id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.608 Rolnummer: A. 183253/VII-37663 Zaak: Arrest 204608 - Sport - 03/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Arrest nr 204.608 van 3 juni 2010 Onderwijs en cultuur - Sport Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 204.608 van 3 juni 2010 in de zaak A. 183.253/VII-37.
- In zake: Ludo CHERLET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexandre Sachem kantoor houdend te Gavere Boomstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Disciplinaire Raad voor Medisch verantwoorde sportbeoefening van 13 maart 2007 waarbij, eensdeels, aan Ludo Cherlet gedurende een termijn van 18 maanden verbod wordt opgelegd om deel te nemen aan enige sportmanifestatie of georganiseerde voorbereiding erop en, anderdeels, uitstel van de tenuitvoerlegging wordt verleend voor het gedeelte van de opgelegde administratieve geldboete dat 250 euro te boven gaat en zulks voor een termijn van twee jaar. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 171.448 van 22 mei 2007 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-37.663-1/16 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexandre Sachem, die verschijnt voor de verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 8 september 2006 wordt in het fitnesscentrum "Fitness Studio Athletics", gelegen aan de Frederik Burvenichstraat 171 te Gentbrugge, een dopingcontrole uitgevoerd in opdracht van de verwerende partij. 3.
- Van de verzoeker wordt een urinestaal genomen. Luidens het proces-verbaal van monsterneming verklaart hij een aantal geneesmiddelen te hebben genomen gedurende de laatste week. 3.
- Uit het beproevingsverslag van het dopingcontrolelaboratorium van de Universiteit Gent blijkt dat in het urinestaal van de verzoeker anabole steroïden werden aangetroffen. VII-37.663-2/16 3.
- De verzoeker wordt uitgenodigd om op 9 november 2006 te verschijnen voor de Disciplinaire Commissie van de Vlaamse Gemeenschap. 3.
- De Disciplinaire Commissie legt op 23 november 2006 aan de verzoeker verbod op om "deel te nemen aan enige sportmanifestatie van om het even welke sport en georganiseerde voorbereiding op om het even welke sportmanifestatie gedurende een termijn van 18 maanden". Tevens wordt de verzoeker veroordeeld tot het betalen van een gedeelte van de procedurekosten en van een administratieve geldboete van 1.000 euro. Uit de beslissing van 23 november 2006 blijkt dat de raadsman van de verzoeker de bevoegdheid van de Disciplinaire Commissie heeft betwist, stellende dat bodybuilding geen sport is. 3.
- Op 7 december 2006 stelt de verzoeker tegen voormelde beslissing beroep in bij de Disciplinaire Raad voor Medisch verantwoorde sportbeoefening. In het beroepschrift wordt het volgende aangevoerd : "Het Dopingdecreet is niet van toepassing op appellant, nu deze geen sport in georganiseerd verband uitoefent, laat staan in competitie. De overweging dat appellant 'ongetwijfeld verschillende sporten beoefende' toont alleen maar aan dat er geen enkel materieel bewijs voorhanden is dat appellant effectief een 'sportbeoefenaar' zou zijn in de zin van het Dopingdecreet. De verrichte controle en de daaruit voortvloeiende vaststellingen raken dan ook het privé-leven van concluant, en maken een manifeste schending van zijn privacy uit. Bovendien wordt de term 'sportmanifestatie' verkeerdelijk geïnterpreteerd. Indien het louter aanwezig zijn in een fitnesscentrum met de bedoeling om middels oefeningen zijn lichaam te stroomlijnen, kan worden geïnterpreteerd als 'deelnemen aan of georganiseerde voorbereiding op een sportmanifestatie', dan dient de draadwijdte van de opgelegde sanctie te worden gezien als een verbod om gedurende 18 maanden enige 'sport' of lichaamsbeweging te beoefenen. Eens te meer dringt de Vlaamse Overheid daarmee binnen in de privé-sfeer van appellant, aan wie men toch bezwaarlijk het verbod kan opleggen om activiteiten te verrichten ter bevordering van zijn gezondheid. De bevoegdheid van de Vlaamse Overheid kan er hoogstens uit bestaan om appellant het verbod op te leggen om gedurende een bepaalde termijn deel te nemen aan sportcompetities of zich georganiseerd voor te bereiden op sportcompetities". 3.
