← België

Arrest 204655 - Erkenning van aannemers - 03/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.655 Rolnummer: A. 122561/XII-3579 Zaak: Arrest 204655 - Erkenning van aannemers - 03/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-14 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Arrest nr 204.655 van 3 juni 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Erkenning van aannemers Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 204.655 van 3 juni 2010 in de zaak A. 122.561/XII-

  1. In zake : de NV BAECK & JANSEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. Van Hout, kantoor houdende te Berlaar, Markt 79 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Ronse, kantoor houdende te 1050 Brussel, G. Macaulaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de nv Baeck & Jansen op 17 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie zoals vervat in het schrijven d.d. 16 april 2002 van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, waarbij aan verzoekende partij de erkenning van aannemer van werken in de klasse 7 van de categorie B wordt geweigerd”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op de beschikking van 7 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 17 november 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2009; XII-3579-1/12 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Ronse, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak
  3. Verzoekende partij vraagt bij schrijven van 24 november 2000 om opnieuw als aannemer van werken in klasse 7 van categorie B te worden erkend.
  4. In een brief van 20 december 2000 wordt verzoekende partij verzocht om haar dossier te vervolledigen en per kerende een aantal ontbrekende stukken te bezorgen. Wat betreft de erkenning categorie B wordt het volgende gevraagd : “M.b.t. de werkreferenties Voor de categorie B : [...] b) behoudens bewijs van het tegendeel [de] betreffen de werken TV (4 zeesluizen) en Antwerp Dredging het op peil houden van bevaarbare waterwegen (zeehaven!) dus categorie A en zijn bijgevolg niet dienstig. Gelieve alternatieve waterbouwkundige werken voor te leggen en/of de gewenste klasse te verlagen”.
  5. Verzoekende partij antwoordt op dit verzoek met een schrijven van 25 januari 2001 onder meer als volgt : “Voor de categorie B: algemene aannemingen van waterbouwkundige werken [...]
  6. Op peil houden van de toegangsgeulen tot 4 zeesluizen. Bouwheer: TV Rupeltransport - Dredging International. XII-3579-2/12 Uit de administratieve bepalingen van het bestek [...] blijkt dat zowel categorie A als B voorzien zijn. Wij merken op dat het hier gaat om zogenaamd ‘agitatiebaggerwerk’ en geen klassiek baggerwerk. Klassiek baggerwerk zuigt of haalt het slib of specie op, vervoert het en deponeert dit op een andere plaats. Voor agitatiebaggerwerk worden geen klassieke baggertuigen tewerk gesteld maar gebeurt dit baggerwerk bij middel van gewone sleepboten (die daarna door de aannemer voor gewone waterbouw te werk gesteld worden). Het slib wordt bij wijze van spreken weggesleept zoals bij gewoon grondverzet met bulldozer. Bij dit werk moet rekening gehouden worden met eb en vloed, de aard van het slib, enz... d.w.z. de kennis en ervaring van waterbouw is geboden en daarom vraagt het bestek een ‘B’. [...]
  7. Het op diepte houden van de toegangsgeul van de Van Cauwelaertsluis. Bouwheer: Antwerp Dredging N.V. Het betreft hier identiek dezelfde activiteiten als punt 2 hierboven. Ook hier werkten wij in onderaanneming doch op basis van de wekelijkse peilplannen ons door het Ministerie ter beschikking gesteld. Tot onze spijt hebben wij geen bijzonder bestek voorhanden”.
  8. Verwerende partij repliceert bij schrijven van 8 februari 2001 onder meer als volgt : “Voor de categorie B : betreffen de werken TV (4 zeesluizen) en Antwerp Dredging het op peil houden van bevaarbare waterwegen (zeehaven!), dus categorie A, en zijn bijgevolg niet dienstig. Mede gelet op het nut van waterbouwkundige ervaring is het begrijpelijk (hoewel niet formeel correct) ook houders van erkenningscategorie B toe te laten tot dit type van ‘categorie A te water’. Toch ontbreken alle baggertechnieken het complex karakter om als waterbouwkundige referentie te fungeren. Gelieve alternatieve waterbouwkundige werken voor te leggen en/of de gewenste klasse te verlagen”.
  9. In een brief van 7 maart 2001 stelt verzoekende partij de zienswijze van verwerende partij te betreuren en geeft zij uitgebreid de redenen weer op grond waarvan zij deze zienswijze niet kan bijtreden. Meer bepaald bestempelt zij de agitatiebaggertechniek als een werk met complex karakter.
