id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.504 Rolnummer: A. 186077/IX-5799 Zaak: Arrest 204504 - Spoorwegen - 31/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-07 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-30 04:48 Fiche Arrest nr 204.504 van 31 mei 2010 Economische zaken - Spoorwegen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 204.504 van 31 mei 2010 in de zaak A. 186.077/IX-5799 In zake: Gabriël VAN DER CRUYSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kurt Demeester kantoor houdend te Gent Kortrijksesteenweg 535 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NMBS-HOLDING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris Van Olmen kantoor houdend te Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 28 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzende beslissing van de raad van bestuur van de NMBS-Holding over het beroep dat Gabriël Van Der Cruyssen heeft ingediend tegen de beslissingen van het directiecomité van de NMBS van 16 september 1996 en 17 februari 1997 houdende respectievelijk de intrekking van zijn basistoelage en aanvullende functietoelage en de wijziging van zijn aanschrij- ving van “zeer goed” in “goed”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van IX-5799-1/8 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kurt Demeester, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Veronique Leroy, die loco advocaat Chris Van Olmen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een eenslui- dend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker was als ingenieur tewerkgesteld bij de NMBS, thans de NMBS-Holding. Ingevolge onregelmatigheden die door de verzoeker begaan zouden zijn in een dossier met betrekking tot een geschil tussen de NMBS en de NV BETONAC-BETON over de bestelling van dwarsliggers, beslist het directieco- mité van de NMBS op 16 september 1996 om de basistoelage en het weddesupple- ment die aan de verzoeker waren toegekend in te trekken en op 17 februari 1997 om zijn evaluatie te wijzigen van “zeer goed” in “goed”. De verzoeker stelt daartegen beroep in bij de districtsdirecteur, maar dat beroep wordt door de verwerende partij als niet ontvankelijk beschouwd. Hij stelt vervolgens beroep in bij de Raad van State (zaak A. 76.756/IX-869). In zijn arrest nr. 167.931 van 16 februari 2007 oordeelt de Raad van State dat de verzoeker niet ontvankelijk een beroep tot nietigverklaring kan indienen tegen beslissingen van het directiecomité, omdat op grond van artikel 3 van hoofdstuk XIII van het IX-5799-2/8 personeelsstatuut van de NMBS een georganiseerd administratief beroep mogelijk is bij de raad van bestuur. Inmiddels heeft de verzoeker op 22 augustus 2000 tegen de voormelde beslissingen van het directiecomité beroep ingesteld bij de raad van bestuur van de NMBS. Op 4 januari 2001 antwoordt de hoofdadviseur-dienstchef aan de verzoeker dat het instellen van een dergelijk hiërarchisch beroep de hoedanigheid van actief bediende van de NMBS vereist en dat die voorwaarde in hoofde van de verzoeker niet meer vervuld is, vermits hij sedert 1 juni 1998 vroegtijdig op pensioen is gesteld. Hij besluit dat het beroep niet ontvankelijk is. De verzoeker bestrijdt deze beslissing met een beroep tot nietigverklaring (zaak A. 101.258/IX-2752). De Raad van State vernietigt ze bij arrest nr. 167.932 van 16 februari 2007 om reden dat alleen de raad van bestuur over het beroep, en dus ook over de eventuele niet-ontvankelijkheid ervan, kan beslissen. 3.
- Met een op 29 mei 2007 ter post aangetekend verzonden brief maant de verzoeker de raad van bestuur aan om zijn beroep tegen de beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997 binnen de vier maanden te behandelen. Hij voegt eraan toe dat “bij gebreke daaraan [de raad van bestuur] wordt verondersteld akkoord te gaan met de gegrondheid van het beroep en de hervorming van de genomen beslissingen”. Wanneer hij na meer dan vier maanden nog geen reactie heeft ontvangen vanwege de verwerende partij, dient de verzoeker het voorliggende verzoekschrift in tot nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzende beslissing van de raad van bestuur. 3.
- Op 26 november 2007 beslist het directiecomité van de NMBS- Holding verzoekers beroep voor te leggen aan de raad van bestuur. 3.