- De Disciplinaire Raad voor Medisch verantwoorde sportbeoefening behandelt het beroep op 13 maart 2007 en dezelfde dag wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het verbod om gedurende 18 maanden deel te nemen aan enige sportmanifestatie of voorbereiding erop wordt bevestigd. Voor het VII-37.663-3/16 gedeelte van de opgelegde administratieve geldboete dat 250 euro te boven gaat, wordt voor een termijn van twee jaar uitstel van de tenuitvoerlegging verleend. De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd : "
- Het hoger beroep, naar vorm en termijn regelmatig, is ontvankelijk.
- Na hernieuwd onderzoek ter zitting en aan de hand van de stukken van het dossier, is de overtreding van de sportbeoefenaar bewezen gebleven. De gedane vaststellingen wat betreft de analyse worden op zich niet betwist.
- Ten tijde van de feiten en vaststellingen is betrokkene wel degelijk te aanzien als een sportbeoefenaar in de zin van voormeld decreet; immers: - de eigen aanvraag van betrokkene tot het bekomen van een toestemming wegens therapeutische noodzaak - die afgewezen werd - beoogt in essentie dezelfde producten als deze welke bij hem werden aangetroffen; in die aanvraag geeft de sportbeoefenaar zelf aan dat hij 'bodybuilding' als sporttak beoefent, - niet wordt betwist (...) dat betrokkene op het ogenblik van de vaststellingen deze activiteiten -zelf omschrijft hij dat als het stroomlijnen van zijn lichaam- uitoefende, - een fitnesscentrum beoogt en houdt per definitie een georganiseerd verband in. Aldus neemt de Disciplinaire Raad aan dat de sportbeoefenaar zich op het ogenblik van de feiten voorbereidde op een sportmanifestatie, zijnde een initiatief tot sportbeoefening met recreatieve, competitieve of demonstratieve doeleinden in georganiseerd verband; zodanige voorbereiding kan zich uitstrekken in de tijd. Het gegeven dat voormelde aanvraag ingediend werd ongeveer een maand na de feiten doet aan de vaststelling dat de Disciplinaire Raad aanneemt dat de sportbeoefenaar ook ten tijde van de feiten een sportbeoefenaar was die bodybuilding beoefende geen afbreuk, al evenmin als het feit dat de sportbeoefenaar daaromtrent een andere visie heeft. Het door de decreetgever voorziene verbod als disciplinaire maatregel betreft de deelname aan enige sportmanifestatie of georganiseerde voorbereiding en derhalve niet het beoefenen van lichaamsbewegingen binnen de private sfeer; de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene wordt daardoor niet geschonden.
- De door de disciplinaire commissie opgelegde disciplinaire maatregelen met name het verbod om gedurende een termijn van achttien maanden deel te nemen aan enige sportmanifestatie van om het even welke sport en georganiseerde voorbereiding op om het even welke sportmanifestatie alsmede de administratieve geldboete van 1000 euro zijn wettige maatregelen en dewelke aangepast zijn aan de persoon van de betrokkene, de aard en de relatieve ernst van de bewezen inbreuk; de aard en omvang van de administratieve geldboete is te dezen evenzo aangewezen gelet op het beoogde onrechtmatige voordeel.
- Uit de uiteenzetting ter zitting is echter gebleken dat de sportbeoefenaar thans een andere ingesteldheid heeft aangenomen met betrekking tot doping terwijl verder vaststaat dat hij voorheen nog geen enkele disciplinaire maatregel heeft opgelopen. Aan betrokkene kan in die omstandigheden en mede met het oog op het bevorderen van zijn sportieve reclassering, de gunst van een gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde administratieve geldboete worden verleend in de mate zoals hierna bepaald in de hoop dat hij hieruit de passende lering zal trekken. VII-37.663-4/16 De termijn van het uitstel, ingaande van de datum van onderhavige beslissing, dient bepaald op twee jaar teneinde een maximale preventieve werking te verkrijgen.
- Het effectieve deelnameverbod dient zo spoedig mogelijk in te gaan en er worden geen middelen aangevoerd van aard anders te moeten oordelen desbetreffend, zodat de aanvangsdatum van het verbod wordt bepaald op 1 april
- De bestreden beslissing is te bevestigen in zo verre daarin werd geoordeeld met betrekking tot de kosten van de procedure voor de disciplinaire commissie.
- Het past om de sportbeoefenaar tot de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen en bepaalt het bedrag daarvan op 25 euro". 3.
