← België

Arrest 204994 - Milieuvergunningen - 10/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.994 Rolnummer: A. 191188/VII-37315 Zaak: Arrest 204994 - Milieuvergunningen - 10/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-18 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 204.994 van 10 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 204.994 van 10 juni 2010 in de zaak A. 191.188/VII-37.315. In zake: 1. Carolina VAN LOEY 2. de VZW MC DE STROECKX VRIENDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 januari 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 13 november 2008 waarbij, eensdeels, het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 12 juni 2008 houdende uitspraak over het beroep van de VZW Natuurpunt Schijnvallei tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 tot vergunning, voor de duur van vijf jaar, aan de VZW MC De Stroeckx Vrienden van drie motorcrossweekends, inclusief oefenritten, op terreinen gelegen aan de Beemdkant en Uilenbaan te Wommelgem, wordt ingetrokken en, anderdeels, het beroep ingediend door de VZW Natuurpunt Schijnvallei tegen de voornoemde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing van 14 juni 2004 wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 193.279 van 14 mei 2009 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-37.315-1/22 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Bestuurssecretaris Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 15 april 2004 dient de VZW MC De Stroeckx Vrienden, de tweede verzoekende partij, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning om voor een termijn van tien jaar drie motorcrossweekends (inclusief oefenritten) te organiseren op terreinen gelegen langs de Beemdkant en de Uilenbaan te Wommelgem, kadastraal gekend Sectie B, perceelnrs. 83, 84 en 85. VII-37.315-2/22 Met de aanvraag beoogt de tweede verzoekende partij de verlenging te verkrijgen van de vergunning waarover zij de afgelopen vijf jaar beschikte krachtens het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 september 2003. 3.2. Op 14 juni 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem de gevraagde vergunning voor een termijn van vijf jaar. 3.3. Tegen deze beslissing wordt een administratief beroep ingesteld door de VZW Natuurpunt Schijnvallei. Dat beroep wordt bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 december 2004 ongegrond verklaard en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 wordt bevestigd. 3.4. De VZW Natuurpunt Schijnvallei stelt tegen het deputatiebesluit van 9 december 2004 een annulatieberoep in bij de Raad van State, dat uitloopt op het vernietigingsarrest nr. 179.347 van 7 februari 2008. 3.5. Na het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen. In het raam van de herneming worden opnieuw de reglementair voorgeschreven adviezen uitgebracht. 3.6. Op 12 juni 2008 verklaart de deputatie van de provincie Antwerpen het beroep gedeeltelijk gegrond, heft zij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 op en weigert zij de gevraagde milieuvergunning. Het besluit van 12 juni 2008 wordt op zijn beurt evenwel aangevochten bij de Raad van State met een annulatieberoep en een vordering tot schorsing (zaak A. 189.178/VII-37.229). De vordering tot schorsing wordt met het arrest nr. 189.327 van 8 januari 2009 verworpen omdat de deputatie inmiddels op 13 november 2008 het besluit van 12 juni 2008 heeft ingetrokken en een nieuwe beslissing heeft genomen waarbij de vergunning andermaal wordt geweigerd. 