id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.773 Rolnummer: A. 185509/X-13494 Zaak: Arrest 204773 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-14 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Arrest nr 204.773 van 4 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 204.773 van 4 juni 2010 in de zaak A. 185.509/X-13.494. In zake: 1. de n.v. VULSTEKE RECYCLING 2. de b.v.b.a. VERVOERONDERNEMING VULSTEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Billiet kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Louizalaan 146, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 31 augustus 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende onthouding van goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Vulsteke” te Staden van de provincie West-Vlaanderen, en van het besluit van 21 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende ongunstig advies over het ontwerp van voornoemd provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 176.388 van 31 oktober 2007 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing verworpen. X-13.494-1/33 Bij arrest nr. 187.900 van 13 november 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april 2010. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Billiet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De tweede verzoekende partij is sedert 1983 te Kortemark actief als vervoersonderneming. In 2004 werd de eerste verzoekende partij als afzonderlijke vennootschap opgericht voor de recyclage en verwerking van bouwpuin en -afval. X-13.494-2/33 4. Op 25 oktober 2004 koopt de eerste verzoekende partij de gronden en gebouwen van de voormalige olieslagerij Debeil aan de Sint-Jansstraat te Staden aan, teneinde haar bedrijfsactiviteiten naar die locatie over te brengen. De betreffende percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Roeselare-Tielt vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, gelegen, deels in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, en deels, voor een kleiner deel, in woongebied met landelijk karakter aan de straatzijde en in het erachter gelegen agrarisch gebied. De betrokken percelen zijn tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg “De Kantonnier”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 28 november 1995, dat werd opgemaakt om de toen geplande uitbreiding van de olieslagerij mogelijk te maken. 5. Bij besluit van 28 september 2006 van de provincieraad van West- Vlaanderen wordt het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Vulsteke” te Staden (hierna : PRUP) door de provincieraad van West-Vlaanderen voorlopig vastgesteld. Dit plan voorziet in een ruime “zone voor bedrijfsactiviteiten gelinkt aan de bouwsector”, afgezoomd door een bufferstrook en een strook voor schermgroen aan de zijde van de woningen gelegen langs de Sint-Jansstraat in de richting van het centrum van de gemeente Staden. 6. Tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp-plan worden vijfentwintig bezwaarschriften ingediend, voornamelijk door buurtbewoners. Ook de eerste verzoekende partij dient een bezwaarschrift in, waarin zij vraagt om de stedenbouwkundige voorschriften op een aantal punten te herzien en aan te passen. 7. Op 5 december 2006 verleent de GECORO van Staden advies over het ontwerp-PRUP. 8. De gemeenteraad van Staden verleent op 18 december 2006 een gunstig advies over het ontwerp van RUP, mits rekening wordt gehouden met een aantal elementen uit het advies van de Gecoro. 9. Bij het thans als tweede bestreden besluit van 21 december 2006 brengt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening een ongunstig advies uit over het ontwerp van PRUP. De minister is van oordeel dat X-13.494-3/33 de betreffende site te veel beperkingen vertoont voor de vestiging van het bedrijf van de eerste verzoekende partij wat betreft de ligging, de aard van de activiteiten en de waterproblematiek. 10. Op 1 maart 2007 verstrekt de Procoro van West-Vlaanderen een voorwaardelijk gunstig advies over het PRUP. 11. Bij besluit van 24 mei 2007 van de provincieraad van West- Vlaanderen wordt het PRUP “Vulsteke” definitief vastgesteld. 12. Omdat de termijn voor goedkeuring inmiddels is verstreken, beslist het provinciebestuur op 16 augustus 2007 aan de bevoegde Vlaamse minister een rappelbrief te richten teneinde een beslissing te nemen. 13. Bij het thans als eerste bestreden besluit van 31 augustus 2007 onthoudt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening zijn goedkeuring aan het PRUP. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat voorliggend plan wordt opgemaakt om de uitbreidingsbehoefte en de herlocalisatie van het bovenlokale bedrijf Vulsteke in Staden vast te leggen; dat de activiteiten die vanuit Kortemark naar Staden worden geherlocaliseerd hoofdzakelijk recyclage, sorteren, stockeren en verwerking van bouwafval omvatten; dat op termijn het bedrijf de site verder wenst uit te bouwen; Overwegende dat het algemene principe van hergebruik van een in ongebruik geraakte bedrijfssite, zoals in dit geval van een voormalige olieslagerij, voor economische activiteiten, vanuit ruimtelijk oogpunt kan ondersteund worden; dat daarbij uiteraard dient uitgegaan te worden van de ruimtelijke en economische potenties van dergelijke site en dat een afweging gemaakt dient te worden van de gebruiksmogelijkheden binnen het kader van de ruimtelijk-economische visie op het economisch knooppunt; Overwegende dat Staden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geselecteerd is als specifiek economisch knooppunt; dat de optie om de herlocalisatie en uitbreidingsbehoeften van het bovenlokaal bedrijf Vulsteke juridisch vast te leggen niet zonder meer in overeenstemming is met de optie om op Vlaams niveau bestaande bedrijven buiten bedrijventerreinen maximaal te verweven in de omgeving en de mogelijkheden voor de ontwikkeling op de bestaande locatie uitputtend aan te wenden; dat uit het dossier immers niet blijkt dat voldoende werd onderzocht of het profiel van de site geschikt is voor hergebruik door het bedrijf Vulsteke, onder meer wat milieuhinder en ruimtelijke draagkracht betreft, zoals ook blijkt uit de bezwaarschriften; dat daarnaast uit het dossier niet blijkt of de voorgestelde site de beste locatie is voor een bedrijf dat gespecialiseerd is in containertransport (...) en recyclage van bouwafval; dat dergelijk locatieonderzoek rekening moet houden met de eisen van het bedrijf, de ruimtelijke context en de ruimtelijk economische visie op het specifiek economisch knooppunt; X-13.494-4/33 Overwegende dat het voorliggende plan naast het hergebruik van de huidige site (gebouwen en verharding) ook mogelijkheden biedt voor een bijkomende inname van nog niet bebouwde ruimte; dat derhalve ook vanuit die optie niet zonder meer kan gesteld worden dat het om louter hergebruik van een bestaande bedrijfssite gaat; dat anderzijds uit het dossier blijkt dat bij een eventuele gedeeltelijke goedkeuring van het plan, die beperkt zou blijven tot de bestaande site, er geen afdoende antwoord zou geboden worden aan de ontwikkelingsbehoeften van het betrokken bedrijf Vulsteke; dat vanuit ruimtelijk oogpunt omwille van de ligging van de site een verdere uitbreiding ervan niet kan verantwoord worden zodat geopteerd wordt om het voorgelegde plan in zijn geheel van goedkeuring te onthouden; Overwegende dat in de bindende bepalingen van het Provinciaal Ruimtelijk uitvoeringsplan West-Vlaanderen bepaald is dat de provincie ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven zal aangeven voor specifieke economische knooppunten en voor bestaande bedrijven van bovenlokaal niveau die zich buiten bedrijventerreinen situeren in kleinstedelijke gebieden en in specifieke economische knooppunten; dat eveneens in de bindende bepalingen is bepaald dat zo nodig provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen zullen worden opgemaakt; dat de ruimtelijk-economische visie voor Staden reeds is voltooid; dat deze visie, die een algemeen afwegingskader vormt zonder specifieke aanduidingen met betrekkingen tot de site Vulsteke waarvoor in het kader van het ruimtelijk uitvoeringsplan aanvullingen zijn uitgewerkt, als leidraad heeft gediend bij de opmaak van voorliggend provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan; dat voorliggend plan formeel een uitvoering van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan vormt; Overwegende dat de toelichtingsnota werd aangevuld met een verder uitgewerkte aanzet van deze ruimtelijk-economische visie betreffende ontwikkelingsperspectieven voor leegkomende sites van regionale bedrijven; dat hierin de voorwaarden voor het hergebruik van een leegkomende site hoofdzakelijk gekoppeld worden aan de ligging van het te herlocaliseren bedrijf en minder aan de activiteit; dat deze toevoeging aan de ruimtelijk-economische visie geen antwoord biedt op de vraag naar geschiktheid van de aard van de activiteit op deze plaats; Overwegende dat het ruimtelijk uitvoeringsplan niet in conflict komt met bepalingen uit bestaande of in opmaak zijnde gewestelijke ruimtelijk uitvoeringsplannen; dat het plangebied volgens het gewestplan gelegen is in woongebied met landelijk karakter, zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s en agrarisch gebied; dat het voorliggend plan de bestaande bestemmingen van het gewestplan opheft en vervangt; dat het voorliggend plan de bestaande bestemmingen van het BPA Kantonnier van de gemeente Staden opheft en vervangt; Overwegende dat het voorliggend plan niet gelegen is in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied; dat in het dossier melding wordt gemaakt van nabijgelegen overstromingsgebieden en de hieraan gekoppelde waterproblematiek; dat in het dossier wordt aangegeven dat de gemeente Staden een bufferbekken plant aan de bovenloop van de Luikebeek om de problemen van wateroverlast in deze omgeving in de toekomst te voorkomen; dat in de voorliggende documenten toepassing werd gemaakt van de watertoets overeenkomstig artikel 8 van het decreet Integraal Waterbeleid”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 14. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre de vernietiging wordt gevraagd van het X-13.494-5/33 advies van 21 december 2006 van de bevoegde Vlaamse minister over het ontwerp van RUP. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord zich ter zake naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen. 15. Het bestreden advies is een niet-bindend advies dat deel uitmaakt van de procedure tot vaststelling van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. Het sorteert geen rechtsgevolgen, en is derhalve niet voor vernietiging vatbaar. De exceptie is gegrond. Het beroep in zoverre gericht tegen het advies van 21 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening is niet ontvankelijk. Onder “het bestreden besluit” wordt hierna enkel het eerste bestreden besluit begrepen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 16. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan wat volgt: “Schending door de eerste bestreden beslissing van art. 46, § 2, tweede zinsnede van het Decreet houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening, dd. 18.05.1999; Schending door de eerste bestreden beslissing van de beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met het continuïteitsbeginsel, het subsidiariteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel; Schending door de eerste bestreden beslissing van de artikels 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 iuncto de overwegingen nr. 20 en 21 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. Doordat: De eerste bestreden beslissing respectievelijk art. 46, § 2, tweede zinsnede van het Decreet houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening, dd. 18.05.1999, het zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met het continuïteitsbeginsel, het subsidiariteitsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de artikels 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 iuncto de overwegingen nr. 20 en 21 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen schendt. Terwijl het eerste onderdeel: X-13.494-6/33 Dat verweerder artikel 46, § 2, tweede zinsnede van het Decreet Ruimtelijke Ordening (DRO), dd. 18.05.1999 heeft geschonden; Dat artikel 46, § 2, tweede zinsnede van het DRO het volgende bepaalt: Wanneer aan het plan goedkeuring wordt onthouden, is het besluit gemotiveerd. Het decreet bepaalt bijgevolg zelf dat de onthouding van een goedkeuring door de Vlaamse Regering uitdrukkelijk dient te worden gemotiveerd; Dat de bezwaarschriften tegen het PRUP Vulsteke door de PROCORO in haar verslag, dd. 01.03.2007 op een gemotiveerde en substantiële wijze werden weerlegd; Dat verweerder in de aangevochten beslissing vaag naar deze bezwaarschriften verwijst, maar op deze niet dieper ingaat, noch op de weerlegging door de PROCORO; Dat art. 46, § 2 DRO echter vereist dat de beslissing van de Vlaamse Regering zowel formeel als inhoudelijk wordt gemotiveerd; Dat verweerder in de eerste bestreden beslissing twee gronden voor onthouding van goedkeuring aanhaalt: 1. Uit het dossier blijkt niet dat de voorgestelde site de beste locatie is voor een bedrijf dat gespecialiseerd is in containertransport en in recyclage van bouwafval; 2. Wegens de ligging van de huidige site kan vanuit het ruimtelijk oogpunt een verdere uitbreiding ervan niet worden verantwoord; Dat wat de 2e grond betreft reeds in het feitenrelaas werd aangegeven dat verweerder er verkeerdelijk van uit gaat dat het (...) een uitbreiding betreft t.a.v. het BPA De Kantonnier en de site van de olieslagerij Debeil terwijl dit niet het geval is; Dat reeds in het verslag van de GECORO, dd. 05.12.2006 en in het verslag van de PROCORO, dd. 01.03.2007 werd vastgesteld dat er van bijkomende inname van agrarisch gebied geen sprake is; Dat de bestreden beslissing manifest de weergave van de bestaande en juridische toestand foutief (heeft) beoordeeld; Advies Vlaamse Regering, dd. 21.12.2006: 5. De bijkomende inname van agrarisch gebied is niet evident aangezien het over hergebruik van een bestaande site gaat. Bovendien is de behoefte om deze bijkomende ruimte in te nemen onvoldoende aangetoond. Advies PROCORO, dd. 01.03.2007: 5. De opmerking is onterecht. Ten opzichte van het nu geldende BPA wordt geen bijkomende ruimte voor bedrijvigheid ingenomen. Verslag PROCORO, dd. 01.03.2007 (...) Dat dit alles ten spijt, de dienst DRO-RWO in haar advies aan de Minister, dd. 10.07.2007 stelt dat het definitief vastgestelde PRUP enkel een antwoord biedt op twee opmerkingen van het Ministerieel Besluit, dd. 21.12.2006, nl. m.b.t. de bufferzone langs de noordzijde van de Luikebeek en m.b.t. de afweging betreffende ontwikkelingsperspectieven voor leegkomende sites van regionale bedrijven; Dat aldus aan de Minister wordt aangegeven dat het definitief vastgestelde PRUP Vulsteke geen antwoord biedt op de - weliswaar onjuiste - stelling in het Ministerieel Besluit, dd. 21.12.2006 m.b.t. de bijkomende inname van het agrarisch gebied; Dat dit uiteraard manifest onjuist is aangezien er zowel door de GECORO als door de PROCORO duidelijk wordt gesteld dat er geen bijkomend agrarisch gebied zal worden ingenomen; Dat de Vlaamse Regering evenwel het advies van de dienst DRO-RWO, dd. 10.07 2007 volgt en in het aangevochten besluit van 31.08.2007 het volgende stelt: Gelet op het Ministerieel Besluit van 21 december 2006 houdende advies over het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Vulsteke’ te Staden (...) X-13.494-7/33 Overwegende dat het voorliggende plan naast het hergebruik van de huidige site (gebouwen en verharding) ook mogelijkheden biedt voor een bijkomende inname (sic) van nog niet bebouwde ruimte; dat (bij) derhalve ook vanuit die optie niet zonder meer kan gesteld worden dat het om louter hergebruik van een bestaande bedrijfssite gaat; dat (bij) gedeeltelijke goedkeuring van het plan, die beperkt zou blijven tot de bestaande site, er geen afdoende antwoord zou geboden worden aan de ontwikkelingsbehoeften van het betrokken bedrijf Vulsteke; dat verdere uitbreiding ervan (resic) niet kan verantwoord worden zodat geopteerd wordt om het voorgelegde plan in zijn geheel van goedkeuring te onthouden. (...) Dat voor zoveel als nodig ten overvloede nogmaals kan herhaald worden dat voor zover wordt verwezen naar het gedeelte in de BPA De Kantonnier waar vermeld staat dat de terreinen aldaar uitsluitend voorbehouden zijn aan beroepslandbouwbedrijven en aanverwante bedrijven (zone L nr 5, artikel 3) deze bestemming uitdrukkelijk de bestemming agrarisch gebied krijgt in het PRUP Vulsteke (aldaar zone 3); Dat de goedkeuring aldus wordt onthouden op basis van vermeende feiten die flagrant incorrect zijn; Dat immers (
- in)de eerste bestreden beslissing zonder meer wordt gemotiveerd met het Ministerieel Besluit, dd. 21.12.2006 waarin manifest verkeerdelijk wordt gesteld dat er een bijkomende inname van agrarisch gebied zou plaatsvinden; Dat verweerder hangende de UDN procedure in zijn nota, dd. 25.10.2007 stelt dat er nergens wordt voorgehouden dat het een uitbreiding van het plangebied betreft ten aanzien van het BPA De Kantonnier en de site van de olieslagerij Debeil; Dat de Raad van state samen met verzoekers slechts zal kunnen vaststellen dat verweerder in zijn nota eigenlijk nog steeds niet uiteenzet omtrent welk perceel de discussie dan wel gaat, men de nota van verweerder aldus kan lezen dat de kritiek zou kunnen slaan op de gronden in het zuidoosten van het plangebied; Dat Uw Raad slechts kan vaststellen dat dit dan wel een totale omwenteling uitmaakt gezien het niet meer gaat om agrarisch gebied zijnde: - ofwel het agrarisch gebied ten Noorden van de zijtak van de Luikebeek; - ofwel het agrarisch gebied vermeld als zone 3 in de PRUP Vulsteke (voorheen zone L nr 5, artikel 3 in de BPA De Kantonnier;) Dat de gronden in het zuidoosten van het BPA De Kantonnier, waaromtrent dienvolgens vermoedelijk de betwisting slaat, evenwel de bestemming kregen van private parkeerplaatsen, toeritten, laad en losplaatsen, stapelen in open lucht, en aanverwante voorzieningen (zone 9); In de stedenbouwkundige voorschriften staat hieromtrent het volgende te lezen (...): Private parkeerplaatsen, toeritten, laad en losplaatsen, stapelen in open lucht, en aanverwante voorzieningen. De verhardingen binnen deze zone moet(
- en)aangelegd worden in stofvrije materialen. Binnen deze zone zijn voorzieningen in verband met watervoorraden t.b.v. de brandveiligheid toegelaten. De constructies t.b.v. deze watervoorraden mogen maximum 1,50 m. hoog zijn en dit gemeten vanaf het vloerpeil van de Pp zone. Aldus was in het BPA De Kantonnier reeds voorzien dat de zone kon worden verhard, dat er parkeerplaatsen konden worden aangelegd, dat er kon worden geladen en gelost, gestockeerd en gestapeld, enz... Dat de gronden in het zuidoosten van het plangebied hoegenaamd niet de bestemming van agrarisch gebied hebben; Dat verweerder hierover overigens X-13.494-8/33 in haar beslissing, dd. 28.11.1995 m.b.t. het BPA De Kantonnier zeer uitdrukkelijk het volgende stelde (...): Overwegende dat voormelde bestemmingen van het gewestplan voor deze locaties als achterhaald kunnen beschouwd worden omwille van de legaal tot stand gekomen bestaande toestand en door de geïsoleerde ligging van de betrokken locaties ten opzichte van de rest van deze bestemmingszones op het gewestplan; M.B. houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg ‘De Kantonnier’ genaamd, van de gemeente Staden, dd. 28.11.1995; Dat verweerder thans kennelijk afwijkt van deze beleidslijn zonder in de bestreden beslissing aan te geven waarom dit thans niet meer als ‘achterhaald’ kan worden beschouwd, dan wel waarom ‘de geïsoleerde ligging van de betrokken locaties’ niet langer in de besluitvorming dient te worden betrokken; Dat verweerder hier zelf aangeeft dat de gronden een bestemmingswijziging hebben ondergaan bij het BPA De Kantonnier; Dat onder andere agrarisch gebied werd omgevormd naar zone voor private parkeerplaatsen, toeritten, laad en losplaatsen, stapelen in open lucht, en aanverwante voorzieningen; Dat de gronden - aldus verweerder in haar beslissing, dd. 28.11.1995 - die de bestemmingswijziging hebben ondergaan geïsoleerd zijn ten opzichte van andere gronden met een gelijke bestemming; Dat verweerder hier zelf aangeeft dat de gronden die voorheen de bestemming agrarisch gebied hadden, reeds in 1995 niet meer dienstig waren voor die bestemming; Dat de bepaling in het Ministerieel Besluit van 21.12.2006 betreffende een bijkomende inname van agrarisch gebied bijgevolg geen betrekking kan hebben op deze gronden; Dat er bovendien dient te worden vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing het Ministerieel Besluit van 21.12.2006 (waar sprake is van een bijkomende inname van agrarische gronden) zonder meer in haar motivering opneemt en tevens spreekt van een bijkomende inname van gronden; Dat er - zelfs in de hypothese van verweerder m.b.t. de gronden gelegen in het zuidoosten van het plangebied - sprake is van een tegenstrijdige motivering aangezien de eerste bestreden beslissing spreekt over een bijkomende inname van niet bebouwde gronden, daar waar de tweede bestreden beslissing die hiernaar verwijst spreekt over een bijkomende inname van agrarische gronden; Dat de twee bestreden beslissingen in hun motivering niet overeenkomen: R.v.St. nr. (...), 9 februari 1995, Rec. Arr. R.v.St. 1995, 236. Dat elke andere (mis)lezing van de bestreden beslissing waarbij wordt voorgehouden dat onthouding zou zijn gebeurd omdat een uitbreiding binnen het plangebied werd afgekeurd, overigens aantoont dat de bestreden beslissingen niet naar recht zijn gemotiveerd; Dat van een verzoeker niet kan worden verwacht dat hij moet procederen voor de Raad van state om in een nota te vernemen wat wordt bedoeld in de bestreden beslissingen; Dat de motivering van de beslissing uit de beslissing zelf moet kunnen blijken; Dat wanneer men zoals verweerder op een verschillende manier de beslissing kan lezen, dit gelijk staat met een gebrek aan motivering; Dat - als men al zou aannemen dat de eerste bestreden beslissing betrekking heeft op de gronden gelegen in het zuidoosten van het plangebied - men onverminderd dient vast te stellen dat verweerder zich in zijn advies en in de daaropvolgende eerste bestreden beslissing in allerlei bochten wringt om een vermeend belang van deze gronden als agrarisch gebied of als niet bebouwde grond aan te tonen; Dat verweerder echter in het verleden op een geheel andere wijze heeft geoordeeld waar zij zich akkoord verklaarde met een bestemmingswijziging en waarbij daarenboven in de motivering werd benadrukt dat de gronden in kwestie inderdaad niet meer met hun bestemming overeenkwamen en na een X-13.494-9/33 gebeurlijke verharding dienstig waren voor parkeerplaatsen, voor stockage en voor andere voorzieningen; Dat de PROCORO reeds op 01.03.2007 heeft gesteld dat er geen sprake is van een bijkomende inname van agrarisch gebied, maar dat dit kennelijk over het hoofd werd gezien bij de onthouding van de goedkeuring op 31.08.2007; Dat - zoals uit het derde onderdeel zal blijken - er door verweerder wordt afgeweken van de normale beleidslijn; Dat ook hier zich een omstandige motivering opdringt: R.v.St. nr. (...), 25 juni 1996, T. Gem. 1997, 323; R.v.St. nr. (...), 9 juni 1994, (...). Dat de eerste bestreden beslissing klaar en duidelijk gebaseerd is op manifest onjuiste motiveringen; Dat het hier bijgevolg een foutieve motivering betreft; Dat de motivering van een bestuurshandeling inhoudt dat de aangehaalde redenen volstaan om de beslissing te schragen; Dat verweerder voorhoudt dat de beslissing, dd. 31.08.2007 dient te worden gelezen als zou het gaan om een uitbreiding binnen het plangebied; Dat dergelijke lectuur onverkort strijdig is met het advies, dd. 21.12.2006, waarnaar de beslissing, dd. 31.08.2007 verwijst; Dat in de hypothese dat verweerder adviseerde af te wijken van zijn eerder advies, dd. 21.12.2006 alleszins duidelijkheid geboden was; Dat daarenboven de dubbelzinnige lezing die verweerder voorhoudt alleszins toelaat om te besluiten dat de bestreden beslissing, dd. 31.08.2007 onbehoorlijk gemotiveerd is; Dat verweerder daarnaast in de eerste bestreden beslissing stelt dat in het dossier onvoldoende blijkt dat voldoende werd onderzocht of het profiel van de site geschikt is voor hergebruik door het bedrijf Vulsteke en of deze site de beste locatie is voor haar activiteiten; Dat dergelijke motivering slechts een stijlformule uitmaakt welke op tal van gelijkaardige dossier kan worden toegepast; Dat verweerder zich allerlei retorische vragen stelt, maar nalaat om inhoudelijk gemotiveerd aan te tonen dat de site niet geschikt is voor de activiteiten van verzoekers; Dat uw Raad zal vaststellen in het dossier dat meer dan voldoende werd onderzocht of de site geschikt is voor de activiteiten van verzoekers en dat tevens verscheidene maatregelen werden geïmplementeerd om gebeurlijke hinder tot een minimum te beperken; Dat verzoeker onder meer uitvoerig naar volgende bepalingen verwijst: B. FEITELIJKE EN JURIDISCHE BESTAANDE TOESTAND 1.1 Historiek, activiteiten en vooruitzichten Naar verwerking toe is het de bedoeling te Staden de grond vermengd met steen te drogen, te zeven en de stenen te scheiden van de grond. Het is de bedoeling de stockage te laten plaats vinden aan de buitenzijdes van de site, waardoor de verwerking van de grond aan de binnenzijde kan geschieden (...) 1.2 Probleemstelling en uitbreidingsvragen (...) 1.3 Mobiliteitsaspect Vulsteke C. PLANNINGSCONTEXT EN OVERIGE BELEIDSPLANNEN (...) 4.5 Afweging voor het bedrijf Vulsteke 4.5.1 Principes PRS-WV (...) 4.5.2 Toetsing aan bijkomende visie-elementen (...) 4.5.3 Onderzoek geschiktheid site/locatie voor bouwverwant bedrijf Het bedrijf Vulsteke is actief in de bouwsector (containertransport in en recyclage van bouwafval). X-13.494-10/33 Het is niet aangewezen een dergelijke activiteit in de open ruimte in te planten (visuele vervuiling door stockage van zand, steen en ander puin; grote ruimte-inname). Evenmin is het aangewezen dat dergelijke activiteiten zich situeren in de nabijheid van veel bewoning (stofhinder, lawaaihinder, ...). De site van de voormalige olieslagerij Debeil scoort gunstig op beide criteria. Deze sluit immers aan bij de bebouwing, maar is niet gelegen middenin bebouwd weefsel. Een tweede gegeven is dat de site momenteel officieel niet benut wordt. Sinds het stopzetten van de olieslagerijactiviteiten is er geen activiteit meer vergund. Vanuit het principe van zuinig ruimtegebruik dient gezocht naar een herbestemming of nieuwe invulling van de site. Een herbestemming (bv. landbouw) lijkt hier niet aangewezen, gezien de uitstekende ligging van de site aan een secundaire weg 11. Bovendien is dit weinig realistisch, gezien het jarenlange gebruik en de grote oppervlakte aan verharding. Een herlocalisatie en concentratie van een bedrijf uit de onmiddellijke omgeving naar een goed bereikbare site is een positief gegeven. Vanuit dit gegeven is een nieuwe industriële invulling voor de site, de beste keuze. Ten noordoosten van de site bevindt zich langsheen de Kerkhofblommenstraat een woonwijk. Ten aanzien van deze wijk wordt een brede bufferzone voorzien (met bermen voor geluid en stof). 4.5.4 Besluit Voor de site is een nieuwe invulling naar bedrijvigheid ruimtelijk aanvaardbaar. Wel dient aandacht besteed te worden aan aspecten van landschappelijke inkleding en buffering. D. EVALUATIE VAN HET BEDRIJF EN OPZET PLAN (...) 2.1 Ruimtelijke impact (...) Ondanks de grote omvang van het bedrijf, is de impact van het bedrijf op zijn omgeving echter matig. De buffer, zoals opgelegd in het BPA is volledig gerealiseerd, waardoor de bedrijfssite vanuit het zuiden niet opvalt. Ook de buffer langsheen de beek (zijarm van de Luikebeek) is zeer degelijk. Dit zorgt voor een visueel scherm ten aanzien van het achterliggende woonlint. Aan de straatzijde zijn 2 woningen gelegen, de bedrijvigheid bevindt zich eerder achter deze woningen. Uit de richting van het noordwesten, zit de bedrijvigheid verborgen achter een groenscherm aangelegd op de parking van het restaurant. 2.2 Milieuimpact Milieuhinder Momenteel niet van toepassing, aangezien er nauwelijks activiteiten plaatsvinden op de site. Er wordt wel verwacht dat er op termijn geluids- en stofproducerende activiteiten zullen plaatsvinden. Ter beperking van deze hinder staan er maatregelen in de voorschriften ingeschreven. 2.3 Verkeersimpact Verkeershinder Momenteel worden gemiddeld 25 transporten per dag (= 50 bewegingen) uitgevoerd op de site. Bij bestendiging en uitbreiding op de site te Staden, wordt op middellange termijn een verdubbeling verwacht. Van de te verwachten 50 transporten per dag wordt verwacht dat de helft ervan afkomstig zal zijn van eigen containertransport en de andere helft van andere containerbedrijven die afbraakmaterialen en/of gerecycleerde materialen komen afleveren/ophalen. X-13.494-11/33 Bijkomend verkeer zal echter geen invloed hebben op de doorstroming op de N36. Vroeger was er immers al overvloedig verkeer van en voor de olieslagerij. Bovendien is de maximale capaciteit van de N36 nog lang niet bereikt, ook niet met het verkeer van Westfro erbij en met de te verwachten bijkomende vervoersbewegingen van Westfro. (...) 2.4 Sociaal- en bedrijfseconomische criteria Omzet, tewerkstelling, investeringen: ( voor de N.V. en BVBA samen) Over de laatste 14 maanden heeft het bedrijf een omzet geboekt van 616000.00 i en een toegevoegde waarde van 46000.00 i. Evolutie laatste 5 jaar: 2001: 2.317.646,05 i 2002: 2.668.167,96 i 2003: 2.748.475,99 i 2004: 2.999.988,70 i 2005: 3.266.640,11 i Het bedrijf kent duidelijk een gestage stijging van omzet. In het bedrijf werken 2 bedrijfsleiders en 2 personeelsleden. De gedane investeringen, naast aankoop en overname materieel, betreffen in Staden enkel de aankoop van de gronden. 2.5 Besluit Het bedrijf kan op de site te Kortemark zijn activiteiten niet verder rendabel uitvoeren (o.a. geen vergunning in landbouwgebied). Het bedrijf heeft grote oppervlakten aan verharding nodig. Een deel daarvan dient zelfs verplicht waterondoorlatend te zijn. Met de site van de oude olieslagerij, is aan dit criterium reeds in belangrijke mate voldaan. De site is goed bereikbaar en bovendien reeds volledig bestemd als ambachtelijke zone. Het hergebruik en dus deels de sanering van de site door het bedrijf Vulsteke moet als een kans aangegrepen worden. (...) 4. Visie bedrijf en opzet plan 4.1 Visie bedrijf Het bedrijf wenst de 2 woningen te behouden. Verder is het de bedoeling een aantal van de bestaande voormalige olieslagerij-gebouwen te houden en andere af te breken. Dit alles in functie van de interne bedrijfsorganisatie. De parking wordt in het zuidoosten behouden en uitgebreid, zoals reeds voorzien in het BPA De Kantonnier. Achteraan, tegenaan de zijtak van de Luikebeek wordt de ruimte voorbehouden om te stapelen en het verwerken van grond. 4.2 Opzet plan - Alle bestaande bebouwing wordt opgenomen in zone 1 ‘zone voor bedrijfsactiviteiten gelinkt aan de bouwsector’. Binnen deze zone zijn er 2 deelzones. De eerste is een zone voor bedrijfswoning of concièrgewoning en tuin. In deze deelzone zijn 2 bestaande en historisch met het bedrijf mee gegroeide woningen opgenomen (cfr. complex bestaande uit villa - olieslagerij - concièrgerie sinds 1835). Eén van deze 2 woningen is dan nog eens bijkomend ondergebracht in de deelzone ‘met behoud historisch karakter’. Het gaat hier om de meest noordelijk gelegen woning, die eveneens opgenomen is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. - Buffer & schermgroen: De bedrijfssite wordt ingekleed met een groene buffer van min. 15 meter tenzij anders aangeduid op het plan. Waar deze 15 meter niet haalbaar is, wordt schermgroen voorzien. In de deelzone met een asterisk kunnen maatregelen genomen worden voor waterberging. X-13.494-12/33 - Het plangebied van het provinciaal RUP wordt tenslotte uitgebreid met een ‘zone voor agrarisch gebied’ teneinde het BPA De Kantonnier volledig te kunnen laten vervallen. Deze zone omvat het volledige perceel gelegen aan de overzijde van de Luikebeek, achter de ‘ambachtelijke’ bedrijvigheid (benzinestation, restaurant dat te koop staat). (...) E. RUIMTEBALANS EN OP TE HEFFEN VOORSCHRIFTEN 1. Ruimtebalans Benaderende oppervlaktes: een groot deel van de oppervlakte van onderhavig provinciaal RUP was reeds bestemd als ambachtelijke zone in het gewestplan. De strook aan de Sint-Jansstraat was bestemd als woongebied met landelijk karakter en een achterliggende zone, rond de zijtak van de Luikebeek had de bestemming agrarisch gebied. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van 6,1ha. Dit provinciaal RUP heft de voorschriften op van de bestemmingen volgens het gewestplan Roeselare-Tielt alsook van de bestemmingen van het BPA De Kantonnier. Deze bestemmingen worden in de volgende tabel vermeld. (...) Dat de hierboven geschetste bepalingen uit het PRUP Vulsteke duidelijk aangeven dat er een zeer grondig en gedetailleerd onderzoek werd verricht door de provinciale diensten van de Provincie West-Vlaanderen; Dat uw Raad zal vaststellen dat in het PRUP o.a. worden behandeld de historiek, de activiteiten en de vooruitzichten van het bedrijf van verzoekers, de probleemstelling, de visie-elementen, het mobiliteitsaspect, de geschiktheid van de site, de ruimtelijke impact, de milieu-impact, de verkeersimpact, de visie van het bedrijf, de bedrijvigheid, de ondersteunende zones, de inkleding, de ruimtebalans, en verordenende voorschriften (met toelichting en visie); Dat er dus wel degelijk werd onderzocht of de activiteiten van verzoekers mogelijk zijn op de site te Staden en dat het antwoord overduidelijk positief was; Dat verweerder in haar nota. dd. 25.10.2007 nog het volgende meent te kunnen stellen: De PROCORO bracht op 1 maart 2007 een gunstig advies uit. De PROCORO adviseerde niet in te gaan op enkele fundamentele opmerkingen opgenomen in het Ministerieel Besluit van 21 december 2006. Dat - zoals Uw Raad in het administratief dossier zal kunnen vaststellen - deze stelling van verweerder manifest onjuist is; Dat immers de PROCORO als volgt adviseerde op het Ministerieel Besluit van 21 12.2006: 1. Momenteel gebruikt het bedrijf 2 sites in Kortemark: een site gelegen langs de leperstraat (aansluitend bij Sint-Jozef) en een site langs een zijstraat van de Hoogledestraat (oud terrein van Distrigas). Het oud terrein van Distrigas (opslag van puin en aarde) wordt momenteel volledig illegaal gebruikt. De opslag daar zal dan ook op korte termijn herlokaliseren naar de site in Staden. De andere site langs de leperstraat wordt op termijn geherlokaliseerd naar Staden. De site in Staden (gelegen langs een secundaire weg) is qua ontsluiting beter gelegen dan de beide sites in Kortemark (ontsluiting via lokale wegen). Het is dus niet aangewezen om verder te investeren in de sites in Kortemark. Een herlokalisatie naar de site in Staden is meer aangewezen. Wel dient erover gewaakt dat het bedrijf binnen afzienbare tijd volledig herlokaliseert (ook de site aansluitend bij Sint-Jozef), zoniet dreigt er teveel verkeer tussen de 2 sites te verlopen. 