id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.844 Rolnummer: A. 188225/IX-5920 Zaak: Arrest 204844 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.844 van 7 juni 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.844 van 7 juni 2010 in de zaak A. 188.225/IX-5920 In zake : Walter DEMOERLOOSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Piet Van Eeckhaut en Laurens Van Puyenbroeck kantoor houdend te Gent Recolettenlei 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VAST COMITÉ VAN TOEZICHT OP DE POLITIEDIENSTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kaat Leus en Wendy Depester kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 mei 2008, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van de plenaire vergadering van het Vast Comité P van 17 maart 2008, houdende de afzetting van Walter Demoerloose. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
- IX-5920-1/11 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Laurens Puyenbroeck, die in eigen naam en loco advocaat Piet Van Eeckhaut verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Wendy Depester, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het Vast Comité P bestaat uit het Vast Comité zelf, bestaande uit vijf “raadsheren”, een administratie met aan het hoofd een griffier, en de Dienst Enquêtes P (DE), met aan het hoofd een directeur-generaal, twee adjunct-directeurs- generaal en de leden “commissaris-auditor” (CA) genaamd. De verzoeker is, overeenkomstig artikel 20 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politiediensten, in 1994 gedetacheerd naar de Dienst Enquêtes P, waar hij het ambt van commissaris-auditor bekleedt. Deze detachering werd twee maal hernieuwd, respectievelijk op 13 december 1999 en 19 oktober
- 3.
- Naar aanleiding van een televisie-interview afgelegd door een lid van het Vast Comité stuurt de verzoeker op 26 februari 2008 een e-mail naar een vriend bij de vroegere rijkswacht waarin hij zich kritisch uitlaat over dit interview. 3.
- Op 9 maart 2008 stuurt de verzoeker een e-mail naar een ander raadsheer in het comité P, waarin hij zich kritisch uitlaat over diens opmerkingen betreffende de opleiding van politieambtenaren. 3.
- Ingevolge deze mail worden er nog een aantal mails uitgewisseld tussen de betrokken raadsheer en de verzoeker. 3.
- Op 17 maart 2008 vraagt de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes aan de verzoeker om de bevestiging dat de verzoeker de twee bovenver- IX-5920-2/11 melde mails verstuurd heeft. De verzoeker bevestigt dat de mails van hem afkomstig zijn. Op de vraag van de directeur-generaal waarom de verzoeker de mails gestuurd heeft antwoordt hij “dat dit [...] voldoende uit de mails blijkt”. 3.
- Dezelfde dag overhandigt de directeur-generaal aan de verzoeker het voorstel tot afzetting zoals bepaald in artikel 20, eerste lid, van de wet van 18 juli
- De verzoeker ondertekent dit voorstel voor ontvangst. 3.
