← België

Arrest 204845 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.845 Rolnummer: Zaak: Arrest 204845 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.845 van 7 juni 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.845 van 7 juni 2010 in de zaken A. I. 183.875/IX-5670 II. 184.482/IX-5702 III. 184.606/IX-5711 In zake : I. + II. + III. Alain MEERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. + III.

  1. de lokale politiezone Rode nr. 5403
  2. de evaluatiecommissie voor het ambt van korpschef bij de lokale politiezone Rode bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen II. de lokale politiezone Rode nr. 5403 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.
  3. Het beroep in de zaak A.184.606/IX-5711, ingesteld op 4 juni 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 23 maart 2007 van de evaluatiecommissie voor het ambt van korpschef van de lokale politiezone Rode om Alain Meerts de beoordeling “voldoende” toe te kennen en van de beslissing van 4 april 2007 van dezelfde evaluatiecommissie om, na onderzoek van de bezwaren van de verzoeker, haar beslissing niet te herformuleren. IX-5670-1/18 1.
  4. Het beroep in de zaak A. 183.875/IX-5670, ingesteld op 6 juni 2007, strekt tot de nietigverklaring van dezelfde, onder randnummer 1.
  5. vermelde, beslissingen. 1.
  6. Het beroep in de zaak A.184.482/IX-5702, ingesteld op 24 juli 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 31 mei 2007 van de politieraad van de lokale politiezone Rode waarbij het mandaat van korpschef vacant wordt verklaard, waarbij het functieprofiel van korpschef wordt vastgesteld en waarbij de selectiecommissie wordt samengesteld. II. Verloop van de rechtspleging
  7. Bij arresten nrs. 175.196 en 175.198 van 1 oktober 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen in respectievelijk de zaken A. 183.875/IX-5670 en A.184.482/IX-5702 verworpen. De verzoeker heeft in beide zaken een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben in de drie zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft in de drie zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft over de drie zaken een verslag opgesteld. De verzoeker heeft in de drie zaken een laatste memorie ingediend. De locale politiezone Rode heeft in de drie zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
  8. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. IX-5670-2/18 Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De verzoeker wordt bij koninklijk besluit van 4 september 2002 voor een termijn van vijf jaar aangesteld als korpschef van de lokale politie van de politiezone Drogenbos - Linkebeek - Sint-Genesius-Rode (kortweg: politiezone Rode). 3.
  11. Bij een tussentijdse evaluatie op 8 december 2005 komt de evaluatiecommissie tot de conclusie dat de verzoeker “voldoening [schenkt] in het ambt”. Er worden vier “verbeterpunten” vermeld:

(1)striktere aansturing van de lokale recherche en verbeteren van de infostroom naar en van het AIK;
(2)aandacht voor het financiële management (opstellen meerjarenplan);
(3)aandacht voor communicatie (intern en extern);
(4)voorzien in een opleidingsplan. De verzoeker geeft met een brief van 9 december 2005 te kennen “geen opmerkingen te formuleren en akkoord [te gaan] met de in het verslag geformuleerde verbeterpunten”. 3.3. Op 13 december 2006 richt de verzoeker een vraag tot hernieu- wing van het mandaat van korpschef aan de voorzitter van de politieraad. Daarbij voegt hij het reglementair voorgeschreven synoptisch verslag. De procureur des Konings te Brussel, de inspecteur-generaal van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de arrondissementscommissaris bij de provincie Vlaams-Brabant geven hun visie IX-5670-3/18 omtrent verzoekers functioneren. De verzoeker wordt in kennis gesteld van deze brieven. 3.4. Op 19 maart 2007 vindt het evaluatiegesprek met de verzoeker plaats. Op 23 maart 2007 kent de evaluatiecommissie de verzoeker de beoordeling “voldoende” toe op basis van volgende motieven: “B. Beschrijvende evaluatie: 1) Uitvoering van de wettelijke opdrachten: Betrokkene oefent zijn mandaat uit in overeenstemming met de bepalingen van de wet op de geïntegreerde politie. 2) Uitvoering van de doelstellingen/opdrachten: Hij oefent zijn mandaat uit in overeenstemming met het zonaal veiligheidsplan. 3) Bespreking van de middelen: Het korps beschikt over de vereiste middelen zowel qua personeel als materiaal, logistiek en technologie. 4) De wijze van functioneren van de mandaathouder: De commissie verwijst naar:
  1. a)de 4 verbeterpunten vervat in de tussentijdse evaluatie dd. 8 decem- ber 2005, nl.: 1) Striktere aansturing van de lokale recherche en verbeteren van de infostroom naar en van het AIK. 2) Aandacht voor het financiële management (opstellen meerjaren- plan) 3) Aandacht voor communicatie (intern en extern) 4) Voorzien in een opleidingsplan.
