id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.334 Rolnummer: A. 186947/VII-37721 Zaak: Arrest 204334 - Monumenten en Landschappen - 27/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.334 van 27 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 204.334 van 27 mei 2010 in de zaak A. 186.947/VII-37.
- In zake:
- Martha MONBALIU
- Geert LAGROU
- Hendrik LAGROU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te Assebroek Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 februari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 23 november 2007 waarbij het voormalig pachtgoed van het kasteel d'Aertrycke, gelegen aan de Aartrijkestraat, de Steenveldstraat 1 en de Zeeweg te Torhout, als monument wordt beschermd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. VII-37.721-1/10 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 mei
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laura Valgaeren, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn onverdeelde eigenaars van het voornoemd perceel gelegen te Torhout, op de kruising van drie wegen, namelijk de Steenveldstraat, de Aartrijkestraat en de Zeeweg. Op dit perceel staat een pachthoeve. De eerste verzoekster betrekt deze pachthoeve. 3.
- De partijen betwisten niet dat het perceel overeenkomstig het gewestplan Diksmuide-Torhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 februari 1979, gelegen is in woongebied met landelijk karakter. 3.
- Sedert 2003 vragen de verzoekende partijen verscheidene verkavelings- en stedenbouwkundige vergunningen aan voor dit perceel. VII-37.721-2/10 3.
- Op 17 februari 2005 wordt hen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Torhout de vergunning verleend tot het slopen van een stalling en schuur en het bouwrijp maken van het perceel. 3.
- Door de tweede en de derde verzoeker wordt op 1 december 2005 voor dit perceel een stedenbouwkundige vergunning aangevraagd voor het bouwen van meerdere appartementen en garages, bijhorende infrastructuur en afbraak van de bestaande woning. Meer bepaald beoogt de aanvraag de afbraak van de hoeve en het bouwen van 26 gestapelde woongelegenheden, verdeeld over drie volumes, met 35 garages, waarvan 23 ondergronds. De gemachtigde ambtenaar verleent op 28 maart 2006 een ongunstig advies. Op 7 april 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Torhout de vergunning. Op 6 juli 2006 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het tegen voornoemd weigeringsbesluit ingestelde beroep niet in te willigen en de vergunning te weigeren. 3.
- In een motiveringsnota van 20 september 2006 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om de zogenaamde pachthoeve "Lagrou" of "Het hof der drie Koningen", gelegen te Torhout, Aartrijkestraat, Steenveldstraat 1 en Zeeweg, bekend ten kadaster : Torhout, 1ste afdeling, sectie A, perceelnummer 12E2 (deel) te beschermen als monument omwille van de historische en sociaal- culturele waarde. 3.
- Bij ministerieel besluit van 24 november 2006 wordt de voormelde zogenaamde pachthoeve "Lagrou" of "Het hof der drie Koningen" als monument opgenomen op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van het voorlopig beschermingsbesluit wordt op 30 november 2006 naar de verzoekende partijen en de betrokken besturen verstuurd. De verzoekende partijen hebben ten aanzien van dit besluit bij de Raad van State een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingediend, gekend onder A. 180.609/X-13.
- Bij tussenarrest nr. 173.299 van 6 juli 2007 wordt de vordering tot schorsing afgewezen en bij eindarrest nr. 180.094 van 25 februari 2008 wordt de afstand van het geding vastgesteld. VII-37.721-3/10 3.
- De verzoekende partijen dienen op 28 december 2006 daartegen bezwaar in. 3.
- In een verslag "Opmerkingen en bezwaarschriften" van 22 juni 2007 worden de ingediende bezwaarschriften besproken. 3.
- De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 5 juli 2007 haar advies. 3.
- De motiveringsnota wordt hierop aangepast. 3.
- Bij besluit van de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 23 november 2007 wordt voormeld voormalig pachtgoed van het kasteel d'Aertrycke definitief als monument beschermd. Dit besluit wordt aan de verzoekende partijen aangetekend verzonden op 10 december
- IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 5, § 2, 2/, en 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van de artikelen 4, § 2, en 5, § 9, 1/ en 2/ van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het formeel en materieel motiveringsbeginsel. Zij stellen dat de door hen ingediende bezwaren niet onderzocht zijn door de KCML en dat het verslag van de KCML van 5 juli 2007 en het bestreden besluit noch de ingediende bezwaren, noch de redenen waarom deze bezwaren worden afgewezen, vermelden. Voorts stellen de verzoekende partijen dat VII-37.721-4/10 de verwerende partij zelf geen onderzoek heeft verricht omdat zij de motivering van de KCML heeft overgenomen en ook niet gesteld heeft er te kunnen mee instemmen. Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat niet precies uit te maken is welke leden van de KCML de regering van advies hebben gediend.