- Nog dezelfde dag komt de plenaire vergadering van het Vast Comité bijeen om een beslissing te nemen over het voorstel tot afzetting. Het proces-verbaal van deze plenaire vergadering luidt als volgt: “[...] Overwegende dat de heer DEMOERLOOSE zijn verklaring, afgelegd aan de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P van heden, bevestigt. Dat hij stelt dat hij het mailbericht van 26 februari naar de syndicale organisatie VSOA heeft gestuurd, meer bepaald naar de heren Marc Claerbout en Frans Maes, die twee kennissen zijn van de vroegere ex-rijkswacht. Dat hij verklaart zelf geen lid te zijn van die vakbond. Op de vraag van de Voorzitter of hij aan zijn verklaring nog iets toe te voegen heeft antwoordt betrokkene dat hij zich vragen stelt over het kader waarin hij wordt gehoord. Dat hem zowel door de directeur- generaal van de Dienst Enquêtes P als naderhand door raadsheer Peeters wordt herinnerd aan het feit dat hij zich een procedure bevindt houdende een voorstel tot afzetting zoals geformuleerd door de directeur-generaal. Dat hij daarop geen verder commentaar meer heeft en er derhalve geen enkele twijfel kan bestaan over de aard van de gevolgde administratieve procedure. Overwegende dat het Vast Comité P tot het besluit komt dat de voordracht van de heer directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P moet worden gevolgd, gezien enerzijds de inhoud van de door de heer DEMOERLOOSE verzonden mails en de standpunten die hij daarin verkondigt en anderzijds de inhoud van het administratief verslag. Dat CA DEMOERLOOSE erkent deze mails te hebben verstuurd en erkent dat de daarin verwoorde standpunten de zijne zijn. Dat immers de inhoud van deze stukken duidelijk maakt dat betrokkene deontologisch zwaar over de schreef is gegaan en hem misschien zelfs strafrechtelijke feiten zouden kunnen ten laste gelegd worden. Dat dit laatste op zich echter niet doorslaggevend is, maar, los van de vraag naar het al dan niet bestaan van strafbare feiten, moet vastgesteld worden dat de heer DEMOER- LOOSE zich op een onwaardige en volstrekt onbetrouwbare en onaanvaardbare manier heeft gedragen. Overwegende dat enerzijds CA DE MOERLOOSE enkele regelrechte aanvallen intuïtu personae lanceert tegen drie leden van het Vast Comité P en daarmee ook tegen het Comité P als instelling en dit naar derden die niet behoren tot de instelling. Dat hij daarbij raadsheer SCHUERMANS verwijt een analyse te hebben gemaakt betreffende de veroordelingen uitgesproken tegen politieambtenaren waarmee hij ‘hoegenaamd niet akkoord kan gaan’. Dat hij vervolgens voormeld lid van het Comité P verwijt ‘geen voeling te hebben met IX-5920-3/11 de praktijk’ en dus openlijk (en extern het Comité P) zijn professionele kennis en kunde betwijfelt. Dat hij op die manier het functioneren van dit lid en derhalve van het Comité P bijzonder bemoeilijkt. Dat hij dit lid ook verwijt ‘een haat’ te hebben ontwikkeld tegen politieambtenaren, alsmede dat dit lid ook zou hebben beweerd dat politieambtenaren ‘te veel verdienen’ (nogmaals in zijn e- mail van 9 maart 2008). Dat CA DEMOERLOOSE niet enkel deze beweringen op geen enkele wijze staaft of kan staven maar bovendien op volstrekt deloyale wijze uit de bocht gaat. Dat hij vervolgens de aanval lanceert op raadsheer BOURDOUX door deze te beschimpen en als ‘alcoholverslaafde kolonel bij de vroegere rijkswacht’ te betitelen, waartoe de betrokken CA al evenmin enig bewijs voortbrengt, nog daar gelaten de volstrekt deloyale, grove en beledigen- de aard van zijn bewering. Dat hij tot slot ook raadsheer PEETERS in zijn e- mail van 9 maart 2008 verwijt de politiemensen voor ‘dommeriken’ te hebben versleten, bewering die al evenmin enige grond heeft. Dat CA DEMOER- LOOSE het zelfs zo ver drijft te stellen dat de houding van de leden van het Comité de ‘dienst bemoeilijkt’ in het werk. Dat hij daardoor de indruk geeft dat de leden van het Comité P ondergeschikt zijn aan CA DEMOERLOOSE. Dat hij daardoor, zoals ook terecht gesteld door de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P, de normale hiërarchische lijn doorbreekt. Dat evident geen enkele leidinggevende instantie, wat zowel de directeur- generaal van de Dienst