- Nog dezelfde dag wordt aan de verzoeker kennis gegeven van de bestreden beslissing. In fine van het begeleidend schrijven wordt het volgende vermeld : "De mogelijkheid bestaat om binnen zestig dagen na betekening van deze beslissing een beroep tot nietigverklaring van deze beslissing in te dienen bij de Raad van State. Dat beroep moet dan ingediend worden met een gedagtekend verzoekschrift dat door de verzoeker of zijn advocaat ondertekend is. Ook kan binnen dezelfde termijn en met een afzonderlijk verzoekschrift, dat aan voormelde vereisten voldoet, bij de Raad van State een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze betekening worden ingediend. Verzoekschriften dienen aangetekend verstuurd te worden aan de eerste voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel". IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert de verzoeker aan dat het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening niet van toepassing is om reden dat hij niet beschouwd kan worden als een sportbeoefenaar in de zin van het decreet. Hij stelt op geen enkel ogenblik ingeschreven te zijn geweest bij een sportbond of ooit aan enige sportmanifestatie te hebben deelgenomen, noch de intentie te hebben zulks te willen doen. In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt het middel als volgt toegelicht : "De hoedanigheid van 'sportbeoefenaar' wordt in de bestreden beslissing afgeleid uit het feit dat verzoeker na de vaststelling een aanvraag heeft ingediend tot het bekomen van toestemming wegens therapeutische noodzaak, VII-37.663-5/16 en hij daarin aangeeft dat hij 'bodybuilding' als sporttak beoefent. Deze vermelding heeft echter helemaal geen officieel karakter, en was enkel descriptief bedoeld m.b.t. de door hem uitgevoerde vorm van lichaamsbeweging. Verzoeker is nooit aangesloten geweest bij enig bodybuildingverbond, noch heeft hij ooit aan bodybuildingwedstrijden deelgenomen of de intentie gehad eraan deel te nemen. De aanvraag tot het bekomen van toestemming wegens therapeutische noodzaak was een dwaling vanwege verzoeker, wiens huisdokter hem dit (ten onrechte) geadviseerd had. Hieruit kan dus geenszins een 'bekentenis' afgeleid worden als zou verzoeker een 'sportbeoefenaar' zijn in de zin van het decreet van 21 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening. In de bestreden beslissing wordt bovendien uitgegaan van de manifest verkeerde veronderstelling dat een fitnesscentrum per definitie een georganiseerd verband inhoudt, en bijgevolg dat iedereen die aanwezig is in een fitnesscentrum aldus deelneemt aan of zich georganiseerd voorbereidt op een sportmanifestatie. Dergelijke voortvarende veronderstellingen zouden kunnen leiden tot absurde situaties: zo zou een 60 jarige huisvrouw die een paar pondjes tracht kwijt te geraken op een stationaire fiets, kunnen worden beschouwd als een sportbeoefenaar die zich klaarblijkelijk voorbereidt op een wielerwedstrijd. Eén en ander druist regelrecht in tegen de geest van het decreet, die blijkt uit de parlementaire voorbereidingen, waar men benadrukte dat het decreet de beteugeling beoogde van dopingpraktijken van topsporters die zich buiten competitie doperen. In de praktijk dient vastgesteld te worden dat, in totale tegenstelling tot de initiële bedoeling, de Vlaamse Gemeenschap alleen maar is overgegaan tot het controleren en penaliseren (lees: beboeten) van recreanten, terwijl de 'topsporters' waar het decreet om draait ongemoeid worden gelaten. Het is voor verzoeker onbegrijpelijk dat hij, die nooit aan enige sportcompetitie heeft gedaan, zowaar wordt onderworpen aan een dopingcontrole, terwijl in de media gemeld wordt dat echte topsporters zoals Tia Hellebaut en Cedric Van Brantegem nog niet één keer gecontroleerd werden door de Vlaamse Gemeenschap. Wanneer de Vlaamse Gemeenschap aanneemt dat een sportbeoefenaar zich voorbereidt op een sportmanifestatie - zoals in casu geargumenteerd in de bestreden beslissing - dan behoort het de Vlaamse Gemeenschap minstens toe te bewijzen om welke sportmanifestatie het dan wel zou gaan. Dit is niet het geval".
