id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.600 Rolnummer: A. 167943/XII-4587 Zaak: Arrest 204600 - Sport - 03/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Arrest nr 204.600 van 3 juni 2010 Onderwijs en cultuur - Sport Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 204.600 van 3 juni 2010 in de zaak A. 167.943/XII-4587 In zake : de VZW KONINKLIJKE LIERSE SPORTKRING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat William Engelen kantoor houdend te Sint-Truiden Schepen Dejonghstraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Vergucht kantoor houdend te Dilbeek Ninoofsesteenweg 255 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 november 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 21 september 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken over de vragen van de vzw Koninklijke Lierse Sportkring tot afwijking voor het Herman Vanderpoortenstadion van de in voetbalstadions na te leven veiligheidsnormen, in zoverre daarin drie welbepaalde afwijkingen worden geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. XII-4587-1/8 Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 januari
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frédéric De Cock, die loco advocaat William Engelen verschijnt voor verzoekster, en advocaat Peter Vergucht, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster richt bij brieven van 4 en 25 januari 2005 een aanvraag tot de minister van Binnenlandse Zaken om tien afwijkingen te verkrijgen van de veiligheidsnormen zoals bepaald in het koninklijk besluit van 2 juni 1999 houdende de in voetbalstadions na te leven veiligheidsnormen (hierna: het koninklijk besluit van 2 juni 1999). De brandweer van de stad Lier verleent op 1 juli 2005 een gedeeltelijk gunstig advies. De commissie ter behandeling van de afwijkingsaanvragen brengt op 4 juli 2005 advies uit over de aanvraag. In zijn beslissing van 21 september 2005 staat de minister van Binnenlandse Zaken vijf afwijkingen toe en worden er vijf geweigerd. Drie van de vijf weigeringen worden door voorliggend beroep betwist, namelijk: XII-4587-2/8 - de weigering sub 4), met betrekking tot punt 3.3, § 2, van de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 juni 1999, “de leuning in tribune 1 is geen 1,10 m. hoog”; - de weigering sub 6), met betrekking tot punt 5.7.3, “De EHBO-ruimte onder de tribune 1 heeft geen ingang onderscheiden van een uitgang”; en - de weigering sub 7), met betrekking tot punten 3.3, §§ 1 en 5, “De breedte van de deuren van de Business-seats in de tribune 2 zijn slechts 1 meter”. IV. Ontvankelijkheid
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de onontvankelijkheid van het beroep op, om reden dat verzoekster het voorwerp van het beroep beperkt tot de weigering om bepaalde afwijkingen toe te staan. Nochtans moet de bestreden beslissing, die in zijn geheel genomen tot de beoordeling van tien aanvragen tot afwijking strekt, worden aangemerkt als één en ondeelbaar “onder meer omdat niet kan worden uitgesloten dat de afwijking van een welbepaald punt mede steun vindt in de weigering om een andere afwijking toe te staan”.
- De bestreden beslissing doet zich objectief voor als tien antwoorden op verzoeken tot evenveel afwijkingen van de in voetbalstadions na te leven veiligheidsnormen. Niets in de beslissing doet er van blijken dat die antwoorden op enigerlei wijze met mekaar verband houden, laat staan nog op zo’n wijze dat ze niet los van mekaar kunnen of mogen worden beoordeeld. Als verwerende partij mocht menen dat er niettemin sprake is van een dusdanige samenhang dat de bestreden beslissing als één onverbrekelijk geheel moet worden beschouwd, dan was het voor haar zaak om dat tenminste vóór de Raad van State concreet en afdoende aan te tonen. In de plaats daarvan vergenoegt zij zich ermee in het algemeen te doen gelden dat “niet kan worden uitgesloten” dat de afwijking met betrekking tot één punt mee steun vindt in de weigering wat een ander punt aangaat. Daarmee is niets aannemelijk gemaakt. De Raad van State ziet geen reden om de ministeriële beslissing van 21 september 2005 als ondeelbaar te beschouwen. Verzoekster kan ontvankelijk de vernietiging vorderen wat de weigeringen sub 4), 6) en 7) betreft.