3.7. Het nieuwe besluit van 13 november 2008 vormt het voorwerp van voorliggend annulatieberoep. VII-37.315-3/22 De voornaamste motieven van het bestreden besluit luiden als volgt : "Overwegende dat, zoals omstandig gemotiveerd in het besluit van 12 juni 2008, de omloop geen bestaande inrichting betreft: Vermits Vlarem II geen specifieke definitie heeft met betrekking tot bestaande omlopen voor motorcrossvoertuigen, dient de algemene definitie toegepast. Er kan dienaangaande enkel worden vastgesteld dat de omloop op 1.1.1993 niet over een vergunning beschikte. De verleende machtigingen die dateren van voor 1993, betroffen immers steeds maar vergunningen voor één enkele dag om op die locatie een wedstrijd te houden. D.w.z. dat de vergunning de dag erna verliep en op dat moment kon men uiteraard niet meer spreken van een bestaande inrichting omdat ze op dat moment ook niet meer vergund was. Bovendien werden deze vergunningen voor een tijdelijke inrichting toen stelselmatig door de deputatie in graad van beroep opgeheven. Voorliggende inrichting kan dus conform de bepalingen van Vlarem wel degelijk niet als een bestaande inrichting beschouwd worden; Overwegende dat betreffende de van toepassing zijnde afstandsregels van Vlarem, uitgaande van de plannen gevoegd bij het dossier en de documenten bekomen van de heer Geelen (tengevolge een overleg met het provinciebestuur op 20 augustus 2008), is gebleken dat de omloop, zoals gesitueerd op het plan horende bij de aanvraag wel degelijk gelegen is op een afstand van minimaal 500 m. van het erkende natuurreservaat, zodat inderdaad voldaan wordt aan de afstandsregels van Vlarem; dat het ongunstig advies van de AMV terzake, niet afdoende onderbouwd is en wat dit punt betreft dan ook niet kan gevolgd worden; Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Antwerpen, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat de exploitatie van de gevraagde inrichting evenwel principieel in strijd is met de gewestplanvoorschriften; dat het, zoals het ARO in haar advies dd. 9 mei 2008 stelt, inderdaad zo is dat artikel 145 sexies van het Decreet Ruimtelijke Ordening sinds de decreetswijziging van 22 april 2005 toelaat dat in alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming, ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik; dat een belangrijke voorwaarde evenwel is dat de impact beperkt is en de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang wordt gebracht; dat de deputatie van mening is dat dit artikel dient gezien als een afwijkingsmogelijkheid ten opzichte van de gewestplanbestemming, maar zeker niet kan beschouwd worden als een recht in hoofde van de vergunningsaanvrager; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier, waaronder het advies van de afdeling Natuur dd. 12 maart 2008 en het advies van AMV dd. 1 april 2008, blijkt dat de omloop duidelijk waarneembaar is in het terrein, alsook de talrijke springheuvels; dat hierdoor het agrarisch gebruik van de gronden onderdrukt wordt en meer bepaald ondergeschikt is aan het gebruik van het terrein voor motorsportwedstrijden; dat het terrein meer en meer op een permanente omloop begint te lijken; dat er (...) dus gesteld (kan) worden dat de realisatie van de algemene bestemming van het gebied waarin de omloop zich situeert in de praktijk wel degelijk in het gedrang komt; Overwegende dat er daarnaast ook nog de verstorende invloed is van een dergelijke luidruchtige ontspanningsinrichting of activiteiten op de omgeving; dat zoals de Afdeling Natuur aangeeft in haar advies er tijdens de VII-37.315-4/22 exploitatieduur van de omloop onmiskenbare negatieve repercussies zijn met betrekking tot o.m. geluid op de aangrenzende natuurgebieden in het algemeen, en op het erkend natuurreservaat 'De Schijnvallei' in het bijzonder, zodat de duurzame invulling van de bestemming ook van deze gebieden door de gevraagde activiteit(

  1. en)in het gedrang komt; Overwegende dat zelfs indien alle infrastructuurvoorzieningen na elke crossactiviteit zouden verwijderd worden, niet ontkend kan worden dat deze crossactiviteiten een negatieve invloed hebben op de nabije omgeving; dat deze negatieve impact des te zwaarder wordt geacht op natuurgebieden en -reservaten, die alle ontwikkelingskansen dienen te krijgen, zodat gelet op de onmiddellijke nabijheid ervan, gesteld wordt dat de aangevraagde crossactiviteiten op deze locatie niet wenselijk zijn; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieu- vergunningsvoorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er gelet op het voorgaande bijgevolg aanleiding toe bestaat om enerzijds het verzoek tot intrekking van het besluit dd. 12 juni 2008 in te willigen en anderzijds het ingediende beroep gedeeltelijk (ge)grond te verklaren, het schepencollegebesluit op te heffen en de vergunning te weigeren". IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de eerste verzoekster niet beschikt over de vereiste hoedanigheid aangezien de met het bestreden besluit geweigerde milieuvergunning niet door haar werd aangevraagd en de weigeringsbeslissing evenmin tot haar gericht is. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en van het materiële motiveringsbeginsel. VII-37.315-5/22 De verzoekende partijen betogen dat in het bestreden besluit gesteld wordt dat de inrichting geen "bestaande inrichting" is in de zin van artikel 1.1.2 van Vlarem II, daar de motorcrossomloop op 1 januari 1993 niet vergund was zodat de afstandsregels vermeld in artikel 5.32.10.2 van Vlarem II erop van toepassing zijn, terwijl de inrichting wel degelijk een bestaande inrichting is die tevens voldoet aan de in Vlarem II vastgestelde afstandsregels. Het middel wordt als volgt toegelicht : "Volkomen onnodig onderzoekt de verwerende partij in de bestreden beslissing de vraag of de inrichting waarvoor de vergunning gevraagd werd, een bestaand motorcrossterrein is. De onnodigheid van dit onderzoek ligt in de toepassing van artikel 5.32.10 VLAREM II. Dit artikel bepaalt daarbij zekere te respecteren verbods- en afstandsregels voor omlopen die niet als bestaande omlopen moeten beschouwd worden. Het staat vast dat verzoekende partij aan deze afstandsregels voldoet. Dit werd in een eerdere procedure voor Uw Raad stellig ontkend door verwerende partij, totdat Eerste Auditeur Lancksweerdt bevestigde dat verzoekende partij de afstandsregels respecteert: 'Kort samengevat : verzoekers brengen een plan bij waaruit blijkt dat de omloop op meer dan 500 meter van het natuurgebied ligt, de verwerende partij brengt niets bij waaruit het tegendeel blijkt. Voortgaande op de gegevens waarover wij thans beschikken blijkt het eerste middel een voldoende graad van ernst te vertonen'. Bijgevolg heeft verwerende partij dit gegeven aanvaard, wat ook expliciet gesteld wordt in het bestreden besluit: 'Overwegende dat betreffende de van toepassing zijnde afstandsregels van Vlarem, uitgaande van de plannen gevoegd bij het dossier en de documenten bekomen van de heer Geelen (tengevolge een overleg met het provinciebestuur op 20 augustus 2008), is gebleken dat de omloop, zoals gesitueerd op het plan horende bij de aanvraag wel degelijk gelegen is op een afstand van minimaal 500m. van het erkende natuurreservaat, zodat inderdaad voldaan wordt aan de afstandsregels van Vlarem'; Met andere woorden staat dus overduidelijk vast dat verzoekende partij aan art. 5.32.10.2 § 1 VLAREM II voldoet. Krachtens art. 5.32.10.2 § 4 VLAREM II gelden deze verbods- en afstandsregels enkel voor terreinen die niet kunnen beschouwd worden als een bestaande inrichting: '§ 4. De verbodsbepalingen van § 1 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan. Voor de bestaande inrichtingen die niet beantwoorden aan deze verbodsbepalingen moet er een evenwicht bestaan tussen de dagen in de weekends met ingedeelde activiteiten en de dagen in de weekends zonder ingedeelde activiteiten. Dit evenwicht houdt in dat op maandbasis het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen met ingedeelde activiteiten niet hoger mag zijn dan het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen zonder ingedeelde activiteiten. De vergunningverlenende overheid kan met het oog op het algemeen belang en in functie van de lokale omgevingsfactoren voor het voormelde evenwicht op maandbasis een alternatieve regeling in de milieuvergunning inschrijven mits deze alternatieve regeling gelijkwaardige waarborgen biedt voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu'. VII-37.315-6/22 Aangezien verzoekende partij voldoet aan de algemene regel van art. 5.32.10.2 VLAREM II -zoals expliciet toegegeven door verwerende partij- was er voor de verwerende partij geen enkele reden om te onderzoeken of de verzoekende partij al dan niet moet worden beschouwd als