- De verwerende partij antwoordt dat artikel 3 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening stelt dat het van toepassing is op elke sportbeoefenaar, dat voormeld begrip in artikel 2 van voornoemd decreet wordt omschreven als "elke persoon die zich voorbereidt op of deelneemt aan sportmanifestaties", dat het begrip sportmanifestatie op zijn beurt door dezelfde bepaling wordt gedefinieerd als "elk initiatief tot sportbeoefening met recreatieve, competitieve of demonstratieve doeleinden in georganiseerd verband", dat de Disciplinaire Raad het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening correct heeft toegepast door de verzoeker te beschouwen als een sportbeoefenaar die zich voorbereidt op of deelneemt aan een initiatief tot sportbeoefening met recreatieve doeleinden in georganiseerd verband, dat bodybuilding in een fitnesscentrum per definitie een georganiseerd verband VII-37.663-6/16 impliceert, dat in een fitnesscentrum immers een volledige infrastructuur ter beschikking wordt gesteld, desgevallend met professionele begeleiding, dat uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet blijkt dat het "georganiseerd verband" zeer ruim moet worden geïnterpreteerd en dat het recreatief dan wel competitief of demonstratief oogmerk van de sportbeoefenaar niet terzake doet voor de toepassing van het decreet.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat onder "georganiseerd verband" verstaan dient te worden dat de sportbeoefenaar aangesloten is bij een erkend sportverbond, dat "het Dopingdecreet" gericht is op onaangekondigde dopingcontroles van topatleten in hun wedstrijdvoorbereiding, dat het aberrant is om het trainen in een fitnesscentrum op zich als sportevenement te beschouwen, dat het werken aan de gezondheid zonder "sportieve doeleinden" kadert in de privésfeer, dat aan "niet-sportbeoefenaars" geen disciplinaire sanctie met het oog op hun sportieve reclassering en evenmin een geldboete kunnen worden opgelegd, dat het trainen in een fitnesscentrum kan worden aanzien als voorbereiding op een sportmanifestatie maar niet als een sportmanifestatie op zich, dat bodybuilding, gericht op het "tonen" van droge spiermassa en vormen, niet als een sport kan worden beschouwd tenzij wanneer betrokkenen zich vrijwillig onderwerpen aan de regels van de georganiseerde sportbeoefening, dat hij nooit aangesloten is geweest bij een bodybuildingverbond of -federatie en dat de dopingreglementering niet de gezondheid centraal stelt maar enkel competitievervalsing wil tegengaan.
- De verzoeker stelt in zijn laatste memorie nog dat in een fitnesscentrum geen sprake is van georganiseerde sportbeoefening, dat sport een zeker competitief aspect behelst, hetzij via directe confrontatie met medespelers, hetzij via het vestigen van een geregistreerde score of het leveren van een meetbare prestatie, dat lichaamsbeweging in een fitnesscentrum daaraan niet voldoet, dat een fitnesscentrum puur commercieel van aard is en niet beschouwd kan worden als een sportmanifestatie in de zin van het decreet, dat hij nooit de intentie heeft gehad om deel te nemen aan een sportmanifestatie of zich daarop voor te bereiden, dat de uitgevoerde dopingcontrole verkeerdelijk uitging van de veronderstelling dat hij in het fitnesscentrum aanwezig was om te trainen voor het beoefenen van een competitiesport, dat de bestreden beslissing enkel stelt dat hij zou hebben deelgenomen aan een sportmanifestatie maar niet dat hij zich op het moment van de controle zou voorbereiden op dergelijke manifestatie, dat te dezen het initiatief tot het organiseren van een sportmanifestatie niet uitging van het betrokken VII-37.663-7/16 fitnesscentrum en evenmin van hemzelf, dat de interpretatie van het begrip "sport" gestoeld dient te zijn op "de maatschappelijke werkelijkheid, het gezond verstand en de vermoede ratio legis", dat uit de parlementaire voorbereiding van het decreet duidelijk blijkt dat het strekt tot uniformisering van het internationale dopingbeleid inzake topsport, dat het decreet eng geïnterpreteerd dient te worden in het licht van het recht op privéleven, dat onder organisatie van sportbeoefening verstaan dient te worden het bijeenbrengen van de constitutionele elementen van de sportbeoefening, namelijk het recruteren van deelnemers, het aanbrengen van het competitief element en van toeschouwers, het instellen en controleren van de spelregels en het registreren van prestaties of scores, dat hij als gebruiker van de faciliteiten van een fitnesscentrum niet in voormeld geval verkeerde, dat het "georganiseerd verband" eerder gezien dient te worden in de sportieve zin en niet in de materiële of commerciële zin en dat het niet volstaat dat tegen betaling gebruik wordt gemaakt van de faciliteiten van een fitnesscentrum om te besluiten dat er sprake is van sportbeoefening in georganiseerd verband. Beoordeling
