← België

Arrest 204826 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.826 Rolnummer: A. 169594/X-12665 Zaak: Arrest 204826 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-13 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.826 van 7 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 204.826 van 7 juni 2010 in de zaak A. 169.594/X-12.

  1. In zake: André TIELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Houthuys kantoor houdend te 1500 HALLE Suikerkaai 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de gemeente HERNE Tussenkomende partij: Roel REIGEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelands en Laurent Proot kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 19 januari 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 22 november 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herne waarbij aan Roel REIGEL en Gerlinde DEVROEDE de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de aanleg van een terras en een autostaanplaats, het plaatsen van draadafsluiting met klimop en de regularisatie van een waterzuiveringsstation op een terrein gelegen te Herne, Schereweide 6, kadastraal bekend sectie K, nr. 406/x. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. X-12.665-1/9 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 mei
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari
  5. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jurgen Blijweert, die loco advocaat Jan Houthuys verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Robin Slabbinck, die loco advocaten Bert Roelands en Laurent Proot verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij besluit van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. De regelmatigheid van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft noch een memorie van antwoord, noch een administratief dossier neergelegd. Derhalve moeten de door de verzoeker aangehaalde feiten krachtens artikel 21, derde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, als bewezen worden geacht, tenzij deze kennelijk onjuist zijn. X-12.665-2/9 IV. Feiten 4.
  8. Op 28 oktober 2003 wordt door de verwerende partij aan de tussenkomende partij en zijn echtgenote een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het verbouwen van een bestaande ééngezinswoning, op een perceel gelegen te Herne, Schereweide 6, kadastraal bekend sectie K, nr. 406/x. Dit perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 4.
  9. Op 18 januari 2005 maakt de verwerende partij bekend dat door de tussenkomende partij en zijn echtgenote een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd ingediend voor de aanleg van een terras en een autostaanplaats op het voormelde perceel. Deze aanvraag wordt nadien ingetrokken, waarop de verwerende partij beslist geen besluit “voor dit dossier af te leveren”. 4.
  10. Op 23 augustus 2005 maakt de verwerende partij bekend dat door de tussenkomende partij en zijn echtgenote een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd ingediend voor de aanleg van een terras en een autostaanplaats, het plaatsen van een draadafsluiting met klimop en de regularisatie van een waterzuiveringsstation. 4.
  11. Op 13 september 2005 maakt de verwerende partij bekend dat door de tussenkomende partij en zijn echtgenote op 6 september 2005 een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd ingediend voor de aanleg van een terras en een autostaanplaats, het plaatsen van draadafsluiting met klimop en de regularisatie van een waterzuiveringsstation. 4.
  12. Op 6 oktober 2005 dient de verzoeker een bezwaarschrift in bij de verwerende partij met betrekking tot de laatst vermelde aanvraag. 4.
  13. Op 25 oktober 2005 behandelt de verwerende partij het ingediende bezwaar. 4.
  14. Op 22 november 2005 verleent de verwerende partij aan de tussenkomende partij en zijn echtgenote de voorwaardelijke stedenbouwkundige X-12.665-3/9 vergunning voor de aanleg van een terras en een autostaanplaats, het plaatsen van een draadafsluiting met klimop en de regularisatie van een waterzuiveringsstation op het reeds vermelde perceel. Dit is het bestreden besluit. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 5.