- De raad van bestuur bevestigt op 30 november 2007 de beslissing van de hoofdadviseur-dienstchef dat verzoekers beroep niet ontvankelijk is omdat hij niet langer de hoedanigheid van actief personeelslid heeft. De notulen van de vergadering van de raad van bestuur verwoorden deze beslissing als volgt: IX-5799-3/8 “De raad van bestuur van de NMBS-Holding bevestigt de beslissing van de heer Vanlommel van 4 januari 2001 waarbij het door de heer Van der Cruyssen aangetekend hiërarchisch intern administratief beroep tegen de beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997 onontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van de hoedanigheid van actief bediende. Het formuleren van een hiërarchisch intern administratief beroep, gebaseerd op artikel 3 van Hoofdstuk XIII van het Statuut van het Personeel, onderstelt de hoedanigheid van actief bediende bij de NMBS. Aangezien deze voorwaarde niet vervuld is door de heer Van der Cruyssen, gelet op de neerlegging van zijn betrekking door vroegtijdige oppensioenstelling wegens invaliditeit sedert 1 juni 1998, is het bij de raad van bestuur ingediend beroep onontvankelijk.” 3.
- Met een aangetekende brief van 20 december 2007 stelt de directeur-generaal van de NMBS-Holding de verzoeker in kennis van deze beslissing. Deze kennisgeving maakt melding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. IV. Ontvankelijkheid
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het voorliggende beroep zijn voorwerp heeft verloren, doordat de raad van bestuur op 30 november 2007 uitdrukkelijk heeft beslist dat verzoekers administratief beroep onontvankelijk is en de verzoeker met een aangetekende brief van 20 december 2007 in kennis werd gesteld van deze beslissing. Zij laat voorts gelden, “voor zoveel als nodig”, dat de aanmaning die de verzoeker haar op 29 mei 2007 heeft gezonden, niet kan worden beschouwd als een aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, omdat vooreerst de verzoeker niet refereert aan deze wetsbepaling en bovendien de gevolgen die hij blijkens zijn “aanmaning” aan het stilzitten van de overheid wenst te verbinden, niet overeenstemmen met deze waarin door de wet is voorzien.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep moet worden beoordeeld op het ogenblik van het instellen ervan, namelijk op 28 november 2007, toen door de raad van bestuur nog geen beslissing over zijn administratief beroep was genomen. IX-5799-4/8 Voorts betwist de verzoeker dat de beslissing van de raad van bestuur van 30 november 2007 een aanvechtbare administratieve rechtshandeling is. Hij argumenteert dat de voormelde beslissing hem ter kennis is gebracht als een bevestiging van de beslissing van de hoofdadviseur-dienstchef van 4 januari 2001, terwijl de laatstgenoemde beslissing door de Raad van State werd vernietigd bij arrest nr. 167.932 van 16 februari 2007 en dus niet meer kón worden bevestigd. Volgens de verzoeker is de beslissing van de raad van bestuur van 30 november 2007 derhalve “inhoudloos en zonder voorwerp” en kan ze niet met een beroep tot nietigverklaring worden bestreden. Ten slotte stelt de verzoeker dat zijn aanmaning wel degelijk de bedoeling had een beslissing uit te lokken overeenkomstig artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zijn vraag aan de verwerende partij om binnen de vier maanden een beslissing te nemen, getuigt daarvan. Hij betoogt voorts dat de verwijzing naar de voormelde wetsbepaling ook impliciet kan gebeuren en dat de vermelding in zijn aanmaning dat de verwerende partij bij gebrek aan een beslissing verondersteld zou worden akkoord te gaan met de gegrondheid van zijn administratief beroep, niet méér was dan een modaliteit om meer druk uit te oefenen op de verwerende partij. Trouwens, zo stelt de verzoeker, indien de verwerende partij ervan uitging dat die modaliteit een essentieel onderdeel van de aanmaning betrof, dan had zij zich daarnaar moeten gedragen en zeker binnen de vier maanden een beslissing moeten nemen. Beoordeling
- Opdat een beroep tot nietigverklaring ontvankelijk zou zijn, moet het voldoen aan een aantal ontvankelijkheidsvereisten, die vervuld moeten zijn op het ogenblik dat het beroep wordt ingesteld. Dit neemt evenwel niet weg dat in de loop van de procedure voor de Raad van State zich nieuwe feiten of omstandigheden kunnen voordoen die met zich brengen dat een initieel ontvankelijk ingesteld beroep niet langer aan alle ontvankelijkheidvereisten voldoet. Zo kan bijvoorbeeld een verzoeker hangende het geding zijn belang bij het beroep verliezen of kan zelfs het voorwerp van het beroep teloorgaan waardoor het beroep doelloos wordt.