  10. Verwerende partij verduidelijkt in een schrijven van 22 maart 2001 dat “de technische kwaliteit [...] niet ter discussie [staat], enkel de categorisering zoals de wetgever oplegt” en dat “alle baggertechnieken het complex karakter [ontberen] om als waterbouwkundige referentie te fungeren” : XII-3579-3/12 “Dat woord staat niet voor ‘moeilijk’ maar voor ‘veelomvattend’ nl. een combinatie van ondercategorieën met alle voorbereidingen en afwerkingen, analoog sleutel op de deur”.
  11. Nadat een aantal keren uitstel wordt verleend om verzoekende partij toe te staan haar dossier te vervolledigen, brengt de commissie voor erkenning der aannemers op 2 oktober 2001 een gunstig advies uit voor de erkenning van verzoekende partij als aannemer van werken, onder meer in de klasse 6 van categorie B. Zij krijgt aldus niet de gevraagde erkenning in klasse 7 van categorie B, dit “bij gebrek aan voldoende specifieke werkreferenties”.
  12. Op 16 november 2001 dient verzoekende partij een omstandig bezwaarschrift in tegen wat zij noemt “het gedeeltelijk ongunstig advies”. Zij vraagt eveneens om te worden gehoord.
  13. Verzoekende partij wordt gehoord door de commissie voor erkenning der aannemers op een vergadering van 29 januari
  14. Op 26 februari 2002 brengt de commissie voor erkenning der aannemers een nieuw advies uit inzake de categorie B: “gunstig advies [...] voor de klasse 6 en ongunstig voor de klasse 7”. Dit advies wordt onder meer als volgt gemotiveerd : “Inzake de categorie B : Met het oog op het bekomen van een erkenning in de klasse 7 categorie B legt de aannemer een aantal referenties voor van uitgevoerde werken. [...] Drie van de voorgelegde referenties hebben betrekking op agitatie- en/of waterinjectiebaggeren, met name:
  15. ‘het op peil houden van de bodem van de toegangsgeulen tot 4 zeesluizen op de rechteroever van de haven van Antwerpen’ in opdracht van de TV Rupeltransport - Dredging International (1993-1995) voor een bedrag van 41.850.859,- BEF (besteknummer 7645 - in het bestek werd de keuze gelaten tussen de categorie A of B);
  16. ‘het op diepte houden van de toegangsgeul van de Van Cauwelaertsluis’ in opdracht van NV Antwerp Dredging (1997-1999) voor een bedrag van 28.227.582,- BEF; XII-3579-4/12
  17. ‘op diepte houden van toegangsgeul Van Cauwelaertsluis’ in opdracht van TV Rupeltransport- Dredging International (1988-1995) voor een bedrag van 55.530.000,- BEF. De commissie is unaniem van oordeel dat agitatiebaggeren en waterinjectiebaggeren moeten worden beschouwd als werken behorende tot de categorie A ‘algemene aannemingen van baggerwerken’ in de zin van artikel 2 van het MB van 27/09/1991 tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in categorieën en ondercategorieën met betrekking tot de erkenning van aannemers [...], en niet tot de categorie B ‘algemene aannemingen van waterbouwkundige werken’. Uit de bewoordingen en de geest van voormelde bepaling volgt dat alle baggerwerken tot de categorie A behoren, ongeacht welke techniek daarbij gebruikt wordt. In tegenstelling tot de klassieke baggertechnieken - waarbij met behulp van de grijperkraan, de baggermolen en meer recent de sleephopperzuiger de baggerspecie eerst wordt opgebaggerd, dan getransporteerd en vervolgens gedumpt - combineren de agitatiebaggertechniek en de waterinjectie- baggermethode deze drie fasen door het opwekken van dichtheidsstromen zodat de baggerspecie onder invloed van de zwaartekracht afvloeit naar een dieper gelegen punt en dus niet wordt opgehaald. Deze nieuwe technieken hebben in hoofdzaak tot doel het uitdiepen ten behoeve van de scheepvaart, maar kunnen in sommige gevallen eveneens toegepast worden bij berging van vervuild en verontreinigd slib en sediment (bv. vervuiling door zware metalen) : dit zijn werkzaamheden die door hun aard zelf als baggerwerken moeten worden beschouwd behorende tot de categorie A. Deze principiële beslissing zal aan de aanbestedende overheden worden meegedeeld. Om deze reden kunnen deze 3 aangehaalde referenties niet in aanmerking genomen worden voor de categorie B, maar wel voor de categorie A. De aannemer doet gelden dat de referentie ‘op diepte houden van toegangsgeul van Cauwelaertsluis’ in opdracht van TV Rupeltransport - Dreding International (1988-1995) voor een bedrag van 55.530.000,- BEF, bij