  2. b)het synoptisch verslag van de korpschef overhandigd op 13 december 2006, waaruit blijkt dat op enkele kleine punten na geen vorderingen werden geboekt. Tijdens het evaluatiegesprek dd. 19 maart 2007 blijkt duidelijk dat geen doelgerichte acties werden ondernomen om aan de 4 geciteerde items een ander elan te geven. Er wordt enkel verwezen naar externe omstandigheden of factoren om het gebrek aan actie te motiveren. Deze appreciatie wordt verder ondersteund en bevestigd door de interne audit, verricht door CC Consult, waarnaar wordt verwezen in zijn synoptisch verslag en in de brief dd. 7 maart 2007 van arrondissements- commissaris M. CORNELIS waarin de gedetecteerde zwaktes als volgt worden gesynthetiseerd: - geen lange termijnvisie; - problematiek interne communicatie; - onduidelijkheid bij afbakening taken en verantwoordelijkheden; - hoger kader te veel uitvoerend bezig; - middenkader eerder veredelde inspecteurs; - geen HRM-beleid. IX-5670-4/18 Uit het evaluatiegesprek met de mandaathouder kan men volgende vaststellingen distilleren: - voorbeeldfunctie: Niettegenstaande zijn bereikbaarheid en beschik- baarheid bij uitzonderlijke calamiteiten geeft Alain MEERTS toe dat zijn uurrooster niet steeds in functie van het dienstbelang wordt ingevuld. Privé-behoeften primeren soms op het dienstbelang. Occasionele weekendprestaties compenseren dit niet aangezien het personeel, met inbegrip van het leidinggevend kader, behoefte heeft aan coaching en sturing op de werkvloer. - management en leiderschap: 1) In plaats van als buffer op te treden tussen de verzuchtingen van het personeel met betrekking tot materiaal en diensturen en de beleidsor- ganen, wordt gemakkelijkheidshalve de verantwoordelijkheid doorgeschoven naar het beleid. De heer MEERTS beaamt dat de bufferfunctie onvoldoende wordt vervuld. 2) Niettegenstaande de herhaalde vraag van het Politiecollege volgt hij de operationele taakstellingen onvoldoende op (optimaliseren wijkwerking, verzorgen verkeers- en schooltoezicht). 3) De heer MEERTS stelt dat het nieuwe politiehuis en het nieuwe personeelsbehoeftenplan een positieve bijdrage zullen leveren om de werking van het korps te verbeteren. Inhoudelijk wordt over de toekomstige accenten in de korpswerking te weinig managementvisie ontwikkeld; 4) De relationele samenwerking tussen korpsleiding en politiecollege verloopt zeer stroef. 5) Aanvullende motieven aangenomen door de evaluatiecommissie: Bij het evaluatiegesprek erkent de Korpschef dat de communicatie met en naar het politiecollege opener en gestructureerder kan verlopen. Ook geeft hij toe dat de controle op de korpswerking en het efficiënter gebruik van de delegatiemogelijkheid, dienen verbeterd te worden. 6) Opmerkingen gemaakt door de mandaathouder (art. VII.III.106, eerste lid, 3/ RPPol): NEEN 7) Beschrijvende conclusie: Niettegenstaande dat hij het korps op goede wijze door de hervorming heeft geloodst en hij samen met zijn officieren en beleidsmedewerkers voorziet in een voldoende goede leiding, organisatie en werking van het korps, kan hij door de commissie slechts als ‘voldoende’ worden beoordeeld. Dit omwille van zijn wijze van functioneren als korpschef zoals omschreven in punt 4. De heer MEERTS is te weinig zichtbaar als leider van het politiekorps. Hij controleert te weinig op realisatie en individuele taakuitvoering van medewerkers. Het management van de middelen wordt te weinig kritisch beschouwd. Hij is eerder afwerend en verdedigend. Het bestuur spreekt zich eerder neutraal tot negatief uit over zijn houding op het werk, zijn wijze van functioneren. 8) Formele conclusie De evaluatiecommissie kent aan de mandaathouder de beoordeling ‘VOLDOENDE’ toe.” IX-5670-5/18 Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaken met rolnummers A.183.875/IX-5670 en A.184.606/IX-5711. 