- Te dezen strekt het verzoekschrift tot de nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzende beslissing van de raad van bestuur van de NMBS-Holding over het administratief beroep dat de verzoeker op 22 augustus 2000 heeft ingediend IX-5799-5/8 tegen de beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997 houdende respectievelijk de intrekking van zijn basistoelage en aanvullende functietoelage en de wijziging van zijn aanschrijving van “zeer goed” in “goed”. De verzoeker leidt deze stilzwijgende afwijzende beslissing af uit het stilzitten van de raad van bestuur gedurende vier maanden na zijn aanmaning van 29 mei
- Daargelaten of de aanmaning van de verzoeker van 29 mei 2007 kan worden beschouwd als een aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waardoor uit het stilzitten van de raad van bestuur gedurende vier maanden inderdaad een stilzwijgende afwijzende beslissing zou kunnen worden afgeleid die met een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de raad van bestuur van de NMBS-Holding op 30 november 2007 een uitdrukkelijke afwijzende beslissing heeft genomen over verzoekers administratief beroep. Deze beslissing, die steunt op een eigen redengeving, is alleszins in de plaats gekomen van de stilzwijgende afwijzende beslissing die de raad van bestuur volgens de verzoeker eerder heeft genomen.
- Artikel 32 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een impliciet afwijzende beslissing gaat de verjaringstermijn in daags na het verstrijken van de in artikel 14, § 3, bepaalde periode van vier maanden. Indien de administratieve overheid na het verstrijken van de vier maanden een uitdrukkelijke beslissing neemt, staat daartegen in ieder geval beroep tot nietigverklaring open binnen de gewone, in de procedureregeling bepaalde termijn.” De verzoeker heeft te dezen geen beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de uitdrukkelijke afwijzende beslissing van de raad van bestuur van 30 november 2007 over zijn administratief beroep. Het voorliggende beroep kan bovendien niet geacht worden zich uit te strekken tot de voormelde uitdrukkelijke afwijzende beslissing van de raad van bestuur. De door de verzoeker aangevoerde middelen, die ontleend zijn aan het ontbreken van een motivering van de stilzwijgende afwijzende beslissing en de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur bij het tot stand komen van de beslissingen van het directiecomité, kunnen immers niet zonder meer worden betrokken op de beslissing waarbij de raad van bestuur verzoekers administratief IX-5799-6/8 beroep tegen de beslissingen van het directiecomité als onontvankelijk verwerpt omdat hij niet meer de hoedanigheid van actief bediende van de NMBS heeft.
- De verzoeker kan niet worden bijgevallen in zijn standpunt dat de beslissing van raad van bestuur van 30 november 2007 “inhoudloos” en niet aanvechtbaar is, nu ze slechts de beslissing van de hoofdadviseur-dienstchef van 4 januari 2001 bevestigt die eerder door de Raad van State werd vernietigd. Waar de raad van bestuur in zijn beslissing van 30 november 2007 stelt dat hij de beslissing van de hoofdadviseur-dienstchef van 4 januari 2001 bevestigt, waarbij verzoekers beroep tegen de beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997 onontvankelijk werd bevonden wegens het ontbreken van de hoedanigheid van actief bediende van de NMBS, neemt hij geen louter bevestigende beslissing, maar geeft hij te kennen dat hij zich deze beslissing van de hoofdadviseur-dienstchef eigen maakt. Uit het administratief dossier blijkt immers genoegzaam dat de raad van bestuur, na door de administratie met een nota van 23 november 2007 op de hoogte te zijn gebracht van de juiste toedracht van de zaak en in het bijzonder van de vernietiging van de beslissing van de hoofdadviseur-dienstchef van 4 januari 2001 door de Raad van State op grond dat laatstgenoemde niet bevoegd was om een dergelijke beslissing te nemen, op eigen gezag uitspraak heeft willen doen over verzoekers administratief beroep. Die uitspraak kon zoals hiervóór vermeld met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden bestreden, maar de verzoeker heeft nagelaten zulks te doen.
- Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het voorliggende beroep zijn voorwerp heeft verloren, doordat de raad van bestuur op 30 november 2007 een uitdrukkelijke afwijzende beslissing over verzoekers administratief beroep tegen de beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997 heeft genomen. Het voorliggende beroep is derhalve doelloos geworden in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. V. Kosten
- Vermits het teloorgaan van het voorwerp van het beroep is toe te schrijven aan een beslissing van de verwerende partij, is het gepast de kosten van het beroep ten laste te leggen van deze partij. IX-5799-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 31 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Bert Thys IX-5799-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.504 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.