← België

Arrest 204878 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.878 Rolnummer: A. 195810/IX-6758 Zaak: Arrest 204878 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.878 van 7 juni 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 204.878 van 7 juni 2010 in de zaak A. 195.810/IX-6758 In zake : Rogier BRUGGEMAN wonend te Mechelen Sparrenstraat 21 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën Tussenkomende partij : Hubert Ruyssinckx bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Saeys kantoor houdend te Aalst Zwarte Zustersstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 maart 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: 1. de beslissing van het directiecomité van de FOD Financiën van 30 oktober 2009 houdende klassering zonder gevolg van het bezwaarschrift van de verzoeker en inhoudende de handhaving van zijn beslissing van 19 mei 2009 om Hubert Ruyssinckx voor te stellen voor een benoeming tot inspecteur bij de BBI te Antwerpen vanaf 1 december 1993; 2. alle beslissingen en besluiten van onbekende datum, reeds genomen of nog te nemen, volgend uit en steunend op de onder 1 bestreden beslissing en die erop neerkomen of inhouden dat Hubert Ruyssinckx met ingang van 1 december 1993 benoemd is of zou worden tot inspecteur bij de BBI te Antwerpen; 3. de in de hiervoor bedoelde akten vervatte beslissing om de verzoeker te weren uit de voornoemde betrekking. IX-6758-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een administratief dossier en een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Paul Saeys, die verschijnt voor de tussen- komende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Deze zaak vindt haar oorsprong in een benoemingsprocedure uit 1993 waarbij de verzoeker en de tussenkomende partij beiden kandideerden voor vacante betrekkingen van inspecteur bij een fiscaal bestuur (oude graad van rang 12). Hubert Ruyssinckx werd benoemd, de verzoeker niet. Bij arrest nr. 53.797 van 19 juni 1995 vernietigt de Raad van State de benoeming van Hubert Ruyssinckx wegens een procedurefout: de bevorderingsprocedure werd ten onrechte niet geschorst totdat er een definitieve beoordeling was toegekend aan de verzoeker. 3.2. Ingevolge de vernietiging van voornoemde benoeming en de motieven van die vernietiging besluit de verwerende partij de bevorderingsprocedu- IX-6758-2/15 re te hervatten waar ze was misgelopen, dit wil zeggen bij de vergelijking van de kandidaten door het College van dienstchefs. Op 19 december 1995 bespreekt het College van dienstchefs opnieuw de kandidaturen. Er wordt nu rekening gehouden met het signalement “zeer goed” dat intussen aan de verzoeker werd toegekend en bijgevolg wordt hij in de rangschikking naar anciënniteit op de eerste plaats gerangschikt. Toch adviseert het College Hubert Ruyssinckx voor te dragen en deze wordt bij koninklijk besluit van 16 september 1996 opnieuw benoemd tot inspecteur bij de BBI Antwerpen met ingang van 1 december 1993. De verzoeker vecht deze benoeming opnieuw aan bij de Raad van State die ze een tweede maal vernietigt bij arrest nr. 181.550 van 31 maart 2008 om reden dat de vergelijking van titels en verdiensten niet op regelmatige wijze was gebeurd. Meer bepaald steunde het voorbijgaan van verzoekers kandidatuur op een verwijzing naar het advies van de gewestelijk directeur waaruit niet bleek waarom deze de verzoeker niet geschikt achtte. 3.3. Ingevolge deze vernietiging herneemt de verwerende partij de procedure vanaf het punt van de vergelijking van de titels en verdiensten. In een nota aan het directiecomité van 31 juli 2008 wordt Hubert Ruyssinckx opnieuw voorgesteld terwijl de verzoeker minder geschikt wordt geacht voor de betrekking dan Hubert Ruyssinckx. Het directiecomité treedt dat voorstel bij tijdens zijn vergadering van 21 november 2008. Op 3 maart 2009 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen dat voorstel. 