id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.324 Rolnummer: A. 94564/X-9698 Zaak: Arrest 204324 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.324 van 26 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 204.324 van 26 mei 2010 in de zaak A. 94.564/X-
- In zake:
- Jo STRUYVEN
- Nathalie STRUBBE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de stad BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 BRUSSEL Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering Tussenkomende partij: de c.v.b.a. ROVA gevestigd te 1000 BRUSSEL Congresstraat 5 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jorden Wouters kantoor houdend te 1700 DILBEEK Kaudenaardestraat 13 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 augustus 2000, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 25 mei 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel waarbij aan de c.v.b.a. R.O.V.A. de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het realiseren van een insprong met lichtopeningen in de achtergevel van een gebouw gelegen aan de Karthuizerstraat 19 te 1000 Brussel. X-9698-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 93.339 van 16 februari 2001 wordt het verzoek tot tussenkomst van de c.v.b.a. ROVA in de vordering tot schorsing ingewilligd en worden de debatten heropend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Gilles Blondeau, die loco advocaat Jorden Wouters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Voor wat betreft de relevante feiten kan worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting ervan in het hiervoor vermelde arrest nr. 93.339 van 16 februari
- 3.
- Voorts blijkt uit een verklaring van alle partijen ter terechtzitting dat de bij de vrederechter aanhangig gemaakte zaak met betrekking tot de muurgemeenheid na bijna tien jaar nog steeds hangende is. IV. Ontvankelijkheid
- De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over X-9698-2/6 de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Onderzoek van de vordering 5.
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van “de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en van “de Bijlage I en Bijlage II van het besluit van de Brusselse regering van 6 juli 1992”, “Doordat het bestreden besluit niettemin bouwvergunning verleent, zonder dat uit de tekst zelf van het bestreden besluit blijkt waarom voorbij kon gestapt worden aan de omstandigheid dat de aanvrager geen exclusief eigenaar is van (van) de muur in kwestie, waardoor geen openingen konden vergund worden in de door de aanvrager ontworpen constructie; Terwijl, de loutere verwijzing naar enerzijds het advies van de gemachtigde ambtenaar en anderzijds naar het advies van de Overlegcommissie, de vergunningverlenende overheid er niet van ontslaat zelf te motiveren waarom de vergunning kan worden verleend; dat de vermelding in artikel 1 van het bestreden besluit geen eigen motivering bevat, aangezien deze exact dezelfde is als het in bijlage gevoegd advies van de gemachtigd ambtenaar; dat de formele motiveringswet vereist dat de vergunningverlenende overheid een eigen beoordeling laat blijken uit de tekst van het besluit zelf; dat dit in casu niet gebeurd is (schending van de formele motivering); dat de loutere herhaling van het advies van de gemachtigde ambtenaar overigens zelf geen draagkrachtige motivering inhoudt, aangezien de gemachtigde ambtenaar zich heeft gesteund op een manifest onjuiste feitelijke X-9698-3/6 voorstelling van zaken, nu de aanvrager liet uitschijnen dat hij alleen de exclusieve eigenaar was van de gemene muur; dat de opname in artikel 2 van het bestreden besluit van een vergunningsvoorwaarde waarbij verwezen werd naar een scheidingsmuur, er precies op wijst dat de overheid geen rekening heeft gehouden met de juiste feitelijke en juridische toedracht nopens die muur (schending van de materiële motivering en rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag); dat de overheid nochtans door de bezwaren van verzoekers tijdens de vergadering van de overlegcommissie gewaarschuwd was en niettemin op onzorgvuldige en kennelijk onredelijke wijze vergunning gaf; dat de Raad reeds in zijn arrest van 16 juni 1981 nr. (...) heeft bevestigd dat, wanneer de overheid pertinent weet of behoort te weten dat de aanvrager geen hoedanigheid heeft, in casu om in een gemene muur openingen aan te brengen, en deze openingen nu net de essentie vormen van de aanvraag, de overheid de vergunning niet vermag te verlenen; dat de aanvrager verzoekers had moeten notificeren middels de Bijlage II van het Besluit van 6 juli 1992 betreffende de samenstelling van het dossier van de bouwaanvraag (artikel 6,3/); dat de aanvrager in de bijlage I ten onrechte liet uitschijnen dat hij exclusief eigenaar was, omdat hij zeer goed wist dat hij anders geen bouwvergunning zou krijgen; Zodat, de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt”. Beoordeling 5.
- Te dezen blijkt, gelet op de betwisting hieromtrent, niet dat “de overheid pertinent weet of behoort te weten dat de aanvrager geen hoedanigheid heeft, in casu om in een gemene muur openingen aan te brengen”. Het middel komt op het eerste gezicht in wezen neer op een schending van burgerlijke rechten. Stedenbouwkundige vergunningen worden verleend onder voorbehoud van de geldende burgerlijke rechten. 5.
- Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Noch de vergunningverlenende overheid, noch de Raad van State zijn op het eerste gezicht bevoegd om over de in het geding zijnde burgerlijke rechten uitspraak te doen. 5.
- Het middel is niet ernstig. X-9698-4/6 Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 114 van de Ordonnantie van 29 augustus 1991 betreffende de planificatie en de stedenbouw, de “formele en materiële motivering” en van artikel 8 van “het besluit van de Brusselse regering van 29 juli 1992”, “Doordat, kennelijk geen rekening werd gehouden met de bezwaren van verzoekers die deze herhaald hebben tijdens de vergadering van de Overlegcommissie; Terwijl de afgifte van de bouwvergunning aantoont dat de bezwaar-en concertatieprocedure dode letter is gebleven; dat immers de commissie een unaniem gunstig advies heeft gegeven zonder dat uit de tekst zelf van het advies blijkt dat er rekening werd gehouden met deze bezwaren; dat evenmin kan begrepen worden waarom over het fundamenteel probleem geen woord wordt gerept door de commissie zelf; dat de commissie enkel verslag heeft gegeven van de bezwaren zonder deze te behandelen; dat de doelstelling van de inspraak-en overlegprocedure er precies in bestaat bezwaren te behandelen op gevaar af dergelijke procedure onwerkzaam te maken; dat krachtens artikel 8 van het Besluit van 29 juni 1992 de commissie moet beraadslagen over het te geven advies en dit advies zelf ook met redenen omkleed moet zijn; dat het bestreden besluit evenmin te kennen geeft waarom met de bezwaren geen rekening wordt gehouden; dat het nochtans om een fundamentele aangelegenheid ging; Zodat, de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt”. Beoordeling 5.
- Het middel komt op het eerste gezicht in wezen neer op een schending van burgerlijke rechten. 5.
- Om de redenen hiervoor uiteengezet onder de randnummers 5.
- en 5.
- is ook het tweede middel niet ernstig. 5.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-9698-5/6 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Johan Bovin X-9698-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.324 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.93.339 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div