rechtsregel te worden omschreven alsook de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De verzoeker laat in zijn inleidend verzoekschrift na op voldoende duidelijke wijze aan te geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht door de bestreden beslissing. Hij duidt zelfs niet op summiere wijze de door hem geschonden geachte rechtsregel aan. Hij beperkt zich in zijn inleidend verzoekschrift opnieuw tot een kritiek in verband met de door het OFO gehanteerde werkwijze, die erin bestaat bij de verbetering van de test een vraag te annuleren en vragen te stellen die foutief zouden zijn of meerdere antwoordmoge- lijkheden inhouden, en dit in strijd met de voorafgaande aankondigingen. De gebrekkige uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift kan niet worden rechtgezet door de verzoeker door voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord de geschonden geachte rechtsbeginselen, met name het zorgvuldigheids- rechtszekerheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, aan te duiden. De verzoeker kan dit slechts op ontvankelijke wijze doen, zo hij op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift dit niet kan doen. Dit was te dezen echter niet het geval. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. IX-5558-15/16 BESLISSING
  34. De eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij wordt buiten de zaak gesteld.
  35. De Raad van State verwerpt het beroep.
  36. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5558-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.