3.5. De verzoeker deelt met een brief van 29 maart 2007 aan de voorzitter van de evaluatiecommissie mee niet akkoord te gaan met de inhoud van het verslag en de eindconclusie. Hij doet daarbij gelden wat volgt: “Het gaat er bij de evaluatie om te weten of en hoe de korpschef zijn beoogde doelstellingen heeft bereikt rekening houdende met de middelen die door de zonale overheid zijn ter beschikking gesteld en met de mate waarin de betrokkene de mogelijkheid had ze te verwezenlijken. De tussentijdse evaluatie, die positief was, vermeldde effectief een aantal verbeterpunten. Voor twee verbeterpunten werden wel degelijk initiatieven genomen. Zo werd de recherche stricter gestuurd en werd gewerkt aan de interne communicatie. Het opstellen van een financieel meerjarenplan werd echter wel uitgesteld en dit om reden van het ontbreken van goedgekeurde jaarrekeningen. Inzake opleidingen werd een nota overgemaakt aan en positief besproken op het politiecollege. Zowel de dienstchef als de korpschef vervult hierin wel degelijk een bufferrol, rekening houdende met de filosofie rond de opleidingen. Er werd in het verslag en tijdens het gesprek geen enkel objectief, negatief element vastgesteld met betrekking tot mijn leiding, organisatie en werking van het korps. De resultaten van de interne audit, kenbaar gemaakt eind 2005, maken melding van een belangrijke succesfactor voor de verbetering van de interne werking, met name een herstructurering en uitbreiding van het politiekader. Tot op heden werd dit nieuw kader nog niet geïmplementeerd. Met betrekking tot de bemerkingen (persoonlijk functioneren) in het verlengde van het evaluatiegesprek hebben wij de volgende bemerkingen: - voorbeeldfunctie: Het toegeven dat een uurrooster op een flexibele wijze wordt ingevuld en, op bepaalde momenten, eveneens rekening houdt met privé-behoeften betekent geenszins dat het privé-belang primeert op het dienstbelang. Integendeel, in het kader van de werking van de dienst werd steeds prioriteit gelegd op het dienstbelang. Het ging steeds om het vinden van een gezond evenwicht tussen beide belangen. Er zijn geen objectieve elementen aanwezig om te besluiten dat er een gebrek is aan engagement van onzertwege en wij betwisten dit dan ook ten stelligste. - management en leiderschap: 1) inzake aanschaf van middelen en financieel beheer werd wel degelijk als buffer opgetreden doch dient eveneens rekening gehouden te worden met de middelen die onze diensten nodig hebben voor een goede werking. Wij wezen tijdens het gesprek zelfs op het feit dat wij tijdens een briefing het personeel nog hebben gewezen op de goede situatie waarin ze zich op dit vlak bevinden. Wij stelden ons wel open voor enige bijsturingen, en strictere controle, indien het politiecollege dit wenste. Met betrekking tot de diensturen werd naar onze mening geen gesprek gevoerd tijdens het evaluatiegesprek. 2) Inzake wijkwerking werden er steeds, met de middelen waarover wij beschikten, maatregelen genomen om de optimale werking maximaal te verzekeren. Het gebrek aan kandidaten voor deze functie bemoeilijk- IX-5670-6/18 te de situatie. Het politiecollege heeft hieromtrent steeds de nodige info ontvangen. Er werd steeds maximaal (niet dagelijks maar op regelmati- ge basis) getracht verkeers- en schooltoezicht te verzekeren, rekening houdende met omstandigheden zoals ziektes, verloven e.d. Een betere communicatie naar het politiecollege toe is effectief een verbeterpunt, een communicatie die in twee richtingen positief dient te verlopen. Efficiënter gebruik maken van delegatiemogelijkheden en verbetering controle werden door CC Consult eveneens geopteerd. Er werd toen duidelijk gesteld dat de responsabilisering van de middenkaders via het nieuwe personeelsplan hierin een essentiële rol zou spelen. Er werd door ons wel degelijk controle uitgevoerd op de taakuitvoering, rechtstreeks of via delegatie. Wij ontvingen tijdens de vergaderingen van het politiecollege nooit concrete negatieve elementen met betrekking tot onze wijze van functioneren. Er is nooit sprake geweest van enig, concreet functioneringsgesprek die ons zou de mogelijkheid hebben gegeven de nodige bijsturingen uit te voeren. Ook in het verslag van de tussentijdse evaluatie (ongeveer 1 jaar geleden) werden deze negatieve punten niet vermeld.” 3.6. Op 4 april 2007 beslist de evaluatiecommissie als volgt: “[...] - neemt kennis van de nota dd. 29.03.2007 van de mandaathouder waaruit blijkt dat hij niet akkoord gaat met de inhoud van het evaluatieverslag dd. 23.03.2007 - neemt eveneens kennis van de opmerkingen die in voornoemde nota zijn verwerkt - stelt vast dat deze opmerkingen in algemene bewoordingen werden geformuleerd, zonder in concreto te treden over de inhoud van de door hem genomen acties en geen afdoend antwoord geven op het verslag van de evaluatiecommissie - stelt bijgevolg vast dat deze opmerkingen geen aanleiding kunnen geven tot het herformuleren van de door de evaluatiecommissie op 23 maart 2007 opgestelde evaluatie.” Dit is de tweede bestreden beslissing in de zaken met rolnummers A. 183.875/IX-5670 en A. 184.606/IX-5711. 