3.4. De procedure ligt dan enige tijd stil ingevolge de vernietiging, door het arrest Jacquij, nr. 190.425 van 13 februari 2009, van de samenstelling van het directiecomité van de FOD Financiën die tot gevolg had dat het directiecomité de benoemingsprocedure niet kon verderzetten. Op 13 mei 2009 herneemt de verwerende partij de benoemings- procedure die heeft geleid tot de initiële benoeming van Hubert Ruyssinckx, nu voor IX-6758-3/15 het vernieuwde directiecomité. In de nieuwe nota aan het vernieuwde directiecomité wordt de inhoud van de nota van 31 juli 2008 volledig hernomen. De keuze Hubert Ruyssinckx en het voorbijgaan van de verzoeker worden als volgt gemotiveerd: “

  1. b)Betrekking bij de BBI te Antwerpen De heer RUYSSINCKX, H., wordt met ingang van 1 december 1993 voorgesteld voor de betrekking bij de BBI te Antwerpen. Betrokkene heeft immers een zeer gunstig advies gekregen vanwege zijn hiërarchie voor de door hem gepostuleerde betrekkingen. Zo blijkt uit een omstandig advies van 6 september 1993 van de heer Adjunct-directeur bij de gewestelijke directie der directe belastingen te Gent dat betrokkene een goede kandidaat is voor een benoeming in de graad van inspecteur (oude graad). Er wordt immers gesteld : ‘De Hr. RUYSSINCKX is een ernstige en bekwame ambtenaar, die zich op lovenswaardige wijze inzet om de hem opgelegde taak te volbrengen. Hij is nauwgezet, heeft zin voor orde. Hij is een goede organisator. Hij werkte slechts korte tijd (als adj. verif.) op een controle voor particulieren. Hij werkte gedurende bijna 5 jaar als Hoofdcontroleur op de opsporingsinspectie Gent. Tijdens deze periode deed hij voldoende ervaring op en kreeg hij inzicht in de werking van de taxatiediensten voor particulieren. Voor het overige was hij van opsteller tot hoofdcontroleur tewerkgesteld op een controle voor vennootschap- pen. Hij werkte zelf zeer nauwgezet en slaagde erin zijn medewerkers te motiveren. Zijn oversten waren steeds tevreden over zijn bereikte resultaten. Hij oefent sinds een paar maanden op behoorlijke wijze de hogere functie uit van inspecteur te Aalst II (geschillen-vennootschappen). Hij slaagt er op zeer menselijke wijze in gezag uit te oefenen. lk ben van mening dat de hr. RUYSSINCKX H. een goed kandidaat is voor de betrekking van inspecteur bij de nieuwe dienst B.I.C.’ De heer Inspecteur A van de inspectie Aalst-Vennootschappen A heeft op 3 september 1993 eveneens een zeer positief advies gegeven : ‘Belanghebbende werd benoemd op 1.9.1985 als hoofdcontroleur bij de Opsporingsinspectie te Gent. Zijn inzet op deze dienst werd door iedereen gewaardeerd. Op 1 juni 1990 werd hij in dezelfde graad tewerkgesteld te Dendermonde Venn. Tijdens de periode dat ikzelf zijn hiërarchische meerdere was heb ik kunnen vaststellen : - dat hij deze controle op een goede manier verder heeft uitgebouwd, deze controle werd pas opgericht op 1.1.1988; - wat de materiële kant betreft is deze controle ordentelijk ingericht met zin voor orde en netheid; - de jonge personeelsleden werden door hem goed opgevangen, ttz. goed administratief maar ook op menselijk gebied; - staat permanent ten dienste van zijn controle precies of hij zijn eigen zaak zou runnen; - bij elk bezoek stel ik vast dat op deze controle goed gewerkt wordt, de aanwezige mensen werken met ijver en goedgezindheid; Deze goede geest is grotendeels aan zijn manier van handelen te danken; - Zelfs buiten de diensturen heeft hij reeds initiatieven genomen om de goede geest en positieve ingesteldheid van de controle te bewaren en nog te bevorderen; IX-6758-4/15 - te Aalst, Graanmarkt, waar hij de functie vervulde van inspecteur Aalst 2 (=geschillen vennootschappen) - van 16.3.1993 t.e.m. 31.8.1993 - heb ik kunnen vaststellen dat hij reeds initiatieven heeft genomen voor het bekomen van een betere lokatie en inrichting. Dit wil dus zeggen dat hij deze interim vervulde met een positieve ingesteld- heid en niet met het spijtige van zovelen van ‘laiser aller, laisser passer - het zal mijn tijd wel duren’. - Het mag gezegd worden dat hij persoonlijk een goede uitstraling heeft naar de buitenwereld. Ik wil dan ook concluderen dat dit iemand is die deze functie goed zal kunnen uitoefenen en dit nauwgezet, korrekt, menselijk en rechtvaardig.’ De waardering, aangehaald door de toenmalige heer inspecteur A van de inspectie Aalst-Vennootschappen A in zijn rapport van 3 september 1993, welke de heer RUYSSINCKX genoot binnen de Opsporingsinspectie Gent, wordt bevestigd in een schrijven van 1 september 1987 door de Opsporingsin- specteur te Gent : ‘ (...) De Hr. Ruyssinckx is een dynamisch, begaafd en toegewijd ambtenaar. Hij beschikt over een vlugge geest en een groot assimilatievermogen. Hij heeft zich dan ook op een korte tijd de hele problematiek verbonden aan de opsporingsdiensten eigen kunnen maken. Zonder de aspecten verbonden aan lichte fraude, of fraude van geringe omvang, uit het oog te verliezen weet hij wel onderscheid te maken en het accent te leggen op de gevallen van fraude die meer aandacht verdienen. Hij weet daar oordeelkundig het belang van in te schatten en de beschikbare tijd te meten in functie van dit belang. Specifiek in het domein van de opsporing weet hij een duidelijke scheidingslijn te trekken tussen voor de taxatiediensten nuttige gegevens en balast. Deze positieve instelling die gepaard gaat met een goede speurzin leiden vaak tot goede resultaten. Het ontwerp en de organisatie van het toezicht bij de bieruitzetters is een initiatief van hem en door hem op punt gesteld. Deze met niet geringe resultaten bekroonde actie werd zeer zorgvuldig voorbereid en grondig bestudeerd door vooraf enkele individuele onderzoeken uit te werken om via deze weg tot een klare taakomschrijving te komen bij het doorgeven van de opdracht aan de sectiebeambten. (...)’ De heer BRUGGEMAN, R., best gerangschikte kandidaat voor deze betrekking naar anciënniteit, wordt evenwel geacht minder geschikt te zijn dan de heer RUYSSINCKX. De redenen werden hierboven reeds aangehaald. Zo diende de heer Adjunct-directeur, de heer KEYMOLEN, met zijn schrijven van 4 oktober 1993 de toenmalige inspecteur te Antwerpen VIIA met de volgende opdracht te belasten: ‘Ingevolge een controle uitgevoerd door de Hr. Auditeur Six (B.I.C. cel) is gebleken dat de Controle vennootschappen 10de afd. (R. Bruggeman) de pre-selectielijst heeft opgesteld zonder de normen vastgesteld in de richtlijnen Dbr. CI.RH 81/451.023 d.d. 24.06.1993 en Cl. RH 81/451.023 d.d. 24.09.1993 te respecteren en uit te voeren. Hierbij wordt U uitgenodigd deze afdeling dringend te gelasten met het opstellen van een degelijke pre-selectielijst en de daarop gebaseerde selectie uit te voeren.’ Bovendien richtte de toenmalige Auditeur-generaal, de heer DELVAUX, op 20 oktober 1993 de navolgende dienstbrief aan de heer Gewestelijke IX-6758-5/15 directeur te Antwerpen I aangaande (het) toezicht op de uitvoering van de selectie van de dossiers - Controleperiode 1993-1994: ‘In het nr. 31 van de instr. 24.06.1993, Ci RH 81/451.023 betreffende de selectie van de dossiers voor de controleperiode 1993-1994 wordt de insp. A opgedragen de werkzaamheden i.v.m. die selectie en de grondige verificatie persoonlijk te leiden en van heel nabij te volgen. Tijdens het bezoek op 04.10.1993 van de B.I.C.-ambtenaren in de controles Antwerpen-ven. 10 en 13 is gebleken dat de selectie van de dossiers niet werd uitgevoerd op de wijze zoals voorgeschreven door de genoemde instr. In de controle Antwerpen-ven. 10 werd totaal geen preselectie of selectie uitgevoerd overeenkomstig de bedoelde instr., terwijl in de controle Antwer- pen-ven. 13 de preselectie correct werd uitgevoerd doch de selectie van de grondig te onderzoeken dossiers alleen op basis van de plaatselijke kennis werd uitgevoerd en niet op basis van de in de preselectie aangeduide criteria. Het is duidelijk dat, rekening houdend met de ter plaatse gedane vaststellingen, de voor de betrokken controles aan het hoofdbestuur toegezonden selec- tie-resultaten geen reflectie zijn van een overeenkomstig de instr. uitgevoerde selectie en dat hieromtrent door de betrokken Insp. A geen ernstig toezicht is uitgeoefend.’ Ik stel bijgevolg vast dat de heer BRUGGEMAN, door dergelijke tekortkomingen, de benoemende Overheid niet de nodige garanties kan bieden dat hij de functie van inspecteur, thans eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur, loyaal en met respect voor de voorschriften en reglementeringen zal uitoefenen of deze zal laten naleven door zijn onderge- schikten.” Op 19 mei 2009 sluit het directiecomité zich bij dat voorstel aan. 3.5. Op 25 juni 2009 dient de verzoeker opnieuw een bezwaarschrift in waarin hij onder meer stelt dat hij de argumenten van zijn eerste bezwaarschrift volledig hernomen acht; hij vraagt tevens om door het directiecomité te worden gehoord. In een nota van 10 september 2009 aan het directiecomité beantwoordt de administratie de bezwaren die de verzoeker in zijn beide bezwaar- schriften naar voor bracht. Daarin wordt onder meer het volgende gesteld: “De hr. BRUGGEMAN verwijst naar zijn aanvraag van 4 juni 2009 waarbij hij om afschriften verzocht van alle verslagen, hoe ook genoemd, van de ‘controle uitgevoerd door de hr. Auditeur SIX’, en van de verslagen opgesteld door de hr. SIX persoonlijk op 04 oktober 1993. Weerlegging: het Directiecomité heeft zich gebaseerd op de feiten zoals vermeld in het schrijven van de hr. KEYMOLEN, Adjunct-directeur, van 4 oktober 1993 en in de dienstbrief van de hr. DELVAUX, Auditeur-generaal, van 20 oktober 1993 om de titels en verdiensten van de hr. BRUGGEMAN te beoordelen. De hr. BRUGGEMAN brengt geen concrete elementen naar voor IX-6758-6/15 die erop zouden wijzen dat de in die brieven vermelde feiten niet correct zouden zijn, zodat een nader onderzoek zich niet opdringt.” Op 18 september 2009 wordt de verzoeker dan gehoord door het directiecomité. Naar aanleiding van dat onderhoud vraagt het directiecomité aan de administratie om bijkomende inlichtingen, wat leidt tot een bijkomende nota van de administratie van 22 oktober 2009, waarin staat te lezen: “Voorts wens ik op te merken dat, ook al blijft de hr. BRUGGEMAN verwijzen naar zijn verzoek om inzage en afschriften te krijgen van alle verslagen van de controle die ik uitgevoerd heb als Auditeur en van de verslagen die ik op 4 oktober 1993 zou hebben opgesteld en waarnaar zou worden verwezen in de ‘nota aan de leden van het directiecomité’, kenmerk Cp IN/420.283 van 31 juli 2008, dit niets verandert aan de feiten die hem ten laste worden gelegd. De heer Bruggeman brengt immers, alhoewel hij daartoe ruimschoots de tijd heeft gekregen, geen enkel concreet argument (aan dat) de gedane vaststellingen (zou) tegenspreken of (zou) aantonen dat ze niet correct waren. Zo had hij stukken kunnen voorleggen waaruit zou blijken dat hij een preselectielijst had opgesteld die wel degelijk de normen vastgesteld in de richtlijnen Dbr. CI.RH 81/451.023 d.d. 24.06.1993 en CI. RH 81/451.023 d.d. 24.09.1993 respecteerde en uitvoerde.” Op 30 oktober 2009 beslist het directiecomité dan dat het bezwaarschrift geen nieuwe elementen heeft aangebracht die ertoe nopen het oorspronkelijke voorstel te herzien. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.6. Bij koninklijk besluit van 21 februari 2010 wordt Hubert Ruyssinckx dan opnieuw benoemd tot inspecteur bij een fiscaal bestuur (rang 12) bij de BBI Antwerpen met ingang van 1 december 1993. IV. Tussenkomst 4. Met een op 2 april 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Hubert Ruyssinckx om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. IX-6758-7/15 V. Voorwerp van het beroep Standpunt van de partijen en beoordeling 5. Op het ogenblik waarop de verzoeker het onderhavige verzoek- schrift indiende bestond reeds het voornoemde benoemingsbesluit van 21 februari 2010. Het blijkt evenwel niet dat de verzoeker ervan op de hoogte was. Zoals de verwerende partij terecht aanvoert kan het verzoekschrift, wat zijn tweede voorwerp betreft, geacht worden gericht te zijn tegen dit besluit. 