← België

Arrest 204846 - Penitentiair recht - 07/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.846 Rolnummer: A. 183598/IX-5661 Zaak: Arrest 204846 - Penitentiair recht - 07/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.846 van 7 juni 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.846 van 7 juni 2010 in de zaak A. 183.598/IX-5661 In zake : Dany TALIMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valerie Saveyn kantoor houdend te Gavere Baaigemstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Jusitite --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2007, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 26 maart 2007 van de directeur van de gevangenis te Gent waarbij Dany Taliman de tuchtsanctie vier dagen strikt individueel regime vanaf 23 maart 2007, één maand glasbezoek en twee maanden glasbezoek met uitstel gedurende drie maanden wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 196.408 van 28 september 2009 werden de debatten heropend. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. IX-5661-1/8 Advocaat Valerie Saveyn, die verschijnt voor de verzoeker, is gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op het tijdstip van de bestreden beslissing is de verzoeker opgesloten in de gevangenis te Gent. Tijdens zijn opsluiting heeft hij een relatie aangeknoopt met H., een medegedetineerde. 3.
  6. Op 23 maart 2007 stelt een penitentiair beambte ten laste van de verzoeker een rapport aan de directeur op met betrekking tot feiten die op diezelfde datum plaats vonden in de bezoekzaal. Het rapport stelt onder meer het volgende: “Bij aanvang van het bezoek nam desbetreffende gedetineerde gebruik van de drukte om vlug naar de tafel van H. te lopen en haar een kus te geven. Hij zat op tafel 20 en zij op tafel
  7. Tijdens het bezoek werd er constant geroepen naar elkaar en zelfs communicatie via gebaren. Op het einde van het bezoek treuzelde hij zodanig aan zijn tafel zodat H. naar hem kon glippen en hem een kus en hand gaf als afscheid terwijl mijn collega slechts enkele stappen verwijderd was. Bij navraag bij mijn collega’s bleek dit niet de eerste keer te zijn en zijn ze allebei al meermaals hierover aangesproken en verwittigd. Daarom vind ik het opportuun om dit gedrag te melden.” 3.
  8. Op diezelfde datum wordt aan de verzoeker een ordemaatregel opgelegd. 3.
  9. Nadat de verzoeker op 26 maart 2007 is gehoord in het kader van een tuchtprocedure, beslist de directeur van de gevangenis diezelfde dag om aan de verzoeker de tuchtsanctie op te leggen van vier dagen strikt individueel regime van IX-5661-2/8 23 maart tot 26 maart 2007, één maand glasbezoek en twee maanden glasbezoek met uitstel gedurende drie maanden. Dit is de bestreden beslissing, zij wordt als volgt gemotiveerd:. “Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven: De directeur leest het tuchtrapport van 23/03/2007 voor. Gelet op de argumenten van de gedetineerde (en / of zijn advocaat) die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 26/03/2007 werd gehoord: Betrokkene had niet het idee dat er zich een probleem aan het vormen was in de bezoekzaal. Hij geeft wel toe dat hij aan H. een kus gegeven heeft, maar zegt dat hij een beetje ongedurig is in afwachting van zijn intern bezoek. De advocaat verklaart ook dat het niet zijn bedoeling was om problemen te maken in de bezoekzaal maar dat betrokkene een beetje ongedurig wordt in afwachting van zijn intern bezoek. Gelet op het feit dat volgende getuigen werden gehoord De KC zegt dat er met betrokkene geen problemen zijn op sektie.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  10. De verzoeker roept in zijn eerste middel de schending in van het evenredigheidsbeginsel. Hij stelt dat hem een zware tuchtsanctie werd opgelegd die niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten. Bovendien werd geen rekening gehouden met het feit dat de verzoeker sedert zijn vrijheidsberoving op 19 februari 2004 nog geen enkele tuchtmaatregel werd opgelegd. Evenmin werd rekening gehouden met de verklaring van de kwartierchef die getuigt dat er met de verzoeker geen problemen zijn op de sectie. De verzoeker geeft toe dat hij aan H., zijn vriendin en medegedetineerde, een kus heeft gegeven in de bezoekzaal, maar stelt niet geweten te hebben dat dit een probleem vormde. Uit het dossier blijkt nergens dat hij de veiligheid in de gevangenis in gevaar heeft gebracht, noch dat zijn gedrag aanleiding zou moeten geven tot het nemen van een voorlopige maatregel. Er werd aan hem onmiddellijk een zware sanctie opgelegd hoewel eerdere tuchtrapporten ontbreken en de getuigenis van de kwartierchef in het voordeel van de verzoeker is. De verzoeker verwijst naar artikel 132, 1/, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerde (hierna: de basiswet). Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om een tuchtrechtelijke inbreuk IX-5661-3/8 te sanctioneren met een berisping met inschrijving in het in artikel 146 bedoelde register voor tuchtsancties.
