id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.556 Rolnummer: A. 163495/X-12353 Zaak: Arrest 204556 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:48 Fiche Arrest nr 204.556 van 1 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 204.556 van 1 juni 2010 in de zaak A. 163.495/X-12.
- In zake: de n.v. TOMELCO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Kris Wauters kantoor houdend te 3500 HASSELT Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 juni 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 20 april 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep van de verzoekende partij ingesteld tegen het besluit van 24 maart 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lanaken houdende weigering van de vergunning voor het regulariseren van het herbouwen van een woning met werkhuis tot woning met werkhuis/stalling en hobbyruimte, op een perceel gelegen te Lanaken, Op de Puin 54, kadastraal bekend sectie D, nrs. 1153/d en 1151/v, niet wordt ingewilligd en geen stedenbouwkundige vergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-12.353-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elif Can, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor de verzoekende partij, en bestuurssecretaris Inge Willems, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is eigenares van een pand opgetrokken op percelen aan de Op de Puin te Lanaken, kadastraal bekend sectie D, nrs. 1153/d en 1151/v. De percelen zijn krachtens het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland gelegen in agrarisch gebied. Ze zijn niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 3.
- Op 31 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lanaken een stedenbouwkundige vergunning aan voor de regularisatie van het verbouwen van een woning met werkhuis tot een woonhuis met werkhuis/stalling en hobbyruimte op de voormelde percelen. 3.
- Op 24 maart 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen de regularisatievergunning. X-12.353-2/7 3.
- Op 7 juni 2004 stelt de verzoekende partij tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. 3.
- De verzoekende partij gaat op 15 april 2005, bij gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie, in beroep bij de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening. 3.
- Bij besluit van 20 april 2005 wordt het door de verzoekende partij ingestelde beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg niet ingewilligd. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- In haar verzoekschrift laat de verzoekende partij het volgende gelden met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione materiae van het beroep: “Over de hoedanigheid van de verzoekende partij als belanghebbende partij kan er geen discussie bestaan. De verzoekende partij is de aanvrager van de bouwvergunning die werd geconfronteerd met een weigering: de aanvrager heeft een voldoende belang om tegen de weigering van de vergunning op te komen. De verzoekende partij is er zich van bewust dat het vernietigingsberoep allicht voorbarig is aangezien er allicht nog een behandeling komt voor de Minister van Ruimtelijke ordening ingevolge haar beroepsschrijven van 15 april 2005 dat aanvankelijk zonder gevolg werd gelaten. De verzoekende partij verkiest evenwel de termijn bij de Raad van State niet te laten verstrijken om te wijzen op de onwettelijkheid van de beslissing van de verwerende partij”. De verwerende partij werpt volgende exceptie op: “II DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET BEROEP 1 Overwegende dat de verzoekende partij de nietigverklaring vordert van de beslissing van ons college houdende de verwerping van het door haar ingestelde beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Lanaken en de weigering van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning; dat deze beslissing evenwel, zo is pas achteraf gebleken, werd genomen nadat de minister reeds geadieerd was door een beroep van de verzoekende partij tegen het uitblijven - binnen de decretaal bepaalde termijn - van een beslissing van ons college, dat ons college dan ook wenst op te merken dat het door de verzoekende partij bij uw Raad ingediende verzoekschrift niet gericht is tegen een voor vernietiging vatbare rechtshandeling in de zin van artikel 14, §1 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State; dat alleen al hierdoor het verzoekschrift als kennelijk onontvankelijk moet worden beschouwd; X-12.353-3/7 • dat immers, rekening houdende met het vermelde artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, enkel