id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.684 Rolnummer: A. 195851/VII-37706 Zaak: Arrest 204684 - Milieuvergunningen - 03/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-09 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Arrest nr 204.684 van 3 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 204.684 van 3 juni 2010 in de zaak A. 195.851/VII-37.
- In zake:
- Ann RENARD
- Gilbert PETIT
- Philippe KREUSCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karina De Nil kantoor houdend te Merchtem Kalkovenlaan 75 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te Avelgem Kasteelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA DIVETRAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Rogge en tevens door advocaat Jan Trap kantoor houdend te Dilbeek Baron R. de Vironlaan 60, bus 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 maart 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 14 januari 2010 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 9 juli 2009, houdende het verlenen aan de BVBA Divetran van de milieuvergunning voor het exploiteren van een dierencrematorium en hondenkennel, gelegen aan de Jan Tieboutstraat 95 te Asse, gedeeltelijk gegrond worden verklaard. VII-37.706-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karina De Nil, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Filip Rogge, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De BVBA Divetran dient op 6 januari 2009 een milieuvergun- ningsaanvraag in voor het exploiteren van een dierencrematorium (of verbrandings- installatie voor krengen) en een kennel voor maximaal 75 honden, gelegen aan de Jan Tieboutstraat 95 te Asse. Volgens de bepalingen van het toepasselijke gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, zijn de percelen waarop de inrichting gepland wordt bestemd tot industriegebied. 3.
- Op 9 juli 2009 verleent de deputatie van de provincie Vlaams- Brabant de gevraagde vergunning. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden, waaronder : VII-37.706-2/11 "Art. 1 Krengen die niet in de inrichting kunnen/mogen gecremeerd worden dienen steeds in de vriezer op -18/C te worden opgeslagen. De opslag van een kreng dient beperkt te worden tot maximaal 2 weken. Art. 2 De exploitant dient een eerste emissiemeting uit te laten voeren binnen een termijn van 3 maanden na ingebruikname van het crematorium conform artikel 5.2.3.Bis.3.8.van Vlarem II. Het resultaat van deze metingen dient ter evaluatie naar de afdeling Milieuvergunningen LNE en de VMM overgezonden te wor- den en ter kennisgeving aan de deputatie van Vlaams-Brabant. Art. 3 De akoestische isolatie van de inrichting dient zo uitgevoerd te worden dat de rust van de honden, aanwezig in de kennel, niet gestoord wordt door het bezoek en/of aanlevering of crematie van krengen. Art. 4 (...). Art. 5 (...). Art. 6 In het werkplan dienen volgende zaken extra uitgewerkt te worden: - (...) - Alle genomen maatregelen om geluidshinder, afkomstig van de hondenken- nel te beperken; - Alle genomen maatregelen om de rust van de honden niet te storen tijdens de aanlevering en crematie van de krengen. Art. 7 De crematieoven dient zo ingesteld te worden dat deze, tijdens de werking, niet kan geopend worden alvorens de temperatuur van 850/C behaald is in de oven. (...)". 3.
- Tegen voormelde beslissing stellen verschillende omwonenden administratief beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
- In het kader van de beroepsprocedure adviseert : - de Vlaamse Milieumaatschappij gunstig; - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid ongunstig; de inrichting wordt wel verenigbaar geacht met de bestemming van het gebied, maar de vereiste buffer ten aanzien van de naastgelegen gebieden wordt ontoereikend bevonden; - de dienst Waterlopen "voorlopig" ongunstig; - de afdeling Milieuvergunningen voorwaardelijk gunstig; er wordt een bijkomen- de bijzondere vergunningsvoorwaarde voorgesteld, en het gunstig advies wordt afhankelijk gesteld van een nog te verlenen gunstig advies door het agentschap voor Natuur en Bos; VII-37.706-3/11 - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voorwaardelijk gunstig; naast de door de afdeling Milieuvergunningen voorgestelde bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde, wordt voorgesteld een aangepast plan voor een groenscherm op te leggen, wat tegemoet zou komen aan de bezwaren inzake de buffer in het ongunstige stedenbouwkundig advies. 3.
