← België

Arrest 204326 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.326 Rolnummer: A. 195373/X-14512 Zaak: Arrest 204326 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.326 van 26 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 204.326 van 26 mei 2010 in de zaak A. 195.373/X-14.512. In zake: 1. Marc DE COSTER 2. Jean GALLANT 3. Jan LAVERS 4. Seraphinus VAN DER CRUYS 5. Chris VAN SCHAVENDYK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Hertegonne kantoor houdend te 1731 ZELLIK Noorderlaan 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering beide bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Rudy BAYENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan De Smet kantoor houdend te 1700 DILBEEK Ninoofsesteenweg 244 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 28 januari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - het besluit van 14 oktober 2008 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan Rudy Bayens de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor “het aanleggen van een bedrijfsgebonden biogasinstallatie” op een perceel gelegen te Ternat, Pangaardenstraat 2, kadastraal bekend sectie D, nr. 196/k, en, X-14.512-1/14 - het besluit van 12 november 2009 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat wordt verworpen, en beslist wordt dat voormeld besluit van 14 oktober 2008 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant zijn rechtskracht herneemt. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gilles Blondeau, die loco advocaat Matthias Hertegonne verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Met een op 25 februari 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Rudy Bayens om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. X-14.512-2/14 IV. Feiten 4.1. Op 6 december 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een bedrijfsgebonden biogasinstallatie op een perceel gelegen te Ternat, Pangaardenstraat 2, kadastraal bekend sectie D, nr. 196/k. De beschrijvende nota gevoegd bij de aanvraag, vermeldt onder meer wat volgt: “Het betreft een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor de constructie van een bedrijfsgebonden biogasinstallatie. Deze installatie omvat een hoofdvergister en een navergister, een technisch lokaal voor de motoren en de middenspanning, sleufsilo’s, een opslag voor digestaat in een gesloten mestzak, bijkomende betonverharding ter hoogte van de installatie en het trekken van een electriciteitsleiding tot aan het net”. 4.2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is het betrokken perceel gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 4.3. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 12 december 2007 tot 10 januari 2008, worden negen bezwaarschriften en twee petitielijsten ingediend. 4.4. Bij besluit van 13 mei 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning op grond van volgende motieven: - de biogasinstallatie zal gelegen zijn in een waardevol agrarisch gebied tussen twee natuurgebieden; - de wegeninfrastructuur is niet van aard om zelf beperkte aanvoer van nabij- of verafgelegen grondstoffen te verwerken; - de installatie is gelegen in de nabijheid van talrijke woningen en er zijn onvoldoende waarborgen dat lawaai- en geurhinder geen abnormale burenhinder zouden veroorzaken. X-14.512-3/14 4.5. Op 17 juni 2008 stelt de tussenkomende partij beroep in tegen voormeld weigeringsbesluit bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant. 4.6. Bij het als eerste bestreden besluit van 14 oktober 2008 willigt de deputatie het beroep in en verleent zij de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. 4.7. Op 13 november 2008 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat beroep in bij de Vlaamse regering tegen het voormelde deputatiebesluit. 4.8. Met een op 27 maart 2009 ter post aangetekend verzonden brief deelt het college van burgemeester en schepenen van Ternat aan het Departement RWO mee wat volgt: “Het College van Burgemeester en Schepenen heeft in zitting van 17 maart 2009 beslist het ingediende beroep in te trekken gelet op de afgeleverde milieuvergunning dd. 12/02/09 door de Bestendige Deputatie”. 