een bestaande inrichting. Nochtans is dit wat verwerende partij toch doet in het bestreden besluit. Het bestreden besluit meent dat de inrichting van de verzoekende partij geen 'bestaande inrichting' zou zijn : 'Er kan dienaangaande enkel worden vastgesteld dat de omloop op 1.1.1993 niet over een vergunning beschikte. De verleende machtigingen die dateren van voor 1993, betroffen immers steeds maar vergunningen voor één dag om op die locatie een wedstrijd te houden. D.w.z. dat de vergunning de dag erna verliep en op dat moment kon men uiteraard niet meer spreken van een bestaande inrichting omdat ze op dat moment ook niet meer vergund was. Bovendien werden deze vergunningen voor een tijdelijke inrichting toen stelselmatig voor de deputatie in graad van beroep opgeheven. Voorliggende inrichting kan dus conform de bepalingen van Vlarem wel degelijk niet als een bestaande inrichting beschouwd worden'. Het begrip bestaande inrichting wordt gedefinieerd in artikel 1.1.2 VLAREM II. Deze definitie is in het middel vermeld. Omtrent het citaat uit de bestreden beslissing moeten 2 elementen vastgesteld worden : ÷ Het citaat onderzoekt of voldaan is aan de uitzonderingsbepaling (m.n. of verzoekende partij een 'bestaande inrichting' is), terwijl het besluit reeds vastgesteld heeft dat verzoekende partij aan de algemene regel voldoet (m.n. zij respecteert de afstandsregels). Op basis van haar vaststelling dat verzoekende partij geen 'bestaande inrichting' is, kan sowiezo niet besloten worden om de vergunning te weigeren, juist omdat er aan de afstandsregels voldaan is. Bijgevolg is art. 5.32.10.2 VLAREM reeds gerespecteerd. Dit houdt op zich al een schending in van het materieel motiveringsbeginsel. ÷ Het citaat licht niet toe waarom het feit de inrichting vóór 1 januari 1993 niet over een vergunning beschikte, als voldoende moet worden beschouwd om de inrichting als een niet-bestaande inrichting te catalogeren (er zijn in art. 1.1.2 VLAREM II nog een aantal andere situaties omschreven voor bestaande inrichtingen). Dit op zich is reeds een motiveringsgebrek en een schending van de in het middel aangehaalde bepalingen, die de schorsing en de vernietiging van de bestreden beslissing toelaat. De verzoekende partijen willen in elk geval benadrukken dat de aangevraagde inrichting wel degelijk (...) een bestaande inrichting is in het licht van art. 1.1.2 VLAREM II. Er bestonden op 1 januari 1993 immers minstens 2 machtigingen om op het betrokken perceel een motorsportevenement in te richten : ÷ Op 23 juni 1992 verleende het College van Burgemeester en Schepenen van Wommelgem de milieuvergunning om een motorcrosswedstrijd in te richten op 27 september 1992. De organisatie van deze wedstrijd werd verschoven naar 13 september 1992 en ook toen gehouden. Weliswaar werd deze vergunning bij besluit van 17 september 1992 door de Bestendige deputatie opgeheven ingevolge beroep van de Gouverneur, maar de conclusie is onontkoombaar dat op 13 september 1992 een wedstrijd werd gehouden die op dat ogenblik vergund was. De verzoekende partijen wijzen er op dat een opheffing van een administratieve rechtshandeling louter ex nunc werkt: VII-37.315-7/22 'De opheffing van een administratieve rechtshandeling is de impliciete of uitdrukkelijke rechtshandeling waarbij een administratieve overheid aan de handeling die zij heeft verricht, voor de toekomst haar gelding ontneemt, zodat de rechtsgevolgen van die handeling voor het verleden blijven bestaan. De opheffing geschiedt, in tegenstelling tot de vernietiging en de intrekking, ex tunc; zij geldt enkel voor de toekomst'. (...) ÷ Op 12 september 1992 werden er op het terrein geleide motorsportoefeningen gehouden (evenzeer een motorsportorganisatie) waarvoor de vergunning verleend was door het College van Burgemeester en schepenen van 23 juni 1992 en waarvoor de Gouverneur van de provincie Antwerpen de inrichter uitdrukkelijk machtigde bij schrijven van 28 juli 1992. De inrichting van de verzoekende partijen moest derhalve gekwalificeerd worden als een 'bestaande inrichting'. Door te stipuleren dat de inrichting van de verzoekende partijen geen bestaande inrichting is, vergist de bestreden beslissing zich en zijn de in het middel aangehaalde bepalingen geschonden". 