- Op 14 januari 2010 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het thans bestreden besluit waarbij de in eerste aanleg verleende milieuvergunning wordt bevestigd, met toevoeging van de door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie bijkomend voorgestelde bijzondere vergunningsvoor- waarden die als volgt luiden : "Art. 10 Er wordt een afscherming voorzien zodat de honden niet gestoord worden door het verkeer op de Jan Tieboutstraat en door de wagens die het terrein op- en afrijden. De transporten voor de aanlevering van krengen blijven langs de zijde van het crematorium en rijden niet voorbij de buitenzones van de honden. Het voederen van de honden gebeurt steeds binnen. Rumoerige honden worden naar het binnenverblijf gebracht. Deze maatregelen worden mee opgenomen in het voormelde werkplan. Art. 11 De concrete uitvoering van het groenscherm moet gebeuren conform het 'Inplantingsplan met detailopbouw van groenscherm' van 19 november 2009". Het bestreden besluit steunt onder meer op de volgende motieven : "Overwegende dat het hoofddoel van de onderhavige aanvraag de uitbating betreft van een dierencrematorium en een hondenkennel met plaatsen voor maximaal 75 honden; dat ten behoeve hiervan ook een koelinstallatie, een waterzuiveringsinstallatie, een reinigingsinrichting en de stalling van maximaal 20 bedrijfsvoertuigen worden aangevraagd; Overwegende dat op de inrichting ook een 30-tal poezen kunnen verblijven, maar dat deze activiteit niet is ingedeeld; (...); Overwegende dat er alleen huisdierkrengen met een maximaal gewicht van 100 kg en met maximale afmetingen van 80 cm x 70 cm x 40 cm zullen aanvaard worden; dat deze afkomstig zijn van dierenartspraktijken, particulie- ren, kwekerijen en dierenasielen; Overwegende dat de krengen zo snel mogelijk na aanlevering gecremeerd zullen worden; dat indien de krengen worden aangeboden buiten de werkings- uren van de crematieoven ze zullen worden opgeslagen in een aparte koelruimte in afwachting van de verbranding; Overwegende dat de krengen enkel worden aanvaard in polyethyleenzakken, voorzien van het opschrift 'uitsluitend voor verwijdering'; dat deze PE-zakken mee verbrand zullen worden in de crematieoven; dat op die manier vermeden wordt dat het personeel rechtstreeks in contact komt met de overleden dieren; Overwegende dat de recipiënten gereinigd zullen worden en ontsmet met een door de overheid erkend ontsmettingsmiddel; dat het begrip 'recipiënt' slaat op de bestelwagen zelf, op de kleine containers waarin de dierkrengen bewaard VII-37.706-4/11 worden of op de karren waarmee de krengen naar de verbrandingsoven worden gereden; dat het volgens de aanvraag zal gaan over maximaal 40 containers en 10 voertuigen per dag; (...); Overwegende dat de dode dieren slechts zeer tijdelijk in een koelruimte worden opgeslagen, zodat er niets verandert aan hun structuur; dat de assen van de dode dieren zullen worden afgevoerd via een erkend ophaler; Overwegende dat er op de inrichting ook een tijdelijke opslag zal gebeuren van krengen die niet in de inrichting zelf gecremeerd mogen worden en toch verkeerdelijk zouden zijn aangeleverd; dat het hier een opslag van maximaal 500 kg krengen betreft die in afwachting van de afvoer naar een erkend verwerker, gedurende maximaal 2 weken ter plaatse zullen bewaard worden in een vriezer; dat deze opslag mee werd vergund in het bestreden besluit; dat hieraan als voorwaarde werd gekoppeld dat de krengen die niet binnen 24 uur naar een verwerker worden afgevoerd in een vriezer op -18/C moeten worden opgeslagen en dit voor een maximale duur van 2 weken; Overwegende dat er voor de crematie van de huisdieren een crematieoven van het type J400 van het bedrijf Jongenelen Burning systems zal worden geplaatst; dat deze oven zal bestaan uit een primaire verbrandingskamer en een