4.9. Bij het als tweede bestreden besluit van 12 november 2009 verwerpt de Vlaamse minister van van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat, en beslist dat voormeld besluit van 14 oktober 2008 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant zijn rechtskracht herneemt. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant werpt op het eerste gezicht terecht op dat het college van burgemeester en schepenen beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse regering op grond van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), en dat, gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep bij de minister, de vordering tot schorsing van het besluit van de deputatie van 14 oktober 2008, niet ontvankelijk is. X-14.512-4/14 VI. Onderzoek van de vordering 6.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen Eerste middel 6.2. In een eerste middel voeren de verzoekers onder meer de schending aan van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur; “Doordat de bestreden stedenbouwkundige vergunning de inplanting van een biogasinstallatie voor de productie van elektriciteit op basis van mest, gras en maïs toestaat in landschappelijk waardevol agrarisch gebied op 10m van natuurgebied en het perceel van verzoeker en op minder dan 100m van de woningen van verzoekers, derwijze dat de woningen en tuinen van verzoekers op onduldbare wijze beroofd worden van uitzicht, rust en genot; Dat de inplanting van de geplande silo’s voor vergisting en nagisting (elk met diameter 16m en hoogte 7,28m), de sleufsilo (37,50m op 20m en hoogte 1,80m) en het lokaal voor warmteverdeling (hoogte 3,80m), en het bouwen van een foliebassin (58,00 m op 23,00 m), de schoonheidswaarde van het landschap zeker zal aantasten. Terwijl, de vergunningverlenende overheid de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening enkel doet in functie van artikel 11.4.1 van het KB van 28 december 1972 zonder rekening te houden met de vereisten van artikel 15.4.6.1 van het KB van 28 december 1972. En terwijl, in landschappelijk waardevol agrarische gebieden, krachtens artikel 15.4.6.1. van het K.B. van 28 december 1972, agrarische activiteiten en constructies weliswaar zijn toegelaten, doch ingevolge de nadere aanwijzing als ‘landschappelijk waardevol’ bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen, of aan landschapsontwikkeling te doen, hetgeen impliceert dat de beslissingnemende overheid dient te evalueren of een dergelijke biogasinstallatie als para-agrarische inrichting kan worden beschouwd en meer belangrijk of zij esthetisch haar plaats kan hebben in zulk een gebied (...). (...) X-14.512-5/14 En terwijl uit de bestreden bouwvergunning niet blijkt dat de overheid, bij het verlenen van de vergunning, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, noch dat zij die correct heeft beoordeeld, noch dat zij op grond daarvan in alle redelijkheid tot een besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de te vergunnen bouwwerken al dan niet schade toebrengt aan de goede ruimtelijke ordening (...). (...) TOELICHTING 1. In het landschappelijk waardevol agrarisch gebied dient de overheid de inplanting te toetsen aan een dubbel criterium met name enerzijds een planologisch (agrarisch gebied) en anderzijds een esthetisch (landschappelijke waarde) (...). Zo moeten landschapsbepalende elementen zoals hagen, bomenrijen, oude hoeven, vrije uitzichten, enzovoort, zorgvuldig gevrijwaard worden, en dient bij de inplanting van nieuwe constructies rekening gehouden te worden met de eigenheid van het gebied (...). Deze toetsing is uiteraard onafhankelijk van de vraag of een dergelijke industriële inplanting wel thuishoort in agrarisch gebied. Wat betreft het industrieel karakter van dergelijke installaties dient te worden verwezen naar een verdict van de Nederlandse Raad van State d.d. 22 augustus 2007 waarin deze oordeelt dat om van een agrarisch bedrijf te kunnen spreken, er sprake dient te zijn van het voortbrengen van een agrarisch product, waarbij zij duidelijk heeft gesteld dat het opwekken van energie hier niet onder valt (...). (...) 