gelegenheid van een vroegere erkenningsaanvraag (nl. in 1995) als referentie werd aanvaard voor de categorie B. De Commissie wijst erop dat deze referentie inderdaad in 1995 werd aanvaard voor de categorie B op basis van de summiere omschrijving vermeld op het getuigschrift (4bis) van goede uitvoering en zonder nader onderzoek, m.a.w. zonder dat de Commissie zich bewust was van het feit dat het om agitatiebaggeren ging. In het licht van de nieuwe informatie die uit de behandeling van de huidige erkenningsaanvraag is gebleken, is de Commissie overgegaan tot een nader onderzoek van alle voorgelegde werkreferenties teneinde de werkelijke en precieze aard ervan te kunnen bepalen. Uit de stukken en het onderzoek ter zitting blijkt thans dat agitatiebaggerwerken werden uitgevoerd, die zoals hierboven uiteengezet tot de categorie A behoren. XII-3579-5/12 In die omstandigheden dient de Commissie haar in 1995 uitgebrachte beoordeling recht te zetten”.
  18. Op 12 april 2002 ondertekent de bevoegde Vlaamse minister dit advies voor akkoord. Dit is de bestreden beslissing. Bij aangetekend schrijven van 16 april 2002 wordt verzoekende partij van deze beslissing op de hoogte gebracht. Gegrondheid van het beroep Eerste middel 12.
  19. In een eerste middel voert verzoekende partij de “schending en/of miskenning” aan van “de artikelen 4A en B van het K.B. d.d. 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de Wet d.d. 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken juncto de artikelen 2A en B van het M.B. d.d. 27 september 1991 tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in Categorieën en ondercategorieën” en verwijt zij voorts verwerende partij een “manifeste beoordelingsvergissing”. Zij onwikkelt dit middel als volgt : “Doordat met het bestreden besluit wordt voorgehouden dat ‘(...) agitatiebaggeren en waterinjectiebaggeren moeten worden beschouwd als werken behorende tot de categorie A algemene aannemingen van baggerwerken’ op grond van de determinerende overwegingen dat enerzijds ‘(...) uit de bewoordingen en de geest van voormelde bepaling volgt dat alle baggerwerken tot de categorie A behoren, ongeacht welke techniek die daarbij gebruikt wordt (...)’ en dat anderzijds ‘(...) Deze nieuwe technieken (...) in hoofdzaak tot doel (hebben) het uitdiepen ten behoeve van de scheepvaart, maar kunnen in sommige gevallen eveneens toegepast worden bij baggeren van vervuild en verontreinigend sediment en slib (bv. vervuiling door zware metalen) dit zijn werkzaamheden die door hun aard zelf als baggerwerken moeten worden beschouwd behorend tot de categorie A. (...)’. Terwijl overeenkomstig de in het middel aangehaalde reglementaire bepalingen de ‘Algemene aannemingen van baggerwerken’ met name ‘Categorie A’ de complexe opdrachten betreffen ‘(...) omvattende de uitdelvingswerken, het mallen of onder profiel brengen in zee of in bevaarbare waterwegen door middel van baggermolens, zuigers, persbaggermachines of eventueel met behulp van te land gebruikt mechanisch materieel, opgesteld op vlotten (...)’, hetwelk geenszins het geval is voor zgn. agitatiebaggeren en waterinjectiebaggeren dewelke immers behoren tot ‘(...) De complexe opdrachten omvattende allerlei werken die dienen te worden uitgevoerd in zee, XII-3579-6/12 aan de waterwegen, onder water of achter een keerdam in rechtstreeks kontakt met het water, zoals: sluizen, sifons, rivierdammen, overlopen, havenwerken, de bouw van dijken en onderwatertunnels, verzinkingswerken, werken in duikersklokken, overwelvingen van waterlopen, landhoofden en pijlers voor bruggen, waarbij het water bij middel van keerdammen moet worden tegengehouden, droogleggingswerken, ontwateringswerken (...)’. En terwijl de door verzoekende partij voorgelegde werkreferenties ter staving van haar erkenning in de categorie B (klasse 7), nl. o.m. het door agitatiebaggeren en waterinjectiebaggeren ‘(...) op peil houden van de bodem van de toegangsgeulen tot 4 zeesluizen (...)’ en ‘(...) op diepte houden van toegangsgeul van de Cauwelaertsluis (...)’ wel degelijk ontegensprekelijk complexe werken betreffen aan in casu sluizen, zonder gebruik van de technieken voorgeschreven voor een erkenning in de categorie A, nl. baggermolens, zuigers, persbaggermachines of te land gebruikt mechanisch materieel opgesteld op vlotten”. 12.