6. De verzoeker kan niet op ontvankelijke wijze zijn beroep richten tegen “nog te nemen beslissingen”. Dergelijk beroep is immers voorbarig en is zonder voorwerp. 7. De verwerende partij leest in het derde voorwerp de impliciete weigering om de verzoeker te benoemen. Zij voert aan dat de verzoeker geen belang heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van dergelijke weigering omdat de bestreden benoeming tot inspecteur een benoeming naar keuze is. De verwerende partij wordt gevolgd in haar zienswijze dat de verzoeker daarmee de impliciete weigering om hem te benoemen bedoelt. Terecht stelt zij dat de betrokken benoeming van inspecteur, nu eerstaanwezend inspecteur, dienstchef, een benoeming naar keuze is. Dit volgt uit artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën, en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel. 8. Het verzoekschrift is slechts ontvankelijk wat de beslissing van het directiecomité van de FOD Financiën van 30 oktober 2009 betreft, waarbij verzoekers bezwaarschrift werd verworpen en Hubert Ruyssinckx werd voorgesteld voor een benoeming tot inspecteur bij de BBI te Antwerpen vanaf 1 december 1993, (eerste voorwerp), en tegen het koninklijk besluit van 21 februari 2010 houdende de benoeming van Hubert Ruyssinckx tot inspecteur bij een fiscaal bestuur (rang 12) bij de BBI Antwerpen met ingang van 1 december 1993 (tweede voorwerp). IX-6758-8/15 VI. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de tussenkomende partij 9. De tussenkomende partij ontzegt de verzoeker het belang bij zijn beroep omdat hij niet bewijst dat hij voor die benoeming nog in aanmerking komt. Hij wijst erop dat de verzoeker het verloop van zijn loopbaan niet schetst sedert 1994. Hij voegt daaraan toe dat de verzoeker in 2008 afstand deed van zijn beroep in zoverre het gericht was tegen de benoeming van Karel Anthonissen zodat hij geen belang meer heeft bij de vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij daar hij door die afstand zijn kansen op benoeming heeft verminderd. Ten slotte stelt hij dat hij sedert 1 januari 1998 is gemuteerd naar het controlecentrum Aalst zodat de betrekking bij de BBI Antwerpen daardoor opnieuw vacant is geworden en de verzoeker zich daarvoor opnieuw kandidaat kan stellen. Gezien hij dat blijkbaar niet heeft gedaan en schijnbaar enkel de benoeming van de tussenkomende partij viseert, verliest hij volgens de tussenkomende partij zijn belang bij zijn beroep. Beoordeling 10. Vermits, zoals blijkt uit wat volgt, één van de grondvoorwaarden voor de schorsing niet is vervuld, wordt de exceptie niet onderzocht. VII. Onderzoek van de vordering 11. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6758-9/15 Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 12. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht en van het beginsel “actori incumbit probatio”. De verzoeker voert aan dat de feiten waarop werd gesteund om hem minder geschikt te verklaren, namelijk dat hij geen preselectielijsten zou hebben aangelegd zoals hem was opgedragen, niet bewezen zijn. Hij voegt daaraan toe dat hij nooit een verslag van auditeur Six heeft gezien en dat hij nooit kennis heeft kunnen nemen van de wijze waarop het onderzoek door auditeur Six werd gevoerd. 13. De verwerende partij antwoordt dat in de verslagen van adjunct- directeur Keymolen en auditeur-generaal Delvaux erop wordt gewezen dat de verzoeker geen selectielijst van de te controleren dossiers heeft opgesteld of minstens geen lijst die beantwoordt aan de gegeven instructies. Dit is een feitelijke vaststelling die nooit door de verzoeker werd betwist. Noch op het moment dat deze verslagen werden opgesteld noch nadien heeft de verzoeker beweerd, zo betoogt de verwerende partij, dat hij de lijsten wel had opgesteld of correct had opgesteld. Er is volgens haar dan ook geen reden om te twijfelen aan de feitelijke vaststellingen waarop de beoordeling van de kandidatuur van de verzoeker steunt. In