2. De leegstaande site is een opportuniteit die zich op vandaag voordoet. De vraag is niet of de site de beste locatie vormt voor een dergelijk X-13.494-13/33 bedrijf. De vraag is wel of de inplanting van een dergelijk bedrijf op deze site ruimtelijk aanvaardbaar is. De PROCORO adviseert om bijkomend te motiveren dat deze site geschikt is voor dergelijke activiteiten. 3. De opmerking is terecht. De PROCORO adviseert om de ontbrekende visie-elementen in de memorie van toelichting verder aan te vullen. 4. De opmerking is onterecht. De site ligt niet in overstromingsgebied. Bovendien worden er in de voorschriften voldoende garanties ingeschreven zodat het waterbergend vermogen van de site zeker niet zal verminderen. 5. De opmerking is onterecht. Ten opzichte van het nu geldende BPA wordt geen bijkomende ruimte voor bedrijvigheid ingenomen. 6. De opmerking is terecht. De PROCORO adviseert om de bedrijfssite te begrenzen zoals in het huidige BPA. De Luikebeek en de zijtak dienen te worden beschouwd als uiterste begrenzing van de site, buffers inbegrepen. Dit impliceert ook dat de buffers dienen op te schuiven. 7. De PROCORO adviseert om bijkomend te motiveren dat deze site geschikt is voor dergelijke activiteiten. Dat de overwegingen in de beslissing van verweerder, dd. 31.08.2007 m.b.t. de inplanting van het bedrijf van verzoekers te Staden en haar geplande activiteiten aldaar vaag, stereotiep en algemeen gesteld zijn en de beslissing tot onthouding van goedkeuring op geen enkele wijze staven; Dat verweerder in haar bestreden beslissingen aangeeft dat het bedrijf van verzoekers niet in het desbetreffende gebied thuishoort; (...) Dat daarnaast uit het dossier niet blijkt of de voorgestelde site de beste locatie is voor een bedrijf dat gespecialiseerd is in containertransport en recyclage van bouwafval; dat dergelijk locatieonderzoek rekening moet houden met de eisen van het bedrijf, de ruimtelijke context en de ruimtelijk economische visie op het specifiek economisch knooppunt; (...) Ministerieel Besluit van 31 augustus 2007 Dat uit het PRUP Vulsteke en de adviezen, o.a. van Gecoro op 01.03.2007, wel degelijk blijkt dat grondig werd onderzocht of de locatie geschikt is voor het bedrijf van verzoekers (supra); Dat verweerder echter nalaat om enig onderzoek in te stellen naar de redenen waarom het bedrijf er niet kan worden ingepast; Dat verweerder uitblinkt in vaagheid, geen concrete inplantingsproblemen voorlegt en ook geen redenen aanhaalt m.b.t. de beginselen van o.a. de best beschikbare technieken en het nabijheidsbeginsel zoals verwoord in de artikels 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 iuncto de overwegingen nr. 20 en 21 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; Dat uit stuk 22 - en zoals algemeen geweten - blijkt dat in weinig bevolkte streken het transport van bouwafval naar een ver weg gelegen betonfabriek soms belastender is dan het afval zelf; Dat om die reden door verzoekers gronden werden gezocht in de nabijheid van haar bedrijvigheid zodat de hinder tot een minimum zou worden beperkt; Dat de gronden te Staden aan deze eis perfect tegemoetkwamen; Dat het stedelijk gebied Roeselare geen verantwoord alternatief vormt voor verzoekers aangezien het steenpuin afkomstig is van gemeentes als Houthulst, Diksmuide en andere en dat de impact op het leefmilieu veel groter zou zijn mocht men het bedrijf inplanten in de omgeving van Roeselare; Dat uit de bestreden beslissingen echter naar voorkomt dat verweerder deze problematiek niet heeft onderzocht, niettegenstaande zij het PRUP Vulsteke op grond van de desbetreffende overweging onthoudt van goedkeuring; Dat zoals X-13.494-14/33 boven reeds uitvoerig uiteengezet een weigering zoals in casu degelijk dient te zijn gemotiveerd; Dat dient te worden besloten dat de eerste bestreden beslissing behept is met motiveringsgebreken. Terwijl het tweede onderdeel: Dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden; Dat de Raad van State eist dat de administratieve overheid haar beslissing heeft afgewogen aan de hand van werkelijk bestaande feiten, waarvan zij zich een duidelijke voorstelling heeft kunnen vormen en die van zulke aard zijn dat zij de genomen beslissing naar recht en redelijkheid kunnen dragen; Zie A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer, 1999, 826. Dat - zoals in het feitenrelaas reeds uiteengezet - in het oorspronkelijke ontwerp van PRUP een strook ten noorden van de zijtak van de Luikebeek was opgenomen maar dat deze uitbreiding niet werd opgenomen in het definitief vastgestelde plan; Dat het bestemmingsplan in die zin overduidelijk is aangezien de bijkomende strook niet werd opgenomen (...); Dat het plangebied van het PRUP Vulsteke bijgevolg exact overeenkomt met het plangebied van het BPA De Kantonnier; Dat de verweerder in haar advies, dd. 21.12.2006 onder meer het volgende stelde: Overwegende dat het herbenutten van de terreinen van de voormalige olieslagerij door het bedrijf Vulsteke een reorganisatie van de site tot gevolg zal hebben; dat wordt aangegeven dat hierbij een aantal bestaande gebouwen zullen worden afgebroken; dat de bijkomende inname van het agrarisch gebied (zowel in functie van verhardingen als in functie van bedrijfsactiviteiten) niet evident is aangezien het hier in de eerste plaats het hergebruik van een bestaande site betreft en de behoef(t)e om deze bijkomende ruimte in te nemen in het voorliggende dossier onvoldoende wordt aangetoond; Dat op 01.03.2007 echter reeds werd aangegeven door de Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordening West-Vlaanderen (PROCORO) in antwoord op het ongunstig advies van de Vlaamse Regering, dd. 21.12.2006: 5. De opmerking is onterecht. Ten opzichte van het nu geldende BPA wordt geen bijkomende ruimte voor bedrijvigheid ingenomen. Verslag PROCORO, dd. 01.03.2007 (...) Dat dit alles ten spijt, de dienst DRO-RWO in haar advies aan de Minister, dd. 10.07.2007 stelt dat het definitief vastgestde PRUP enkel een antwoord biedt op twee opmerkingen van het Ministerieel Besluit, dd. 21.12.2006, nl. m.b.t. de bufferzone langs de noordzijde van de Luikebeek en m.b.t. de afweging betreffende ontwikkelingsperspectieven voor leegkomende sites van regionale bedrijven; Dat aldus aan de Minister wordt aangegeven dat het definitief vastgestelde PRUP Vulsteke geen antwoord biedt op de - weliswaar onjuiste - stelling in het Ministerieel Besluit, dd. 21.12.2006 m.b.t. de bijkomende inname van het agrarisch gebied; Dat dit uiteraard manifest onjuist is aangezien er zowel door de GECORO als door de PROCORO duidelijk wordt gesteld dat er geen bijkomend agrarisch gebied zal worden ingenomen; Dat de Vlaamse Regering evenwel het advies van de dienst DRO-RWO, dd. 10.07.2007 volgt en in het aangevochten besluit van 31.08.2007 het volgende stelt: Gelet op het Ministerieel Besluit van 21 december 2006 houdende advies over het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Vulsteke’ te Staden; X-13.494-15/33 (...) Overwegende dat het voorliggende plan naast het hergebruik van de huidige site (gebouwen en verharding) ook mogelijkheden biedt voor een bijkomende inname van nog niet bebouwde ruimte; dat derhalve ook vanuit die optie niet zonder meer kan gesteld worden dat het om louter hergebruik van een bestaande bedrijfssite gaat; dat (bij) gedeeltelijke goedkeuring van het plan, die beperkt zou blijven tot de bestaande site, er geen afdoende antwoord zou geboden worden aan de ontwikkelingsbehoeften van het betrokken bedrijf Vulsteke; dat verdere uitbreiding ervan niet kan verantwoord worden zodat geopteerd wordt om het voorgelegde plan in zijn geheel van goedkeuring te onthouden. Dat de goedkeuring aldus wordt onthouden op basis van vermeende feiten die incorrect zijn; Dat verweerder reeds op 01.03.2007 uitdrukkelijk in kennis werd gesteld van het feit dat haar redenering op dit punt niet opging aangezien er hoegenaamd geen bijkomende ruimte (naast de huidige site - BPA De Kantonnier) werd ingenomen; Dat omtrent de ontwikkelingsbehoeften van het bedrijf Vulsteke tevens het volgende wordt gesteld in het PRUP (...): LANGE TERMIJN Op lange termijn is het de bedoeling om de zaak, binnen de grenzen van de huidige site nog verder uit te bouwen, zowel wat betreft modernisering, capaciteit, tewerkstelling en organisatie. (...) Dat in de memorie van het PRUP tevens uitdrukkelijk staat neergeschreven dat het nooit de bedoeling was en is van verzoekers om hun activiteiten uit te breiden naar gebieden buiten de site die was voorzien in het BPA De Kantonnier; Dat integendeel een strook van 15 meter gelegen vóór de Luikebeek voorzien wordt voor buffering en een aanleg van een groenscherm; Dat er in verhouding tot het BPA De Kantonnier en de huidige site van de olieslagerij bijgevolg geen extra ruimte wordt ingenomen voor bedrijvigheid; Dat verweerder hangende de UDN-procedure in haar nota, dd. 25.10.2007 dienaangaande het volgende uiteenzet: Nergens wordt voorgehouden dat het een uitbreiding van het plangebied betreft ten aanzien van het BPA de Kantonnier en de site van de olieslagerij Debeil. Het herbenutten van de terreinen van de voormalige olieslagerij door de bedrijven van verzoekende partijen zal een reorganisatie en uitbreiding van de site tot gevolg hebben. Er wordt in het dossier aangegeven dat hierbij een aantal bestaande gebouwen zullen worden afgebroken en dat het bedrijf op termijn zijn activiteiten op deze site feitelijk verder wenst uit te bouwen. De bijkomende inname van het niet verharde gebied (zowel in functie van verhardingen als in functie van bedrijfsactiviteiten gelinkt aan de bouwsector) dat momenteel niet in gebruik is, is niet evident. Dat immers in zulke situatie het niet meer gaat over het hergebruik van een bestaande site, en niet over een gelijksoortige activiteit zonder bijkomende hinder. Dat in het advies van verweerder, dd. 21.12.2006 evenwel het volgende staat te lezen: Dat de bijkomende inname van het agrarisch gebied (zowel in functie van verhardingen als in functie van bedrijfsactiviteiten) niet evident is aangezien het hier in de eerste plaats het hergebruik van een bestaande site betreft en de behoefte om deze bijkomende ruimte in te nemen in het voorliggende dossier onvoldoende wordt aangetoond; (...) X-13.494-16/33 Dat in de eerste bestreden beslissing deze zienswijze als volgt wordt verwoord: Overwegende dat het voorliggende plan naast het hergebruik van de huidige site (gebouwen en verharding) ook mogelijkheden biedt voor een bijkomende inname van nog niet bebouwde ruimte; dat derhalve ook vanuit die optie niet zonder meer kan gesteld worden dat het om louter hergebruik van een bestaande bedrijfssite gaat; Dat verweerder hangende de UDN-procedure - blijkbaar, aangezien hij zeer vaag blijft - voorhoudt dat de ‘bijkomende inname’ waar verweerder zowel in haar advies als in haar eindbeslissing op wijst, betrekking heeft op de gebieden die in het zuidoosten zijn gelegen van het plangebied en niet op een vermeende bijkomende inname van agrarisch gebied buiten het plangebied; Dat de gebieden in het zuidoosten van het plangebied van het PRUP Vulsteke volgens het gewestplan de