← België

Arrest 204850 - Tucht (openbaar ambt) - 07/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.850 Rolnummer: A. 169295/IX-6689 Zaak: Arrest 204850 - Tucht (openbaar ambt) - 07/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.850 van 7 juni 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 204.850 van 7 juni 2010 in de zaak A. 169.295/IX-6689 In zake: Roland VANCAUTHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE RADIO- EN TELEVISIEOMROEP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen ----------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 januari 2006, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van de algemeen directeur van de directie HR & Facility management van de Vlaamse Radio- en Televisieomroep van 10 november 2005, waarbij aan Roland Vancauthem de tuchtstraf wordt opgelegd van inhouding van wedde ten bedrage van 20 % van zijn brutoloon voor een periode van twee maanden met ingang van 1 december 2005, en waarbij wordt beslist dat “de ten onrechte uitbetaalde kostenstaat voor 22 juli 2005 zal worden teruggevorderd”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. IX-6689-1/8 Dat verslag werd aan de verwerende partij ter kennis gebracht op 6 augustus
  3. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. Op 9 december 2009 heeft de hoofdgriffier aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is toepassing gemaakt van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei
  4. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hadiel Holail, die loco advocaat Raf Jespers verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Jochen Honnay, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker is als onderhoudsassistent in dienst van de Vlaamse Radio- en Televisieomroep (hierna: VRT). IX-6689-2/8 3.
  7. Tijdens de maand juli 2005 is de verzoeker samen met een collega belast met onderhoudswerken aan technisch materiaal in de opnamestudio “Manhatten” te Wilsele. Op 22 juli 2005 brengen twee hiërarchische meerderen een werkbezoek aan de genoemde studio, maar zij treffen de verzoeker en zijn collega daar niet aan. Op 29 juli 2005 dient de verzoeker een kostennota in, die onder meer melding maakt van een opdracht te Wilsele op 22 juli 2005 van 7.00u tot 16.15u. Er worden kosten aangegeven voor “één maaltijd” ten bedrage van 9,37 euro, voor “kleine kosten” ten bedrage van 2,09 euro, voor verplaatsing ten bedrage van 16,19 euro en voor vervoer van materiaal ten bedrage van 6,00 euro. 3.
  8. Met een aangetekende brief van 19 oktober 2005 deelt de algemeen directeur van de directie HR & Facility management aan de verzoeker mede dat hij vanwege diens hiërarchische meerderen een dossier heeft ontvangen “in verband met al dan niet door [de verzoeker] geleverde arbeidsprestaties op 22 juli 2005”. Hij vermeldt dat “indien de beschrijving van de feiten in overeen- stemming is met de realiteit, [de verzoeker] zich schuldig [heeft] gemaakt aan schriftvervalsing op het vlak van aangifte van arbeidsuren en aangifte van kosten”. De algemeen directeur formuleert het voornemen om aan de verzoeker op grond van deze feiten de tuchtstraf van inhouding van wedde ten bedrage van 20% van zijn brutoloon voor een periode van twee maanden op te leggen. Aan de verzoeker wordt een termijn van vijftien kalenderdagen verleend vanaf de ontvangst van die brief om zijn opmerkingen en verweer mede te delen. De algemeen directeur stelt dat hij na afloop van de voormelde termijn een eindbeslissing zal nemen over “de eventuele tuchtsanctie en de terugvordering van eventueel ten onrechte uitbetaalde bedragen”. IX-6689-3/8 3.
  9. Op 24 oktober 2005 legt de verzoeker ten aanzien van de manager Gebouwen en Technische installaties van de VRT een verklaring af over de feiten. De verzoeker ondertekent de schriftelijke weergave daarvan op 28 oktober
  10. Op 27 oktober 2005 heeft een vergadering plaats over de beveiliging van de genoemde studio en wordt de “alarmlijst van 22/7” nagezien. Op 28 oktober 2005 legt de manager Gebouwen en Technische installaties aan de verzoeker en zijn collega het plan voor van het gebouw te Wilsele, waarin de genoemde studio is ondergebracht. De verzoeker en zijn collega duiden aan hoe zij op 22 juli 2005 zijn binnengegaan. Zij ondertekenen het desbetreffende stuk. 3.