6. In de toelichtende memorie voegen de verzoekende partijen aan hun betoog toe dat zij kunnen instemmen met het schorsingsarrest nr. 193.279 van 14 mei 2009 waarin geoordeeld wordt dat de in het middel bekritiseerde motieven niet wezenlijk zijn voor de genomen beslissing gelet op het feit dat de afstandsregels in elk geval gerespecteerd worden. Nochtans wensen zij geen enkele twijfel te laten bestaan over het bestaand karakter van de inrichting en storen zij zich aan het feit dat de verwerende partij dienaangaande onnodig twijfel meent te moeten creëren. Beoordeling 7. Het middel verwijt de verwerende partij dat zij de betrokken motorcrossomloop als een niet-bestaande inrichting in de zin van artikel 1.1.2 van Vlarem II heeft aangemerkt, terwijl die kwalificatie geheel zonder reden is aangezien de omloop toch aan alle afstandsregels voldoet. De omloop in kwestie voldoet inderdaad aan de reglementaire afstandsregels die voor niet-bestaande omlopen in artikel 5.32.10.2, § 1, van Vlarem II zijn vastgelegd, doch de vergunning is aan de tweede verzoekende partij geweigerd om een andere reden dan het niet-vervullen van deze afstandsregels. Dat de verwerende partij in het bestreden besluit desondanks uiteengezet heeft waarom de omloop volgens haar als een niet-bestaande omloop beschouwd moet worden, is dan ook een overweging die niet wezenlijk is om het bestreden besluit te schragen. De gebeurlijke onjuistheid van de stellingname van het bestuur op dat vlak kan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. VII-37.315-8/22 Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede en derde middel Uiteenzetting van de middelen 8. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van artikel 145sexies, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) en van het materieel motiveringsbeginsel. De verzoekende partijen betogen dat artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. ingevoerd is om de organisatoren van onder meer gemotoriseerde sporten, door in de mogelijkheid te voorzien van een zonevreemde milieuvergunning , "een rechtszekere basis te geven" en dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de nieuwe decretale regeling zelfs uitdrukkelijk werd verwezen naar haar organisatie zodat voormeld artikel als het ware op maat van het motorcrossterrein te Wommelgem gemaakt is. Het tweede middel wordt voorts als volgt toegelicht : "De toepassing van artikel 145sexies § 2 DRO vereist: ´ Handelingen van sociaal-culturele of recreatief medegebruik. Daaromtrent lijkt geen discussie te bestaan: de aangevraagde activiteit is recreatief. ´ Handelingen van een beperkt impact die de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt. Hierna wordt het vervullen van deze voorwaarden onderzocht. (...) Beperkte impact op de realisatie bestemming Het bestreden besluit stelt terzake: 'Overwegende dat uit de gegevens van het dossier, waaronder het advies van de afdeling Natuur dd. 12 maart 2008 en het advies van AMV dd. 1 april 2008 blijkt dat de omloop duidelijk waarneembaar is in het terrein, alsook de talrijke springheuvels; dat hierdoor het agrarisch gebruik van de gronden onderdrukt wordt en meer bepaald ondergeschikt is aan het gebruik van het terrein voor motorsportwedstrijden; dat het terrein meer en meer op een permanente omloop begint te lijken; dat er dus kan gesteld worden dat de realisatie van de algemene bestemming van het gebied waarin de omloop zich situeert in de praktijk wel degelijk in het gedrang komt'. De verzoekende partijen zullen hierna aantonen dat deze vaststelling: ´ Feitelijk niet juist is, minstens dat (...) de waarheid van deze vaststelling niet voldoende bewezen is om er één enkel motief op te baseren. ´ Niet afdoende is om tot de conclusie te komen dat art. l45sexies § 2 DRO niet kan worden toegepast. VII-37.315-9/22 (A) Het uitgangspunt is feitelijk onjuist, minstens is de feitelijke juistheid niet voldoende bewezen Om te besluiten tot