id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.832 Rolnummer: A. 183036/IX-5639 Zaak: Arrest 204832 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.832 van 7 juni 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.832 van 7 juni 2010 in de zaak A. 183.036/IX-5639 In zake: Remi ZEEUWS wonend te Huldenberg Nijvelsebaan 31 A tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geoffroy Generet kantoor houdend te BRUSSEL Terkamerenlaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 februari 2007 houdende een overgangsregeling betreffende het stageverloop bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel en de eruit blijkende weigeringsbeslissing om verzoeker te benoemen bij het IWOIB” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei
- IX-5639-1/10 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, en advocaat Pierre Vandueren, die loco advocaat Geoffroy Generet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is attaché bij het bestuur Economie en Werkgelegen- heid van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
- Op 2 mei 2001 wordt aan de verzoeker ter kennis gebracht dat er verscheidene betrekkingen van eerste attaché (rang A2) vacant zijn bij het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Eén van deze betrekkingen is te begeven bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegen- heid. Onder meer de verzoeker stelt zich kandidaat voor die betrekking. Bij besluit van 21 december 2001 benoemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering Philippe Dehaut tot eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij de genoemde directie met ingang van 21 december
- Op 11 februari 2002 stelt de verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen onder meer het voormelde benoemingsbesluit. Bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigt de Raad van State onder meer het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij Philippe Dehaut wordt benoemd tot eerste attaché. Ook de overheveling van Philippe Dehaut naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel (hierna: het IWOIB) vanaf 24 juni 2004, tussengekomen na het instellen van het beroep van de verzoeker, wordt bij het voormelde arrest vernietigd. IX-5639-2/10 Ingevolge dit vernietigingsarrest zijn bij het IWOIB geen betrekkingen van de rang A2 ingevuld. De tewerkstelling van een directeur-generaal en een adjunct-directeur-generaal is evenmin gerealiseerd. 3.
- Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bepaalt onder meer dat de stage verloopt onder de leiding van een ambtenaar van minstens de rang A2 (artikel 37). Teneinde mogelijk te maken dat ook bij het IWOIB personen worden toegelaten tot de stage en worden begeleid, beoogt de Brusselse Hoofdstede- lijke Regering af te wijken van de voormelde statutaire regeling. Daartoe neemt zij op 8 februari 2007 het besluit houdende een overgangsregeling betreffende het stageverloop bij het IWOIB. Dit besluit voorziet onder meer in de mogelijkheid voor de functioneel bevoegde minister om, met het akkoord van de minister van Openbaar Ambt, voor de leiding van de stage bij het IWOIB ambtenaren van ten minste de rang A2 aan te wijzen die afhangen van het ministerie of van de instellingen die vermeld zijn in artikel 2 van het voormelde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 (artikel 1). De overgangsregeling heeft uitwerking vanaf 1 augustus 2006 (artikel 8). Ze houdt op van toepassing te zijn zodra bij het IWOIB de betrekkingen van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal en één van de betrekkingen van ten minste de rang A2 in elke taalrol gelijktijdig zijn ingenomen (artikel 7). Dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 februari 2007 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart
- Dit is het bestreden besluit. De verzoeker onderkent hierin de “weigeringsbeslissing” om hem bij het IWOIB te benoemen, die hij mede tot voorwerp van zijn beroep maakt. IX-5639-3/10 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- In zijn verzoekschrift tot nietigverklaring voert de verzoeker ter verantwoording van zijn belang bij het beroep aan dat hij ingevolge het bestreden besluit zijn kandidatuur voor de bevordering tot directeur (rang A3) bij het IWOIB niet kan indienen. Hij betoogt dat een correcte uitvoering van het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State waarbij de benoeming van Philippe Dehaut tot eerste attaché werd vernietigd, en van het nog uit te spreken arrest tot vernieti- ging van de “impliciete retroactieve herbevordering” van Philippe Dehaut bij besluit van 28 september 2006 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (zaak A. 179.836/V-1730), de verwerende partij ertoe verplicht verzoekers kandidatuur voor de functie van eerste attaché, expert van hoog niveau, opnieuw te onderzoeken. De verzoeker stelt dat, indien hij wordt benoemd, hij van rechtswege naar het IWOIB zal worden overgeheveld in een functie van ten minste de rang A
- Hij wijst er voorts op dat hij tevens bij de Raad van State de nietigverklaring vordert van de aanwerving van Paul Van Snick als eerste attaché (rang A2) voor een expertbetrekking van secretaris van de Raad voor het Weten- schapsbeleid (zaak A. 128.228/IX-3532) en van diens overheveling naar het IWOIB (zaak A. 156.612/IX-4681). De vernietiging van deze beslissingen zal volgens de verzoeker leiden tot zijn aanstelling als secretaris van de Raad voor het Weten- schapsbeleid en zijn overheveling naar het IWOIB in een functie van ten minste de rang A
- De verzoeker laat gelden dat ingevolge het bestreden besluit personen die niet tot het IWOIB behoren, ervaring binnen deze instelling kunnen opdoen, hetzij als stageleider, hetzij als stagiair, terwijl die ervaring ook nuttig zou kunnen zijn voor verzoekers carrière. Door een vernietiging van het bestreden besluit, zo stelt de verzoeker, zou de ervaring die anderen opdoen niet in aanmerking kunnen worden genomen bij het vergelijken van hun kandidatuur met die van de verzoeker.