- De exceptie wordt bijgevolg verworpen. XII-4587-3/8 V. Onderzoek van de middelen
- Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 juni 1999 moet verzoeksters stadion voldoen aan de normen gedefinieerd in de eerste bijlage bij het koninklijk besluit. Evenwel kan, gelet op artikel 5, § 1, de minister van Binnenlandse Zaken, onverminderd de voorschriften van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming (hierna: ARAB), op verzoek van de exploitant van het stadion afwijkingen voor bepaalde of onbepaalde duur toestaan van de normen vastgelegd in die eerste bijlage. Voor het toekennen van deze afwijkingen beoordeelt de minister, aldus § 2, de door de aanvrager voorgestelde alternatieve veiligheidsmaatregelen en de weerslag ervan op de openbare orde. Naar in het verslag aan de Koning wordt toegelicht, is een dergelijke afwijking onderworpen aan het bestaan van garanties betreffende het nemen van veiligheidsnormen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau verzekeren. “In het algemeen”, aldus het verslag, “beogen de door de Minister toe te stane afwijkingen infrastructurele problemen die moeilijk op te lossen zijn zonder aan het stadion wijzigingen aan te brengen die grote reconstructiewerken met zich meebrengen” (B.S. 10 juli 1999, 26.517).
- Als gezien heeft verwerende partij vijf van de tien door verzoekster aangevraagde afwijkingen geweigerd. In haar drie middelen viseert verzoekster respectievelijk de weigering sub 4), 6) en 7). Een eerste middel betreft de leuning in tribune 1, zijnde een oude tribune van vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 2 juni
- Sub 4) weigert de bestreden beslissing een afwijking te verlenen van het voorschrift van punt 3.3, § 1, van de eerste bijlage bij het koninklijk besluit, volgens hetwelk de leuning of borstwering 1,10 m hoog moet zijn. Reden voor de weigering is dat de borstweringen minder dan 1 m hoog zijn en zodoende al niet voldeden aan wat vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 2 juni 1999 op grond van het ARAB voor borstweringen gold. In het eerste middel betoogt verzoekster dat punt 3.3, § 2, niet op tribunes van toepassing is en dat ook punt 4.3.1 te dezen niet van toepassing is. XII-4587-4/8 Een tweede middel betreft de EHBO-ruimte onder tribune
- De bestreden beslissing weigert sub 6) een afwijking te verlenen van punt 5.7.3 van de eerste bijlage bij het koninklijk besluit van 2 juni
- Het punt schrijft voor dat er een “voldoende brede ingang om vervoer per brancard toe te laten en onderscheiden van de uitgang” moet zijn. Reden voor de weigering is dat het EHBO-lokaal naar een lokaal ernaast kan worden verplaatst, waar er wel een ingang onderscheiden van een uitgang gecreëerd kan worden. Verzoekster voert in het tweede middel aan dat verwerende partij het punt 5.7.3 verkeerd leest en “een wettelijke niet voorziene vereiste (van 2 in- of uitgangen) stelt”. Een derde middel heeft betrekking op de breedte van de deuren van de business-seats in de tribune 2, zijnde een nieuwgebouwde tribune. Sub 7) weigert de bestreden beslissing een afwijking van de punten 3.3, §§ 1 en
- Die punten schrijven onder andere voor dat de breedte van trappen, doorgangen en toegangen minstens 1.20 m moet bedragen en dat de totale nuttige breedte van de uitgangen en de trappen berekend moet worden conform de bepalingen van artikel 52.5.4 van het ARAB. Reden voor de weigering is dat “het hier gaat om een nieuwgebouwde tribune en [...] er zelfs geen rekening werd gehouden met een bouwadvies dat stelde dat de deuren minstens 1,20m breed moesten zijn en [...] zelfs de capaciteit en het totaal van de 5 deuren van 1 meter niet voldoen aan het ARAB”. In het derde middel argumenteert verzoekster, in het verzoekschrift, dat wel degelijk voldaan is aan de bepaling van artikel 52.5.4 van het ARAB en, in de memorie van wederantwoord, dat de doorgangen “in de feiten” meer dan 1,20 meter breed zijn.