- Luidens artikel 3 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening zijn de bepalingen van het decreet van toepassing op "elke sportbeoefenaar, op elke begeleider en op elke sportvereniging". Het begrip sportbeoefenaar wordt in artikel 2, 3/, van het voornoemde decreet omschreven als "elke persoon die zich voorbereidt op of deelneemt aan sportmanifestaties". Onder sportmanifestatie moet volgens artikel 2, 2/, van hetzelfde decreet verstaan worden : "elk initiatief tot sportbeoefening met recreatieve, competitieve of demonstratieve doeleinden in georganiseerd verband". Het ontwerp van decreet inzake medisch verantwoorde sportbeoefening (Parl. St. Vl. Parl. 1990-1991, nr. 448/1) geeft de volgende toelichting bij het ontworpen artikel 2, 2/ : "2/ Het betreft hier elk initiatief waarbij personen sport beoefenen. De bedoeling is dat onder het begrip sportmanifestatie zowel sport in competitieverband als sport in recreatie- of demonstratieverband verstaan wordt. Om als sportmanifestatie beschouwd te worden is bovendien een zekere mate van organisatie vereist. Deze kan onder diverse vormen tot uiting komen en dient zeer ruim geïnterpreteerd te worden". Het toepassingsgebied van het ontwerp van decreet is onderwerp geweest van uitvoerige bespreking in de Commissie voor Welzijn en Gezondheid VII-37.663-8/16 van het Vlaams Parlement. In het verslag namens de Commissie (Parl. St. Vl. Parl. 1990-1991, nr. 448/4, p. 7) leest men bij de algemene bespreking onder meer : "Verscheidene Commissarissen stelden vragen betreffende de draagwijdte van artikel 3 van het ontwerpdecreet, waarin wordt bepaald dat het decreet van toepassing zal zijn op elke sportbeoefenaar, op elke begeleider en op elke sportvereniging. Hierbij werd aangedrongen op een nadere toelichting bij de definiëring van deze doelgroepen zoals ingeschreven in artikel 2 van het ontwerpdecreet. Dit werd belangrijk geacht met het oog op de haalbaarheid van de vooropgestelde beleidsopties. In dit kader werd de vraag gesteld of elke sportbeoefenaar, bijvoorbeeld de wielertoerist, verplicht zal zijn zich medisch te laten keuren, of zij allemaal aan een dopingcontrole zullen kunnen worden onderworpen. Hierbij aansluitend stelde een Commissaris voor een onderscheid te maken tussen de louter recreatieve sportbeoefenaar enerzijds en de competitieve en de professionele sportbeoefenaars anderzijds. De eerste categorie zou buiten het toepassingsgebied van het ontwerpdecreet moeten vallen. Hij oordeelde immers dat het opleggen van de decretale verplichtingen aan de individuele en georganiseerde recreatieve sportbeoefenaars de uitvoerbaarheid van het ontwerpdecreet zou ondergraven. In een andere tussenkomst werd voorgesteld de sportverenigingen te schrappen uit het toepassingsgebied van het ontwerpdecreet. De desbetreffende decretale bepalingen zouden enkel aan de sportfederaties mogen worden opgelegd. (...) In zijn tussenkomst beklemtoonde de Gemeenschapsminister opnieuw dat het ontwerpdecreet pas na een maandenlange, uitgebreide overlegprocedure met diverse betrokkenen uit de sportwereld en de gerechtelijke instanties tot stand kwam. De ruime toepassingsmogelijkheden werden doelbewust in het ontwerpdecreet ingeschreven. Dit is de enige mogelijke benadering teneinde het vooropgestelde doel, met name een veilige en gezonde sportbeoefening voor alle sportbeoefenaars, te kunnen bewaken en verzekeren. Voor deze benadering werd tevens geopteerd op basis van een evaluatie van de recente evoluties in de sportbeoefening. Hieruit bleek onder andere duidelijk dat binnen de steeds groter wordende groep van recreatieve sportbeoefenaars een aantal onder hen op een onveilige en onverantwoorde wijze aan sport doen. De bewezen spitsvondigheid van bepaalde sportbeoefenaars en organisatoren van sportmanifestaties maakte eveneens dergelijk ruime omschrijving van het toepassingsgebied noodzakelijk. Eventuele ontwijkingsmogelijkheden worden zoveel mogelijk bij voorbaat uitgesloten". Zoals blijkt uit de hiernavolgende passage uit de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet (Parl. St. Vl. Parl. 1990-1991, nr. 448/4, p. 15) is tijdens de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk de vraag opgeworpen naar de toepasselijkheid van de bepalingen inzake medisch verantwoorde sportbeoefening op fitnesscentra : "Artikel 3 Hierbij stelde een Commissaris de vraag of bepaalde sportdisciplines die meestal niet beoefend worden binnen de klassieke verenigingsverbanden, VII-37.663-9/16 bijvoorbeeld fitness en bodybuilding, eveneens onder het toepassingsgebied van het decreet vallen. Voor een goed