voornoemde verslagen wordt verwezen naar de vaststellingen gedaan tijdens een bezoek van de BIC-ambtenaren op 4 oktober 1993 die mondeling werden meegedeeld aan de hiërarchische oversten van de verzoeker. Daarna hebben deze oversten schriftelijk de nodige instructies gegeven om de toestand te verhelpen. Wel werd er nadien op 22 oktober 1993 door de dienst BIC een samenvattende nota opgesteld met de opsomming van de ambtenaren bij wie tekortkomingen werden vastgesteld. IX-6758-10/15 Voornoemde verslagen van adjunct-directeur Keymolen en auditeur-generaal Delvaux werden tijdens de benoemingsprocedure letterlijk geciteerd en er werd geantwoord op de opmerkingen van de verzoeker. De aangevochten handelingen zijn dan ook afdoende gemotiveerd. 14. Ook de tussenkomende partij merkt op dat de verslagen van adjunct-directeur Keymolen en auditeur-generaal Delvaux letterlijk werden geciteerd in de stukken van de benoemingsprocedure en dat er werd geantwoord op de opmerkingen van de verzoeker. Beoordeling 15. Uit het administratief dossier blijkt dat de reden waarom de verzoeker minder geschikt wordt bevonden dan Hubert Ruyssinckx teruggaat op twee nota's van zijn hiërarchische oversten waarin zij schrijven dat uit een controle die is uitgevoerd door de dienst BIC bij onder meer de controle vennootschappen 10 te Antwerpen, op dat moment geleid door de verzoeker, blijkt dat in diens kantoor de preselectielijsten niet werden opgesteld zoals voorgeschreven in de richtlijnen. In de eerste nota geeft de adjunct-directeur opdracht aan de inspecteur die toezicht houdt op verzoekers kantoor, het nodige te doen opdat de selectie alsnog uitgevoerd wordt zoals voorgeschreven. De nota van auditeur-generaal Delvaux, die eveneens uitdrukkelijk melding maakt van de resultaten van het BIC-onderzoek onder andere in het kantoor dat door de verzoeker werd geleid, is gericht aan de gewestelijk directeur te Antwerpen en doet blijken van ongenoegen over de wijze waarop de instructies over de preselecties werden nageleefd door de verzoeker. Uit die nota blijkt eveneens dat er veel belang werd gehecht aan die preselectie daar er aan de inspecties A was opgedragen de werkzaamheden in verband met die (pre- )selectie, en de grondige verificatie van de geselecteerde dossiers persoonlijk te leiden en van heel nabij te volgen. Volgens de verzoeker kon de verwerende partij zich op die nota's niet steunen om verzoekers kandidatuur te beoordelen, omdat niet is bewezen dat de inhoud ervan met de werkelijkheid overeenstemt. Ter zitting preciseert de verzoeker dat hij op 4 oktober 1993 afwezig was wegens ziekte en dat hij niets afwist van de controle uitgevoerd door auditeur Six. IX-6758-11/15 Het op te lossen probleem is eenvoudig en het probleem van de bewijslast is dat ook. Vooreerst bestonden er duidelijke instructies betreffende het redigeren van de preselectielijsten. Vervolgens toont de verzoeker niet aan dat hij ooit, naar aanleiding van voornoemde instructies deze lijsten heeft opgesteld of laten opstellen. Hij legt desbetreffend geen stukken neer. Bijgevolg mag in redelijkheid besloten worden dat de verzoeker niet aantoont dat hij de preselectielijsten conform de gegeven instructies had opgesteld of laten opstellen, in zijn hoedanigheid van leidend ambtenaar. Hij zegt ook niet ter zitting dat hij dit wel heeft gedaan. Het aanbrengen van het bewijs dat hij wel de preselectielijsten heeft opgesteld komt aan de verzoeker toe. Dit bewijs levert de verzoeker niet. De vaststellingen die werden gedaan door de dienst BIC werden gedaan in “tempore non suspecto”. Uit het dossier blijkt niet en de verzoeker toont ook niet aan waarom voornoemde dienst onjuiste vaststellingen zou hebben gedaan en dan nog in een domein dat op dat moment volop in de actualiteit stond, vermits het ging om een nieuwe instructie op de naleving waarvan speciaal werd toegeke- ken. Er mag in redelijkheid en op het eerste gezicht dan ook van worden uitgegaan, bij gebrek aan elementen die het tegendeel aantonen, dat de in die nota's vermelde vaststellingen overeenstemmen met de werkelijkheid. Het tegenbewijs, zoals gezegd, moet door de verzoeker worden geleverd, vermits hij beweert dat de nota’s niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Zijn bewering vindt op het eerste gezicht geen steun in het administratief dossier. 