  11. De verwerende partij antwoordt dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat de Raad van State bij de toetsing van de redelijkheid van de opgelegde tuchtsanctie slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt en dat de Raad zich bij het beoordelen van die sanctie niet in de plaats van de tuchtoverheid mag stellen. Wat de feiten betreft, verwijst de verwerende partij uitdrukkelijk naar de vaststellingen opgetekend in het rapport aan de directeur. Zij stelt dat zich vanaf het begin tot het einde van het bezoek rond de persoon van de verzoeker problemen voor hebben gedaan, terwijl de verzoeker reeds verschillende malen werd aangesproken en verwittigd aangaande zijn gedrag in de bezoekzaal. De sanctie houdt volgens de verwerende partij verband met de aard en de omstandigheid van de tuchtrechtelijke inbreuk. De verzoeker kreeg geen algemeen bezoekverbod, maar behield de mogelijkheid om bezoek te ontvangen, evenwel achter glas. Het blanco tuchtrechte- lijk verleden van de verzoeker is onvoldoende om het kennelijk onrechtmatig karakter van een sanctie aan te tonen. De verwijzing naar de verklaring van de kwartierchef dat de verzoeker geen problemen stelt op de afdeling waar hij verblijft, doet geen afbreuk aan het storende en ongepaste gedrag van de verzoeker tijdens het bezoek. Ten slotte stelt de verwerende partij dat artikel 132, 1/, van de Basiswet van 12 januari 2005 niet kan worden ingeroepen aangezien het nog niet in werking is getreden.
  12. De verzoeker volhardt in zijn laatste memorie dat de opgelegde tuchtsanctie het evenredigheidsbeginsel schendt. Hij stelt dat hij enkel heeft toegegeven aan H., zijn vriendin en tevens een medegedetineerde, een kus te hebben gegeven, terwijl de tuchtsanctie mede gebaseerd is op de omstandigheid “dat hij in het verleden reeds herhaaldelijk werd gewezen op zijn gedrag”, wat hij evenwel steeds heeft ontkend en waar ook nergens melding wordt van gemaakt. De verzoeker stelt uit de bestreden beslissing niet te kunnen afleiden op grond van welke concrete feiten en omstandigheden hij werd gesanctioneerd. Hij herhaalt dat door de directie geen rekening werd gehouden met zijn blanco tuchtregister en de opmerkingen betreffende de verzoeker door de kwartierchef. IX-5661-4/8 Beoordeling
  13. In zoverre de verzoeker de voorlopige maatregel bekritiseert omdat niet is aangetoond dat hij de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar heeft gebracht, moet worden opgemerkt dat de verzoeker met zijn verzoekschrift de tuchtsanctie aanvecht, maar niet de voorlopige maatregel. In zoverre het middel gericht is tegen de voorlopige maatregel, moet het derhalve als onontvankelijk worden verworpen.
  14. In zoverre de verzoeker de schending aanvoert van artikel 132, 1/, van de basiswet dient te worden opgemerkt dat dit artikel nog niet in werking is getreden, zodat de verzoeker er zich niet kan op beroepen.