- De verwerende partij antwoordt dat de door de verzoeker ingeroepen elementen zijn belang bij het beroep niet kunnen rechtvaardigen. IX-5639-4/10 Zij merkt op dat de omstandigheid dat de verzoeker zijn kandidatuur voor de betrekking van directeur bij het IWOIB niet kan stellen, niet voortvloeit uit het bestreden besluit, maar uit het feit dat de verzoeker niet tot het IWOIB behoort en zelfs niet benoemd is in een graad van de rang A2, zodat een eventuele vernietiging van dat besluit niet ertoe kan leiden dat de verzoeker wél zijn kandidatuur zou kunnen stellen. Zij zet voorts uiteen dat het door de verzoeker aangevoerde nadeel kan voortvloeien uit het achterwege blijven van zijn benoeming in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij de directie Onderzoek en Innovatie, of in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij de Raad voor het Wetenschapsbeleid, voor zover hij dan naar het IWOIB zou worden overgeplaatst. Volgens de verwerende partij zijn beide door de verzoeker geambieerde benoemingen evenwel slechts “aleatoir”, zelfs indien in de door de verzoeker aangespannen procedures tot vernietiging van de bestreden benoemings- beslissingen zou worden besloten. De verzoeker heeft immers geen verworven recht op een benoeming. Volgens de verwerende partij is het niet duidelijk hoe de verzoeker in concurrentie zou kunnen komen met personen die ingevolge het bestreden besluit ervaring bij het IWOIB hebben kunnen opdoen. Het kan niet gaan om de personen met wie hij zou concurreren bij een eventuele nieuwe benoemings- procedure tot eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), aangezien deze per definitie niet de vereiste rang A2 hebben, die volgens het bestreden besluit nodig is om bij het IWOIB de leiding van de stage te verzekeren. Het kan evenmin gaan om de begunstigden van de benoemingen in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij de directie Onderzoek en Innovatie of bij de Raad voor het Wetenschapsbeleid, wier benoeming door de verzoeker met andere beroepen wordt bestreden, want ofwel wordt hun benoeming door de Raad van State wettig bevonden, waardoor zij niet meer in concurrentie met de verzoeker komen, ofwel wordt hun benoeming onwettig bevonden en mag de ervaring die zij op grond van hun onwettige benoeming hebben verworven niet meer in aanmerking worden genomen. Volgens de verwerende partij zou de verzoeker slechts tegen het bestreden besluit kunnen opkomen, indien hij, benoemd zijnde in de rang A2, voor een benoeming tot de graad van directeur (rang A3) in concurrentie zou komen met andere kandidaten van de rang A2 van buiten het IWOIB die werden aangesteld in IX-5639-5/10 de hoedanigheid van stageleider. Maar ook die mogelijke situatie verleent de verzoeker geen rechtstreeks en zeker belang bij zijn beroep. Hij zou dan immers eerst nog in de rang A2 moeten worden benoemd en voorts zouden er kandidaatstel- lingen moeten zijn van personen van de rang A2 van buiten het IWOIB die tijdelijk werden aangesteld als stageleider bij het IWOIB, hetgeen allemaal onzeker is. De verwerende partij besluit dat de verzoeker niet beschikt over het rechtens vereiste persoonlijk, zeker en rechtstreeks belang bij zijn beroep.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State de betrokken partijen terug in de toestand heeft geplaatst zoals deze bestond op 21 november 2001, waardoor de kandidatuur van de verzoeker voor de functie van eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), opnieuw volledig actief is. Bijgevolg had de verwerende partij op 28 september 2006 de verzoeker kunnen bevorderen bij de directie Onderzoek en Innovatie om hem vervolgens van rechtswege over te hevelen naar het IWOIB. Daardoor zou het IWOIB over een eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), hebben beschikt. Volgens de verzoeker gaat de verwerende partij hieraan voorbij en geeft zij in haar memorie van antwoord zelfs aan dat zij hem niet zal bevorderen. De verzoeker vervolgt dat hij er belang bij heeft de motivering te vernemen van de beslissingen, genomen in uitvoering van het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State. Hij stelt dat hem nooit werd meegedeeld waarom de procedure na dat arrest niet werd hernomen. Het is volgens de verzoeker slechts omdat de verwerende partij de benoemingsprocedure niet heeft hernomen dat zij een motief voor het thans bestreden besluit kan aanvoeren. De verzoeker stelt dat hij niet kan uitmaken of de weigering van de verwerende partij om de procedure te hernemen, expliciet of impliciet is. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij in uitvoering van het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State twee besluiten bekendgemaakt: enerzijds “de bevestiging van het vernietigingsarrest”, die het voorwerp uitmaakt van verzoekers beroep in de zaak A.179.836/V-1730, en anderzijds het thans bestreden besluit. Indien dit de enige mogelijke uitvoering van het genoemde arrest nr. 160.268 zou zijn, waarbij de verzoeker geen recht op een benoeming zou kunnen laten gelden, dan had de Raad van State destijds beter de IX-5639-6/10 onontvankelijkheid van zijn beroep vastgesteld om reden dat hij toch geen voordeel zou kunnen halen uit een vernietigingsarrest. De verzoeker stelt voorts dat hij ook in 2002 en in 2006 niet beschikte over een recht op benoeming, maar wel over een kans dat de rechtsplicht om de zaak over te doen, die op de overheid rust, ertoe zou leiden dat hij alsnog wordt bevorderd. Hij meent er belang bij te hebben dat hij die kans krijgt of dat hij minstens kan vernemen waarom hij die kans niet krijgt. Ter staving van zijn standpunt verwijst de verzoeker naar rechtspraak van de Raad van State volgens dewelke de uitdrukkelijke nietigverklaring van de impliciete weigeringsbeslissing om een verzoekende partij te benoemen, de overheid ertoe verplicht zich opnieuw uit te spreken over de aan die partij geweigerde benoeming. De verzoeker besluit dat hij er belang bij heeft dat de uit het bestreden besluit blijkende weigering om hem een kans te gunnen op bevordering, wordt vernietigd. Een uitdrukkelijke vernietiging van de weigering om de bevorderingsprocedure te hernemen, zou, aldus de verzoeker, zijn kans op rechtsherstel aanzienlijk verhogen.
- In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden dat het bestreden besluit reglementair van aard is en een ongunstige invloed heeft op zijn rechtssituatie. Hij stelt vooreerst dat het bestreden besluit werd genomen om het effect van het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State te temperen, waardoor hij vier jaar na dat arrest nog steeds geen rechtsherstel heeft verkregen. Hij beklemtoont dat hij belang heeft bij een correcte uitvoering van het genoemde arrest. Voorts betoogt hij nog dat ingevolge het bestreden besluit ambtenaren kunnen worden benoemd in de graad A1 en dat hij door het “uitschake- len van [deze] onregelmatig benoemde [...] concurrenten”, zijn kansen vergroot om zelf tot de rang A2 te worden bevorderd. Bovendien moet volgens de verzoeker voor ogen worden gehouden dat deze “onreglementair benoemden” na negen jaar kunnen worden bevorderd tot directeur (rang A3) en derhalve nog vóór verzoekers pensionering met hem in concurrentie kunnen komen voor een dergelijke bevordering. Hij wijst tevens op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 oktober 2002 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waardoor de concurrentie kan IX-5639-7/10 ontstaan bij een benoemings- of bevorderingsmogelijkheid in de rangen A2 of A3 in alle instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Beoordeling
- Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang dat aldus van de verzoekende partij wordt vereist, houdt onder meer in dat deze partij ingevolge de bestreden akte of het bestreden reglement een rechtstreeks, persoonlijk en zeker nadeel moet lijden, waaraan de vernietiging van die akte of dat reglement kan verhelpen. Het rechtstreekse karakter van het belang houdt in dat een direct causaal verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en het nadeel dat de verzoekende partij lijdt. Er is voorts slechts sprake van een persoonlijk belang wanneer een voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen de verzoekende partij en de bestreden beslissing. Wanneer de bestreden beslissing een reglementair besluit betreft, volstaat het dat het besluit op de verzoekende partij kan worden toegepast en haar situatie in ongunstige zin kan beïnvloeden. Het belang van de verzoekende partij mag ten slotte niet louter hypothetisch zijn, maar moet voldoende zeker zijn.
