← België

Arrest 204894 - Onteigeningen - 08/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.894 Rolnummer: A. 190653/X-13995 Zaak: Arrest 204894 - Onteigeningen - 08/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Arrest nr 204.894 van 8 juni 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 204.894 van 8 juni 2010 in de zaak A. 190.653/X-13.

  1. In zake :
  2. Christian VAN DEN BOGAERT
  3. Sylviane COGELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Christian VAN DEN BOGAERT en Sylviane COGELS op 10 december 2008 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het ministerieel besluit van 25 augustus 2008 waarbij aan de nv Waterwegen en Zeekanaal machtiging tot onteigening wordt verleend volgens het plan C4/4418 voor onroerende goederen gelegen in de gemeente Mechelen (deelgemeenten Mechelen en Walem) voor de aanleg van gecontroleerd overstromingsgebied Grote Vijver”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 24 februari 2009 ingediend door de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL; X-13.995-1/4 Gelet op de beschikking van 14 mei 2009 die de tussenkomst van de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 20 april 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 mei 2010; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. COEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat K. BULKMANS, die loco advocaat S. VERNAILLEN verschijnt voor de verwerende partij en de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE DONCKER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. Krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, heeft de vrederechter, wanneer de onteigenaar de vordering tot onteigening bij hem heeft ingeleid, als opdracht de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid zowel op hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring X-13.995-2/4 van die handelingen, indien dat beroep is ingesteld door de onteigende. Deze bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben. Zij geldt ook voor het beroep tot nietigverklaring dat bij de Raad van State is ingesteld vooraleer de vrederechter werd geadieerd.
  5. Bij brief van 11 maart 2010 bezorgt de raadsman van de tussenkomende partij aan de Raad van State een vonnis van 25 februari 2010 van het vredegerecht van het kanton Mechelen waarin voor recht wordt gezegd dat de innemingen nrs. 7, 9 tot en met 27, 30 tot en met 32, 35 en 36, en 38 tot en met 53 zoals aangeduid op het onteigeningsplan C4/4418, gevoegd bij het bestreden besluit zijn onteigend in het voordeel van de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL en waarin het bedrag van de provisionele vergoeding wordt bepaald.
  6. De verzoekende partijen voeren ter terechtzitting aan dat de onteigeningsprocedure de rechten, gewaarborgd door de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: richtlijn 85/337/EEG), schendt, dat de vrederechter zich bij voornoemd vonnis van 25 februari 2010 ten onrechte reeds heeft uitgesproken in het voordeel van de onteigening en de argumenten geput uit de richtlijn 85/337/EEG ten onrechte heeft afgewezen, dat tegen voornoemd vonnis geen hoger beroep mogelijk is en de onwettigheid van de onteigening pas later in de procedure tot herziening voor de rechtbank van eerste aanleg kan aangevochten worden, dat evenwel dient gewacht te worden op het vonnis van de vrederechter waarbij het bedrag van de onteigeningsvergoeding wordt bepaald, dat dit vonnis nog meerdere maanden op zich kan laten wachten omdat de deskundigen hun verslag slechts eind juni zullen meedelen en dat er op dit ogenblik dan ook enkel de procedure voor de Raad van State is om de wettigheid van de onteigening aan te vechten zodat de Raad van State bevoegd blijft.
  7. De verzoekende partijen betwisten de inhoud van het vonnis van de vrederechter maar dit impliceert niet dat de Raad van State over de vereiste rechtsmacht beschikt. Bovendien heeft het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 75/93 van 27 oktober 1993 vastgesteld dat de procedure voor de vrederechter, met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot herziening voor de rechtbank van eerste aanleg, een gelijkwaardige rechtsbescherming biedt als de procedure voor de Raad van State. De uiteenzetting van de verzoekende partijen volstaat niet om X-13.995-3/4 bovenstaande conclusie te ontkrachten. De Raad van State is niet langer bevoegd om van het annulatieberoep kennis te nemen. Het beroep is bijgevolg niet ontvankelijk.
  8. Gezien de omstandigheden past het de kosten van het beroep ten laste te leggen van de verwerende partij. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2010, door: de H. Roger Stevens, kamervoorzitter, Mevr. Greta Scheveneels, griffier. De griffier, De voorzitter, Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.995-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.894 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.