2. Een toetsing aan het esthetisch criterium is niet gebeurd of minstens onvoldoende en zou zeker negatief uitvallen zoals blijkt uit het verslag van stedenbouwkundige en landschapsarchitect Martin Schoukens dd 15 september 2006 (...), waarvan de conclusies luiden als volgt: ‘4. Invloed van de inplanting op het bestaande landschap De inplanting van de biogasinstallatie (niet alleen de inplanting van de installatie - silo’s, vergistingskuipen ed.), maar ook het transport (met de verharding van de toegangswegen die dienen gerealiseerd) van de drijfmest, GFT-afval ed. met zwaar vervoer (30 ton en meer) zal een niet herstelbare schade aan dit kleinschalig landschap (lees landschapsstructuur) teweegbrengen. Het voorzien van wat inheems (schaam)groen zal deze landschapsschade niet kunnen voorkomen. Wij spreken dan nog niet van de milieubalans die met zekerheid negatief zal uitvallen voor deze ondoordachte inplantingsplaats. 5. Conclusie: Dergelijke installatie hoort thuis in een industriegebied waar de aan- en afvoer geen extra milieulast teweegbrengt, alsook de mogelijke reuk- en geluidshinder aanvaardbaar is. In dit gave kleinschalig landschappelijk waardevol valleigebied is de inplanting van dergelijke installatie (hoe waardevol ook voor het behalen van de Europese groene stroomnorm) niet duurzaam en getuigt niet van enige zin om te streven naar een duurzame ruimtelijke ordening’, Uit het verslag van deskundige Schoukens blijkt trouwens dat ook de invloed van een dergelijk project (hetgeen volgens de overheid para-agrarisch is, doch waarvan niet te ontkennen valt dat het een industrieel karakter heeft) niet is getoetst: - op de ontwikkelingsmogelijkheden t.o.v. de twee natuurgebieden waartussen het landschappelijk waardevol gebied gekneld is; - op de aangrenzende waardevolle biologische gebieden. X-14.512-6/14 3. Terzijde moet worden opgemerkt dat derde verzoeker (wonend op 100 meter van de geplande constructie) die op 14 mei 2006 een aanvraag indiende bij het college van burgemeester en schepenen te Ternat om in het betrokken agrarisch landschappelijk waardevol gebied een paar bomen te planten als groenscherm zag zich deze aanvraag geweigerd op 25/07/2006 omdat de voorgestelde werken een storende invloed zouden hebben op de basisbestemming van het agrarisch gebied en structurele schade zou veroorzaken aan de openheid van het gebied (...). Met andere woorden de overheid erkend de openheid van het gebied als één van de belangrijke pijlers die dient te worden beschermd en dus als ‘landschappelijk waardevol’ element moet worden beschermd. In de bestreden beslissing spreekt diezelfde overheid zichzelf meermaals tegen. 4. Zo overweegt de bestendige deputatie in de beslissing dd. 14 oktober 2008 dat een groenscherm in de toekomst wordt gepland rondom de inrichting. Van een behoud van een open landschap (...) is nu blijkbaar geen sprake meer of is plots de behoefte hiertoe verdwenen... Waar de overheid nu eens spreekt van een ‘versnipperd landschap’ is dit gebied enkele pagina’s verder plots een ‘structureel voor het overige weinig aangetast gebied’ (...). Daarnaast acht de overheid de ruimtelijke impact van de vergistingsinstallatie beperkt, maar bedekt ze de verstoring van het landschap door te stellen dat (...) hieraan zal worden verholpen door een groenscherm en dat het bedrijf voldoende ‘ingegroend’ zal zijn. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waaruit precies de verplichting van de begunstigde bestaat om een groenscherm op te richten en hoe dit zal moeten worden opgericht. Nochtans moet de overheid, zeker wat betreft de ruimtelijke ordening, voldoende precies kunnen aanduiden hoe de ruimtelijke impact zal worden verholpen. Dit is niet het geval. De omwonenden hebben derhalve geen enkele garantie op het aanplanten van een groenscherm (iets dat per definitie enkele jaren nodig heeft om zich te ontwikkelen). Bovendien is het aanplanten van een groenscherm geen vrijbrief voor de geplande inbreuk op het esthetische component van (