- De verzoeker lijkt zijn belang bij het beroep vooreerst te steunen op het argument dat de verwerende partij met het bestreden besluit geen correcte uitvoering geeft aan het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State, waarbij de benoeming van Philippe Dehaut tot eerste attaché bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid en diens overheveling naar het IWOIB werden vernietigd. Het bestreden besluit zou de weigering inhouden om de verzoeker bij het IWOIB te benoemen. Dit argument mist evenwel feitelijke grondslag. Het bestreden besluit doet immers niet meer dan een overgangsregeling vaststellen voor het verloop van de stage bij het IWOIB. Het voorziet onder meer in de mogelijkheid voor de functioneel bevoegde minister om, met het akkoord van de minister van Openbaar Ambt, voor de leiding van de stage bij het IWOIB ambtenaren van ten IX-5639-8/10 minste de rang A2 aan te wijzen die afhangen van het ministerie of van de instellingen die vermeld zijn in artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De verwerende partij beoogt met deze overgangsregeling weliswaar tegemoet te komen aan de feitelijke situatie, die mede ingevolge de vernietiging van de benoeming van Philippe Dehaut tot eerste attaché (rang A2) bij het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State, bij het IWOIB is ontstaan, en die erin bestaat dat bij dit instituut geen ambtenaren van de rang A2 aanwezig zijn die overeenkomstig artikel 37 van het genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering kunnen instaan voor de leiding van de stage. Deze overgangsregeling houdt evenwel in geen enkel opzicht een beslissing in over het rechtsherstel dat na het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State aan de verzoeker moet worden verleend. Ze houdt, in tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, allerminst een weigering in om hem na dat vernietigingsarrest tot eerste attaché expert van hoog niveau te benoemen.
- Voorts lijkt de verzoeker ter staving van zijn belang bij het beroep te laten gelden dat hij ingevolge het bestreden besluit voor een bevordering in een graad van de rang A2 en vervolgens in de graad van directeur (rang A3) bij het IWOIB, bij het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of bij enige andere instelling van dit gewest, de concurrentie zal moeten ondergaan van de personeelsleden van de rang A1 die ingevolge de overgangsregeling een stage hebben kunnen volbrengen bij het IWOIB. Voor een bevordering tot directeur (rang A3) zouden de personeelsleden van de rang A2 van buiten het IWOIB die met toepassing van het bestreden besluit belast zijn geweest met de leiding van de stage, dan weer een concurrentieel voordeel hebben verworven in vergelijking met de verzoeker. De Raad van State kan te dezen slechts vaststellen dat deze redenering van de verzoeker louter gesteund is op hypotheses. Zo moet vooreerst de verwerende partij worden bijgevallen dat de verzoeker thans niet bij het IWOIB werkzaam is en geen recht kan laten gelden op een benoeming bij dit instituut, ook niet ingevolge het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State waarbij de benoeming van Philippe Dehaut tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie en diens overheveling naar het IWOIB werden vernietigd, en evenmin ingevolge het arrest nr. 196.015 van 14 september 2009 van IX-5639-9/10 de Raad van State waarbij de aanstelling van Paul van Snick als secretaris van de Raad voor het Wetenschapsbeleid en diens overheveling naar het IWOIB werden vernietigd. Voorts is ook de toekomstige concurrentie van andere personeelsleden, hetzij voor een bevordering tot een graad van de rang A2, hetzij voor een bevordering tot directeur (rang A3), bij het IWOIB, bij het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of bij een andere instelling van dit gewest, volkomen onzeker. Een dergelijk louter hypothetisch belang, dat bovendien niet rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden besluit maar uit nog te nemen beslissingen zowel van de kant van het bestuur als van de kant van de betrokken personeelsleden, kan niet in aanmerking worden genomen.
- Derhalve moet worden besloten dat de verzoeker niet over het rechtens vereiste belang bij zijn beroep beschikt, zodat dit beroep niet ontvankelijk is. BESLISSING
- Het beroep wordt verworpen.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietig- verklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5639-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.832 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.