Enquêtes P, als de leden van het Comité in deze zijn, dit soort van gedrag kan aanvaarden van een ondergeschikte. Overwegende anderzijds dat de passages in verband met de zienswijze omtrent zijn taak in de Dienst Enquêtes P, de manier en de woordelijke uitdrukkingen die hij daartoe gebruikt, verbazend zijn en eigenlijk zelfs angstaanjagend kunnen worden genoemd. Dat hij het bijvoorbeeld heeft over ‘het vrij krijgen van politiemensen’ en over ‘vooringenomenheid van leidinggevende onderzoeksrechter’ of ‘impulsieve beslissingen van de procureur’ en dat hij ‘geen flikkenpakker’ is. Dat hij daarmee te kennen geeft gedurende jaren een vorm van ‘politiesepot’ te hebben toegepast teneinde de geviseerde politieambtenaar te ‘behoeden’ voor vooringenomen onderzoeks- rechters en impulsieve procureurs. Dat betrokkene zich derhalve blijkbaar gedurende zijn 14 jaar durende loopbaan bij de Dienst Enquêtes P bevoegdhe- den heeft aangematigd die de zijne niet zijn en zich als het ware opwerpt als de ultieme verdediger van de (over de schreef gaande) politieambtenaar. Dat het bovendien niet onwaarschijnlijk lijkt, gezien de teneur van zijn mails, dat hij deze opvattingen over de jaren heen niet alleen links en rechts (mondeling en/of schriftelijk) heeft geventileerd, maar ook heeft toegepast, zonder zijn hiërarchie daarin te kennen, laat staan het akkoord te solliciteren. Dat het ontluisterend is te moeten vaststellen dat dit blijkbaar zijn handelswijze (om niet te zeggen ‘handelsmerk’) blijkt te zijn geweest gedurende de jaren dat hij enquêteur is geweest van de externe, onafhankelijke en neutrale parlementaire controledienst die het Vast Comité P is en steeds moet zijn. Dat dit laatste aspect in zijnen hoofde immers een bijzondere en bijkomende verantwoordelijkheid plaatst met betrekking tot integriteit, loyaliteit en betrouwbaarheid. Dat het Comité zich bijkomend zeer legitieme vragen vermag te stellen omtrent de manier waarop hij, met een dergelijke aanpak en mentaliteit, in het verleden de onderzoeken gevoerd heeft die hem werden toevertrouwd. Dat het Comité P dan ook vaststelt dat er in zijnen hoofde geen enkele vorm van betrouwbaarheid noch professionele ethiek aanwezig is. Gezien derhalve het feit dat: IX-5920-4/11 - de materialiteit van de feiten vaststaat en overigens niet betwist worden door betrokkene; - de feiten zeer ernstig zijn; - er derhalve een schending is van de discretieplicht, de loyaliteitsplicht en het vertrouwen ten aanzien van het Vast Comité P zoals vastgelegd in art. 20, 5e lid van de wet van 18 juli 1991 en in de artikelen 27 en 32, 2e lid van het Statuut van de directeur-generaal en van de leden van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten (B.S., 28.02.2007); - er dienvolgens een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk is tussen het Vast Comité P en commissaris-auditor Walter DEMOER- LOOSE en deze laatste niet meer voldoet aan de voorwaarden zoals vastgelegd in artikel 20, 5e lid van de wet van 18 juli
- OM DEZE REDENEN, Het Vast Comité P, gezien de voordracht dd. 17 maart 2008 van de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P, ter kennis gebracht aan betrokkene op heden; overnemende de beweegreden van de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P in diens voorstel tot afzetting van heden; gezien eveneens de hierboven uiteengezette motieven; beslist het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten (Comité P), met eenparigheid van stemmen, ten aanzien van commissaris-auditor Walter DEMOERLOOSE over te gaan tot de maatregel van AFZETTING in de zin van artikel 20, le lid van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie - en inlichtingendiensten en de artikelen 16, 2e lid en 27, 1e lid van het Statuut van de directeur-generaal en van de leden van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten (B.S., 28.02.2007); verduidelijken dat deze maatregel niet kadert in een tuchtprocedure maar in feite het einde betekent van de detachering van de heer DEMOERLOOSE naar de Dienst Enquêtes P van het Vast Comité van Toezicht op de Politiedien- sten en de terugkeer inhoudt naar het politiekorps van oorsprong; beslist dat deze maatregel ingaat vanaf heden; beslist