  1. de)gewestplanbestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’: (...) 6. Wat betreft de verenigbaarheid van de in te planten constructie die duidelijk een industrieel karakter heeft, en het landschappelijk waardevol agrarisch gebied wordt door de overheid voornamelijk verwezen naar de omzendbrief RO/2006/01 doch gaat men voorbij aan de algemene principes van het inrichtingsbesluit zoals gespecificeerd in artikel 15.4.6.1. en artikel 11.4.1 Ten eerste is volgens de omzendbrief RO/2006/01 een dergelijke installatie slechts verantwoord in functie van de ter plaatse gevestigde landbouw- en veeteeltbedrijven en vooral om onnodig transport te vermijden (punt 3.2.2. van de omzendbrief). Hier zal het omgekeerde gebeuren van wat de Omzendbrief beoogt: mest uit andere regio’s zal aangevoerd worden. Uit de betrokken aanvraag blijkt niet duidelijk de noodzaak tot inplanting op deze welbepaalde plaats. Het bedrijf zelf heeft geen mestoverschotten! Vervolgens wordt geenszins aangetoond dat de lokale bedrijventerreinen binnen de gemeente of de naburige gemeente geen inplantingsplaatsen kunnen aanbieden voor de beoogde bedrijvigheid. Wat de overheid echter vergeet is dat de omzendbrief RO/2006/01 inderdaad een kader schept voor de inplanting van een zonevreemde activiteit in ‘gewoon’ X-14.512-7/14 agrarisch gebied, doch dat voorts ook en vooral rekening moet worden gehouden met het esthetisch criterium als ‘landschappelijk waardevol’ gebied. Dit is onverenigbaar, gelet op het voorgaande, waardoor de motivering aan de basis (van) de bestreden beslissing vals is. De Raad van State is bevoegd om na te gaan of de overheid bij het verlenen van de vergunning is uitgegaan van juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in alle redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de te vergunnen bouwwerken al dan niet schade toebrengt aan de goede ruimtelijke ordening. (...)”. Beoordeling 6.3. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 6.4. Artikel 11, 4.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) bepaalt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft (...)”. Overwegende dat artikel 15, 4.6.1. van hetzelfde besluit bepaalt : “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Uit de samenlezing van artikel 11, 4.1. en artikel 15, 4.6.1. volgt dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst : 1) een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen X-14.512-8/14 werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en 2) een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap; De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
  2. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Uit een en ander volgt dat de minister in de beslissing over de vergunningsaanvraag zelf de concrete gegevens dient te vermelden waarop hij zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengt, en dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht, enkel rekening kan houden met de feiten en de beoordeling ervan die in het bestreden besluit zelf zijn vermeld. 6.5. Uit de goedgekeurde plannen blijkt dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor het bouwen van een biogasinstallatie, omvattende twee ronde silo’s met een totale hoogte van 7,50 m (silo’s met een hoogte van 5 m met daarboven een kunststof membraan voor de opvang van gas dat X-14.512-9/14 tot 2,50 m boven de silo kan uitsteken), aansluitend een technisch lokaal van 13 m op 10,50 m met een plat dak met een hoogte van 3,80 m, twee gekoppelde sleufsilo’s van 37,50 m op 10 m met een hoogte van 1,50 m evenals een opvangbekken omgeven door een aarden wal met een hoogte variërend van 1 m tot 1,50 m. 6.6. Het tweede bestreden besluit bevat met betrekking tot de verenigbaarheid met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol gebied, de volgende motieven: “10/ Er is geen strijdigheid vast te stellen met artikel 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. (...) 