begrip van het bedoelde toepassingsgebied moet, luidens het antwoord van de Gemeenschapsminister, dit artikel in samenhang met artikel 2 worden gelezen, in het bijzonder met de punten 2/, 3/ en 4/ van dit artikel. Hieruit blijkt onder meer duidelijk dat elk initiatief tot sportbeoefening met recreatieve, competitieve of demonstratieve doeleinden in georganiseerd verband, dat elke persoon die zich voorbereidt op deelname aan een sportmanifestatie en dat elke vereniging die bij overeenkomst of krachtens haar statuten hoofdzakelijk tot doel heeft sportmanifestaties te organiseren, tot het toepassingsgebied van het decreet behoren. Het antwoord op de gestelde vraag is dus duidelijk positief. Tot slot verwees de Gemeenschapsminister naar de verduidelijking die ter zake reeds werd gegeven tijdens de algemene bespreking en de hoorzitting". In tegenstelling tot de zienswijze van de verzoeker is het toepassingsgebied van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening niet beperkt tot competitiesport. Volgens de duidelijke tekst van artikel 2, 2/, is het decreet eveneens van toepassing op recreatieve sportbeoefening "in georganiseerd verband". Blijkens de parlementaire voorbereiding van het decreet, dient het "georganiseerd verband" zeer ruim te worden opgevat en volstaat "een zekere mate" van organisatie die onder "diverse vormen" tot uiting kan komen. De aansluiting bij een (erkende) sportvereniging of -federatie vormt in elk geval geen noodzakelijke voorwaarde opdat van sportbeoefening in georganiseerd verband sprake zou kunnen zijn. Een fitnesscentrum dient te worden beschouwd als een initiatief tot sportbeoefening in georganiseerd verband. Het publiek ter beschikking stellen van een bijzondere infrastructuur om onder deskundig toezicht en begeleiding, die niet noodzakelijk individueel hoeft te zijn, aan sportbeoefening te doen, veronderstelt immers een zekere mate van organisatie die voldoet aan het "georganiseerd verband" bedoeld in artikel 2, 2/, van het voornoemde decreet. Het commercieel karakter van een fitnesscentrum doet daaraan geen afbreuk. Op winst gerichte sportmanifestaties zijn immers niet uit het toepassingsgebied van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening gesloten. Het eerste middel is ongegrond. VII-37.663-10/16 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna : EVRM). De verzoeker stelt dat de vaststellingen, die aan de basis liggen van het bestreden besluit, gebeurd zijn tijdens het beoefenen van lichaamsbewegingen binnen de private sfeer en dat het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening het grondwettelijk recht van eerbiediging van het privéleven niet voldoende waarborgt waar het door de onduidelijke omschrijving van de term "sportmanifestatie" aanleiding geeft tot interpretaties die strijdig zijn met de geschonden geachte bepalingen.
- De verwerende partij antwoordt dat de sportbeoefening waar de verzoeker heeft aan deelgenomen wel degelijk onder toepassing valt van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening en dat de met de bestreden beslissing opgelegde disciplinaire maatregel de verzoeker niet verhindert om in zijn privésfeer verder aan sport te doen.
- Aangaande de repliek van de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord wordt verwezen naar de weergave ervan bij het eerste middel.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat een essentieel kenmerk van sportbeoefening in georganiseerd verband de betrokkenheid van verschillende personen is, hetzij als medespeler, tegenspeler, scheidsrechter, waarnemer of toeschouwer en dat dergelijke "georganiseerde verhouding" met andere aanwezigen niet bestaat in een fitnesscentrum. Beoordeling
- Uit het ongegrond bevinden van het eerste middel vloeit voort dat de dopingcontrole die tot de bestreden beslissing heeft geleid, uitgevoerd werd op een ogenblik dat de verzoeker deelnam aan een sportmanifestatie in de zin van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening. In de mate dat de verzoeker poneert dat de bestreden beslissing afbreuk doet aan de bescherming van het privéleven, zoals gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker in het VII-37.663-11/16 middel niet aantoont dat sportbeoefening in een fitnesscentrum behoort tot de persoonlijke levenssfeer waarmee het openbaar gezag zich niet zou mogen inmengen op grond van een decreet dat er onder meer toe strekt het gebruik van verboden dopingmiddelen uit de sportbeoefening te bannen. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel stelt de verzoeker dat het hem opgelegde verbod om gedurende 18 maanden deel te nemen aan om het even welke activiteit in een fitnesscentrum een inbreuk vormt op zijn private levenssfeer, omdat een fitnesscentrum "waar éénieder zonder enige vorm van begeleiding individueel kan komen werken aan zijn/haar lichamelijke conditie, geenszins per definitie kan worden beschouwd als een initiatief tot sportbeoefening in georganiseerd verband in de zin van het decreet van 21 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening". Het middel wordt als volgt toegelicht : "De decreetgever heeft de intentie gehad om op doping betrapte topsporters te sanctioneren met een deelnameverbod aan competities, en een geldboete op te leggen rekening houdende met het beoogde onrechtmatige voordeel (zie motivering bestreden beslissing). In casu is er, bij gebrek aan enige competitieve ingesteldheid in hoofde van verzoeker, geen sprake van enig 'beoogd onrechtmatig voordeel' of 'sportieve reclassering'. Het enkele gebruik van deze termen in de bestreden beslissing geeft reeds aan dat de disciplinaire raad krachtens het decreet de bevoegdheid heeft gekregen om competitieve sporters, die financieel voordeel halen of wensen te halen uit hun sportbeoefening, te controleren en eventueel te sanctioneren in geval van competitievervalsing. Waar er in hoofde van verzoeker nergens wordt aangetoond dat deze enige sportcompetitie beoogde, gaat de hem opgelegde sanctie de beteugeling van competitievervalsing te buiten en dringt binnen in de private levenssfeer. De enige sanctie die hem, bij grondwettelijk correcte toepassing van het decreet van 21 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening zou kunnen worden opgelegd, is een verbod om deel te nemen aan sportcompetities. Een verbod om gedurende 18 maanden nog een fitnesscentrum te betreden is te verregaand, en een manifeste schending van de private levenssfeer. In deze absurde toepassing van het decreet zou het dus mogelijk zijn dat iemand die een glas komt drinken in een café waar gebiljart wordt, en louter recreatief een spelletje golfbiljart wenst te spelen, gevraagd wordt om als 'sportbeoefenaar' een dopingcontrole te ondergaan, waarna hij - in geval van een positieve controle wegens alcoholgebruik (staat op de lijst van verboden VII-37.663-12/16 producten!) - voor de disciplinaire commissie van de Vlaamse Gemeenschap gedaagd wordt teneinde aldaar veroordeeld te worden tot een geldboete en een verbod opgelegd te krijgen om gedurende een bepaalde periode nog enige erkende 'sport' te beoefenen (inclusief golfbiljart, vogelpik enz.). Het moge duidelijk wezen dat dergelijke absurde controles en sancties niet het initiële objectief van het decreet van 21 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening kunnen zijn. Het geval van verzoeker is even absurd als voormelde fictieve casus".
- De verwerende partij wijst er vooreerst op dat de verzoeker nalaat de geschonden geachte bepalingen van het decreet aan te duiden. Voorts stelt zij dat het derde middel aansluit bij de twee vorige en dat de verzoeker er verkeerdelijk van uitgaat dat enkel topsporters geviseerd zouden zijn, hetgeen niet het geval is. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat de verzoeker betrapt is op het gebruik van vier verboden middelen, zodat in het licht daarvan de sanctie niet als kennelijk onredelijk aanzien kan worden.
- In de memorie van wederantwoord gaat de verzoeker niet verder in op het middel. Beoordeling
- Titel VI van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening handelt over de "disciplinaire maatregelen inzake medisch verantwoorde sportbeoefening". Onder deze titel bepaalt artikel 30, 3/, dat de Disciplinaire Commissie kennis neemt van de "overtreding van artikel 21 door de sportbeoefenaar die dopingpraktijken toepast". Artikel 40 van het voornoemde decreet handelt over de disciplinaire maatregelen die de Disciplinaire Commissie of de Disciplinaire Raad in hoger beroep kan opleggen. Met betrekking tot de sanctionering van verboden dopingpraktijken bepaalt artikel 40, § 1, tweede lid en volgende : "In geval van de in artikel 30, 3° en 6°, bedoelde overtredingen kan de disciplinaire commissie of de disciplinaire raad in hoger beroep beslissen de sportbeoefenaar een verbod op te leggen om aan enige sportmanifestatie en georganiseerde voorbereiding deel te nemen voor een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar, en bijkomend, voor de meerderjarige sportbeoefenaar, een administratieve geldboete op te leggen. Het bedrag van de eventuele opgelegde administratieve geldboete wordt door de disciplinaire commissie of de disciplinaire raad in hoger beroep soeverein bepaald rekening houdend met de ernst van de feiten. Het kan evenwel niet meer bedragen dan 25.000 euro. Bovendien beslissen de disciplinaire commissie en de disciplinaire raad welk gedeelte van de kosten voor de controles, bedoeld in de artikelen 