3.7. Artikel 76bis van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna: de Exoduswet) bepaalt dat de vermelding “voldoende”, gegeven door de evaluatie- commissie, de vacantverklaring van het mandaat impliceert en dat de betrokken mandaathouder kan meedingen en dit in tegenstelling tot de vermelding “goed” die betekent dat het mandaat kan worden hernieuwd. IX-5670-7/18 Op 31 mei 2007 beslist de politieraad van de politiezone Rode om het mandaat van korpschef in die politiezone vacant te verklaren, het functieprofiel van korpschef vast te stellen en de selectiecommissie samen te stellen. Dit is de bestreden beslissing in de zaak met rolnummer A.184.482/IX-5702. 3.8. Bij koninklijk besluit van 30 april 2009 wordt Luc Breydels tot korpschef aangesteld van de lokale politie van de politiezone Rode. IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 4. In het belang van een goede rechtsbedeling is er grond om de beroepen samen te voegen. 5. Vastgesteld moet worden dat de annulatieberoepen met rolnummers A.183.875/IX-5670 en A.184.606/IX-5711 identiek zijn. Het is passend het eerst ingediende beroep, dit is het beroep met het rolnummer A.184.606/IX-5711, eerst te onderzoeken. V. Ontvankelijkheid van de beroepen naar belang Standpunten in het auditoraatsverslag 6. In het auditoraatsverslag wordt opgemerkt dat in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2009 een uittreksel gepubliceerd is van het koninklijk besluit van 30 april 2009, waarbij Luc Breydels wordt aangesteld tot korpschef van de lokale politie van de politiezone Rode en dat deze aanstelling, volgens de gegevens van de griffie bij de Raad van State, niet bestreden is met een annulatieberoep, noch door verzoeker, noch door een derde. De termijn om tegen die aanstelling op te komen met een annulatieberoep is intussen verstreken zodat die aanstelling definitief is geworden. Hieruit vloeit, aldus de auditeur-verslaggever, voort dat een gebeurlijk vernietigingsarrest niet meer kan bijdragen tot het materiële rechtsherstel IX-5670-8/18 dat de verzoeker met zijn beroep ambieert, met name het mandaat van korpschef van de lokale politie in de politiezone Rode behouden en daadwerkelijk uitoefenen. Uit de nietigverklaring van de beslissing van 31 mei 2007 van de politieraad van de lokale politiezone Rode waarbij het mandaat van korpschef vacant verklaard wordt, waarbij het functieprofiel van korpschef wordt vastgesteld en waarbij de selectiecommissie wordt samengesteld, dit is de bestreden beslissing in de zaak A.184.482/IX-5702, kan de verzoeker derhalve geen voordeel meer halen. De auditeur-verslaggever besluit dan ook tot de onontvankelijkheid van dit beroep bij gebrek aan belang. Wat het beroep in de zaak met rolnummer A.184.606/IX-5711 en dit in de zaak met rolnummer A.183.875/IX-5670 betreft wijst de auditeur- verslaggever erop dat de verzoeker, omtrent de problematiek geïnterpelleerd, in een brief van 9 oktober 2008 stelde dat het als korpschef moreel blamerend is om een evaluatie “voldoende” in plaats van de vermelding “goed” te hebben. De auditeur- verslaggever neemt aan dat de verzoeker een moreel belang heeft ten aanzien van het beroep tegen een beslissing die een beoordeling inhoudt van zijn functioneren. Standpunt van de partijen 7. In zijn laatste memorie merkt de verzoeker op dat hij inderdaad geen belang heeft bij het beroep met rolnummer A.184.482/IX-5702. Hij wijst er op dat hij bij dit beroep initieel wel belang had en dat, mede in het licht van zijn eerdere beroepen, de kosten van het beroep lastens de verwerende partij dienen gelegd te worden. 8. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij lokale politiezone Rode op dat de verzoeker geen belang heeft bij zijn beroep tegen de beslissing hem de vermelding “voldoende” te geven, de verzoeker heeft vrijwillig zijn mandaat als korpschef ter beschikking gesteld bij brief van 23 maart 2007 en het koninklijk besluit van 18 mei 2008 waarbij zijn mandaat werd beëindigd, heeft hij niet aangevochten; voorts is de verzoeker vanaf 1 april 2008 gedetacheerd naar de federale politie zodat duidelijk is dat de verzoeker geen belangstelling meer heeft voor het mandaat van korpschef. IX-5670-9/18 De verzoeker kan ook geen moreel belang laten gelden; een evaluatie is geen sanctiemiddel maar integendeel een motiverend instrument ter begeleiding van de personeelsleden in hun functioneren in het bestuur. De evaluatie steunt dan ook niet op enig moreel laakbaar gedrag van de verzoeker. Beoordeling 9. Aangenomen dient te worden dat de verzoeker, zoals hijzelf toegeeft, geen belang heeft bij zijn beroep met rolnummer A.184.482/IX-5702 en dat dit beroep derhalve onontvankelijk is. Daar het teloorgaan van het belang uitsluitend toe te schrijven is aan de verzoeker die geen kandidaat was om zichzelf op te volgen als korpschef, ziet de Raad van State geen aanleiding om de kosten van dit beroep niet te zijnen laste te leggen. 10. De verzoeker doet een moreel belang gelden ten aanzien van zijn beroep tegen de beslissing hem een evaluatie “voldoende” te geven. Artikel 74 van de Exoduswet bepaalt dat de evaluatie van de mandataris hoofdzakelijk afweegt hoe de mandataris heeft gefunctioneerd en in welke mate deze met de hem ter beschikking gestelde middelen, de vooropgestelde doelstellingen heeft bereikt. Ze heeft inzonderheid tot doel uit te maken of het mandaat al dan niet kan worden hernieuwd of al dan niet voortijdig moet worden beëindigd. Artikel 75 van de Exoduswet stelt dat de evaluatie de prestaties van de mandataris, de mate waarin deze de doelstellingen, vervat in de opdracht- brief, heeft bereikt en de wijze waarop hij heeft gefunctioneerd in het ambt waarvoor hij bij mandaat is aangewezen, beschrijft. Artikel 76bis van de Exoduswet bepaalt dat de evaluatiecommis- sie haar evaluatie besluit met de vermelding “goed”, “voldoende” of “onvoldoende”; de vermelding “goed” betekent dat het mandaat kan worden hernieuwd; de vermelding “voldoende” impliceert de vacantverklaring van het mandaat waarbij de betrokken mandaathouder evenwel kan meedingen; indien de evaluatie de vermelding “onvoldoende” draagt, wordt het mandaat op de door de Koning IX-5670-10/18 vastgestelde datum beëindigd, op voorstel van, naar gelang het geval, de gemeente- of politieraad, of de bevoegde ministers. In het evaluatieverslag over de verzoeker worden onder meer diens functioneren als voorbeeldfunctie en diens management- en leiderschapscapa- citeiten beoordeeld en negatief bekritiseerd. Er dient aangenomen te worden dat de verzoeker een voldoende moreel belang kan laten gelden bij het aanvechten van deze bevindingen. VI. Ontvankelijkheid van de beroepen met rolnummers A.184.606/IX-5711 en A.183.875/IX-5670 wat het eerste voorwerp betreft 11. In de artikelen VII.III.106 tot en met VII.III.109 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol) is voor de geëvalueerde mandaat- houder een administratieve beroepsprocedure voorzien wat een georganiseerd administratief beroep uitmaakt. Te dezen heeft de verzoeker dit administratief beroep uitgeput en heeft de evaluatiecommissie de argumenten van de verzoeker aan een nieuw onderzoek onderworpen en een beslissing genomen die, hoewel ze dezelfde draagwijdte heeft als de voorgaande beslissing, niet louter bevestigend is, en die bijgevolg de eerste beslissing heeft vervangen. Hieruit volgt dat de beroepen niet ontvankelijk zijn voor zover ze gericht zijn tegen de beslissing van 23 maart 2007 van de evaluatiecommissie. VII. Onderzoek van het tweede middel in de zaak A.184.606/IX-5711 Standpunt van de partijen 12. In een tweede middel roept de verzoeker de schending in van de artikelen 1sexies en 1septies van het koninklijk besluit van 19 april 2002 houdende specifieke statutaire bepalingen met betrekking tot personen aangesteld in bepaalde betrekkingen van de federale politie, de lokale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, van de artikelen VII.III.100 en VII.III.101 RPPol, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke IX-5670-11/18 motivering van de bestuurshandelingen en van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker voert vooreerst in essentie aan dat hij voldoet aan het “zwaarste criterium” voor zijn beoordeling, zoals voorgeschreven in voornoemd artikel 1sexies en dat de evaluatiecommissie derhalve niet tot een eindbeoordeling “voldoende” kon besluiten. Voorts stelt de verzoeker dat de beoordeling ten dele gebaseerd is op beweerde standpunten van het politiecollege, terwijl dat college niet werd bevraagd en omtrent de verwijten die