  20. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekende partij : “Verzoekende partij doet opmerken en gelden dat verwerende partij in haar memorie van antwoord enerzijds vooropstelt dat de Commissie ‘(...) heel duidelijk uiteengezet (...)’ zou hebben waarom agitatiebaggeren en waterinjectiebaggeren behoren tot de categorie A, daar waar het aangevochten besluit evenwel niet verder komt dan te overwegen dat ‘(...) uit de bewoordingen en geest van voornoemde bepaling (artikel 2 A van het M.B. d.d. 27 september 1991) volgt dat alle baggerwerken tot de categorie A behoren, ongeacht welke techniek daarbij gebruikt wordt (...)’. Het hoeft weinig betoog dat dit laatste standpunt hoegenaamd niet wordt gedragen door de tekst van artikel 2 A van het M.B. d.d. 27 september 1991 dat immers uitdrukkelijk de technische middelen terzake de betrokken baggerwerken stipuleert c.q. voorschrijft. Verzoekende partij doet terzake trouwens gelden dat de verwerende partij geenszins betwist dat het agitatiebaggeren en waterinjectiebaggeren geenszins geschiedt door middel van de technieken zoals voorgeschreven in artikel 2 A van het M.B. d.d. 27 september 1991, daar waar het anderzijds bezwaarlijk kan worden betwist dat het wel degelijk werken betreffen die dienen te worden uitgevoerd in zee, aan de waterwegen, onder water of achter een keerdam in rechtstreeks contact met water, zoals: sluizen, sifons, rivierdammen, overlopen, havenwerken enz... in de zin en volgens de tekst van artikel 2 B van voornoemd M.B. d.d. 27 september
  21. Deze miskenning van artikel 2 B van het M.B. d.d. 27 september 1991 kan uiteraard niet worden goedgemaakt door het inroepen van een zgn. ‘(...) teleologische interpretatie (...)’, die immers, het weze herhaald, ingaat tegen de tekst zelf van zowel artikel 2 A als artikel 2 B van het betrokken M.B. d.d. 27 september 1991”.
  22. Verwerende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is “bij gebreke aan precisie”. XII-3579-7/12 In het auditoraatsverslag wordt deze exceptie verworpen. Verwerende partij heeft geen laatste memorie ingediend zodat mag worden aanvaard dat zij de exceptie niet langer handhaaft.