de algemene bestemming van het gebied wel in het gedrang komt, is gebaseerd op de enkele motivering dat de omloop duidelijk waarneembaar is in het terrein alsook de talrijke springheuvels. De verzoekende partijen betwisten deze vaststelling ten stelligste: het terrein wordt wel degelijk door landbouwers gebruikt. In elk geval is er geen enkel bewijs dat de tegenovergestelde conclusie toelaat, zodat het motief in feite niet correct is. De verzoekende partijen zullen toelichten dat geen enkel element in het dossier of de uitbating van de verzoekende partijen deze vaststelling toelaat. De verwerende partij maakt deze vaststelling op basis van het advies van de afdeling Natuur en het bestuur AMV. Terzake overweegt het deze adviezen: - Het advies AMV: 'uit een plaatsbezoek blijkt dat de rijpistes in het terrein zichtbaar zijn en niet overeenstemmen met de plan van de vergunningsaanvraag' - Het advies afdeling Natuur: 'zo is de omloop duidelijk waarneembaar in het terrein, alsook de talrijke springheuvels'. De verzoekende partijen weten niet waarop deze vaststellingen gebaseerd zijn. Er is in het dossier geen verslag te vinden van het plaatsbezoek voor de dienst AMV en het is al helemaal niet duidelijk waarop de afdeling Natuur haar bevinding baseert. De verzoekende partijen vrezen dat er allicht personen van de adviserende instantie het terrein bezocht hebben in een korte periode nadat één van de drie wedstrijden georganiseerd zijn, en waarbij de landbouwgewassen (vnl. gras) de rijpiste nog niet begroeid hebben. De verzoekende partijen willen onderlijnen dat zij het terrein na elke wedstrijd opnieuw in 'landbouwtoestand' stellen, d.w.z. dat: - alle inrichtingen noodzakelijk voor de inrichting van een wedstrijd (omheining, inrichting rennerspark, bezoekerstent, starthekken, officialtent etc) telkens opnieuw verwijderen. De verzoekende partijen wijzen er op dat de 'vaststellingen' van AMV en Natuur geen melding maken van enige vaste inrichting. - het terrein terug geëgaliseerd wordt. Bovendien laten de verzoekende partijen het gebruik van het terrein in de periodes dat er geen wedstrijden zijn over aan een bevriend landbouwer, die het terrein inzaait en het gebruikt als gras- of hooiland, naargelang de behoefte. De verzoekende partijen betwisten dat het terrein zou gebruikt worden als een permanente omloop. Uitgezonderd de wedstrijden 3 x per jaar, rijdt er op dit terrein geen motorfiets. De verzoekende partijen wijzen er op dat er geen enkele vaststelling in het dossier terug te vinden is (en deze bestaat ook niet) waaruit blijkt dat het terrein zou gebruikt worden als motorcrossterrein buiten de vergunde wedstrijden. Daarbij zal de Raad van State in herinnering willen houden dat uit de eerdere procedures die omtrent de vergunningen van de verzoekende partijen gevoerd zijn voor uw Raad, duidelijk is dat het gebruik van het terrein voor de motorsport onder het vergrootglas ligt van de natuurvereniging Natuurpunt Red de Schijnvallei. Dergelijke controle zou meebrengen dat als het terrein verkeerd zou gebruikt worden er daaromtrent zeker processen-verbaal of vaststellingen zouden bestaan. De afwezigheid van dergelijke vaststellingen toont op zich aan dat het terrein niet als een permanent terrein gebruikt wordt, doch enkel tijdens de vergunde organisaties 3 x per jaar. De conclusie is duidelijk : het gehanteerde motief is feitelijk onjuist, minstens is de feitelijke juistheid van dit motief niet voldoende bewezen op basis van de gegevens in het dossier. Daarbij moet onderlijnd worden dat dit VII-37.315-10/22 motief het enige motief is om te concluderen dat artikel l45sexies § 2 DRO niet kan worden toegepast. Als dit het enige motief is, dan moet de feitelijke juistheid van dit motief ook onmiskenbaar zijn en boven elke twijfel verheven. Indien er de minste twijfel rond bestaat, mag het niet als enig motief dienen om deze conclusie te trekken. (B) Het motief is niet afdoende Zelfs indien de feitelijke vaststelling correct zou zijn (m.n. dat in het terrein nog steeds de omloop zichtbaar zou zijn) dan is de vraag of dit afdoende is om de