  11. Met een aangetekende brief van 10 november 2005 deelt de algemeen directeur van de directie HR & Facility management aan de verzoeker mede: “[...] Gelet op het door mij op 19 oktober 2005 geformuleerde voornemen tot het opleggen van een tuchtstraf; Gelet op het door u op 24 oktober ondertekende ontvangstbewijs; Gelet op het feit dat u uw verweer heeft beperkt tot gesprekken met uw hiërarchie eind oktober 2005, gesprekken waarvan de inhoud werd weergege- ven in schriftelijke verslagen, door u ‘voor echt verklaard’ op 28 oktober 2005, dat u niet om een onderhoud met mij persoonlijk heeft verzocht, dat u niet om bijstand van een raadsman heeft verzocht; Gelet op de toepasselijke reglementering, de stukken van het dossier, de plannen van het gebouw waarvan u een kopie ontving, en de verslagen van de eind oktober 2005 met de hiërarchie gevoerde gesprekken; Overwegende dat Mede uit een verklaring van de eigenaar van het gebouw blijkt dat het onmogelijk is om ter plekke van Studio 3 naar de VRT studio (of omgekeerd) te gaan als het alarmsysteem op staat; dat doorgang van de ene naar de andere studio slechts kan op voorwaarde dat het alarmsysteem afstaat en de deur mechanisch ontgrendeld is met de sleutel en/of de grendel langs de binnenzijde; Uit onderzoek blijkt dat het alarm op 22 juli wel degelijk operationeel was aangezien er vanuit studio 1 alarmen zijn doorgestuurd naar de alarmmeldka- mer; Na 11.04 uur, het moment dat de producer Dirk Haegemans het gebouw verlaat en het alarm opzet, er geen enkel alarm afgegaan is, indien u binnen zou geweest zijn, had dit via de bewegingsdetectoren of deurcontacten aanleiding gegeven tot een alarm; In de zone van D&D productions waardoor u beweert te zijn gegaan het alarm opstond om 10.02 uur, tijdstip waarop de schoonmaakdame het gebouw verlaten heeft, zij het alarm terug wapende en daardoor alle zones terug beveiligde. U kan zich hierlangs onmogelijk na dit tijdstip verplaatst hebben, noch voor het betreden, noch voor het verlaten van het gebouw; IX-6689-4/8 Uit de verklaring van Dhr Haegemans blijkt dat op 22 juli 2005 de tussendeuren gesloten en de lichten in de studio gedoofd waren. Beslissing Aangezien uit de samenhang van alle gegevens van het dossier blijkt dat uw verklaringen niet in overeenstemming zijn met de realiteit, dat u arbeidsuren aangaf die u niet presteerde en een kostenstaat heeft opgemaakt voor prestaties die u niet leverde; Dat dit een ernstige beroepsfout uitmaakt, aangezien u een grote mate van zelfstandigheid heeft bij de organisatie van uw werk en de vertrouwensrelatie werkgever-werknemer door uw handelwijze ernstig wordt geschaad; Dat de voorgestelde strafmaat zeer redelijk is, aangezien uit de rechtspraak blijkt dat het afleggen van valse verklaringen omtrent de arbeidstijd en gemaakte kosten voldoende redenen zijn om een onmiddellijk ontslag zonder bijkomende vergoedingen te rechtvaardigen; Beslis ik mijn voornemen te bevestigen en u de volgende tuchtstraf op te leggen: de inhouding van wedde, ten bedrage van 20% van uw brutoloon, voor een periode van twee maanden, met ingang op 01 december
  12. De ten onrechte uitbetaalde kostenstaat voor 22 juli 2005 zal worden teruggevorderd. [...]” Deze brief vermeldt aldus de beide door de verzoeker bestreden beslissingen, namelijk enerzijds de beslissing tot het opleggen van de tuchtstraf van inhouding van 20% van het brutoloon voor een periode van twee maanden met ingang van 1 december 2005, en anderzijds de beslissing tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde kostenstaat voor 22 juli
  13. IV. Toepassing van artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies van het algemeen procedurereglement voor zover het beroep gericht is tegen de beslissing tot het opleggen van de tuchtstraf
  14. De auditeur-verslaggever besluit in haar verslag over de zaak tot de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van de directie HR & Facility management van de VRT van 10 november 2005 waarbij aan de verzoeker de tuchtstraf van inhouding van wedde ten bedrage van 20 % van zijn brutoloon voor een periode van twee maanden met ingang van 1 december 2005 wordt opgelegd. Luidens artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt in een versnelde rechtspleging voorzien indien noch de verwerende IX-6689-5/8 partij, noch degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, een verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld. De verwerende partij heeft te dezen geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De hoofdgriffier van de Raad van State heeft de verwerende partij medegedeeld, met toepassing van artikel 14quinquies van het genoemde besluit van de Regent van 23 augustus 1948, dat de kamer uitspraak zou doen over het beroep tot nietigverklaring, tenzij de verwerende partij binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verwerende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord.