  23. In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat verzoekende partij niet aantoont waarom de door verwerende partij aan het artikel 2A van het ministerieel besluit van 27 september 1991 tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in categorieën en ondercategorieën met betrekking tot de erkenning van aannemers, gegeven interpretatie ingaat tegen de in het middel ingeroepen bepalingen: verzoekende partij toont meer bepaald niet aan waarom verwerende partij, in het licht van de evolutie van de technische middelen, niet mocht oordelen dat te dezen de aard van de werken doorslaggevend is en niet zozeer de gebruikte techniek, zodat ook agitatiebaggeren en waterinjectiebaggeren, waarvan niet wordt ontkend dat dit nieuwe technieken zijn, onder het voornoemde artikel 2A vallen. In haar laatste memorie beperkt verzoekende partij zich tot een kort en algemeen betoog onder het opschrift “gegrondheid van de middelen”, dat er op gericht is om haar belang bij het voorliggende annulatieberoep te onderstrepen; zo wijst zij er op dat het “verwerende partij [...] blijkbaar ontgaat welke de impact is van het bestreden besluit” en dat “de ‘gevolgen’ van de zgn. ‘principiële’ beslissing van de verwerende partij niet kunnen overschat worden”. Inhoudelijk voegt het betoog niets toe aan de middelen die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd en het weerlegt de voormelde bevindingen van het auditoraatsverslag niet. De Raad van State ziet mede gelet op deze omstandigheid geen redenen om het auditoraatsverslag niet bij te vallen. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel
  24. Verzoekende partij steunt een tweede middel op de “onbevoegdheid van de auteur van de akte”, op de miskenning van “artikel 3 van de Wet d.d. 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, van artikel 6 § 1 van het K.B. d.d. 26 september 1991 tot vaststelling van XII-3579-8/12 bepaalde toepassingsmaatregelen van de Wet d.d. 20 maart 1991 en van diverse Bijzondere Bestekken die voor de kwestieuze (onderhouds)baggerwerken een erkenning in de categorie B voorschrijven” en op de schending van “het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel”. Zij betoogt daartoe : “Doordat met het bestreden besluit wordt voorgehouden dat ‘(...) deze referentie inderdaad in 1995 werd aanvaard voor de categorie B op basis van de summiere omschrijving vermeld op het getuigschrift (...)’ en thans ‘(...) dient (..) te worden rechtgezet (...)’. Terwijl op grond van de in het middel aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen de Minister het niet vermag - met terugwerkende kracht - de classificatie te betwisten van de categorie waaraan de ontworpen opdrachten geacht werden te beantwoorden en waaraan de uitgeschreven en toegewezen opdrachten beantwoordden en het al evenmin vermag terug te komen op een eerder definitief besluit getroffen op het door de Commissie uitgebracht definitief advies in het kader van een eerdere aanvraag tot erkenning. En terwijl het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel er zich tegen verzetten dat verzoekende partij plots niet meer bekwaam zou worden geacht om algemene aannemingen van grote waterbouwkundige werken uit te voeren, die zij nochtans daadwerkelijk heeft uitgevoerd op grond van Bijzondere Bestekken die deze werken ook onder de betrokken categorie B heeft uitgeschreven en waarvoor haar bekwaamheid terzake werd vereist én aldus erkend door zowel de betrokken Besturen als door de Commissie voor Erkenning der Aannemers”. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekende partij daar nog aan toe : “Verzoekende partij doet vooreerst opmerken dat in het aangevochten besluit ttz. in het advies voor erkenning der aannemers d.d. 26 februari 2002, zoals bijgetreden door de betrokken Minister, uitdrukkelijk wordt overwogen dat ‘(...) de Commissie haar in 1995 uitgebrachte beoordeling (dient) recht te zetten (...)’, hetwelk bezwaarlijk anders zou kunnen worden uitgelegd dan dat de Commissie voor Erkenning der Aannemers, zoals bijgetreden door de betrokken Minister, met terugwerkende kracht terugkomt op een eerder definitief geworden advies/beslissing, waartoe noch de Commissie voor Erkenning der Aannemers, noch de Minister bevoegd zijn. Verzoekende partij doet verder [...] gelden dat het vanzelfsprekend flagrant indruist tegen het rechtzekerheids- en vertrouwensbeginsel verzoekende partij plots technisch onbekwaam te achten om algemene aannemingen van waterbouwkundige werken in de zin van categorie B uit te voeren en met name agitatiebaggerwerken en waterinjectiebaggerwerken. Nochtans blijkt op onweerlegbare wijze dat de aanbestedende overheden deze werken ook onder de betrokken categorie B heeft uitgeschreven en blijft uitschrijven en dus de bekwaamheid terzake zulke algemene aannemingen van waterbouwkundige werken heeft vooropgesteld en blijft vooropstellen, waarvan verzoekende partij XII-3579-9/12 door de uitvoering van deze werken blijk heeft gegeven, hetwelk haar nu door het aangevochten besluit wordt ontzegd”.
  25. Verwerende partij werpt ook ten aanzien van het tweede middel de niet ontvankelijkheid “bij gebreke aan precisie” op. Het tweede middel wordt in het auditoraatsverslag “voldoende duidelijk” en dus ontvankelijk bevonden. Verwerende partij heeft geen laatste memorie ingediend zodat mag worden aanvaard dat zij ook deze exceptie niet langer wenst te handhaven. 17.