bestemming agrarisch gebied hebben; Dat deze bestemming evenwel werd aangepast bij het BPA De Kantonnier en dat deze zone de bestemming kreeg van private parkeerplaatsen, toeritten, laad en losplaatsen, stapelen in open lucht, en aanverwante voorzieningen (zone 9); In de stedenbouwkundige voorschriften staat hieromtrent het volgende te lezen (...): Private parkeerplaatsen, toeritten, laad en losplaatsen, stapelen in open lucht, en aanverwante voorzieningen. De verhardingen binnen deze zone moet aangelegd worden in stofvrije materialen. Binnen deze zone zijn voorzieningen in verband met watervoorraden t.b.v. de brandveiligheid toegelaten. De constructies t.b.v. deze watervoorraden mogen maximum 1,50 m. hoog zijn en dit gemeten vanaf het vloerpeil van de Pp zone. Aldus was hier in het BPA De Kantonnier reeds voorzien dat de zone kon worden verhard, dat er parkeerplaatsen konden worden aangelegd, dat er kon worden geladen en gelost, gestockeerd en gestapeld, enz... Dat verweerder hierover overigens in haar beslissing, dd. 28.11.1995 m.b.t. het BPA De Kantonnier het volgende stelde (...): Overwegende dat voormelde bestemmingen van het gewestplan voor deze locaties als achterhaald kunnen beschouwd worden omwille van de legaal tot stand gekomen bestaande toestand en door de geïsoleerde ligging van de betrokken locaties ten opzichte van de rest van deze bestemmingszones op het gewestplan; M.B. houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg ‘De Kantonnier’ genaamd, van de gemeente Staden, dd. 28.11.1995 Dat verweerder destijds zelf de redenen aangaf voor de bestemmingswijziging van agrarisch gebied naar een zone voor private parkeerplaatsen, toeritten, laad en losplaatsen, stapelen in open lucht, en aanverwante voorzieningen; Dat verweerder zelf aangaf dat de gronden die voorheen de bestemming agrarisch gebied hadden, reeds in 1995 niet meer dienstig waren voor die bestemming; Dat een vroegere beoordeling van een overheid kan worden gewijzigd, maar dat deze wijziging moet resulteren uit een nieuw onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak en niet mag berusten op onjuiste gronden; R.v.St. nr. (...), 30 januari 1973, (...). Dat er van enige onderzoek m.b.t. de oude en de nieuwe situatie door verweerder geen sprake is en dat Uw Raad tevens dient vast te stellen dat de eerste bestreden beslissing van verweerder berust op onjuiste gronden; Dat de bepaling in het Ministerieel Besluit van 21.12.2006 (advies) betreffende een bijkomende inname van agrarisch gebied bijgevolg geen betrekking kan hebben op de gronden gelegen in het zuidoosten van het plangebied het PRUP Vulsteke; X-13.494-17/33 Dat er bovendien dient te worden vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing het Ministerieel Besluit van 21.12.2006 zonder meer in haar motivering opneemt en dat zij het advies van de dienst DRO-RWO, dd. 10.07.2007 zonder meer volgt en tevens spreekt van een bijkomende inname van (agrarische) gronden (quod non); Dat - als men al zou aannemen dat de eerste bestreden beslissing betrekking heeft op de gronden gelegen in het zuidoosten van het plangebied - men dient vast te stellen dat verweerder zich in zijn advies en in de daaropvolgende eerste bestreden beslissing in allerlei bochten wringt om een vermeend belang van deze gronden als agrarisch gebied of als niet- bebouwde grond aan te tonen; Dat verweerder echter in het verleden op een geheel andere wijze heeft geoordeeld waar zij zich akkoord verklaarde met een bestemmingswijziging en waarbij daarenboven in de motivering werd benadrukt dat de gronden in kwestie inderdaad niet meer met hun bestemming overeenkwamen en na een gebeurlijke verharding dienstig waren voor parkeerplaatsen, voor stockage en voor andere voorzieningen; Dat uw Raad zal vaststellen dat het inrichtingsplan van het bedrijf van verzoekers voorziet in een quasi gelijkaardige inrichting zoals voorzien in het BPA: (...) Dat, als men al zou stellen dat er sprake is van een bijkomende inname overeenkomstig het bestemmingsplan PRUP Vulsteke (nl. zone voor bedrijfsactiviteiten gelinkt aan de bouwsector), er niet aan het feit kan worden voorbijgegaan dat de bijkomende bestemmingsinname hoegenaamd geen wijziging aanbrengt aan het concept van de site van de olieslagerij. Immers, in het zuidoosten concipieert het inrichtingsplan PRUP Vulsteke een activiteit die onderdeel uitmaakte van de oude bestemmingsvoorschriften van zone 9 uit het BPA De Kantonnier, nl. stapelen en stockeren. Dat er daarnaast een strook wordt voorzien in het noordwesten die overeenkomstig het inrichtingsplan PRUP Vulsteke zal worden gebruikt voor stapelen en stockeren, daar waar in het BPA De Kantonnier gebouwen waren gelegen; Dat de bijkomende inname waarvan sprake in het desbetreffende advies en in de eerste bestreden beslissing bijgevolg geen redelijke grond is om de goedkeuring te onthouden aan het PRUP Vulsteke; Dat elke andere (mis)lezing van de bestreden beslissing waarbij wordt voorgehouden dat onthouding zou zijn gebeurd omdat een uitbreiding binnen het plangebied werd afgekeurd, overigens aantoont dat de bestreden beslissingen niet naar recht zijn gemotiveerd; Dat van een verzoeker niet kan worden verwacht dat hij moet procederen voor de Raad van state om te vernemen wat wordt bedoeld in de bestreden beslissingen; Dat de motivering van de beslissing uit de beslissing zelf moet kunnen blijken; Dat wanneer men zoals verweerder op een verschillende manier kan lezen, dit gelijk staat met een gebrek aan motivering (supra); Dat verweerder voorhoudt dat het plan PRUP Vulsteke niet aantoont dat de voorgestelde site te Staden de beste locatie is voor de bedrijvigheid van verzoekers, nl. vervoer en recyclage van bouwafval; Dat verzoekers reeds op pagina 26, 27, 28 en 29 van onderhavig verzoekschrift een (verkort) overzicht hebben gegeven van beleidsvisies en ruimtelijk onderzoek dat in het kader van het PRUP Vulsteke heeft plaatsgevonden; Dat Uw Raad bij lezing van het PRUP Vulsteke zal vaststellen dat er wel degelijk aan locatieonderzoek werd gedaan, rekening houdend met de eisen van het bedrijf, de ruimtelijke context en de ruimtelijk economische visie op het specifiek economisch knooppunt. Al deze punten werden uitvoerig onderzocht en uiteengezet in de inhoudelijke bepalingen van het PRUP Vulsteke; X-13.494-18/33 Dat - zoals verweerder citeert op pagina 5 van zijn nota van 25.10.2007 - daarnaast in de eerste bestreden beslissing en tevens in bijna alle de bezwaarschriften wordt verwezen naar een mogelijke milieuhinder die verzoekers zouden kunnen teweegbrengen in Staden; Dat evenwel bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan en de procedure die daarbij hoort, de afweging dient te worden gemaakt of de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet wordt overschreden; Dat de ruimtelijke draagkracht in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) wordt gedefinieerd als ‘het vermogen van de ruimte om nu en in de toekomst menselijke activiteiten op te nemen zonder dat de grenzen van het ruimtelijk functioneren worden omschreven’; Dat verzoeker verwijst naar het eerste onderdeel van dit middel waarbij bepalingen werden weergegeven uit het PRUP Vulsteke; Dat uit deze bepalingen wel degelijk naar voorkomt dat de ruimtelijke draagkracht nauwgezet werd onderzocht in het PRUP Vulsteke; Dat maatregelen in het kader van de ruimtelijke draagkracht evenwel niet mogen worden verward met maatregelen in het kader van een milieuvergunningsprocedure; Dat de milieuvergunningsprocedure tot doel heeft om te bepalen of de mogelijke hinder die door een bedrijf wordt veroorzaakt, kan worden herleid naar een aanvaardbaar niveau; Dat deze bepalingen werden opgesteld in het kader van de milieuvergunningsprocedure van verzoekers m.b.t. de site te Staden (...); Dat gelet op de bezwaarschriften en op de inhoudelijke motiveringen in de eerste bestreden beslissing, dient te worden vastgesteld dat een aantal milieuoverwegingen aan de oorzaak van de onthouding van goedkeuring liggen; Dat nochtans - en niet in het minst - een korte lezing van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP Vulsteke volstaat om vast te stellen dat er wel degelijk concrete milieuvoorschriften werden opgenomen in het plan. Dat verweerder heeft verzuimd aan de eis te voldoen van een zorgvuldige feitenverzameling en de daarbij horende zorgvuldige belangenafweging; Dat verweerder bijgevolg het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden; Terwijl het derde onderdeel: Dat verweerder het rechtszekerheids- en continuïteitsbeginsel heeft geschonden; Dat voordat verzoekers de terreinen hebben aangekocht, de site werd gebruikt door een olieslagerij (Debeil); Dat voor de uitbreiding van deze olieslagerij in 1995 het BPA De Kantonnier werd goedgekeurd door verweerder (...); Dat de desbetreffende olieslagerij reeds in 1993 een productie had van 70.000 ton op jaarbasis en dat de provinciale diensten berekenden dat dit neerkomt op 54 bewegingen van vrachtwagens per dag (werkweek); Dat het aantal bewegingen per dag van vrachtwagens bij de bedrijven van verzoekers merkelijk lager zullen liggen; Dat er tevens sprake zal zijn van minder woon-werkverkeer in vergelijking met de hoeveelheid personeel dat was tewerkgesteld bij de olieslagerij Debeil; Dat tevens werd gesteld door de PROCORO in antwoord op het bezwaarschrift nr. 23 dat de hinder van de bedrijven van verzoekers na het nemen van afdoende maatregelen die zullen worden opgelegd in het kader van de milieuvergunning beperkt zal zijn in vergelijking met de hinder die werd veroorzaakt door de olieslagerij Debeil. Dat - zoals in de andere middelen en in het feitenrelaas reeds uitvoerig uiteengezet - verweerder in de eerste bestreden beslissing (en tevens in het voorgaande advies) spreekt van een bijkomende inname van niet bebouwde (in het advies nog agrarische) gronden voor bedrijvigheid; X-13.494-19/33 Dat verweerder in haar beslissing, dd. 28.11.1995 m.b.t. het BPA De Kantonnier het volgende stelde (...): Overwegende dat voormelde bestemmingen van het gewestplan voor deze locaties als achterhaald kunnen beschouwd worden omwille van de legaal tot stand gekomen bestaande toestand en door de geïsoleerde ligging van de betrokken locaties ten opzichte van de rest van deze bestemmingszones op het gewestplan; M.B. houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg ‘De Kantonnier’ genaamd, van de gemeente Staden, dd. 28.11.1995 Dat verweerder in haar beslissing, dd. 28.11.1995 oordeelde dat de gronden een bestemmingswijziging dienden te ondergaan; Dat onder andere agrarisch gebied werd omgevormd naar zone voor private parkeerplaatsen, toeritten, laad en losplaatsen, stapelen in open lucht, en aanverwante voorzieningen; Dat de gronden - aldus verweerder in haar beslissing, dd. 28.11.1995 - die de bestemmingswijziging hebben ondergaan geïsoleerd zijn ten opzichte van andere gronden met een gelijke bestemming; Dat verweerder hier zelf aangeeft dat de gronden die voorheen de bestemming agrarisch gebied hadden, reeds in 1995 niet meer dienstig waren voor die bestemming; Dat verweerder heden oordeelt dat een bijkomende inname van niet bebouwde gronden niet wenselijk is en dat het PRUP Vulsteke daarom van goedkeuring dient te worden onthouden; Dat de overheid in 1995 (BPA De Kantonnier) tot een andere beslissing is gekomen dan in 2007 (PRUP Vulsteke), maar dat zij hiertoe geen gegronde redenen aangeeft in de eerste bestreden beslissing; Dat, in tegenstelling tot wat verweerder beweert, het plangebied hetzelfde betreft; Dat een algemene verwijzing naar de activiteiten van verzoekers en naar de eisen