16. Het eerste middel is niet ernstig. IX-6758-12/15 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 17. In een tweede middel, dat slechts in subsidiaire orde wordt aangevoerd, betoogt de verzoeker dat het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbe- ginsel en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Hij voert aan dat de dienst BIC in 1994 elke buitendienst van de administratie van de Directe Belastingen heeft bezocht en dat die actie er hoofdzakelijk op gericht was om de taxatiediensten de noties bij te brengen van selectie van de te controleren dossiers. Preselectie en selectie waren vanaf medio 1993 een “novum”. Daartegenover staat dat één enkele vaststelling, opgeklopt wordt tot een tekortkoming die aan de verzoeker ten laste wordt gelegd. 18. De verwerende partij merkt vooreerst op dat het middel onduidelijk is. Zij houdt verder voor dat in zoverre de verzoeker bedoelt dat in 1994 de selectie van dossiers zo nieuw was dat niet van hem kon worden verwacht dat hij als hoofd van een controlekantoor een lijst met geselecteerde dossiers zou samenstellen, evenwel duidelijk blijkt dat de instructie het opstellen van die lijsten oplegde. Al kan eventueel worden aangenomen dat er bij nieuwe instructies onduidelijkheden of misverstanden ontstaan over de wijze waarop ze dienen te worden uitgevoerd, het niet aannemelijk is, zo betoogt zij, dat er onduidelijkheid bestaat over het feit dat de nieuwe instructies moeten worden gevolgd en evenmin dat ambtenaren ze zomaar kunnen negeren. Zij voegt daaraan toe dat de dienst BIC niet alleen met bijstand maar ook met controle is belast en dus onregelmatigheden kan signaleren. Dit was zeker in casu het geval, nu de dienst BIC de taxatiekantoren bezocht om na te gaan of de instructies voor het opstellen van de selectielijsten wel correct werden toegepast en vaststelde dat die instructies niet werden uitgevoerd door de verzoeker. Zij besluit dat er dan ook bij de beoordeling van verzoekers kandidatuur terecht werd gesteld dat hij aldus verzuimd had een duidelijke dienstopdracht uit te voeren. 19. De tussenkomende partij beperkt zich ertoe op te werpen dat het middel niet duidelijk en om die reden niet ontvankelijk is. IX-6758-13/15 Beoordeling 20. Het middel moet op het eerste gezicht zo worden gelezen dat de verzoeker het onredelijk en onevenredig acht dat de vaststelling dat hij geen preselectielijsten zou hebben opgesteld overeenkomstig de opgelegde normen nadien werd gekwalificeerd als een professionele tekortkoming. Op het eerste gezicht is het niet kennelijk onredelijk te oordelen dat de verzoeker die de richtlijnen niet blijkt te hebben gevolgd bij het verrichten van de selectie van de te controleren dossiers als een tekortkoming te beschouwen. Zoals gezegd blijkt uit het dossier dat er veel belang werd gehecht aan die selectielijsten en aan de wijze waarop de selectie werd verricht. Het niet opvolgen van de daarover gegeven instructies kan dan ook op het eerste gezicht, in redelijk- heid als een tekortkoming worden aanzien. De schending van het gelijkheidsbeginsel wordt niet nader toegelicht en het middel is wat dat betreft op het eerste gezicht dan ook niet ontvankelijk. 21. Het tweede middel is niet ernstig. 22. Er is niet voldaan aan één van de schorsingsvoorwaarden. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. BESLISSING 1. Het verzoek van Hubert Ruyssinckx tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. IX-6758-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Daniël Moons IX-6758-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.878 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.