  26. In het auditoraatsverslag wordt het middel, wat betreft de ingeroepen miskenning van artikel 3 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, niet aanvaard: de in het middel ingeroepen feiten kunnen immers niet worden ingepast in dat artikel, dat niet de concrete gunning van opdrachten betreft, maar de algemene voorwaarden waaronder zulks mag gebeuren. 17.
  27. Ook wat betreft de vermeende miskenning van artikel 6, §1, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, wordt in het auditoraatsverslag het middel niet aangenomen: verzoekende partij toont niet aan hoe de door haar ingeroepen feiten een schending vormen van deze bepaling, die tot verzoekende partij zelf is gericht. De betrokken bepaling luidt immers : “Om zijn erkenning te verkrijgen richt de aannemer een aanvraag tot de Minister, de indiening van een volledig dossier houdende de door de Minister bepaalde documenten en bewijsstukken. Hij kan die aanvraag zelf doen, via zijn lasthebber of door tussenkomst van een beroepsvereniging”. 17.
  28. In de mate dat in het middel de miskenning van “diverse bijzondere bestekken” wordt opgeworpen, wordt door het auditoraat het middel niet- ontvankelijk geacht: er wordt niet gepreciseerd welke bijzondere bestekken bedoeld zijn; de geschonden geachte bestekken worden door verzoekende partij niet overgelegd; bovendien wordt niet aangetoond hoe de commissie voor erkenning der aannemers of de minister, in het kader van een beslissing over de erkenning, gebonden zouden zijn door die bijzondere bestekken. XII-3579-10/12 17.
  29. Ten slotte, wat de ingeroepen schending van “het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel” betreft, wordt in het auditoraatsverslag in de eerste plaats vastgesteld dat, opdat van een schending van deze beginselen sprake zou zijn, er voldaan dient te zijn aan een aantal voorwaarden: er dient een vergissing van het bestuur voorhanden te zijn; ten gevolge van die vergissing dient een voordeel aan de betrokkene te zijn verleend en er mogen geen gewichtige redenen voorhanden zijn om dat voordeel terug te vorderen. De betrokkene moet daarnaast aantonen dat het gedrag van het bestuur aanleiding heeft gegeven tot rechtmatige verwachtingen. Bovendien belet het vertrouwensbeginsel niet dat om gegronde en met de gewekte verwachtingen verenigbare motieven een andere beslissing wordt genomen dan verwacht. Te dezen wordt niet aangetoond dat de commissie voor erkenning der aannemers of de minister in het kader van de erkenningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid aan verzoekende partij de belofte of de toezegging zouden hebben gedaan dat zij erkend zou worden als aannemer van werken in klasse 7 van categorie B. Integendeel blijkt uit het feitenrelaas en het administratief dossier dat van bij de aanvang van de procedure door verwerende partij werd opgeworpen dat een aantal werkreferenties niet in aanmerking kwamen voor de gevraagde erkenning: daarvan getuigt het voornoemde schrijven van 20 december 2000, waarbij kritische bemerkingen worden gegeven bij de relevantie van de referenties. Voorts toont verzoekende partij niet aan waarom de commissie voor erkenning der aannemers een werkreferentie - te dezen het “op diepte houden van toegangsgeul van Cauwelaertsluis in opdracht van TV Rupeltransport - Dreding International (1988-1995)” - die bij de erkenningsaanvraag in 1995 werd aanvaard voor categorie B, thans niet om de redenen uiteengezet in de bestreden beslissing voor de toekomst kan aanmerken als behorende tot de categorie A, vooral nu de bestreden beslissing ter zake stelt, en verzoekende partij niet betwist, dat de eerdere kwalificatie in 1995 steunde op “de summiere omschrijving vermeld op het getuigschrift (4bis) van goede uitvoering en zonder nader onderzoek” terwijl te dezen dit onderzoek wel heeft plaatsgehad. Het auditoraatsverslag besluit aldus tot de verwerping van het middel. XII-3579-11/12
  30. Zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het eerste middel heeft verzoekende partij zich in haar laatste memorie beperkt tot een betoog dat niets toevoegt aan de middelen die zij tegen de bestreden beslissing aanvoert en dat de bevindingen van het auditoraat niet tegenspreekt. Mede gelet op deze omstandigheid, ziet de Raad van State evenmin wat het tweede middel betreft redenen om de conclusies van het auditoraatsverslag niet bij te vallen. Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni 2010, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3579-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.