een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld tegen een uitvoerbare administratieve rechtshandeling van een Belgische administratieve overheid na uitputting van een eventueel openstaand georganiseerd administratief beroep (...); dat onder een ‘uitvoerbare administratieve rechtshandeling’ moet worden verstaan: een rechtshandeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij beoogd wordt wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand dan wel zodanige wijziging te beletten (...); dat de door de verzoekende partij bestreden beslissing weliswaar een beslissing is van een administratieve overheid, doch dat, zoals achteraf is komen vast te staan, deze beslissing geen rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen (...); • dat ons college in casu immers, hoewel het er op dat ogenblik nog niet van op de hoogte was, een beslissing heeft genomen over het beroepsdossier, terwijl ons college daartoe in rechte niet langer de bevoegdheid had; dat artikel 53, § 2, lid 4 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna coördinatiedecreet) immers bepaalt dat de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning in beroep kan gaan bij de Vlaamse regering bij gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie na afloop van de termijn waarbinnen deze beslissing moet zijn genomen; dat door het effectief instellen van een dergelijk beroep bij de minister de beslissingsbevoegdheid in de zaak wordt overgedragen aan de minister zodat ons college op definitieve en onherroepelijke wijze niet meer over deze bevoegdheid beschikt; dat in casu het beroep bij de minister werd ingesteld bij aangetekende brief d.d. 15 april 2005 en door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werd ontvangen op 19 april 2005 (...); dat ons college van dit beroep slechts op de hoogte werd gesteld bij brief d.d. 19 mei 2005; dat echter geen enkele wettelijke bepaling stelt dat de vermelde bevoegdheidsoverdracht slechts ingaat met de kennisgeving van het beroep aan de betrokken in gebreke gebleven overheid; dat ons college aldus vanaf 19 april 2005 niet langer over de bevoegdheid beschikte om een beslissing te nemen over het door de verzoekende partij ingediende beroep; dat ons college dan ook, zoals uw Raad ook reeds besliste - weliswaar zich totaal niet bewust van het feit dat het over geen enkele beslissingsbevoegdheid meer beschikte -, de bestreden beslissing heeft genomen terwijl het hiertoe niet langer bevoegd was (...); dat de bestreden beslissing dan ook geen rechtsgevolgen kan hebben en bijgevolg ook niet kan beletten dat deze tot stand komen; dat de vordering tot nietigverklaring bijgevolg moet worden afgewezen als zijnde kennelijk onontvankelijk omdat de vordering niet gericht is tegen een door uw Raad vernietigbare handeling; 2 Overwegende dat ons college trouwens er ook nog op wenst te wijzen dat, gelet op het feit dat de bestreden beslissing geen rechtsgevolgen kan hebben, de verzoekende partij niet beschikt over het rechtens vereiste belang om de nietigverklaring te vragen; • dat immers, aangezien de bestreden beslissing geen enkel rechtsgevolg kan hebben, deze ook geen enkel nadeel kan berokkenen voor de verzoekende partij; • dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing haar ook geen voordeel kan verlenen aangezien ons college, rekening houdende met het door de X-12.353-4/7 verzoekende partij bij de Vlaamse regering ingestelde beroep, sowieso, zelfs niet na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing, niet meer beschikt over enige beslissingsbevoegdheid in het dossier; dat deze bevoegdheid nu ligt bij de minister; dat de verzoekende partij weliswaar haar voordeel bij een eventuele nietigverklaring alsnog poogt aan te tonen door te verklaren dat er ‘allicht’ nog een behandeling bij de minister komt; dat de redenering terzake van de verzoekende partij evenwel niet sluitend is; dat immers uit het door artikel 53, § 2, lid 4 coördinatiedecreet gegeven recht van beroep bij de minister voor dit bestuursorgaan de verplichting voortvloeit om over het ingediende beroep uitspraak te doen (...); dat ons college dan ook enkel kan concluderen dat het verzoekschrift moet worden afgewezen als zijnde onontvankelijk bij gebrek aan een voor vernietiging vatbare rechtshandeling en bij gebrek aan het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij”. De verzoekende partij repliceert als volgt: “Verwerende partij beweert dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onontvankelijk zou zijn, daar de bestreden beslissing een akte met rechtsgevolgen zou zijn. Wat