hem vanuit die hoek worden gemaakt, geen enkel stuk is terug te vinden; dit is strijdig met de voornoemde artikelen 1septies, VII.III.101 en VII.III.102. Verder voert de verzoeker aan dat de evaluatiecommissie er in het algemeen niet toe komt haar stelling te ondersteunen met concrete gegevens; hiervoor wijst de verzoeker onder meer op de stelling van de evaluatiecommissie inzake de voorbeeldfunctie en verzoekers bereikbaarheid en beschikbaarheid, verzoekers verweer hierover en de eindevaluatie na verwerping van dit verweer; deze eindevaluatie na verweer is niet gesteund op concrete gegevens. Volgens de verzoeker is er zelfs sprake van tegenstrijdigheid in de motieven. Ten slotte merkt de verzoeker op dat er een onzorgvuldig onderzoek is gebeurd bij het nemen van de bestreden beslissing nu het politiecollege niet werd bevraagd over verzoekers functioneren en dat het politiecollege nooit gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een tussentijdse evaluatie. 13. De verwerende partijen brengen daar in hun memorie van antwoord tegen in dat het middel onontvankelijk is voor zover de schending van de formele motiveringsplicht wordt aangevoerd, nu de verzoeker ook inhoudelijke kritiek levert op de beslissing, zodat hij geacht kan worden de motieven te kennen. Voorts noemen de verwerende partijen het tweede middel ongegrond om reden dat uit het evaluatieverslag duidelijk blijkt dat een afweging werd gemaakt van de wijze waarop de verzoeker zijn mandaat heeft uitgeoefend, dat daarbij rekening werd gehouden met het schema van evaluatieverslag dat in bijlage bij het koninklijk besluit van 5 december 2003 is gevoegd en dat de evaluatie is IX-5670-12/18 geschied op grond van de voorgeschreven documenten, die voorafgaand aan het evaluatiegesprek aan de verzoeker werden bezorgd. De verwerende partijen betogen verder dat de overheid niet slechts over een quasi-gebonden bevoegdheid beschikt, zodat verzoekers argumentatie omtrent het “zwaarste criterium” niet opgaat en dat de evaluatiecommissie precies ernstige opmerkingen had op de wijze van functioneren van de verzoeker. De verwerende partijen achten evenmin de motiveringsplicht geschonden en zij zien geen tegenstrijdigheden in de motieven. De verwijzingen naar het politiecollege komen, aldus de verwerende partijen, voort uit het evaluatiegesprek of uit de stukken van het dossier. Die verwijzingen zijn dan weer niet talrijk zodat ze, mochten ze onwettig zijn, niet tot de nietigverklaring aanleiding kunnen geven. 14. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord door te stellen dat de formele motivering ook geschonden is als de motieven -die gekend zijn- uit stijlformules bestaan. Hij betoogt verder dat artikel 1sexies van het koninklijk besluit van 19 april 2002 duidelijk stelt dat de evaluatiecommissie “in het bijzonder” rekening moet houden met bepaalde criteria en dat, mochten er andere redenen zijn om ondanks een gunstige beoordeling van die criteria toch tot een minder gunstige eindbeoordeling te komen, zulks moet blijken uit de motieven. Tot slot stelt de verzoeker niet overtuigd te zijn door de “uitleg achteraf’” van de verwerende partijen omtrent de verwijzingen naar de relatie met het politiecollege. 15. In haar laatste memorie merkt de eerste verwerende partij op dat de omstandigheid dat de evaluatiecommissie niet op afdoende wijze een antwoord zou hebben geboden op de opmerkingen van de verzoeker over de beoordeling van zijn “bereikbaarheid en beschikbaarheid”, nog niet betekent dat de gehele beslissing nog niet afdoende zou zijn gemotiveerd; het evaluatieverslag bevat immers nog een aantal andere elementen die op zichzelf genomen van aard zijn om de toegekende beoordeling “voldoende” te verantwoorden. In die zin, aldus de verwerende partij, is het motief over de “bereikbaarheid en beschikbaarheid” een ten overvloede gegeven beweegreden. Ondergeschikt wijst de eerste verwerende partij erop dat de opmerkingen van de evaluatiecommissie omtrent de “bereikbaarheid en beschikbaar- IX-5670-13/18 heid” wel degelijk steun vinden in elementen waarop de commissie acht mocht slaan met name het evaluatiegesprek met de verzoeker. Mocht de verzoeker deze opmerkingen niet gegrond bevonden hebben, dan had hij zijn bezwaar aan de hand van concrete elementen dienen te staven; dit liet hij na zodat de comissie terecht oordeelde dat et bezwaar in