  15. De tussenkomende partij werpt in de “memorie tot tussenkomst” de volgende exceptie op : “III. EXCEPTIE VAN ONONTVANKELIJKHEID RATIONE PERSONAE - GEBREK AAN BELANG. Volgens de vaste rechtspraak van uw Raad moet de vernietiging van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij enig voordeel verschaffen (...). Indien de eventueel tussen te komen vernietiging voor de verzoekende partij geen nuttig gevolg oplevert, zal het beroep wegens een gebrek aan belang worden afgewezen (...). Welnu, in casu kan de verzoekende partij niet het vereiste belang doen gelden, nu de potentiële vernietiging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning hem geen rechtsreeks voordeel kan opleveren. Uit de historiek van het dossier en de middelen van het annulatieverzoek (...) blijkt immers duidelijk dat de verzoekende partij in essentie vreest voor wateroverlast - niettegenstaande deze vrees volledig uit de lucht is gegrepen, nu zijn perceel een stuk hoger ligt dan het perceel van de tussenkomende partij - wegens de vermeende ophogingen van het terrein, terwijl de bestreden beslissing enkel betrekking heeft op de aanleg van een terras en autostaanplaats, het plaatsen van een draadafsluiting met klimop en de regularisatie van een waterzuiveringsstation. Het staat buiten discussie dat deze zaken hoegenaamd geen uitstaans hebben met de vermeende wateroverlast. Evenmin kan de verzoekende partij enig ander voordeel halen uit de nietigverklaring van de bestreden vergunning. Noch de draadafsluiting met klimop - die hij zelfs voor akkoord heeft ondertekend - noch de kleine verharding (50 m²) voor de autostaanplaats, noch de door de gemeentelijke verordening dd. 6 september 2001 inzake de lozing van huishoudelijk afvalwater, verplichte aansluiting op de openbare riolering en de afkoppeling van hemelwater afkomstig van particuliere woningen verplicht gestelde waterzuiveringsinstallatie, kunnen hem immers enig ernstig nadeel verschaffen. Een eventuele vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning kan derhalve geen voordeel opleveren voor de verzoekende partij. Tekenend hierbij is dat de eerste stedenbouwkundige vergunning dd. 28 oktober 2003 voor de uitbreiding van de woning - die potentieel meer hinder had kunnen veroorzaken voor de verzoekende partij - niet werd aangevochten voor uw Raad. Het kan derhalve niet worden begrepen hoe de verzoekende partij enig voordeel zou kunnen halen uit het voeren van huidige annulatieprocedure. Bovendien mag worden opgemerkt dat de woning van de verzoekende partij zelf is bezwaard met een stedenbouwmisdrijf. In het vergunningenregister van de gemeente Herne staat met betrekking tot de eigendom van de verzoekende partij immers het volgende vermeld (...): X-12.665-4/9 ‘Ons kenmerk: 113/AB/900450/03-0.V. 1A.3 Er werd vastgesteld dat op het hierboven vermeld terrein (Scherenweide 4), de volgende werken, handelingen en/of wijzigingen worden uitgevoerd: het wijzigen van het reliëf van de bodem. Heden wordt bijgaande herstelvordering bij de Procureur des Konings ingeleid. Vordering: Herstel van de overtreding vanaf 10 m achter de achtergevel. De overgang naar het oorspronkelijke grondpeil dient te worden uitgevoerd met een helling 8/
  16. Deze helling is begrepen binnen de voormelde 10 m. (...) Deze wijziging werd uitgevoerd met onzuivere grond met stenen en stukken beton zeer schadelijk. (...) De ophoging heeft tevens een negatieve invloed op de waterhuishouding van de omliggende percelen. De uitgevoerde werken zijn planologisch-stedenbouwkundig onaanvaardbaar.’ Mocht de bestreden beslissing dan al enige impact kunnen hebben op de waterhuishouding van het perceel van de verzoekende partij - quod certe non - dan nog zou de verzoekende partij niet over een rechtmatig belang beschikken. De vordering is ontegensprekelijk onontvankelijk wegens gebrek aan belang”. Beoordeling 5.
  17. De verzoeker steunt zijn belang bij het beroep op het feit dat hij “de aanpalende buur-eigenaar is van het terrein voorwerp van de bestreden beslissing”. Daardoor alleen al doet hij in principe blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De argumentatie van de tussenkomende partij dat “de woning van de verzoekende partij zelf is bezwaard met een stedenbouwmisdrijf” doet aan dat belang geen afbreuk. 5.
  18. De bewering dat “noch de draadafsluiting met klimop (...) noch de kleine verharding (...) voor de autostaanplaats, noch de (...) waterzuiveringsinstallatie” aan de verzoeker “enig ernstig nadeel” kan verschaffen, vermag daar niets aan te veranderen. Het komt immers aan de verzoeker als aanpalende buur toe uit te maken of een stedenbouwkundige vergunning voor een aanpalend perceel hem al dan niet benadeelt. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen Uiteenzetting van het middel X-12.665-5/9 6.
  19. De verzoeker voert in het derde middel het volgende aan : “Derde middel, genomen uit de schending van de art. 43 §2, 6e lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22/10/1996 (B.S. 15/03/1997) en 145bis van het decreet betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening dd. 18/05/1999 (B.S. 08/06/1999, ed. 1), doordat de bestreden beslissing, zoals gedragen door het erin opgenomen beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar, een regularisatievergunning verleent van het gedeeltelijk bovengronds gelegen waterzuiveringsstation, terwijl een dergelijke nieuwe, tevoren niet bestaande constructie in de mate dat zij niet volledig ondergronds is - en in welk laatste geval zij niet vergunningsplichtig zou zijn ingevolge art. 3, 7e, van het besluit van de Vlaamse regering van 14/04/2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, B.S. 18/05/2000 - niet vergunbaar is, aangezien het gaat om een nieuwe constructie bij een gebouw dat gelegen is buiten de geëigende bestemmingszone en de vergunning voor deze regularisatie dan ook niet kon worden afgegeven. De bij de aanvraag gevoegde plannen duiden m.b.t. deze tanks aan dat het deksel 30 cm verlaagd wordt, maar dat een gedeelte van de installatie gezien vanaf het terrein van verzoeker nog bovengronds blijft, wat de plannen willen oplossen door dit bovengronds gedeelte uit te werken als bloembak. Een dergelijke nieuwe constructie kan niet vergund worden in het kader van art. 145bis DORO. Het middel is gegrond”. Beoordeling 6.