- De verwerende partij antwoordt dat de bezwaren van de verzoekende partijen onderzocht en weerlegd zijn in het verslag van de afdeling Monumenten en Landschappen van 22 juni 2007 en dat deze weerlegging van de bezwaren getoetst wordt door de KCML. Zij stelt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat het advies van de KCML een belangrijke garantie inhoudt naar de deugdelijkheid van de motieven en dat de KCML en de bevoegde minister kunnen verwijzen naar een reeds gemaakte studie of beoordeling van de adviezen en bezwaren en deze kunnen onderschrijven. Volgens de verwerende partij kan men uit het feit dat de KCML moet worden gehoord vooraleer een definitieve beschermingsbeslissing wordt genomen, niet afleiden dat het te verlenen advies met redenen omkleed moet zijn en volstaat een gunstig advies bij de bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Zij stelt dat de KCML te dezen een met redenen omkleed advies gegeven heeft omdat de KCML adviseerde na kennis te hebben genomen van het verslag "Opmerkingen en bezwaarschriften" van 22 juni 2007, en na beraadslaging éénparig besliste tot het adviseren van de bescherming omwille van de beschermingswaarden die ook opgenomen zijn in het voorlopig beschermingsbesluit. De verwerende partij betwist dat wanneer het advies van de KCML overeenstemt met dat van de afdeling Monumenten en Landschappen, dit gelijk staat met een ongemotiveerd advies en dat de KCML andere beschermingswaarden moet vermelden wanneer zij instemt met de beschermingswaarden aangehaald door de afdeling Monumenten en Landschappen. Volgens de verwerende partij betekent het feit dat de bevoegde minister zich aansluit bij het standpunt van de afdeling Monumenten en Landschappen niet dat de bevoegde minister een verkeerde of ongemotiveerde beoordeling heeft gemaakt. Voorts stelt de verwerende partij dat de formele motiveringsplicht geen verplichting schept om in het beschermingsbesluit expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming werden ingebracht. Zij stelt dat uit het administratief dossier blijkt dat de bezwaren van de verzoekende partijen zijn onderzocht, dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gemotiveerd omwille van welke beschermingswaarden wordt beschermd en dat het advies van de KCML met éénparigheid van stemmen verleend is. VII-37.721-5/10
- De verzoekende partijen repliceren in een eerste onderdeel dat het verslag "Opmerkingen en bezwaarschriften" van 22 juni 2007 minstens en uiterlijk samen met het bestreden besluit aan hen ter kennis had moeten worden gebracht, dat niet vaststaat dat dit verslag een authentiek document is dat uitgaat van de afdeling Monumenten en Landschappen en dat de afdeling Monumenten en Landschappen decretaal niet belast is met het onderzoek van de ingediende bezwaren. Volgens hen gebeurt het bezwarenonderzoek op het niveau van de KCML, is het verslag van de afdeling Monumenten en Landschappen na de zitting van 5 juli 2007 bekrachtigd en is het advies van de KCML eveneens pas na 5 juli 2007 definitief tot stand gekomen, waaruit moet blijken dat geen regelmatig en wettig onderzoek is gebeurd van hun bezwaren. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de tussenkomst van de minister zich beperkt heeft tot het overnemen van het advies van de KCML zonder het dossier persoonlijk onderzocht te hebben.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de voorbereidende fase bij de bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten geen openbaar onderzoek omvat, maar wel een grondig onderzoek, uitgevoerd door deskundigen, van de beschermingswaarde van een goed en dat dit principieel deskundig standpunt de inhoudelijke motivering vormt van het ontwerp van lijst. Volgens de verwerende partij kunnen tijdens de fase van adviezen en openbaar onderzoek bestuurlijke instanties, eigenaars en derden hun standpunt bekendmaken, maar voorziet het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten niet in het bezorgen van een antwoord aan de betrokkenen. Zij stelt voorts dat de bezwaren aanleiding kunnen geven tot een nieuw, verruimd plaatsbezoek en dat de bezwaren beoordeeld worden en worden onderverdeeld in bezwaren die al dan niet betrekking hebben op de beschermingswaarden. In het eerste geval kan de beoordeling leiden tot het (deels) gegrond of niet gegrond bevinden ervan en betekent het feit dat de motivering van het voorlopig beschermingsbesluit, van het definitief beschermingsbesluit, van het advies van de afdeling Monumenten en Landschappen en van de KCML dezelfde is, dat de reeds uitgedrukte motieven, na onderzoek, kunnen worden volgehouden of bevestigd. In het tweede geval wijzigt de beoordeling van de bezwaren niets aan de beschrijving en omschrijving van de beschermingswaarden. De verwerende partij argumenteert dat een betrokkene de motieven van het voorlopig en van het definitief beschermingsbesluit kent, dat het administratief dossier alle ingewonnen adviezen en ingediende bezwaren, opmerkingen en verslagen bevat en dat de adviezen