algemene bewoordingen is geformuleerd en derhalve geen afdoend antwoord vormt op het verslag van de commissie. Beoordeling 16. In de artikelen VII.III.106 tot en met VII.III.109 van het RPPol is voor de geëvalueerde mandaathouder een administratieve beroepsprocedure voorzien. De mandaathouder moet binnen zeven dagen na ontvangst van het evaluatieverslag aan de evaluatiecommissie ter kennis brengen of hij akkoord gaat met de inhoud van dat verslag, ermee akkoord gaat maar er commentaren aan toevoegt of niet akkoord met de inhoud van het evaluatieverslag, in welk geval hij een nota met opmerkingen bijvoegt en vraagt dat het verslag in die zin zou worden aangepast. Wanneer de mandaathouder niet akkoord gaat met de inhoud van het evaluatieverslag, moet de evaluatiecommissie standpunt innemen: ofwel treedt zij de opmerkingen -geheel of gedeeltelijk- bij, ofwel niet, in welk geval zij haar eerste beslissing handhaaft. Wil en mag de geëvalueerde mandaathouder van de door hem gevoerde beroepsprocedure verwachten dat zijn nota met opmerkingen ernstig wordt onderzocht en in overweging genomen, dan moet hij er eerst zelf toe zijn gekomen de bezwaren waarop hij een antwoord wil krijgen ook daadwerkelijk in die beroepsprocedure in te brengen. De beroepsprocedure moet erop gericht zijn, wil zij enig nut hebben, om de argumenten van de geëvalueerde mandaathouder te onderzoeken en daadwerkelijk in een nieuwe beoordeling te betrekken. Dit geldt als een verplichting voor de evaluatiecommissie. Zoals sub randnummer 11 vastgesteld, is het beroep slechts ontvankelijk gericht tegen de beslissing van 4 april 2007 van de evaluatiecommissie die een heroverweging, na het indienen van een bezwaar door de verzoeker, inhoudt van deze van 23 maart 2007. IX-5670-14/18 De verzoeker kan aldus thans voor de Raad van State de evaluatiecommissie niet verwijten niet te hebben geantwoord op argumenten die hij zelf bij die commissie niet te nuttiger tijd heeft aangebracht. 17. Vastgesteld moet worden dat het middel, voorzover het een schending aanvoert van artikel 1sexies van het koninklijk besluit van 19 april 2002, onontvankelijk is nu de verzoeker nagelaten heeft deze kritiek bij zijn bezwaar in de administratieve beroepsprocedure te betrekken. Evenmin bracht de verzoeker in zijn nota met opmerkingen het argument ter sprake dat de verwijzingen naar standpunten van het politiecollege in het evaluatieverslag niet opgingen, nu die standpunten uit geen enkel stuk zouden blijken, net zomin als het argument dat de evaluatiecommissie op het vlak van “leiding geven”, “opvolging van taakstellingen door het politiecollege” en de “stroeve communicatie met het politiecollege” tegenstrijdig zou gemotiveerd hebben en dat het politiecollege ten onrechte niet zou bevraagd zijn. In die mate is het tweede middel evenzeer onontvankelijk. 18. De verzoeker verduidelijkt ook niet hoe het niet gebruik maken van de mogelijkheid vervat in artikel VII.III.90, lid 1, 1/, van het RPPol aanleiding kan geven tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het middel is in die mate onontvankelijk. 19. In zijn nota met opmerkingen wees de verzoeker erop dat hij de kritiek omtrent zijn “bereikbaarheid en beschikbaarheid” bestrijdt. Waar de evaluatiecommissie in haar beslissing van 23 maart 2007 oordeelde dat de verzoeker “[soms] [p]rivé-behoeften [laat] primeren op het dienstbelang”, heeft de verzoeker daartegen in zijn nota met opmerkingen ingebracht dat hij weliswaar toegeeft dat hij zijn uurrooster “op een flexibele wijze” invult en “op bepaalde momenten eveneens rekening houdt met privé-behoeften”, maar dat dit “geenszins [betekent] dat het privé-belang primeert op het dienstbelang”, dat “steeds prioriteit [werd] gelegd op het dienstbelang”, dat het “steeds [ging] om het vinden van een gezond evenwicht tussen beide belangen” en dat “[e]r geen objectieve elementen aanwezig [zijn] om te besluiten dat er een gebrek is aan engagement [...]” en dat hij zulks “dan ook ten stelligste [betwist]”. IX-5670-15/18 De evaluatiecommissie beantwoordt die kritiek in haar beslissing van 4 april 2007 door te stellen dat deze opmerkingen in algemene bewoordingen werden geformuleerd, zonder in concreto te treden over de inhoud van de door de verzoeker genomen acties, en geen afdoend antwoord geven op het verslag van de evaluatiecommissie, en dat deze opmerkingen geen aanleiding