25 en 26, en VII-37.663-13/16 van de kosten verbonden aan de procedure, bedoeld in de artikelen 32 en 38, ten laste van de sportbeoefenaar worden gelegd". Zoals reeds werd gesteld bij de beoordeling van het eerste middel ressorteert sportbeoefening in een fitnesscentrum, zelfs al heeft deze een zuiver recreatief karakter, onder het toepassingsgebied van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening. Op grond van artikel 40, § 1, van het voornoemde decreet kan de Disciplinaire Raad dan ook de sportbeoefenaar verbod opleggen om gedurende een bepaalde termijn aan dergelijke sportbeoefening deel te nemen. De verzoeker voert voor het overige nergens aan dat de met de bestreden beslissing opgelegde disciplinaire maatregelen onevenredig zijn met de gepleegde inbreuk op meervermeld decreet. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een vierde middel de schending in van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 6 van het EVRM. De verzoeker stelt dat in de motivering van de bestreden beslissing op geen enkel ogenblik wordt verwezen naar de toepasselijke artikelen van het decreet, dat er in het motiverende gedeelte op verwarrende wijze wordt omgesprongen met de nummering van de paragrafen en er geen melding wordt gedaan van de eventueel aan te wenden rechtsmiddelen. Voorts betoogt de verzoeker dat nergens wordt gespecifieerd wat het door hem beoogde onrechtmatig voordeel zou kunnen zijn, alsook wat moet worden verstaan onder "sportieve reclassering". De verzoeker concludeert dat de bestreden beslissing "is opgemaakt uit een aantal algemene overwegingen, afgestemd op de ware doelgroep van het decreet nl. topsporters".
- De verwerende partij antwoordt dat in de aanhef van de bestreden beslissing wordt verwezen naar artikel 21, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is, dat met sportieve reclassering wordt bedoeld dopingvrij aan sport doen na het verstrijken van de schorsingstermijn, dat de beslissing wel degelijk gemotiveerd is, dat de verzoeker niet aantoont in welk opzicht zijn "proces" niet aan de vereisten van artikel 6 van het EVRM zou voldoen en dat melding werd gemaakt VII-37.663-14/16 van de mogelijke rechtsmiddelen in de brief waarmee kennis werd gegeven van de bestreden beslissing.
- In de memorie van wederantwoord gaat de verzoeker niet verder in op het middel. Beoordeling
- De verwerende partij merkt terecht op dat de bestreden beslissing van de Disciplinaire Raad, zijnde een orgaan van actief bestuur behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, niet onder toepassing valt van artikel 149 van de Grondwet. Bovendien moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing hoe dan ook tegemoetkomt aan de motiveringsplicht. De bestreden beslissing werd genomen op grond van artikel 21, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening luidens hetwelk elke sportbeoefenaar zich te allen tijde moet onthouden van dopingpraktijken. In de aanhef van de bestreden beslissing wordt bij de omschrijving van de inbreuk die de verzoeker ten laste wordt gelegd uitdrukkelijk melding gemaakt van voormelde bepaling. Wat betreft de in het bestreden besluit gebruikte termen "beoogde onrechtmatige voordeel" en "sportieve reclassering" reikt de motiveringsverplichting niet zover dat de in de motieven gebruikte bewoordingen en termen moeten worden uitgelegd ten behoeve van de rechtsonderhorige. De termen in kwestie zijn daarenboven niet vreemd aan de specifieke context waarin ze gebruikt worden. Te dezen strekt de bestreden beslissing overduidelijk tot het beteugelen van verboden dopingpraktijken teneinde de betrokken sportbeoefenaar ertoe aan te zetten om in de toekomst van dergelijke praktijken af te zien en dopingvrij aan sport te doen. Een onbeduidende misslag bij de doorlopende nummering van de opgegeven motieven, tast de wettigheid van de bestreden beslissing geenszins aan. De bewering dat de voor de verzoeker openstaande rechtsmiddelen niet vermeld werden, mist feitelijke grondslag aangezien dergelijke vermelding wel voorkomt op het begeleidend schrijven waarmee de bestreden beslissing aan de verzoeker ter kennis werd gebracht. VII-37.663-15/16 De uiteenzetting van de verzoeker bevat geen enkele verduidelijking van de wijze waarop artikel 6 van het EVRM door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden, zodat het middel in de mate dat de schending van voormelde verdragsbepaling wordt aangevoerd niet ontvankelijk is. Het vierde middel is deels onontvankelijk en deels ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie juni tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.663-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.608 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.