naverbrandingsruimte; dat in de primaire verbrandingskamer het kadaver wordt verast; dat de rook die hierbij vrijkomt in de secundaire kamer wordt naver- brand, zodat de meeste schadelijke stoffen worden vernietigd; dat de maximale belading van deze installatie 400 kg bedraagt; dat volgens de leverancier via een branderregeling de temperatuur in de primaire verbrandingskamer en in de naverbrander respectievelijk rond 750 /C en 850 /C zullen gehouden worden; dat de rookgassen minimaal 2 seconden zullen verblijven in de naverbrander; dat in het bestreden besluit werd opgelegd dat de crematieoven zo moet worden ingesteld dat deze tijdens de werking niet kan geopend worden alvorens de temperatuur van 850 /C behaald is in de oven; Overwegende dat er voor de crematieoven type J400 van onderhavige aanvraag nog geen emissierapport van een bestaande installatie beschikbaar is; dat de leverancier wel garandeert dat de VLAREM-normen zullen gehaald worden; dat tevens een rapport van emissiemetingen van een gelijkaardige installatie ter beschikking werd gesteld waarbij aan de toepasselijke emissie- grenswaarden werd voldaan; dat het een crematieoven type J100 betrof, voorzien voor een maximale belading van 100 kg, terwij1 het gevraagde type J400 het iets grotere model is voor een maximale belading van 400 kg; dat echter de werking van beide installaties volledig gelijklopend is; dat uit deze gegevens kan aangenomen worden dat de beoogde installatie kan voldoen aan de emissiegrenswaarden van artikel 5.2.3bis.3.8 van titel II van het VLAREM; Overwegende dat in de bestreden beslissing werd opgelegd om binnen de drie maanden na ingebruikname van de installatie emissiemetingen te laten uitvoeren door een erkend deskundige in de discipline lucht voor de parameters die voorzien worden in voormeld artikel; dat het verslag van deze metingen ter evaluatie zal bezorgd worden aan de afdeling Milieuvergunningen en de Vlaamse Milieumaatschappij; Overwegende dat er geen geurhinder te verwachten valt van de verbranding; dat ter beperking van mogelijke geurhinder tevens voorzien wordt in een gekoelde opslag wanneer de overleden dieren niet onmiddellijk gecremeerd kunnen worden; Overwegende dat de geluidsbronnen zoals de verbrandingsinstallatie en de koelinstallatie zich binnen in het gebouw zullen bevinden; Overwegende dat de hondenkennel voor maximaal 75 honden zich aan de oostelijke zijde van de inrichting bevindt; dat deze kennel in een apart gebouw gelegen is ten opzichte van de activiteiten voor de bewaring en crematie van krengen; dat de kennel voorzien zal zijn van akoestische isolatie; dat deze VII-37.706-5/11 akoestische isolatie zo moet uitgevoerd worden dat de rust van de honden, aanwezig in de kennel, niet gestoord wordt door het bezoek en/of aanlevering of crematie van krengen; dat dit werd opgelegd in het bestreden besluit; Overwegende dat de buitenzones voor de honden gelegen zijn enerzijds tussen de twee delen van het gebouw in en anderzijds langs de oostelijke zijde van het gebouw; dat deze buitenzones zullen voorzien zijn van omheiningen zodat er geen honden kunnen ontsnappen; dat het gebouw zelf gedeeltelijk als geluidsbuffer optreedt naar het woongebied toe; dat de honden ’s avonds steeds zullen worden binnengezet; Overwegende dat het blaffen van honden sterk afhankelijk is van de situatie waarin de honden zich bevinden; dat gebeurtenissen zoals het voederen van honden, het benaderen door vreemden en het passeren van verkeer vaak leiden tot een verhoogd blafgedrag; dat door de aanplanting van het voorziene groenscherm kan vermeden worden dat honden onrustig worden door voorbijgangers, die gebruik maken van het naastgelegen wandelpad; dat tevens de bestelwagens zullen aan- en afrijden langs de zijde van het crematorium en bijgevolg niet voorbij de buitenzones van de honden zullen komen; dat