  15. Het komt in de eerste plaats aan de directeur van de gevangenis toe om te bepalen welke gedragingen van de gedetineerde als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen. Het komt eveneens aan de directeur toe om op basis van de weerhouden (tucht)feiten te bepalen welke tuchtsanctie dient te worden opgelegd. De Raad van State beschikt slechts over een marginale toetsings- bevoegdheid bij het beoordelen van de redelijkheid van de strafmaat. Dit betekent dat hij alleen die straf als strijdig met het evenredigheidsbeginsel kan bevinden die dermate buiten verhouding staat tot de zwaarte van de feiten dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen. De feiten waarvoor de verzoeker een tuchtsanctie kreeg, zijn omschreven in het rapport aan de directeur van 23 maart 2007, waaruit ook blijkt dat de verzoeker in het verleden herhaaldelijk werd aangesproken op zijn gedrag. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting van 26 maart 2007 geeft hij toe dat hij aan gedetineerde H. een kus heeft gegeven en dat hij wat ongedurig was. Vier dagen individueel regime, één maand glasbezoek plus twee maand glasbezoek met uitstel gedurende drie maanden kan gelet op de feiten misschien als streng worden aanzien, maar niet als onredelijk. De omstandigheid dat de verzoeker een blanco tuchtblad heeft, neemt niet weg dat hij in het verleden reeds herhaaldelijk werd aangesproken op zijn IX-5661-5/8 gedrag in de bezoekzaal. Het belet bovendien niet dat tegen een gedetineerde een tuchtsanctie wordt genomen. De verklaring van de kwartierchef dat de verzoeker geen problemen veroorzaakt op zijn sectie doet daar geen afbreuk aan. Het eerste middel dient te worden verworpen. B. Derde middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoeker roept de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen. De verzoeker verwijst eveneens naar de bepalingen betreffende de motivering in de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei
  17. De verzoeker laat gelden dat de feiten, zoals weergegeven in het rapport aan de directeur, in de bestreden beslissing niet bewezen zijn verklaard, met uitzondering van de door de verzoeker gegeven kus. De overige aan de verzoeker ten laste gelegde gedragingen waaronder het constant naar elkaar roepen en het communiceren via gebaren, heeft hij niet erkend of toegegeven. Het feit dat hij hieromtrent meermaals werd aangesproken, wordt door de verzoeker tijdens het verhoor tegengesproken. Dit wordt niet vermeld in de bestreden beslissing. De verzoeker stelt voorts dat de opgelegde tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten en dat, wat de opgelegde ordemaatregel betreft, zelfs iedere motivering ontbreekt.
  18. De verwerende partij laat in haar memorie van antwoord vooreerst gelden dat de ministeriële omzendbrief nr. 1777 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde niet als middel tot nietigverklaring kan dienen. Zij stelt voorts dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de toepasselijke artikelen van het Algemeen Reglement, met name de artikelen 81 en 82, overeenkomstig dewelke daden van ongehoorzaamheid tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd. In de motivering van de bestreden beslissing wordt zowel naar de verklaring van de verzoeker als naar het rapport aan de directeur verwezen, zodat de verzoeker op de hoogte is van de motieven van de beslissing tot het opleggen van de tuchtsanctie. De verwerende partij merkt op dat deze opgelegde IX-5661-6/8 straf niet de zwaarste in haar soort is, aangezien de verzoeker niet in de onmogelijk- heid verkeert om nog verder bezoek te ontvangen. Waar de verzoeker aanvoert dat de voorlopige maatregel niet werd gemotiveerd laat de verwerende partij gelden dat onderhavig annulatieberoep zich enkel uitstrekt tot de tuchtsanctie en niet tot de voorlopige maatregel, zodat een gebrek in de motivering van laatstgenoemde beslissing te dezen niet dienstig kan aangevoerd worden. Beoordeling
  19. In zoverre de verzoeker de voorlopige maatregel bekritiseert, moet opgemerkt worden dat de verzoeker met zijn verzoekschrift de tuchtsanctie aanvecht, maar niet de voorlopige maatregel. In zoverre het middel gericht is tegen de voorlopige maatregel, moet het als onontvankelijk worden verworpen.
  20. Het komt in de eerste plaats aan de directeur van de gevangenis toe om te bepalen welke gedragingen van de gedetineerde als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen. De Raad van State mag zich bij de beoordeling van de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, niet in de plaats stellen van de directeur. De Raad van State is derhalve enkel bevoegd om na te gaan of de tuchtoverheid op grond van de zorgvuldige feitenvinding naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. De verwerende partij heeft zich zowel gesteund op het rapport aan de directeur als op het verhoor van de verzoeker. In het rapport aan de directeur worden de feiten nauwkeurig omschreven en in het verhoor geeft de verzoeker toe dat hij een kus heeft gegeven aan H. en dat hij ongedurig was. De verwerende partij kon zich hierop steunen om de feiten als bewezen te verklaren. Het is niet vereist dat de verzoeker de feiten erkent of toegeeft vooraleer de tuchtoverheid ze als tuchtfeiten kan aanmerken op basis waarvan een sanctie wordt genomen. Het is noch onzorgvuldig, noch onredelijk van de verwerende partij om de betrokken feiten als bewezen te verklaren. Het middel dient te worden verworpen. IX-5661-7/8 BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep.
  22. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5661-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.846 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.