die aan dergelijke activiteiten dienen te worden gesteld, uiteraard niet voldoet als gegronde reden; Dat aan het definitief vastgestelde PRUP Vulsteke op 31.08.2007 de goedkeuring werd onthouden; Dat het BPA De Kantonnier m.b.t. de activiteiten van de olieslagerij Debeil wel werden goedgekeurd door verweerder; Dat de overheid nalaat gegronde redenen aan te geven voor deze continuïteitsbreuk en bijgevolg het rechtszekerheids- en continuïteitsbeginsel heeft geschonden; Terwijl het vierde onderdeel: Dat verweerder het subsidiariteitsbeginsel iuncto het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (richtinggevend gedeelte) heeft geschonden; Dat overeenkomstig de parlementaire stukken (Park St. VI.Parl. 1998-99, nr. 1332-1, 29) en de meerderheid van de rechtsleer de goedkeuring door de Vlaamse Regering overeenkomstig art. 46, § 2 DRO, dd. 18.05.1999 een formele en inhoudelijke toetsing van het desbetreffende PRUP impliceert; Dat de goedkeuringsbeslissing dienvolgens niet enkel de formele aspecten van de conformiteit betreft, maar tevens inhoudelijke aspecten van overeenstemming; Dat evenwel in de rechtsleer wordt aanvaard dat art. 18 van het DRO een beperking voorziet aan het goedkeuringstoezicht van de Vlaamse Regering overeenkomstig art. 46, § 2 DRO wanneer een provincie of een gemeente het initiatief neemt tot een ruimtelijk uitvoeringsplan m.b.t. een deel of delen van het provinciaal of gemeentelijk grondgebied dat geen relatie heeft met respectievelijk een gewestelijk (provincie en gemeente) of een provinciaal (gemeente) ruimtelijk structuurplan en dat het (...) aldus enkel een uitvoering betreft van een eigen respectievelijk provinciaal of gemeentelijk structuurplan; Zie bijvoorbeeld J. VERKEST, De omvang van het goedkeuringstoezicht op een bijzonder plan van aanleg brengt mee dat de goedkeuring of de onthouding van goedkeuring niet automatisch behoort tot de zaken van dagelijks bestuur tijdens een periode van afhandeling van de lopende X-13.494-20/33 zaken na ontslag van de Vlaamse Regering. noot onder R.v.St. 21 juni 2000, nr. (...), T.R.O.S. 2000, 253-260. Dat de beperking er dan o.a. in zou bestaan dat bij verschillende mogelijke oplossingen, de toezichhoudende overheid de lagere overheid niet kan dwingen te kiezen voor een oplossing die naar haar oordeel de beste is; Dat het beleidsdocument Agenda 21 (de Agenda voor duurzame ontwikkeling voor de 21e eeuw) werd onderschreven door de Belgische Overheid; Dat dit document o.a. bepaalt dat de beleidsdelegatie naar het meest lokale niveau dient te worden bevorderd; Dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) in haar richtinggevend gedeelte (pagina 435) aangeeft dat er tussen het economische ontwikkelingsbeleid en het ruimtelijk beleid geen tegenstelling mag bestaan en dat de economische potenties geoptimaliseerd moeten worden binnen de bestaande economisch structuren; Dat de gemeente Staden op pagina 439 van het RSV wordt geselecteerd als specifiek economisch knooppunt; Dat aangaande de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen volgende principes worden vooropgesteld door het RSV (pagina 455-458): 1. maximale verweving van economische activiteiten met de activiteiten in haar omgeving (bv. goed nabuurschap); 2. Alle mogelijkheden en voorzieningen voor ontwikkeling op de bestaande locatie uitputten; 3. De ruimtelijke implicaties bij een herlokalisatie afwegen tegenover de ruimtelijke implicaties van een ontwikkeling op de bestaande locatie; 4. De ruimtelijke draagkracht van de omgeving mag niet worden overschreden; 5. Er dient t.a.v. de ontwikkeling van de economische activiteit een maximale beleidszekerheid en beleidscontinuïteit te worden nagestreefd, zowel in ruimte als in tijd. Dat verzoekers in Kortemark een voormalig terrein van Distrigas gedeeltelijk hadden ingericht; Dat zij hun activiteiten op dit perceel echter niet meer kunnen uitoefenen en dit hoofdzakelijk aangezien deze terreinen te klein waren; Dat het terrein bovendien wegens stedenbouwkundige redenen ongeschikt was (landbouwgebied); Dat verzoekers - voordat het terrein in Staden werd aangekocht - twee andere te koop staande terreinen hebben onderzocht, nl.: De Voshoek te Kortemark -› te klein De Vossenberg te Hooglede -› te klein + aangekocht door de gemeente in kwestie Dat beide terreinen in hoofdzaak te klein waren voor de activiteiten van verzoekers; Dat verzoekers bijgevolg het leegstaande terrein te Staden hebben onderzocht; Dat dit terrein ruimtelijk perfect voldeed aan de voorwaarden voor het bedrijf van verzoekers; Dat er tengevolge van diverse regelgeving (Vlarea: Vlaams Reglement voor Afvalvoorkoming en -beheer, COPRO, enz...) een grote behoefte is aan de bedrijvigheid die door verzoekers wordt uitgeoefend; Dat overigens de overheid zelf tegen 2010 (duurzaamheidsobjectieven) de hoeveelheid bouwafval - goed voor 8,5 miljoen ton of een kwart van de Belgische afvalberg - wil verminderen (...); Dat uit het artikel - en zoals algemeen geweten - blijkt dat in weinig bevolkte streken het transport van bouwafval naar een ver weg gelegen betonfabriek soms belastender is dan het afval zelf; Dat om die reden door verzoekers gronden werden gezocht in de nabijheid van haar bedrijvigheid zodat de hinder X-13.494-21/33 tot een minimum zou worden beperkt; Dat de gronden te Staden aan deze eis perfect tegemoetkwamen; Dat het stedelijk gebied Roeselare geen verantwoord alternatief vormt voor verzoekers aangezien het steenpuin afkomstig is van gemeentes als Houthulst, Diksmuide en andere en dat de impact op het leefmilieu veel groter zou zijn mocht men het bedrijf inplanten in de omgeving van Roeselare; Dat voor het hergebruik van de site te Staden aan alle 5 principes van het RSV was voldaan; Dat dit tevens werd bevestigd in de eerste bestreden beslissing van de Vlaamse Regering, dd. 31.08.2007; Dat de eerste bestreden beslissing het subsidiariteitsbeginsel schendt aangezien zij ingrijpt op het beleidsniveau van de provincie en dit met schending van het 5e principe uit het RSV, nl. de vereiste van een maximale beleidszekerheid en beleidscontinuïteit bij de ontwikkeling van de economische activiteit; Dat het PRUP Vulsteke immers beperkt blijft tot de site van de olieslagerij Debeil, geformaliseerd in het BPA De Kantonnier; Dat er geen sprake is van een uitbreiding t.o.v. het BPA De Kantonnier en dat de activiteiten van verzoekers perfect kunnen worden ingepast in de site van de voormalige olieslagerij; Dat dit gegeven uitgebreid wordt behandeld in het PRUP Vulsteke en dat de beleidszekerheid en beleidscontinuïteit vereisen dat een hergebruik van een bestaande site buiten een bedrijventerrein mogelijk wordt gemaakt, daarbij in overweging nemende dat het RSV tevens een maximale verwerving van te koop en leegstaande bedrijvensites vooropstelt; Dat verweerder dienvolgens het subsidiariteitsbeginsel iuncto het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (richtinggevend gedeelte) heeft geschonden. Terwijl het vijfde onderdeel: Dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden; Dat op de site te Staden voordien een olieslagerij was gevestigd, nl. het bedrijf Debeil; Dat de statuten van Cargill NV, voorheen Oliefabrieken Debeil NV, o.a. bepalen wat betreft het maatschappelijk doel (...): De fabricatie van en de handel in alle soorten eetbare oliën en vetten, de transformatie van en handel in alle oliederivaten, en, in het algemeen, alles wat rechtstreeks of onrechtstreeks in verband staat met deze handelingen of dat van aard is om het maatschappelijk doel te bevorderen. (...) Alle commerciële verrichtingen en meer in ’t bijzonder verrichtingen betreffende scheppsmakelarij, agenturen, bevrachting, het loodsen, bunkering, rederij, groupage en degroupage, containerdienst, het laden en lossen, het opslaan en in depot hebben, het sorteren, de schatting, de arbitrage, het pointeren, het wegen en meten, de bewaking, de controle, het verpakken, conditioneren en verzenden van alle goederen alsmede de douaneagentuur, de douane expeditie en de beurtdienst, alsmede alle verrichtingen betrekking hebben(
- d)om ’t even welke wijze op vervoer te land, per rivier, ter zee of door de lucht. (...) Alle transportverrichtingen, zij mag optreden als vervoercommissionair, commissionair expediteur bij het vervoer, douane-expediteur en als vervoermakelaar zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden. (...) Alle actitviteiten tot verwerven, transit. in- en uitvoer van afvalstoffen. (...) Dat het maatschappelijk doel van de NV Vulsteke Recycling onder andere bepaalt (...): X-13.494-22/33 De recuperatie van recycleerbaar metaalafval, en de recuperatie van overige recycleerbare afval. Het uitvoeren van grond- en nivelingswerken. Het slopen van gebouwen Het goederenvervoer over de weg. (...) Dat de activiteiten van het toenmalige bedrijf Oliefabrieken Debeil NV en deze van verzoekers in grote mate overeenkomen; Dat daarenboven hoger reeds werd aangegeven dat verweerder in zijn beslissing, dd. 28.11.1995 m.b.t. het BPA De Kantonnier tot een geheel andere beslissing is gekomen, niettegenstaande het gelijkaardige situaties betrof; Dat in de gemeente Staden daarenboven reeds werd bewezen dat een gelijkaardig bedrijf kan worden ingepast in de omgeving en dit zonder onaanvaardbare hinder te veroorzaken; (...) Dat het bedrijf Grodevan NV sinds 2005 (...: tweede vaste locatie Grodevan) gevestigd is in Staden en heel wat problemen met de eigenaars van de aanpalende percelen heeft gekend; Dat er na klachten en een tijdelijke sluiting van het bedrijf maatregelen werden doorgevoerd opdat het bedrijf in perfecte harmonie met de omgeving kon worden geëxploiteerd; Dat de maatregelen die werden doorgevoerd bij het bedrijf Grodevan, eveneens voorzien zijn in het PRUP Vulsteke en in de milieuvergunningsprocedure; Dat er daarenboven rekening mee dient te worden gehouden dat de aanpalende percelen onmiddellijk aansluiten bij het bedrijf Grodevan, en zich niet zoals in casu op meer dan 100 meter van de bedrijfsactiviteit van verzoekers bevinden; Dat op 13.09.2006 bij Ministerieel Besluit de goedkeuring werd gegeven aan het PRUP ‘regionaal bedrijf Westfro te Staden’ met bijhorend onteigeningsplan van de provincie West- Vlaanderen (...); Dat het plangebied van het PRUP Westfro volgens het BPA t’Veld voorheen gelegen was in agrarisch gebied en in woongebied met landelijk karakter, nl. voor die woningen die niet in het BPA t’Veld waren opgenomen; Dat het PRUP Westfro private woningen omvat en dat er ingevolge de uitbreiding van het bedrijf woningen dienen te worden onteigend. Dat de wisselende eisen van een goede ruimtelijke ordening in casu niet kunnen worden ingeroepen door verweerder; Dat immers in een agrarisch gebied in de dichte nabijheid van bewoning bedrijven worden ingeplant, terwijl op een site aan de Sint-Jansstraat die kort geleden in gebruik was door zware nijverheid en die zich op een grote afstand van effectieve bewoning bevindt, heden de mogelijkheid om een bedrijf met gelijkaardige (cf. Grodevan) activiteiten in te planten wordt geweigerd; Dat verweerder overigens niet aangeeft wat er dan wel met de site aan de Sint-Jansstraat zou kunnen gebeuren; Dat verweerder bijgevolg het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Terwijl het zesde onderdeel: Dat verweerder de artikels 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 iuncto de overwegingen nr. 20 en 21 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen heeft geschonden; Dat de artikels 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 o.a. bepalen: De lidstaten nemen passende maatregelen ter bevordering van: (...)