het evenwel aangewezen is om langs de noordelijke zijde van de buitenzone een bijkomende afscherming te voorzien zodanig dat de honden geen zicht hebben op het verkeer op de Jan Tieboutstraat en evenmin op de wagens die het terrein oprijden; Overwegende dat er steeds iemand aanwezig zal zijn om de uitloopterreinen van het hondenverblijf in het oog te houden; dat het op die manier mogelijk is om rumoerige honden te scheiden van de groep en naar het binnenverblijf te brengen; dat bovendien het voederen van de dieren binnen zal gebeuren; dat de honden zich ook binnen bevinden tijdens het reinigen van de buitenzone; Overwegende dat de motoren van de voertuigen niet stationair mogen draaien zodanig dat er geen hinder voor de omgeving ontstaat; Overwegende dat er een afwijking gevraagd wordt van artikel 5.2.1.2, §3, van titel II van het VLAREM waarin gesteld wordt dat de normale afvalstoffen- afvoer alleen tussen 7h00 en 19h00 mag plaatsvinden; dat de exploitant echter krengen zou willen aanvaarden tot 22h00 via een normale aanvaardingsproce- dure; dat immers dierenartsen vaak spreekuur hebben tot 20h00; dat zij vooral in de steden de dieren niet ter plaatse kunnen bewaren en deze nog diezelfde avond willen laten ophalen; dat bijgevolg om hygiënische redenen ook na 19h00 dieren in de koelcel moeten kunnen gelegd worden; dat deze afwijking dan ook werd toegestaan in de bestreden beslissing; Overwegende dat de exploitant tevens dieren zou willen aanvaarden tussen 22h00 en 7h00 via een speciale procedure en enkel op uitdrukkelijke vraag; dat op die manier kan vermeden worden dat (...) men zich van de krengen ontdoet via sluikstorten; dat de leverancier dan moet aanbellen aan de inrichting; dat er steeds iemand aanwezig zal zijn, aangezien de exploitant naast de inrichting zal wonen; dat er een afgesloten ruimte zal voorzien worden waar het dier kan worden gedeponeerd en waar de nodige documenten kunnen worden ingevuld; dat dit ook slechts sporadisch zal gebeuren; dat de aanvaardingsprocedure van de krengen na 22h00 apart in het werkplan moet beschreven worden; dat hierbij moet vermeld worden dat de krengen binnen het gebouw, in een apart lokaal, worden afgeladen; dat men voor de aanlevering van krengen eveneens niet door het gebouw van de hondenkennel mag passeren; dat onder voorgaande voorwaarden deze afwijking eveneens werd toegestaan in het beroepen besluit; Overwegende dat met voormelde maatregelen de geluidshinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; (...); Overwegende dat het aantal transportbewegingen geschat wordt op 30 per dag (heen en terug inbegrepen), waarbij gerekend wordt op ongeveer VII-37.706-6/11 10 aanleveringen door particulieren of dierenartsen, 1 à 2 aanleveringen door externe ophaaldiensten en 1 à 3 aanleveringen door de eigen ophaaldienst; Overwegende dat dit een realistische benadering is, aangezien door de ophaaldienst een ronde langs verschillende dierenartsenpraktijken, asielen, kwekerijen uitgevoerd zal worden, wat resulteert in een sterke groepering van de aangeleverde krengen; Overwegende dat er op het terrein voldoende parkeerplaatsen en manoeu- vreerruimte voorzien is; Overwegende dat, gelet op het voorgaande de verkeershinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt". IV. Tussenkomst
- Met een op 2 april 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de BVBA Divetran om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het in rechte vereiste belang nu zij op ruime afstand van de inrichting woonachtig zijn. Beoordeling
- Het onderzoek van voormelde exceptie dringt zich in de huidige stand van het geding niet op omdat, zoals hierna zal blijken, de grondvoorwaarden voor de schorsing te dezen niet zijn vervuld. VI. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-37.706-7/11