dat de beëindiging van de detachering met ingang van de dag van de betekening ter kennis zal worden gebracht van de commissaris-generaal van de federale politie, korpschef van het korps van oorsprong, overeenkomstig artikel 27, 2/ lid van het Statuut van de directeur-generaal en van de leden van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten (B.S., 28.02.2007).” Dit is de bestreden beslissing. De verzoeker ondertekent ze op dezelfde dag voor ontvangst. IX-5920-5/11 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is bij gebrek aan het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat de verzoeker op 30 juni 2007 gevraagd heeft om op 1 juli 2008 met pensioen te gaan en dat hij op 19 maart 2008 gevraagd heeft om vanaf 1 mei 2008 op pensioen te gaan. Nu de verzoeker daadwerkelijk op 1 mei 2008 met pensioen is gegaan en pas op 15 mei 2008 het beroep tot nietigverklaring heeft ingediend heeft hij volgens de verwerende partij geen materieel belang meer bij zijn beroep. Waar de verzoeker in zijn verzoekschrift stelt dat hij een moreel belang heeft stelt de verwerende partij dat de verzoeker er van uitgaat dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtsanctie is, terwijl de afzettingsbeslissing in werkelijkheid geenszins als een tuchtmaatregel kan worden gekwalificeerd, noch als een afzetting in de gebruikelijke tuchtrechtelij- ke betekenis van de afzetting als zwaarste tuchtsanctie die gepaard gaat met het verlies van de pensioenrechten. Zij meent dan ook dat het louter moreel belang dat de verzoeker aanvoert onvoldoende is. Subsidiair, voor zover de Raad van State zou aannemen dat een moreel belang te dezen zou volstaan, voert de verwerende partij nog aan dat de verzoeker wel aanvoert dat hij “zwaar gekrenkt” is maar dit op geen enkele wijze concretiseert.
- De verzoeker repliceert dat de omstandigheid dat hij op 1 mei 2008 met pensioen gegaan is, irrelevant is voor de beoordeling van zijn belang vermits de bestreden beslissing hem werd opgelegd toen hij nog in dienst was. Voorts stelt hij dat de bestreden beslissing wel degelijk een verkapte tuchtmaatregel is. Hij stelt, onder verwijzing naar rechtspraak en rechtsleer, dat men wel degelijk zijn belang behoudt bij het bestrijden van een (verdoken) tuchtmaatregel, ook al is men met pensioen of uit dienst getreden, omdat een tuchtmaatregel in de regel een schandvlak of morele afkeuring met zich meebrengt.
- In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de verzoeker er zelf voor gezorgd heeft dat hij niet langer over een materieel belang beschikt door, nadat hij kennis genomen heeft van de bestreden beslissing, te vragen om zijn oppensioenstelling te vervroegen naar 1 mei
- Voorts blijft zij op haar standpunt dat de bestreden beslissing geen tuchtsanctie of verkapte tuchtsanctie is zodat een louter moreel belang onvoldoende is. Zij herhaalt dat de verzoeker IX-5920-6/11 weliswaar aanvoert dat hij door de bestreden beslissing “zwaar gekrenkt” is maar dit op geen enkele wijze concretiseert en wijst er in dit kader nog op dat de bestreden beslissing in alle discretie werd genomen en dat de verzoeker, door zijn deloyale uitingen jegens zijn hiërarchische oversten, zelf aan de basis ligt van het geleden moreel nadeel. Beoordeling
- Daargelaten de vraag of de bestreden beslissing een verdoken tuchtstraf is, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker uit de dienst wordt verwijderd, in essentie omwille van het schenden van de discretieplicht en de loyauteitsplicht die op hem rust, waardoor het vertrouwen tussen hem en de directeur-generaal en de vaste leden van het comité definitief geschonden is. De bestreden beslissing impliceert aldus onmiskenbaar een afkeuring van de wijze waarop de verzoeker zijn functie heeft uitgeoefend. Deze afkeuring wordt door de verzoeker als krenkend ervaren. Deze vaststelling volstaat om aan te nemen dat de verzoeker over een moreel belang bij zijn beroep beschikt. Dat de verzoeker ondertussen met pensioen is en dat hij zijn beroep pas heeft ingesteld na zijn oppensioenstelling, waarvan hij zelf gevraagd heeft dat deze vervroegd zou worden, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In zijn eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de hoorplicht. Hij stelt dat hij, vóór de bestreden beslissing genomen werd, in de gelegenheid gesteld moest worden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Hij kreeg evenwel, nadat hij de directeur-generaal bevestigd had dat hij wel degelijk de afzender van de twee mails was, meteen een voorstel tot afzetting overhandigd, hetgeen vooraf was opgesteld zonder dat hij gehoord werd. Amper twee uur na zijn contact met de directeur-generaal werd hij ontboden op de plenaire vergadering van het Vast Comité, en daar werd hem enkel gevraagd of hij bevestigde dat hij de mails verstuurd had. Meteen daarna werd hem de bestreden beslissing ter kennis gebracht, zonder dat hij enige mogelijkheid had om de tegen IX-5920-7/11 hem gerichte bezwaren te bestuderen, een raadsman te contacteren of een schriftelijk verweer in te dienen.
- De verwerende partij repliceert dat in de mate in het middel de schending van de rechten van verdediging wordt aangevoerd, deze behoudens andersluidend voorschrift, enkel gelden in tuchtzaken en dat de verzoeker bovendien niet aangeeft waarin de schending van de rechten van verdediging concreet bestaat. In de mate dat in het middel de schending van de hoorplicht wordt aangevoerd, wijst de verwerende partij er op dat dit recht niet absoluut is. Zij stelt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat van de hoorplicht mag worden afgeweken indien de beslissing dringend is omdat er wrijvingen zijn tussen het personeel zodat snel ingrijpen noodzakelijk is. Volgens de verwerende partij is er te dezen een onherstelbare vertrouwensbreuk ontstaan tussen de directeur-generaal en de verzoeker waardoor elke verdere samenwerking onmiddellijk onmogelijk wordt. Voorts kan volgens de verwerende partij van de hoorplicht worden afgeweken wanneer de betrokkene eerder werd gehoord en er zich sindsdien geen nieuwe feiten hebben voorgedaan. De verwerende partij stelt dat de verzoeker te dezen twee maal gehoord is, eerst door de directeur-generaal en vervolgens door het vast comité en telkens de mogelijkheid gehad heeft om zijn standpunt op nuttige wijze naar voor te brengen. De verzoeker was bovendien perfect op de hoogte van de hem ten laste gelegde feiten en van de inhoud van het voorstel tot afzetting en op geen enkel ogenblik heeft hij geprotesteerd tegen deze gang van zaken; hij heeft tegenover het bestuur ook niet gesteld dat de hoorplicht geschonden werd. Waar de verzoeker aanvoert dat hij door de directeur-generaal enkel gevraagd werd om te bevestigen of hij die mails verstuurd had, stelt de verwerende partij dat de verzoeker gevraagd werd waarom hij de mails verstuurd heeft en dat hij geantwoord heeft dat dit “voldoende uit de mails bleek”; de verwerende partij leidt hieruit af dat de verzoeker zelf beslist heeft om zijn verdediging tot enkele woorden te beperken. Waar de verzoeker zich beklaagt over het feit dat hij amper twee uur nadat hij zich bij de directeur-generaal gemeld had bij het voltallige comité werd geroepen, repliceert de verwerende partij dat dit snel optreden ingegeven was door de noodzaak om het gezag en de geloofwaardigheid van het comité te vrijwaren; bovendien vergadert het vast comité wekelijks in plenaire vergadering op maandag en is het dan ook eerder een teken van goed bestuur dat de directeur-generaal zijn voorstel tot afzetting onmiddellijk op (maandag) 17 maart 2008 aan het vast comité heeft overgemaakt. Het betrof bovendien naar de feiten toe een eenvoudige zaak, waarbij geen verdere opzoekingen en bewijsgaring vereist waren. IX-5920-8/11 Beoordeling
- De hoorplicht houdt in dat in beginsel tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. In dergelijk geval moet de betrokkene de gelegenheid krijgen zich uit te spreken, niet alleen over het bestaan en de ernst van de feiten die aan de basis liggen van de voorgenomen maatregel, maar ook over de noodzaak om die maatregel te nemen. Dit impliceert dat aan de betrokkene vooraf kan weten welke maatregel tegen hem wordt overwogen en welke feiten en grieven tegen hem worden ingebracht. Daarenboven moet aan de betrokkene een redelijke termijn worden verleend om zijn verweer voor te bereiden.