- b)in de tweede plaats: X-13.494-23/33
- i)de nuttige toepassing van de afvalstoffen door recycling, hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen, of
- ii)het gebruik van afvalstoffen als energiebron (...) Artikel 3 De lidstaten nemen, wanneer dat noodzakelijk of dienstig blijkt te zijn in samenwerking met andere lidstaten, de nodige maatregelen om een geïntegreerd en toereikend net van verwijderingsinstallaties op te zetten, waarbij rekening wordt gehouden met de best beschikbare technologieën die geen overmatig hoge kosten veroorzaken. Met dit net moet de Gemeenschap als geheel zelfverzorgend op het gebied van afvalverwijdering kunnen worden en moeten de lidstaten afzonderlijk naar dit doel kunnen streven, waarbij rekening wordt gehouden met geografische omstandigheden of met de behoefte aan speciale installaties voor bepaalde soorten afval. (...) Artikel 5 Om de in de artikelen 3, 4 en 5 vermelde doelstellingen te verwezenlijken dienen de in artikel 6 bedoelde bevoegde instanties zo spoedig mogelijk een of meer plannen voor het beheer van afvalstoffen op te stellen. Deze plannen betreffen met name: (...)
- d)de locaties of installaties die geschikt zijn voor de verwijdering. (...) Dat het nabijheidsbeginsel zoals verwoord in de Richtlijn verder wordt uitgewerkt en geconcretiseerd in de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; Dat verweerder in casu nagelaten heeft om in de eerste bestreden beslissing rekening te houden met de geografische omstandigheden en met de speciale aard van het bedrijf van verzoekers en het soort van afval aldaar zal verwerkt worden: Dat verweerder er zich niet kon met vanaf maken om in zeer vage termen te stellen dat niet ‘voldoende’ (sic) werd onderzocht of het profiel van de site geschikt is voor hergebruik door het bedrijf Vulsteke onder meer wat milieuhinder en ruimtelijke draagkracht betreft’ en ‘de voorgestelde site de ‘beste locatie’ is (resic) voor een bedrijf dat gespecialiseerd is in containertransport en recyclage’, maar integendeel bij het nemen van haar beslissing concreet de passende maatregelen had moeten aanduiden die een nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk maakt wat iets totaal anders is dan in algemene en vage termen zich te onhouden van een goedkeuring; Dat zij hierbij oog had moeten hebben op het nabijheidsbeginsel en de best beschikbare technologien en deze in overweging had moeten nemen om toe te zien op hun concrete toepassing in onderhavig geval; Dat dit overduidelijk niet is gebeurd; Dat verweerder bijgevolg de bepalingen van de artikels 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 iuncto de overwegingen nr. 20 en 21 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen heeft geschonden”. X-13.494-24/33 Beoordeling 17. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in hun eerste middelonderdeel voorhouden, is de verwerende partij in het bestreden besluit niet uitgegaan van een bijkomende inname van agrarisch gebied of een uitbreiding van het BPA Kantonnier en de daarin aangegeven site van de voormalige olieslagerij Debeil. In het bestreden besluit wordt in dit verband overwogen “dat het voorliggende plan naast het hergebruik van de huidige site (gebouwen en verharding) ook mogelijkheden biedt voor een bijkomende inname van nog niet bebouwde ruimte” en “dat derhalve ook vanuit die optie niet zonder meer kan gesteld worden dat het om louter hergebruik van een bestaande bedrijfssite gaat maar wel van een bijkomende inname van nog niet bebouwde ruimte”. De mogelijke realisatie van bijkomende verhardingen en gebouwen in het plangebied ten opzichte van de bestaande toestand, blijkt op afdoende wijze uit de stukken van het administratief dossier. De door de verzoekende partijen aangevoerde omstandigheid dat de verwerende partij in haar advies van 21 december 2001 over het ontwerp van PRUP wel uitging van een bijkomende inname van agrarisch gebied is niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. Het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partijen dat bijkomende verhardingen en gebouwen “enkel het gevolg zijn van mogelijke (sic) een stedenbouwkundige vergunning al dan niet gepaard gaande met sloopvergunningen, welke tot stand kan komen op basis van de BPA De Kantonnier” en een dergelijke bouwvergunning hangende de procedure werd bekomen, mist pertinentie en is evenmin van aard het bestreden besluit te vitiëren. 18. De verzoekende partijen kunnen voorts niet worden bijgetreden, waar zij voorhouden dat de vaststelling in het bestreden besluit dat onvoldoende blijkt dat voldoende werd onderzocht of het profiel van de site geschikt is voor hergebruik door het bedrijf Vulsteke en of deze site de beste locatie is voor haar activiteiten, een stijlformule uitmaakt. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, diende de minister bij de onthouding van zijn goedkeuring aan het kwestieuze PRUP niet aan te tonen dat de site niet geschikt is voor de activiteiten die er gepland worden. De vaststelling dat er geen afdoende locatieonderzoek bij de opmaak van het plan is gebeurd, volstond, zeker nu, zoals hierna zal blijken, deze problematiek tijdens de vaststellingsprocedure meermaals ter sprake is gebracht. X-13.494-25/33 In het advies van de gewestelijk planologisch ambtenaar van 4 augustus 2006 wordt met betrekking tot het locatieonderzoek het volgende gesteld : “Indien het voorliggend plan louter de herlocalisatie van het bedrijf Vulsteke juridisch tracht vast te leggen, kan bovenstaande niet zonder meer gesteld worden en moet worden benadrukt dat het profiel voor het hergebruik onvoldoende is onderzocht. Voorliggend RUP moet in de eerste plaats aantonen dat de voorgestelde site de beste locatie is voor een bedrijf met hoofdzakelijk verwerking van afbraakmaterialen en grond als activiteit (activiteiten in functie van de bouwsector). Dergelijk locatieonderzoek moet rekening houden met de eisen van het bedrijf, de ruimtelijke context (nabijheid van het regionaalstedelijk gebied Roeselare) en de ruimtelijk economische visie op het specifiek economisch knooppunt. Dit betekent dat dit aspect niet los kan gezien worden van de beoordeling onder punt 3.1 (toetsing aan het PRS) en wordt, voor zover relevant, daar hernomen. (...) 3.1. (...) Rekening houdend met de opmerkingen gegeven in punt 2.1 betreffende de geschiktheid van de voorgestelde locatie in functie van de aard en schaal van de activiteit, is het essentieel dat de ruimtelijk economische visie verder wordt uitgewerkt zodat verduidelijkt wordt welk type economische activiteiten in het economisch knooppunt Staden kunnen worden ingeplant. Het is hierbij eveneens van belang om de relatie te leggen tussen de verschillende regionale bedrijven (en hergebruikte sites) in het economisch knooppunt. Zo is in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied het regionaal bedrijf Westfro (momenteel in procedure) gelegen. Noch uit voorliggend dossier, noch uit de ruimtelijk economische visie blijkt of de uitbreiding van Westfro in combinatie met de voorliggende herlocalisatie van Vulsteke een impact zal hebben op de N36 (impact naar mobiliteit en doorstroming) en op de omliggende woonomgeving”. In het advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed - Ruimtelijke Planning van 10 november 2006 wordt hierover bijkomend nog het volgende gesteld : “Verwijzend naar het advies van de gewestelijk planologisch ambtenaar naar aanleiding van de plenaire vergadering, kunnen we vaststellen dat het PRUP beperkt werd bijgesteld op volgende punten: - (...) - Ook is een beperkt onderzoek toegevoegd naar de geschiktheid van de site voor een bouwverwant bedrijf. Deze toegevoegde paragraaf geeft echter geen antwoord op de vraag naar geschiktheid van de aard van de activiteit op deze plaats (ontsluiting, inschatting van mogelijke hinder,...) en de manier waarop de herlocalisatie van dit bedrijf in het kader van de ruimtelijk-economische visie kan worden verantwoord (zie verder). Hierdoor blijven de opmerkingen geformuleerd naar aanleiding van de plenaire vergadering grotendeels gelden. Het is aangewezen om de toelichtingsnota en de stedenbouwkundige voorschriften grondig aan te passen op volgende aspecten: - (...) Rekening houdend met de opmerkingen betreffende de geschiktheid van de voorgestelde locatie in functie van de aard en schaal van de activiteit, is het essentieel dat de ruimtelijk economische X-13.494-26/33 visie verder wordt uitgewerkt zodat verduidelijkt wordt welk type economische activiteiten in het economisch knooppunt Staden kunnen worden ingeplant. Deze vraag is van belang aangezien uit het verslag van de plenaire vergadering blijkt dat de gemeente vragende partij is om op deze site eveneens lokale bedrijven onder te brengen. Het is hierbij eveneens van belang om de relatie te leggen tussen de verschillende regionale bedrijven (en hergebruikte sites) in het economisch knooppunt. Zo is in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied het regionaal bedrijf Westfro (PRUP reeds goedgekeurd) gelegen. Noch uit voorliggend dossier, noch uit de ruimtelijk economische visie blijkt of de uitbreiding van Westfro in combinatie met de voorliggende herlocalisatie van Vulsteke een impact zal hebben op de N36 (impact naar mobiliteit en doorstroming) en op de omliggende woonomgeving”. In het advies van de Procoro van 1 maart 2007 wordt gesteld dat de leegstaande site een opportuniteit is die zich vandaag voordoet en dat de vraag niet is of de site de beste locatie vormt voor een dergelijke bedrijf maar wel of de inplanting van een dergelijk bedrijf op deze site ruimtelijk aanvaardbaar is. In dit verband adviseert de Procoro om bijkomend te motiveren dat deze site geschikt is voor dergelijke activiteiten. Verder is de Procoro het eens met de opmerking aangaande de ontoereikende ruimtelijk-economische visie op Staden en adviseert ze om de ontbrekende visie-elementen in de memorie van toelichting aan te vullen. In de nota van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed - Ruimtelijke Planning van 10 juli 2007 wordt, na de weergave van de procedurestappen, aangaande deze punten het volgende gesteld: “Het definitieve bundel is naar aanleiding van het openbaar onderzoek beperkt gewijzigd in overeenstemming met het advies uitgebracht door de minister. Deze wijzigingen hadden tot gevolg dat: - (...) - anderzijds werd aan de toelichtingsnota een afweging (...) betreffende de ontwikkelingsperspectieven voor leegkomende sites van regionale bedrijven toegevoegd. Zo wordt de herlocalisatie van dit bedrijf in het kader van de ruimtelijk-economische visie door de provincie verantwoord. Hierin worden de voorwaarden voor het hergebruik van een leegstaande site echter hoofdzakelijk gekoppeld aan de ligging van het bedrijf en niet zozeer aan de aard van de activiteit. Deze toegevoegde paragraaf geeft echter geen antwoord op de vraag naar de geschiktheid van de aard van de activiteit op deze plaats (ontsluiting, inschatting van mogelijke hinder,...). Op de overige opmerkingen werd niet ingegaan door de provincie. Deze werden door de PROCORO beschouwd als onterecht. De PROCORO benadrukt dat ‘de leegstaande site een opportuniteit is die zich op vandaag voordoet. De vraag is niet of de site de beste locatie vormt voor dergelijke bedrijf’. Dit heeft tot gevolg dat de meeste opmerkingen die reeds in het kader van de plenaire vergadering en in het kader van het openbaar onderzoek (ministerieel besluit) werden geformuleerd, blijven gelden voor het definitieve plan. Meer bepaald werd op volgende fundamentele aspecten niet ingegaan: X-13.494-27/33
(1)(...) Er moet worden benadrukt dat het profiel voor het hergebruik (in functie van welk soort activiteit) onvoldoende is onderzocht. Voorliggend PRUP toont onvoldoende aan dat de voorgestelde site de beste locatie is voor een bedrijf dat gespecialiseerd is in containertransport (...) en recyclage van bouwafval. Dergelijk locatieonderzoek moet rekening houden met de eisen van het bedrijf, de ruimtelijke context (nabijheid van het regionaalstedelijk gebied Roeselare) en de ruimtelijk economische visie op het specifiek economisch knooppunt. Ondanks het aanvullen van deze ruimtelijk- economische visie, kan bovenstaande vraag niet beantwoord worden. (...) Uit voorliggende dossier en de verschillende binnengekomen bezwaarschriften van omwonenden blijkt dat de aard en dynamiek van het bedrijf echter zodanig is dat het bedrijf op de huidige site wellicht een overlast kan veroorzaken naar de omwonenden en dat op middellange termijn een bijkomende (aanzienlijke) uitbreiding voor het bedrijf noodzakelijk zal zijn om te kunnen blijven functioneren. Voorliggend dossier biedt met andere woorden geen antwoord op het ongunstige advies (en de hieraan gekoppelde voorwaarden) dat in het kader van het openbaar onderzoek op het dossier werd gegeven. De vraag moet opnieuw gesteld worden of deze site, rekening houdend met zijn beperkingen naar ligging en aard van de activiteiten (onder meer aangehaald in verschillende bezwaarschriften) de meest geschikte locatie is voor de inplanting van dergelijke dynamische activiteit. Het volledig goedkeuren van voorliggend plan met de hierin voorziene ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijf Vulsteke kan, gezien de aard en dynamiek van de activiteiten van het bedrijf, in dit kader niet worden verantwoord”.