- Ter adstructie van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zetten de verzoekende partijen in hun verzoekschrift het volgende uiteen : "Dat verzoekers ter staving van dit moeilijk te herstellen ernstig nadeel terzake verwijzen naar het feit dat zij in de onmiddellijke nabijheid van de betrokken inrichting woonachtig zijn (cfr. luchtfoto sub 3.1.): - de woning van verzoekster sub 1 ligt op minder +/- 250 meter van de vergunde exploitatie waar de honden zullen gehuisvest worden; verzoekster woont aan de Leon Gillardlaan 51; de eigendom van verzoekster is ten opzichte van de geplande stallen gelegen in de noordwestelijke (wind)richting; verzoekster is tandarts en werkt thuis; - verzoeker sub 2 woont aan de Hortensialaan 4 en zijn eigendom ligt eveneens op +/-250 meter van de geplande hondenkennel in de noordweste- lijke (wind)richting; - verzoeker sub 3 woont aan de Leon Gillardlaan 49; zijn woning ligt eveneens op ongeveer dezelfde afstand van de inplantingsplaats van de hondenhokken als verzoekers sub 1 en 2, in noordwestelijke (wind)richting; Aangezien verzoekers allen woonachtig zijn te ZELLIK in een rustige en bij uitstek landelijke omgeving, die gedomineerd wordt door verspreide woning- bouw- en industriële activiteiten; Dat een nieuwe activiteit als hondenkennel en dierencrematorium ongetwij- feld een nefaste impact zullen hebben op de omgeving en op het plaatselijke leefmilieu; Dat verzoekers nu nog genieten van een geprivilegieerde rustige leef- en woonomgeving, die evenwel in gevaar dreigt gebracht te worden door de plannen van de B.V.B.A. DIVETRAN; Dat de uitbating van een hondenkennel en dierencrematorium duidelijk niet past in de bestaande omgeving; Dat onmiddellijk aangrenzend van de vergunde inrichting er zelfs een woning staat en dit wat betreft de andere woningen varieert tussen 50 meter en 500 meter; Dat de meeste van deze woningen (waaronder bijvoorbeeld deze van verzoekers) precies gelegen zijn in de meest ongunstige windrichting ten opzichte van de geplande hondenhokken, namelijk ten noorden tot ten noordoosten; Dat verzoekers en de overige bewoners aldus het risico lopen geplaagd te worden door allerlei ongemakken, als daar zijn: geurhinder, lawaai van de honden die in het asiel zullen verblijven en zich dus niet in hun normale leefomgeving zullen bevinden, een verhoogde insectenconcentratie ‘s zomers, het aantrekken van ongedierte, een toename van het verkeer, ...; Dat verzoekers zich nochtans elk op volledig legitieme en toegelaten wijze ter plaatse hebben gevestigd, en niet wensen dat hun woon- en leefomgeving binnenkort wordt gedomineerd door het geluid van blaffende honden; Dat de aanvraag er inderdaad op neerkomt dat de nu rustige leefomgeving van verzoekers ingrijpend zal veranderen, niet enkel door de geluidshinder, maar tevens door het op- en afrijden van voertuigen die levende honden en overleden dieren aanleveren en ophalen, wat tot een ongeziene drukte zal leiden; Dat verzoekers in dit verband overigens verwijzen naar het schorsingsarrest nr. 59.234 van 25 april 1996 inzake een bouwvergunning, verleend voor het renoveren van een bestaande handelswoning en het inrichten van een katten- en hondenpension voor 100 honden en 60 katten, en waarin uw Raad heeft geoordeeld dat het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel dat bestaat uit 'de lawaai-, geur en luchtverontreiniging welke een kattenpension (60 VII-37.706-8/11 katten) en -asiel en een nieuwbouw hondenpension/asiel (80 grote honden + 20 kleine honden) teweegbrengen' 'om evidente redenen ernstig is en tevens moeilijk te herstellen' (cf. R.v.St., nr. 59.234, VAN DEN BUSSCHE, 25 april 1996, p. 7/8). Dat verzoekers terzake eveneens verwijzen naar het schorsingsarrest nr. 96.811 van 21 juni 2001 in de zaak A.98.262/VII-23.117 (GILSIM N.V.), waar uw Raad in gelijkaardige bewoordingen stelde dat: '4.2.2.