- Te dezen kan niet betwist worden en betwist de verwerende partij ook niet dat de verzoeker gehoord diende te worden nu de bestreden beslissing gebaseerd is op het persoonlijk gedrag van de verzoeker en zijn belangen ernstig aantast. Wel stelt zij enerzijds dat de verzoeker wel degelijk de gelegenheid gekregen heeft om zijn standpunt op nuttige wijze naar voor te brengen en anderzijds dat te dezen van de hoorplicht kon worden afgeweken nu een snel ingrijpen zich opdrong gelet op de vertrouwensbreuk die tussen de verzoeker en de directeur-generaal was ontstaan.
- De verzoeker is ontboden op de vergadering van het Vast Comité om gehoord te worden en hij is daar ook gehoord. Dit betekent evenwel nog niet dat hij de kans gehad heeft om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker op 17 maart 2008 om 9 uur bij de directeur-generaal ontboden is om te bevestigen dat hij de mails verstuurd heeft; op dat ogenblik is hem het voorstel tot afzetting overhandigd en minder dan twee uur later, om 11 uur, is hij op het Vast Comité ontboden om over de ten laste gelegde feiten te worden gehoord; het Vast Comité heeft vervolgens onmiddellijk de bestreden beslissing genomen en ze reeds om 12.32 uur ter kennis van de verzoeker gebracht. Dergelijke korte termijn om de verdediging te voeren strookt niet met de vereiste dat de betrokkene in staat moet zijn om nuttig voor zijn belangen op te komen. Dat hij ter zitting van de vergadering van het vast IX-5920-9/11 comité weinig weerwerk geboden heeft kan dan ook niet aan de verzoeker ten kwade geduid worden, maar kan het gevolg zijn van het feit dat de situatie hem overviel. In die zin verwijt de verwerende partij ook ten onrechte aan de verzoeker dat hij de schending van de hoorplicht niet reeds op de zitting van het Vast Comité zelf heeft opgeworpen. Zijn vraag aan het Comité tijdens de hoorzitting over “het kader waarin hij wordt gehoord” kan overigens in die zin begrepen worden.
- De verwerende partij verwijst ook nog naar het dringend karakter van de zaak, gelet op de vertrouwensbreuk die de verzoeker had doen ontstaan. Zij toont evenwel niet aan dat het tot een ontwrichting van de dienst zou geleid hebben wanneer de aangelegenheid op een volgende vergadering van het Vast Comité behandeld zou zijn geworden. Zij toont evenmin aan dat zij niet over de mogelijk- heid beschikte om de verzoeker voorlopig en in afwachting van zijn horen door het Vast Comité uit de dienst te verwijderen.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de plenaire vergadering van het Vast Comité P van 17 maart 2008, houdende de afzetting van Walter Demoerloose.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5920-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5920-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.