- Gelet op het voorgaande heeft het bestreden besluit terecht haar goedkeuring aan het kwestieuze PRUP kunnen onthouden. Minstens tonen de verzoekende partijen het tegendeel niet aan. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
- Gelet op wat voorafgaat, tonen de verzoekende partijen evenmin een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met het redelijkheidsbeginsel aan. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
- De door de verzoekende partijen aangevoerde schending van het rechtszekerheidsbeginsel en continuïteitsbeginsel kan evenmin aangenomen worden. De omstandigheid dat de bestemmingsvoorschriften van het BPA “De Kantonnier” op de bedrijfssite reeds economische activiteiten toelieten en het bedrijf van de verzoekende partijen gebeurlijk minder hinder zal teweegbrengen dan de voormalige olieslagerij Debeil, volstaat daartoe niet. Het derde middelonderdeel is ongegrond. X-13.494-28/33
- In een vierde middelonderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het subsidiariteitsbeginsel “juncto” het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV). Zij betogen in dit verband, maar tonen geenszins op afdoende wijze aan, dat het bestreden besluit de in het richtinggevend gedeelte van het RSV vooropgestelde “vereiste van een maximale beleidszekerheid en beleidscontinuïteit bij de ontwikkeling van de economische activiteit” schendt. In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord de schending van het bindend gedeelte van het RSV aanvoeren, geven zij een nieuwe grondslag aan het middel en is het onontvankelijk. Het vierde middelonderdeel is ongegrond.
- Het gelijkheidsbeginsel is geschonden als in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk worden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het behoort aan de verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen. Het door de verzoekende partijen gevoerde betoog volstaat daartoe niet. Het vijfde middelonderdeel is ongegrond.
- In zoverre de verzoekende partijen in een zesde onderdeel de schending aanvoeren van de artikelen 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, juncto de overwegingen nr. 20 en 21 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, gaan zij er ten onrechte van uit dat de verwerende partij “bij het nemen van haar beslissing concreet de passende maatregelen had moeten aanduiden die een nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk maakt”. Zoals gesteld onder de randnummers 18 en 19, volstond de vaststelling dat er geen afdoende locatieonderzoek was gebeurd als weigeringsmotief. Prejudiciële vraag
- In hun laatste memorie vragen de verzoekende partijen nog de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen : “Is het verstaanbaar met de artikelen 3, 5 en 7 van de Richtlijn 2006/12/EG dat een nationale regeling bij het onthouden van een ruimtelijk ordeningsplan ter zake een bedrijf actief in het recycleren van afvalstoffen geen rekening X-13.494-29/33 houdt met de criteria van het nabijheidsbeginsel en de best beschikbare technologi(e)ën zoals terug te vinden in Richtlijn 2006/12/EG ?”.
- De verzoekende partijen waren in de mogelijkheid om in limine litis de Raad van State te verzoeken de in hun laatste memorie gestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen. De gesuggereerde vraag raakt de openbare orde niet, terwijl het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag, zeker wanneer die de openbare orde niet raakt, om proceseconomische redenen en omwille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, in limine litis moet worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit vermocht te doen, zodat het als dilatoir voorkomt dat een partij, wanneer zij op het einde van de procedure vaststelt, bijvoorbeeld na ontvangst van het auditoraatsverslag, dat zij op grond van een bepaalde wettekst, die van in den beginne in het geding betrokken was, het proces dreigt te verliezen, verzoekt de definitieve behandeling van de zaak nogmaals voor geruime tijd uit te stellen, middels het raadplegen van het Hof van Justitie over die bepaalde wettekst. Het verzoek tot het stellen van de in de laatste memorie geformuleerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie is om deze redenen onontvankelijk. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren in een tweede middel “machtsafwending” aan : “Doordat: Er in Ministerieel Besluit, dd. 31.08.2007 en het Ministerieel Besluit, dd. 21.12.2006 sprake is van machtsafwending Terwijl: Dat verweerder haar bevoegdheid overeenkomstig art. 46 DRO heeft gebruikt om een bepaald oogmerk te bereiken dat niet door het algemeen belang is ingegeven, maar door een streven naar een ander doel: Dat uit het dossier duidelijk naar voorkomt dat verweerder het algemeen belang heeft veronachtzaamd om particuliere belangen te dienen, Dat reeds op het ogenblik van de adviesgeving sprake was van machtsafwending; Dat het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 23.10.2006 tot 22.12.2006; Dat er 25 bezwaarschriften werden ingediend (waaronder één door verzoekers); Dat er een bezwaarschrift werd neergelegd door mevrouw Deraedt Carine, wonende te 8840 Staden, Kerkhofblommestraat 30; Dat mevr. Deraedt aangesteld is als Assistent surveyor, vastgoed bij Geomex BVBA, een X-13.494-30/33 expertise- en studiebureau met maatschappelijke zetel te Diksmuide en met een filiaal te 8840 Staden, Kapelleriestraat 3 (...); Dat verzoekers Geomex destijds hebben opgedragen om met het oog op de opmaak van een PRUP door de provincie West-Vlaanderen een studie te maken van de site en de mogelijke inpassing van het bedrijf van verzoekers hierin (...); Dat mevr. Deraedt bijgevolg als aangestelde via haar professionele werkgever kennis nam van het plan van verzoekers om hun bedrijf - deels - te verplaatsen naar Staden; Dat mevr. Deraedt alles in het werk heeft gesteld om het bedrijf van verzoekers in een negatief daglicht te stellen bij de bewoners van de gemeente Staden; Dat zij naar aanleiding van het openbaar onderzoek voorgedrukte formulieren heeft rondgedeeld waarop de bewoners in Staden hun bezwaren konden schrijven; Dat Uw Raad zal opmerken dat van de 25 bezwaarschriften maar liefst 16 bezwaarschriften werden overgemaakt op de voorgedrukte formulieren; Dat Geomex verzoekers heeft geholpen met de redactie van hun bezwaarschrift op het PRUP Vulsteke (...); Dat mevr. Deraedt als aangestelde de regels van rechtschapenheid, kiesheid en onafhankelijkheid heeft geschonden door enerzijds tegenover de klant de indruk te wekken alles in het werk te stellen om het PRUP Vulsteke te verwezenlijken en anderzijds het eigenbelang te laten primeren boven het belang van de klant door een bezwaarschrift in te dienen ‘tegen’ het PRUP Vulsteke, een bezwaarschrift dat zoals uit de bestreden beslissing blijkt, mede aanleiding heeft gegeven tot de totstandkoming van deze laatste; Dat verzoekers tevens aanwijzingen hebben dat mevrouw Deraedt, naar wiens bezwaarschrift wordt verwezen, contact heeft opgenomen met het Kabinet van Mininster Van Mechelen; Dat op 19.12.2006 een E-mail werd verzonden van het Departement Ruimtelijke Ordening (DRO) naar de kabinetsmedewerker van de heer de Minister D. Van Mechelen (...); Dat in deze mail een aangepast ministerieel besluit PRUP Vulsteke Staden werd doorgestuurd; Dat het dispositief van het aangepaste Ministerieel Besluit als volgt luidde: Enig artikel. Het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Vulsteke’ (Staden) wordt ondersteund wat het hergebruik van de verlaten site aan de Sint-Jansstraat betreft. Er wordt voorbehoud gemaakt bij de voorgestelde invulling van de site omwille van de aard en dynamiek van de activiteiten. Ontwerp Ministerieel Besluit, dd. 19.12.2006 (...) Dat er dus vooreerst sprake was van een ontwerp van advies dat voorwaardelijk gunstig was; Dat op 20.12.2006 wederom een E-mail werd verzonden van het Departement Ruimtelijke Ordening naar de kabinetsmedewerker van de heer de Minister D. Van Mechelen (...); Dat in deze E-mail staat te lezen: (...) Gelieve in bijlage het aangepaste mininsterieel (lees: ministerieel) besluit terug te vinden. Het PRUP wordt zoals telefonisch gevraagd ongunstig geadviseerd. (...) Ontwerp Ministerieel Besluit, dd. 19.12.2006 (...) Dat het ongunstig advies op 21.12.2006 wordt verzonden naar de provincie; Dat Uw Raad zal opmerken dat de overwegingen uit de ontwerpen, dd. 19.12.2006 en 20.12.2006 exact dezelfde zijn en dat enkel het dispositief verschillend is; X-13.494-31/33 Dat verweerder op één dag tijd zijn zienswijze heeft aangepast van een gunstige advisering met voorbehoud tot een ongunstige motivering zonder meer. Dat er klaarblijkelijk een kort telefonisch onderhoud werd gevoerd door een kabinetsmedewerker van Minister Van Mechelen met het DRO waarbij het desbetreffende advies zonder meer negatief diende te zijn, onafgezien van de daartoe noodzakelijke motiveringen; Dat het duidelijk moge wezen dat er reeds in de adviesronde, nl. in het Ministerieel Besluit van 21.12.2006, particuliere belangen primeerden op deze van algemeen belang; Dat het Ministerieel Besluit van 21.12.2006 de onontbeerlijke grondslag vormt voor het Ministerieel Besluit van 31.08.2007 en bijgevolg tesamen met deze laatste voor schorsing en vernietiging vatbaar is; Dat, zelfs al zou Uw Raad van oordeel zijn dat het Ministerieel Besluit van 21.12.2006 geen voor vernietiging vatbare handeling is, het desbetreffende M.B. van 21.12.2006 dermate doorwerkt in het M.B. van 31.08.2007, dat tevens dit laatste Ministerieel Besluit dient te worden geschorst en vernietigd op grond van machtsafwending; Dat ook in het Ministerieel Besluit, dd. 31.08.2007 voor het overgrote deel gelijkaardige motiveringen werden uitgewerkt, motiveringen die in de adviesronde in eerste ronde hadden geleid tot een ontwerp van gunstig advies, dat evenwel op één dag tijd - en dit zonder wijziging van de motiveringen - werd omgevormd tot een ongunstig advies; Dat ook hier een ongunstige uitkomst voor verzoekers uitkwam, nl. de onthouding van de goedkeuring aan het PRUP Vulsteke; Dat duidelijk moge wezen dat zowel de eerste als de tweede bestreden beslissingen een bepaald oogmerk trachten te bereiken dat niet door het algemeen belang is ingegeven, maar door een streven naar een ander doel”. Beoordeling
- Machtsafwending is de onwettigheid die er in bestaat dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die haar bij wet tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang is gegeven, uitsluitend aanwendt tot het nastreven van een andere doel. Het uitsluitend nastreven van het ongeoorloofde oogmerk dient te worden aangetoond met voldoende ernstige en overeenstemmende vermoedens. De verzoekende partijen tonen dit laatste niet aan.
- In zoverre het middel betrekking heeft op de tweede bestreden beslissing, is het onontvankelijk om de reden vermeld onder randnummer
- Het tweede middel moet verworpen worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-13.494-32/33
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.494-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.773 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.388 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.900 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div