betreft dit argument verwijst verzoekende partij naar de uiteenzetting bij het eerste middel, waar verzoekende partij aantoont dat zij wel degelijk belang heeft bij huidig verzoekschrift. (...) A. Het eerste middel (...) b. Ongegrondheid van het middel In huidige zaak heeft verzoekende partij beroep gedaan op artikel 53, § 2, lid 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, waarbij in geval de Bestendige Deputatie geen uitspraak doet binnen de 60 dagen na afgifte van het beroep de mogelijkheid bestaat om beroep aan te tekenen bij de Minister. Het gaat om een georganiseerd administratief beroep uitgeoefend op een ogenblik dat de Bestendige Deputatie nog geen beslissing had genomen. Het georganiseerd administratief beroep heeft een devolutieve werking : ‘dat ten gevolge van de devolutieve kracht van die beroepen de aanvraag, zoals zij het college van burgemeester en schepenen werd ingediend, bij de bestendige deputatie en voor de bevoegde minister aanhangig wordt gemaakt’. Als gevolg van het administratief beroep wordt het dossier aan de Bestendige Deputatie onttrokken en heeft deze ipso facto geen bevoegdheid meer om een beslissing te nemen. De beslissingsbevoegdheid wordt als gevolg van het administratief beroep overgedragen. In huidig geval zitten we wel met het specifiek geval dat de beslissing van de Bestendige Deputatie werd genomen nadat de geïnteresseerde reeds administratief beroep had ingesteld. De redenering dat door het administratief beroep de eerste beslissing verdwijnt, houdt in casu dan ook geen stand. Op dit ogenblik bestaat nog steeds de beslissing genomen door de Bestendige Deputatie, hoewel deze hiertoe niet meer bevoegd was. Reeds in meerdere arresten heeft de Raad van State geoordeeld dat rechtshandelingen, zelfs wanneer deze geen rechtsgevolgen meer hebben, best uit het rechtsverkeer verdwijnen wanneer zij onwettig zijn en dit op grond van het rechtszekerheidsbeginsel. (...) X-12.353-5/7 Zelfs in geval de geïnteresseerde een dossier via een administratief beroep heeft ontrokken aan de hiërarchisch lagere overheid en deze laatste toch nog een beslissing nam, is het in het belang van de rechtszekerheid dat deze laatste beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt. Zolang de Minister geen uitspraak heeft gedaan over het beroep, blijft de beslissing van de Bestendige Deputatie overeind. Bijgevolg heeft verzoekende partij niet alleen belang bij huidige procedure, maar is ook het eerste middel gegrond”.
- Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Om ontvankelijk te zijn dient het beroep in elk geval een handeling tot voorwerp te hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert.
- In casu heeft de verzoekende partij voordat de bestendige deputatie met het bestreden besluit uitspraak had gedaan over haar beroep tegen het weigeringsbesluit van het college van burgemeester en schepenen, krachtens het toentertijd geldende artikel 53, §2, vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) een beroep ingesteld bij de Vlaamse regering bij gebreke van een beslissing van de verwerende partij binnen de termijn waarbinnen deze een beslissing diende te nemen.
- Krachtens het toentertijd geldende artikel 53, §2, vierde lid van het gecoördineerde decreet kan de aanvrager bij de minister in beroep komen, bij gebreke van een beslissing van de deputatie, na afloop van de termijn waarbinnen deze plaats moet hebben. Hieruit volgt voor de minister de verplichting om over dat beroep uitspraak te doen. Door het effectief instellen van het beroep maakt de aanvrager de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag aanhangig bij de minister en wordt de beslissingsbevoegdheid in de zaak van de bestendige deputatie overgedragen naar de minister, derwijze dat de bestendige deputatie op definitieve en onherroepelijke wijze de bevoegdheid is ontnomen zich nog over het bij haar aanhangig gemaakte beroep uit te spreken. Uit wat voorafgaat volgt dat door het instellen van het beroep bij de bevoegde Vlaamse minister de na het instellen van het beroep door de bestendige deputatie genomen beslissing geacht moet worden met overtreding van de haar wettelijk toegekende bevoegdheid te zijn genomen en derhalve geen rechtsgevolgen kan hebben. X-12.353-6/7
- Het thans bestreden besluit brengt, ingevolge de devolutieve werking van het door de verzoekende partij eerder ingestelde administratief beroep bij de minister geen rechtsgevolgen teweeg.
- De exceptie is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.353-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div