11/ Uit landschappelijk oogpunt wordt de impact van de diepere insnijding in het landschap grotendeels ondervangen door de laaggelegen ligging in de vallei van de Terlindenbeek. De bedrijfssite is historisch gegroeid binnen een structureel voor het overige weinig aangetast gebied. Voor de uitbreiding van de bedrijfssite werden diverse stedenbouwkundige vergunningen afgeleverd met een aanzienlijke bebouwing tot gevolg. Hierdoor werd in het verleden als ingestemd met een bestendiging van de bedrijvigheid op deze plaats, met de visuele impact vandien. De constructies hebben een beperkte hoogte zodat de zichtbaarheid vanuit de hoogte gereduceerd wordt. De uitbreiding houdt een oppervlaktetoename in van 22% en een volumeuitbreiding van 26%, wat ondergeschikt blijkt aan de bestaande uitbating. De bebouwingsdruk wordt niet aanzienlijk opgedreven. De aanvrager voorziet bovendien een 5 meter breed groenscherm dat het project verder aan het zicht zal onttrekken. De impact uit landschappelijk oogpunt is beperkt. Het ontwerp is dan ook verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening”. 6.7. Zoals hiervoor reeds uiteengezet zijn landschappelijk waardevolle gebieden krachtens artikel 15, 4.6.1. van het inrichtingsbesluit gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen, en mogen in deze gebieden alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, evenwel op voorwaarde dat zij “de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Dit moet blijken uit de motivering van het bestreden besluit. 6.8. Uit de gegevens van de zaak, in het bijzonder de neergelegde foto’s, blijkt, zoals in de hiervoor vermelde motivering van het besluit overigens uitdrukkelijk wordt bevestigd, dat het gaat om een structureel weinig aangetast gebied. X-14.512-10/14 De vallei van de Terlindebeek maakt ter plaatse deel uit van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, zodat de ligging van de te bebouwen percelen in het lagergelegen gedeelte ervan als zodanig op het eerste gezicht geen reden kan zijn om aan te nemen dat de betrokken bouwwerken de schoonheidswaarde van dat gebied niet in gevaar brengen. De omstandigheid dat de site historisch gegroeid is en dat voor de uitbreiding van de bedrijfssite diverse stedenbouwkundige vergunningen werden afgeleverd met een aanzienlijke bebouwing tot gevolg, waardoor in het verleden al is ingestemd met een bestendiging van de bedrijvigheid op deze plaats, met de visuele impact vandien, ontslaat de vergunningverlenende overheid er niet van elke nieuwe aanvraag in concreto aan de hand van de specifieke kenmerken ervan te beoordelen, en te onderzoeken of deze de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengt. Deze argumenten lijken op zich dan ook geen grond te kunnen bieden om het te beschermen landschap nog verder aan te tasten. Hetzelfde dient te worden gesteld met betrekking tot de argumentatie dat de vergunde bouwwerken in oppervlakte en volume minder groot zijn dan de reeds bestaande bebouwing. Tenslotte is het niet omdat een bouwwerk door de aanleg van een groenscherm aan het zicht zal worden onttrokken, dat de schoonheidswaarde van het landschap erdoor niet in het gedrang kan worden gebracht. De voorziene aanleg van een groenscherm wijst er integendeel op dat ook door de minister wordt aangenomen dat de door het gewestplan erkende en te vrijwaren schoonheidswaarde van het landschap door de voorziene bouwwerken wordt geschonden of alleszins geschonden dreigt te worden. Het bestreden besluit bevat op het eerste gezicht geen afdoende motivering waaruit blijkt dat de vergunde bouwwerken de krachtens artikel 15. 4.6.1. van het inrichtingsbesluit te vrijwaren schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. 6.9. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Uiteenzetting 7. In het verzoekschrift zetten de verzoekers het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen als volgt: X-14.512-11/14 “De begunstigde beschikt naast een stedenbouwkundige vergunning eveneens over een milieuvergunning toegekend bij ministerieel besluit van 27 augustus 2009. Hierdoor beschikt hij wel degelijk over de mogelijkheid om de bouw van de mestverwerkingsinstallatie daadwerkelijk te starten en zo snel als mogelijk de exploitatie aan te vatten. De uitspraak in een annulatieprocedure laat vermoedelijk jaren op zich wachten waardoor moet worden verwacht dat intussen de werken zijn aangevat en de vernietiging geen enkel nuttig effect meer kan sorteren. 2. Uit de kadastrale plannen (...) blijkt dat verzoeker(