  20. Het perceel waarvoor de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning wordt verleend is volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in agrarisch gebied. Artikel 11, 4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bepaalt het volgende : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. X-12.665-6/9 6.
  21. De aanvraag voor de regularisatie van een waterzuiveringsstation voor een woning is, anders dan het bestreden besluit voorhoudt, niet in overeenstemming met de planologische bestemming van het betrokken perceel. 6.
  22. Artikel 145bis, § 1, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt : “§
  23. Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen of bestaande constructies. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : 1/ het verbouwen van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume; 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw of de constructie behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen : 3/ het herbouwen op een gewijzigde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume op voorwaarde dat het te slopen gebouw getroffen is door een rooilijn, of zich in een achteruitbouwzone bevindt en/of die verplaatsing is ingegeven door redenen van goede plaatselijke ordening, voorzover de eindtoestand na herbouwen een betere plaatselijke aanleg oplevert en zich richt naar de omgevende bebouwing en/of plaatselijk courante inplantingswijzen; de redenen van goede plaatselijke ordening moeten minstens die betere integratie in de al dan niet bebouwde omgeving impliceren, alsmede een betere terreinbezetting en een kwalitatief concept; de naleving van deze voorwaarden moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de site; 4/ het uitbreiden van een bestaand gebouw, niet zijnde woningbouw, met een gebouw of een vaste inrichting, op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijke gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd na advies van de bevoegde administratie naar aanleiding van een vergunning verleend in het kader van dat decreet, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven in het kader van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en X-12.665-7/9 plantaardige producten schadelijke organismen, in het kader van de wet van 24 maart 1987 betreffende de dierengezondheid, of in het kader van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; 5/ aanpassingswerken aan of bij een gebouw bedoeld in 4/, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid; 6/ het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 1.000 m³; deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden”. 6.
  24. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat voor de regularisatie van een waterzuiveringsstation een vergunning kon worden verleend met toepassing van artikel 145bis, § 1, eerste lid DRO. Uit niets blijkt dat de aanleg van een waterzuiveringsstation, zoals vergund door het bestreden besluit, één van de gevallen betreft zoals omschreven in het voormelde artikel 145bis DRO. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partij voorhoudt, doet het bestaan van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van 6 september 2001 inzake de lozing van huishoudelijk afvalwater, de verplichte aansluiting op de openbare riolering en de afkoppeling van hemelwater afkomstig van particuliere woningen, geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling. 6.
  25. Evenmin kan de tussenkomende partij worden gevolgd waar zij stelt dat de aanleg van de thans vergunde waterzuiveringsinstallatie “vrijgesteld (is) van een stedenbouwkundige vergunningsplicht” overeenkomstig artikel 3, 7/ van het besluit van 14 april 2000 van de Vlaamse regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Luidens deze bepaling is geen stedenbouwkundige vergunning nodig voor de plaatsing van “een ondergrondse waterzuiveringsinstallatie”. Er dient te worden vastgesteld dat de thans vergunde waterzuiveringsinstallatie minstens gedeeltelijk bovengronds gelegen is. De tussenkomende partij erkent dit in de laatste memorie zelf waar zij stelt dat er een “drietal buizen een twintigtal centimeter (...) boven het grondoppervlak (uitsteken)” en dat dit “technisch noodzakelijk” is. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van vaststelling van 5 april 2005 dat de deksels “minstens ongeveer 40 centimeter boven het op deze hoogte gelegen niveau van het aanpalende rechterperceel (...) uitsteken”. De aanleg van deze waterzuiveringsinstallatie kan evenmin beschouwd worden als “de plaatsing in de onmiddellijke omgeving van een vergund woongebouw van zaken die tot de X-12.665-8/9 normale tuinuitrusting behoren”, zoals bedoeld in artikel 3, 11/ van het voormelde besluit. Het middel is gegrond. BESLISSING
  26. De Raad van State vernietigt het besluit van 22 november 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herne waarbij aan Roel REIGEL en Gerlinde DEVROEDE de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de aanleg van een terras en een autostaanplaats, het plaatsen van draadafsluiting met klimop en de regularisatie van een waterzuiveringsstation op een terrein gelegen te Herne, Schereweide 6, kadastraal bekend sectie K, nr. 406/x.
  27. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier, De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.665-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.