  15. Er bestaat te dezen derhalve aanleiding om de beslissing van de algemeen directeur van de directie HR & Facility management van de VRT van 10 november 2005, waarbij aan de verzoeker de tuchtstraf van inhouding van wedde ten bedrage van 20 % van zijn brutoloon voor een periode van twee maanden met ingang van 1 december 2005 wordt opgelegd, te vernietigen. V. Ontvankelijkheid van het beroep voor zover het gericht is tegen de beslissing tot terugvordering van de kostenstaat voor 22 juli 2005
  16. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van de directie HR & Facility management van de VRT van 10 november 2005 om de kostenstaat voor 22 juli 2005 terug te vorderen. Zij betoogt dat het beroep in zoverre betrekking heeft op een geschil over burgerlijke rechten, waarvoor enkel de hoven en rechtbanken bevoegd zijn.
  17. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat voor zover de terugvordering integraal deel uitmaakt van de administratieve IX-6689-6/8 beslissing, het beroep ertegen wel degelijk ontvankelijk is. Volgens de verzoeker is het beroep “minstens [...] ontvankelijk teneinde te laten zeggen voor recht dat dergelijke beslissing met betrekking tot de kostenstaat in het kader van een administratieve beslissing in tuchtzaken de bevoegdheid van de VRT als administra- tieve tuchtinstantie te buiten gaat, daar het [...] een burgerlijk geschil betreft en de VRT bijgevolg verzoeker voor de burgerlijke rechter had moeten dagvaarden”. Beoordeling
  18. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht, waaromtrent het bestuur geen discretionaire maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit.
  19. Te dezen blijkt niet dat de verwerende partij bij het nemen van de beslissing tot terugvordering van verzoekers kostenstaat een discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend. Zij heeft slechts geoordeeld dat zij geen vergoeding verschuldigd is. Deze aangelegenheid kadert in de vaststelling van de rechten die de verzoeker op grond van zijn statuut tegenover de overheid kan laten gelden. Voor zover de verzoeker de nietigverklaring vraagt van de beslissing tot terugvordering van de kostenstaat voor 22 juli 2005, streeft hij dan ook de erkenning na van zijn subjectief recht op vergoeding van de in de bedoelde kostenstaat vermelde kosten. Betwistingen aangaande dergelijke beslissingen over subjectieve rechten worden door de hoven en rechtbanken beslecht. De verzoeker wijst geen wetsbepaling aan die de kennisneming ervan aan de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken zou onttrekken en aan de Raad van State zou toewijzen.
  20. De exceptie is gegrond. IX-6689-7/8 BESLISSING
  21. De Raad van State vernietigt de beslissing van de algemeen directeur van de directie HR & Facility management van de VRT van 10 november 2005 waarbij aan Roland Vancauthem de tuchtstraf wordt opgelegd van inhouding van wedde ten bedrage van 20 % van zijn brutoloon voor een periode van twee maanden met ingang van 1 december
  22. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  23. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Bert Thys IX-6689-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.