id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.406 Rolnummer: A. 196525/IX-6803 Zaak: Arrest 204406 - Penitentiair recht - 27/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-28 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:48 Fiche Arrest nr 204.406 van 27 mei 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 204.406 van 27 mei 2010 in de zaak A. 196.525/IX-6803 In zake : Frederik SPITTAEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Saartje Demeersseman kantoor houdend te Brugge Maria van Bourgondiëlaan 7b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 24 mei 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de beslissing van 19 mei 2010 van de gevangenisdirecteur te Brugge waarbij aan Frederik Spittael de tuchtsanctie wordt opgelegd van “twee weken strikt” voor de periode van 20 mei 2010 tot 2 juni
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010 om 14.00 uur. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6803-1/5 Advocaat Saartje Demeersseman, die verschijnt voor de verzoeker, en attaché Jorn Brewaeys, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Brugge. 3.
- Op 14 mei 2010 wordt tegen hem een verslag aan de directeur opgesteld. Volgende feiten worden daarin vermeld: “Betrokkene komt terug van het sport en stelt vast dat hij geen warm water heeft gekregen omdat zijn thermos niet klaar stond. Hij eist onmiddellijk warm water en zegt dat ik er op moet toezien dat hij warm water krijgt zelfs al is er geen aanduiding als het koffie of water moet zijn. Hij eist een onmiddellijke tussenkomst van de PBAP. Hij eist vervolgens om te gaan douchen maar gaat eerst naar het bureel en probeert het blad met de telefoonreservaties te vernietigen door het te herleiden tot een prop papier. Dit gebeurt in de aanwezigheid van andere gedetineerden waarop ze furieus reageren en er onenigheid ontstaat. Hij beweert dat er een complot tegen hem is met het personeel en andere gedetineerden samen.” 3.
- Op 16 mei 2010 verschijnt de verzoeker met zijn raadsvrouw op de hoorzitting. Zij verklaren daar: “Betrokkene stelt dat hij vriendelijk heeft gevraagd na fitness om te douchen, en mocht. Toen hij op cel zag dat zijn thermos niet gevuld was door hulpfatiek, is er een discussie ontstaan. Stelt dat hulpfatiek perfect weet dat hij telkens water wil. Betrokkene stelt dat er vaak problemen zijn met tijdstip waarop men kan bellen, was daardoor gefrustreerd. Directeur wijst er op dat eisend gedrag niet kan. Betrokkene ontkent dat hij eisen heeft gesteld. Advocaat stelt dat betrokkene wordt uitgedaagd door andere gevangenen, en is daardoor gefrustreerd. Betrokkene zou bereid zijn om zich te excuseren bij de betrokken beambte. Betrokkene stelt dat er op de wandeling een incident is geweest, naar aanleiding van een vorig rapport. Personeel heeft dat niet gezien. IX-6803-2/5 Betrokkene stelt dat hij vaak wordt uitgedaagd, maar daar steeds niet probeert op in te gaan. Stelt voor om hem naar een andere sectie te verhuizen.” 3.
- Op 19 mei 2010 treft de gevangenisdirecteur twee beslissingen: - de thans bestreden tuchtstrafbeslissing. Zij is door de volgende motieven gedragen: “Betrokkene kreeg een ‘Rapport aan directeur’ voor verstoren orde. De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort (Art. 106 § 1 van de Basiswet 12.1.2005).” - een ordemaatregel waarbij de verzoeker gemuteerd wordt naar sectie 35A of 35B met “een minder gunstig regime”. IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Uiteenzetting
- Volgens de verzoeker beperkt de bestreden tuchtstrafbeslissing, waarbij hij twee weken strikt krijgt opgelegd met daarbovenop een telefoonverbod, zijn rechten in sterke en onherstelbare mate. Hij moet nu ook gaan verblijven in een gesloten sectie en in een duo-cel, wat hem restricties oplevert zoals: geen open zaal voor contacten, minder sport, geen mogelijkheid om te koken. Het strikt regime beperkt zijn mogelijkheden: bezoek achter glas, geen gezamenlijke activiteiten, individuele wandeling, niet werken, geen les volgen, geen sport, enz. en daarbij komt voor hem het telefoonverbod. Dit telefoonverbod, waardoor hij de steun van zijn familieleden moet ontberen, belet dat hij “mentaal gezond blijft in de gevan- genis”; zijn vader is hartpatiënt die regelmatig gehospitaliseerd wordt en hij wil daarom nauwe contacten met hem onderhouden; zijn vader zal zich ongerust maken, IX-6803-3/5 nu hij zelfs niet de gelegenheid gehad heeft om hen van het telefoonverbod te verwittigen. Hij besluit: “de transfer naar de gesloten sectie voor onbeperkte duur, het opgelegd strikt regime en het telefoonverbod wordt ervaren als een ernstig nadeel”. Beoordeling
- De verzoeker heeft het voorwerp uitgemaakt van twee onderschei- den maatregelen, die niet met elkaar vermengd mogen worden: een ordemaatregel waarbij hij wegens de gepleegde feiten naar een andere sectie wordt overgeplaatst en een tuchtmaatregel waarbij hij gestraft wordt voor zijn misdraging. De ordemaatregel is geen gevolg van de tuchtstraf en noch deze maatregel zelf noch het nadeel dat daaraan toegeschreven wordt kan als een gevolg van de tuchtstraf worden aangemerkt.
- De indeling bij een andere sectie in het kader van de organisatie van het leven in de gevangenis, is een maatregel van zuivere organisatie van de dienst die in het algemeen buiten het vernietigingscontentieux valt. Dat de betrokkene dergelijke overplaatsing als nadelig ervaart is geen reden om tot de bevoegdheid van de Raad van State te besluiten; overigens heeft de verzoeker die maatregel niet tot het voorwerp van de onderhavige vordering gemaakt.
- De verzoeker legt het nadeel dat verbonden is met de tenuitvoer- legging van de opgelegde tuchtstraf in het feit dat “zijn rechten” worden beperkt. Dat is evenwel geen nadeel dat volgt uit de beslissing, maar is er precies het voorwerp van. En met de verwijzing naar het glasbezoek, de onmogelijkheid van gezamenlijk activiteiten, de verplicht individuele wandeling, de onmogelijkheid om te werken, te sporten en les te volgen beschrijft hij enkel de inhoud van het begrip “strikt regime”, zonder aan te duiden waarom dat voor hem een nadeel, laat staan een ernstig nadeel met zich brengt.
- Iets preciezer is de verzoeker wel wat betreft het telefoonverbod: hij verwijst naar het ontnemen van de noodzakelijke psychologische steun van zijn familieleden en naar het gewenste contact met zijn vader, die zich ongerust zal maken. IX-6803-4/5 Het ontberen van contacten met nauwe verwanten mag dan wel een persoonlijk nadeel betreffen, maar gelet op de korte periode waarvoor het verbod uitgesproken wordt, is het zeker niet als ernstig te aanzien. Bovendien is dat contact niet uitgesloten aangezien hij nog steeds bezoek achter glas kan ontvangen, zodat het dan ook niet aannemelijk is dat de verzoeker blijvende schade van die belemmering ondervindt. De verwarring waarin de verwanten van de verzoeker kunnen komen doordat zij vanuit de gevangenis geen oproep ontvangen is daarentegen geen persoonlijk nadeel van de verzoeker.
- Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet aangetoond. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt om die reden verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6803-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.406 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.393 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div