deel VII-37.721-6/10 uitmaken van de administratieve beschermingsprocedure, maar geen deel uitmaken van de motiveringsverplichting. Zij stelt dat indien een betrokkene alle adviezen wil kennen, zij het administratief dossier kan raadplegen en dat het doel van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) er niet in bestaat om van elke administratieve handeling een bundel te maken dat het administratief dossier bevat. Met betrekking tot het door haar aangehaalde arrest van de Raad van State nr. 196.531 van 30 september 2009 stelt de verwerende partij dat het feit dat in het definitieve beschermingsbesluit niet expliciet geantwoord wordt op de bezwaren, niet betekent dat men de reden tot het voortzetten van de procedure niet zou kennen, maar dat de reden van voortzetting erin bestaat dat het bestuur van oordeel is dat de beschermingswaarden, zoals omschreven in het definitieve beschermingsbesluit, aanwezig zijn. De verwerende partij concludeert dat een voorlopig of definitief beschermingsbesluit aan de motiveringsverplichting voldoet indien in het beschermingsbesluit een afdoende beschrijving en omschrijving is opgenomen van de beschermingswaarden. Beoordeling
- De verwerende partij betwist niet dat de verzoekende partijen op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift geen kennis hadden van het verslag van 22 juni 2007 waarin hun bezwaren onderzocht en beantwoord worden. Het advies van de KCML, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, bevat geen antwoord op hun bezwaren. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het bezwaarschrift van de verzoekende partijen onderzocht en beantwoord werd. Aan de verzoekende partijen is alleen het bestreden beschermingsbesluit meegedeeld en dat besluit beperkt er zich toe in zijn aanhef te verwijzen naar het ministerieel besluit van 24 november 2006 houdende ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten en naar het advies van de KCML van 5 juli
- Het besluit tot voorlopige bescherming van 24 november 2006 en de motiveringsnota werden weliswaar meegedeeld aan de verzoekende partijen, maar bevatten zelf geen nuttige formele redengeving die toestaat te begrijpen waarom, spijts de bezwaren van de verzoekende partijen, het monument van algemeen belang is en de beschermingsprocedure is voortgezet. VII-37.721-7/10 Noch uit de aanhef, noch uit de inhoud van het bestreden besluit kan worden afgeleid dat de bezwaren van de verzoekende partijen zijn onderzocht en beantwoord en dat die niet van die aard waren om de overheid er toe te brengen de beschermingsprocedure niet voort te zetten. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De mogelijkheid die door artikel 5, §2, 3/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten aan de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers wordt gegeven om hun opmerkingen en bezwaren in te dienen tegen de ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten, zou dode letter zijn indien, spijts de ernst waarmee de overheid de voorbereidende fase van de adviezen en het openbaar onderzoek heeft gevoerd, de voornoemden niet op de hoogte worden gesteld van het lot dat aan hun opmerkingen en bezwaren is gegeven. In de redenering van de verwerende partij zou bovendien elke eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of vruchtgebruiker in een beschermingsprocedure een annulatieberoep moeten instellen alvorens door kennisname van het administratief dossier te kunnen nagaan of de door hem ingediende bezwaren in rekening zijn genomen en waarom gebeurlijk zijn bezwaren zijn verworpen. Het bestreden besluit bevat geen enkele nuttige formele redengeving die toestaat te begrijpen waarom de beschermingsprocedure werd voortgezet, de bezwaren van de verzoekende partijen ten spijt. Aan het bestreden beschermingsbesluit is een brede raadpleging voorafgegaan, onder meer van de verzoekende partijen. De verwerende partij is er bijgevolg toe gehouden de ingediende adviezen, opmerkingen en bezwaren te onderzoeken én bij haar VII-37.721-8/10 beoordeling te betrekken. In de gegeven omstandigheden wordt niet aangetoond dat de verzoekende partijen voldoende op de hoogte van de motieven van de eindbeslissing zijn en derhalve in de mogelijkheid verkeerden om met kennis van zaken tegen het bestreden besluit op te komen. Het blijkt integendeel dat de verzoekende partijen volledig in het ongewisse zijn gebleven van het al dan niet onderzocht zijn van hun bezwaren tot op het ogenblik dat zij, slechts na en omwille van het instellen van hun annulatieberoep, inzage verkregen van het administratief dossier. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 23 november 2007 waarbij het voormalig pachtgoed van het kasteel d'Aertrycke, gelegen aan de Aartrijkestraat, de Steenveldstraat 1 en de Zeeweg te Torhout, als monument wordt beschermd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro. VII-37.721-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.721-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div