- In de memorie van antwoord doet verwerende partij gelden dat verzoekster zonder belang bij het eerste middel is, nu zij in haar eigen visie “geen afwijking diende aan te vragen”. Het is immers ongerijmd “om enerzijds de afwijking van de norm gesteld in artikel 3.3 § 2 van de bijlage aan te vragen, en anderzijds de toepasselijkheid van die norm in vraag te stellen”. XII-4587-5/8
- In de memorie van wederantwoord repliceert verzoekster dat “de afwijzing van de gevraagde afwijking op grond van een niet toepasselijke wetsbepaling dan ook niet wettig gemotiveerd is”.
- Verzoeksters middelen komen er stuk voor stuk op neer dat de bestreden weigeringen tot het verlenen van een afwijking, op een ondeugdelijke grond berusten doordat de bepalingen waarvan geweigerd wordt een afwijking te verlenen niet van toepassing of niet geschonden zijn. Dat wordt, voor zoveel nog nodig, in de laatste memorie uitdrukkelijk bevestigd of herhaald: - (met betrekking tot het eerste middel) “Dat de bestreden beslissing ten onrechte verwijst naar punt 3.3 § 2 gezien de kwestige wetsbepaling terzake niet van toepassing is”; - (met betrekking tot het tweede middel) “De vereiste van de aanwezigheid van 2 onderscheiden deuren in de bestreden beslissing verscherpt de wettelijke voorschriften en past een niet in de wettelijke voorschriften voorziene voorwaarde toe”; - (met betrekking tot het derde middel) “Dat derhalve voldaan is aan de bepaling van art. 52.54 al. 1 ARAB” en “Voorhouden dat elk onderdeel van een doorgang op zichzelf een minimale breedte van 1,20 meter moet hebben, is de voorschriften verzwaren en een toevoeging doen aan de tekst, die in de tekst niet voorkomt”. In zoverre dit juist zou zijn, moet worden vastgesteld dat verzoekster dan blijkbaar om afwijkingen heeft gevraagd die zij niet behoefde en dat zij door de weigering van die onnodige afwijkingen niet geschaad kan worden. De weigering om in te stemmen met een niet-bestaande afwijking, is zonder voorwerp.
- In zoverre er evenwel toch sprake van een afwijking zou zijn en verzoekster met andere woorden terecht om een afwijking heeft gevraagd, stelt de Raad van State vast dat zij er niet toe komt de werkelijke motieven van de bestreden weigeringen te betwisten. Die werkelijke motieven zijn de redenen waarom de verwerende partij, bij de uitoefening van de haar door artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 juni 1999 opgedragen beoordelingsbevoegdheid, heeft gemeend in die zin te moeten besluiten dat geen afwijking van de normen in de eerste bijlage zou worden toegestaan. Wat de eerste bestreden weigering betreft, gaat het om de reden dat verzoekster zelfs niet tenminste in orde was met het minimum van 1 m hoogte dat XII-4587-6/8 vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 2 juni 1999 gold. Wat de tweede bestreden weigering betreft, is die reden dat er een alternatieve mogelijkheid voorhanden is. Wat de derde aangevochten weigering betreft, is het eigenlijke motief in de eerste plaats de overweging dat verzoekster er zelfs op voorhand, in een bouwadvies, expliciet op gewezen werd dat de deuren minstens 1,20 m breed moesten zijn. Deze motieven van de aangevochten weigeringen worden door verzoekster geheel buiten schot gelaten. Integendeel heeft zij haar aandacht en energie exclusief geconcentreerd op de uiteenzetting dat zij nu eenmaal geen afwijkingen nodig had.
- In deze omstandigheden kunnen de aangevoerde middelen niet tot nietigverklaring leiden. Zo ze al niet uitwijzen dat verzoekster zonder het rechtens vereiste belang is, vermogen ze alleszins niet te doen aannemen dat de weigeringen op ondeugdelijke grond stoelen. De middelen worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. 2.Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. XII-4587-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 juni 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4587-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div