kunnen geven tot het herformuleren van de door de evaluatiecommissie op 23 maart 2007 opgestelde evaluatie. Artikel VII.III.100 van het RPPol, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing, en artikel 1septies van het koninklijk besluit van 19 april 2002 bepalen dat de evaluatie geschiedt op grond van de gegevens die blijken uit de stukken met inbegrip van het activiteitenverslag, uit de bevragingen en uit de vaststelling van de algemene inspectie die deze heeft gedaan in het raam van haar opdrachten. Die gegevens dienen te worden getoetst tijdens het evaluatie- gesprek met de mandataris. De verwerende partij slaagt er niet in aan te tonen uit welke stukken blijkt dat de verzoeker “soms” zijn eigen privé-belangen zou laten primeren op het belang van de dienst. De opmerking van de eerste verwerende partij dat een en ander blijkt uit het evaluatiegesprek, mocht hiermee al rekening kunnen gehouden worden bij de evaluatie, kan niet aangenomen worden nu de verzoeker in zijn nota met opmerkingen dit gegeven precies bestrijdt door erop te wijzen dat er geen objectieve elementen dienomtrent aanwezig zijn. Het antwoord van de commissie in haar beslissing van 4 april 2007 op dit argument van de verzoeker in zijn nota met opmerkingen, met name dat de verzoeker niet concreet is, is daarom nietszeggend; het is aan de commissie om concreet haar beweringen aan te tonen, niet aan de geëvalueerde de niet concrete aantijgingen concreet te weerleggen. In dat opzicht is de beslissing van 4 april 2007 van de evaluatie- commissie strijdig met artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen nu dit artikel een motivering voorschrijft die afdoende moet zijn wat betekent dat deze de bestuurde redelijkerwij- ze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de IX-5670-16/18 beslissing is genomen en de bestuurde aldus met kennis van zaken desgevallend tegen deze beslissing in rechte kan optreden; de motivering moet de Raad van State in staat stellen de hem opgedragen wettigheidscontrole uit te oefenen. Deze motiveringsplicht houdt in dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies, hetgeen te dezen niet het geval is. 20. De opmerking van de eerste verwerende partij in haar laatste memorie dat het motief van de evaluatiecommissie inzake bereikbaarheid en beschikbaarheid ten overvloede zou geformuleerd zijn, en het middel dus niet kan leiden tot de nietigklaring van de bestreden beslissing, kan niet worden aangenomen. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat het motief ten overvloede geformuleerd is. De Raad van State kan niet in de plaats treden van het bestuur. Het komt de Raad dan ook niet toe om uit te maken of de evaluatiecommissie op grond van de motieven die wel stand houden, tot eenzelfde beslissing zal komen, dan wel of het in die mate gegrond bevinden van het tweede middel in verzoekers voordeel zou kunnen uitvallen. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. VIII. Onderzoek van het beroep met rolnummer A.183.875/IX-5670 21. Het gegrond bevinden van het tweede middel van het beroep met rolnummer A.184.606/IX-5711 en de daaruit voortvloeiende vernietiging van de beslissing van 4 april 2007 van de evaluatiecommissie, leidt tot de vaststelling dat het beroep met rolnummer A.183.875/IX-5670 zonder voorwerp is en dienvolgens onontvankelijk. Daar de verzoekschriften in beide beroepen identiek zijn, is het passend de kosten van het beroep met rolnummer A.183.875/IX-5670 te laste van de verzoeker te leggen. IX-5670-17/18 BESLISSING 1. De zaken A. 184.606/IX-5711, A. 183.875/IX-5670 en A. 184.482/IX-5702 worden samengevoegd. 2. De Raad van State vernietigt de beslissing van 4 april 2007 van de evaluatie- commissie voor het ambt van korpschef van de lokale politiezone Rode om, na onderzoek van de bezwaren van Alain Meerts, haar beslissing niet te herformu- leren. 3. De Raad van State verwerpt het beroep in de zaak A. 184.606/IX-5711 voor het overige. 4. De Raad van State verwerpt het beroep in de zaken A. 183.875/IX-5670 en A. 184.482/IX-5702. 5. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 184.606/IX-5711 begroot op 175 euro. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring in de zaken A. 183.875/IX-5670 en A. 184.482/IX-5702, begroot op 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5670-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.