- Het is aannemelijk dat de exploitatie van een pension voor 160 honden en 100 katten een ernstige negatieve weerslag heeft op het leefklimaat van de omwonenden gelet voornamelijk op de geluidsoverlast welke die exploitatie kan teweegbrengen. Die overlast is geenszins uit te sluiten, alleen al omdat de dieren overdag moeten worden 'gelucht', zoals de tussenkomende partij zelf aangeeft. De eerste, de derde en de vijfde verzoekende partijen wonen respectie- velijk op ongeveer 150, 145 en 100 meter van de inrichting. Die afstanden zijn, gelet op de aard van de te verwachten geluidshinder, voldoende klein om van ernstige hinder te kunnen gewagen'. Dat ook in het arrest nr. 165.007 van 23 november 2006 (zaak A. 98.434/VII-23.l27; DE DECKER) vernietigde uw Raad een definitieve milieuvergunning voor het exploiteren van een hondenkennel te LEBBEKE van slechts 15 honden, die bovendien slechts bij wijze van proef was toegestaan, en waarbij de honden de volledige dag binnen zaten en tweemaal daags gedurende een half uur werden uitgelaten". Beoordeling
- Luidens artikel 8, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State moet het enig verzoekschrift houdende de vordering tot schorsing een uiteenzetting bevatten van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddel- lijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De verzoekende partij mag zich niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar moet integendeel zeer concrete gegevens overleggen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan, zodat de Raad van State met voldoende precisie kan nagaan of er al dan niet een dergelijk nadeel voorhanden is en het voor de tegenpartij mogelijk is om zich met kennis van zaken tegen de door de verzoekende partij aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen. Dit houdt in dat de verzoekende partij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing veroorzaakt.
- In het verzoekschrift geven de verzoekende partijen aan op ongeveer 250 meter van de geplande inrichting te wonen. VII-37.706-9/11 De verzoekende partijen maken in casu niet aannemelijk dat de voormelde afstand onvoldoende bescherming biedt tegen een ernstige aantasting van hun woonklimaat door de ongemakken die inherent verbonden zijn met de exploitatie van een hondenkennel voor 75 honden annex dierencrematorium. Voorts houdt de Raad van State er ook rekening mee dat de inrichting in kwestie gesitueerd is in industriegebied en dat, los van de vraag naar de planologische verenigbaarheid van de inrichting met die bestemming, de door de verzoekende partijen aangemerkte "geprivilegieerde rustige leef- en woonomge- ving" hoe dan ook precair is in het licht van de verdere ontwikkeling van het betrokken industriegebied met alle daaraan verbonden industriële hinder voor de omgeving. In dat verband weze ook opgemerkt dat de verzoekende partijen zelf stellen dat hun woonomgeving, hoewel ze als rustig wordt aangemerkt, actueel reeds "gedomineerd" wordt door "industriële activiteiten". Ten slotte wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing de door de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant in eerste aanleg opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden bevestigt en zelfs nog bijkomende voorwaarden oplegt ter beperking van de verwachte hinder van de inrichting. Aangezien de verzoekende partijen de effectiviteit van die bijzondere hinderbeperkende maatregelen niet betwisten, kan worden aangenomen dat een exploitatie conform de opgelegde bijzondere voorwaarden voldoende garanties biedt tegen overmatige hinder op de respectieve woonplaats van de verzoekende partijen die, zoals reeds werd gesteld, op voldoende ruime afstand ten opzichte van de vergunde inrichting gesitueerd is.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- Het verzoek van de BVBA Divetran tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering. VII-37.706-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie juni tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-37.706-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.684 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div