  3. s)rechtstreeks buren zijn wiens woningen ingeplant zijn op enkele tientallen meter op de aangrenzende percelen van de plaats waar de inplanting zal gebeuren. Zoals gezegd, is het nadeel imminent nu de exploitant onmiddellijk met de bouw van de mestverwerkingsinstallatie zou kunnen staten (cf. supra). Het nadeel dat verzoekers zullen lijden, bestaat in de eerste plaats in de onomkeerbare zichtschade die verzoekers zullen lijden. Daarnaast moeten verzoekers op een even dreigende en onomkeerbare wijze de verstoring dulden van het evenwicht tussen de percelen doordat zij aan aanzienlijke geur-, geluids- en mobiliteitshinder zullen worden blootgesteld en aan een toegenomen risico wat betreft ontploffingsgevaar (hetgeen niet voldoende is onderzocht). Daarnaast bestaat in het algemeen het nadeel van verzoekers in de aantasting van de gewestplanbestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3. In vergelijkbare bouwvergunningsdossiers heeft Uw Raad in het arrest nr. (...) d.d. 9 september 1999 aanvaard dat het aan één van de omwonenden ontnemen van het zicht op groen een ernstig nadeel uitmaakt in hoofde van de verzoekende partij. Zelfs een belemmering van het uitzicht op de skyline van Brussel is door Uw Raad als een moeilijk te herstellen nadeel aangenomen. 4. Wat dan ook te denken van het nadeel (dat) verzoekers onomkeerbaar zullen lijden wanneer de door de vergunning toegelaten constructie zou worden opgetrokken. Verzoekers zullen verplicht worden - mede doordat de constructie wordt ingeplant op een korte afstand van de perceelsgrenzen van eerste en tweede verzoeker (maar ook van de andere verzoekers) waardoor de zichtschade enorm zal zijn. (sic) 5. Door de inplanting van dergelijke verwerkingsinstallatie zullen verzoekers daarnaast worden blootgesteld aan een doordringende geur- en geluidsoverlast. Maar belangrijker nog, uit de documenten die uit de ons omringende landen en zelfs de incidenten uit ons eigen land staat onomstotelijk vast dat het inplanten van deze installatie een ontploffings- en brandgevaar inhoudt, zeker wanneer de silo’s vlak bij de perceelsgrenzen zijn opgetrokken (...). 6. Deze ernstige nadelen zullen nooit kunnen goedgemaakt worden door toekomstige herstelmaatregelen omdat deze vooreerst onzeker zijn en verder slechts kunnen worden bekomen na afloop van een lange procedure en tenslotte niet het nadeel dekken dat werd ondervonden gedurende deze periode (...)”. X-14.512-12/14 Beoordeling 8.1. Uit het door de verzoekers neergelegde kadasterplan en de luchtfoto met aanduiding van het bouwperceel en de woonplaats van de respectievelijke verzoekers, blijkt dat de verzoekers sub 1 en 3 wonen in de onmiddellijke nabijheid, respectievelijk schuin achter en schuin tegenover het bouwperceel en hierop een rechtstreeks zicht hebben. Gelet op de aard en de omvang van de vergunde bouwwerken maken zij aannemelijk dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning hun wat de visuele impact betreft een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 8.2. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat het verzoekschrift wat de verzoekers sub 1 en 3 betreft afdoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. In de huidige stand van het geding dient het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partijen sub 2, 4 en 5 derhalve niet te worden onderzocht. 8.3. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het tweede bestreden besluit te bevelen. BESLISSING 1. Het verzoek van Rudy Bayens tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van het besluit van 12 november 2009 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat wordt verworpen, en beslist wordt dat het besluit van 14 oktober 2008 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, waarbij aan Rudy Bayens de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor “het aanleggen van een bedrijfsgebonden biogasinstallatie” op een perceel gelegen te Ternat, X-14.512-13/14 Pangaardenstraat 2, kadastraal bekend sectie D, nr. 196k, zijn rechtskracht herneemt. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Johan Bovin X-14.512-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.326 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.324 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.