toepassing van artikel l45sexies § 2 DRO te weigeren. De voorwaarde in kwestie is dat het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik de realisatie van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. De vraag die zich derhalve stelt is de zichtbaarheid van de omloop in het terrein buiten de periodes van de wedstrijd, de realisatie van de algemene bestemming van het gebied in het gedrang brengt. Deze vraag wordt niet onderzocht aangezien het bestreden besluit zich daaromtrent enkel beperkt tot het terrein waarop de wedstrijd georganiseerd, terwijl het agrarisch gebied waartoe het terrein hoort veel groter is dan dit enkele terrein. Dit onderzoekt de bestreden beslissing niet (hetgeen op zich reeds een motiveringsgebrek uitmaakt) doch bovendien is duidelijk dat gelet op het uitgestrekt karakter van het agrarisch gebied waarvan het terrein deel uitmaakt en het feit dat het terrein slechts een klein onderdeel is van dit gebied, de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang kan komen. De verzoekende partijen brengen een uittreksel van het gewestplan Antwerpen bij (...). Dit toont dat het terrein: - Onderdeel is van een uitgestrekt agrarische gebied. - Eerder aan de rand van dit agrarisch gebied ligt. - Omgeven is door een amalgaam van gebieden gaande van industriegebied, openbare infrastructuur (autosnelweg E313), gebied voor gemeenschaps- voorzieningen, natuurgebied en militair gebied. Het is onmogelijk dat het organiseren van 3 motorcrosswedstrijden per jaar op dit terrein de algemene bestemming van dit gebied in het gedrang brengt. Terzake willen de verzoekende partijen onderlijnen dat op het terrein slechts zéér sporadisch crossactiviteiten georganiseerd worden (ca. 3 weekends per jaar). De voorbereidende werken van art. 145 sexies § 2 stellen in dit kader letterlijk: 'De impact kan beperkt zijn door (niet limitatief): - het beperkte ruimtebeslag (dat geldt bijvoorbeeld voor lijnvormige infrastructuren, zoals wandelwegen, ruiterpaden en fietspaden of infrastructuur met een kleine oppervlakte, zoals een picknicktafel, een zitbank, een informatiebord); - de tijdelijkheid van de ingreep (zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehouden); - de afwezigheid van weerslag op het terrein (zoals bij het overvliegen van een agrarisch gebied met modelvliegtuigen, of het waterskiën op een zone voor waterweg)'. De voorbereidende werken geven dus woordelijk aan dat er in dit geval slechts sprake kan zijn van een beperkte impact! Derhalve schendt de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen, door haar onderzoek tot het terrein te beperken en niet de algemene bestemming van het gebied te onderzoeken en daarnaast geen rekening te houden met het uitgestrekt karakter van het gebied, de ligging van het terrein in dit gebied en de omgeving van dit gebied. Maar tenslotte is de bestreden beslissing nog op een derde punt niet afdoende. De beslissing stelt dat het agrarisch gebruik van het perceel onderdrukt wordt en ondergeschikt is aan het gebruik van het terrein voor VII-37.315-11/22 motorsportwedstrijden. Niet alleen betwisten de verzoekende partijen dit, doch naar het oordeel van de verzoekende partijen is dit onvoldoende om te besluiten dat de algemene bestemming van het gebied in het gedrang komt. Uit de bestreden beslissing kan afgeleid worden dat de verwerende partij van oordeel is dat landbouw op het terrein niet onmogelijk is, maar in realiteit niet wordt uitgeoefend. Dit houdt in dat de inrichting van concluante landbouw mogelijk blijft, zodat de realisatie van de algemene bestemming niet in gedrang wordt gebracht. De aangevraagde inrichting laat derhalve (toe) dat de bestemming landbouw nog steeds kan gerealiseerd worden. Aangezien de bewering dat de activiteiten een grote negatieve impact hebben op de realisatie van de bestemming van het gebied, niet overeenstemt met de feitelijke werkelijkheid en aangezien de overweging de conclusie niet toelaat dat de algemene bestemming van het gebied in het gedrang wordt gebracht, schendt het bestreden besluit de in het middel aangehaalde bepalingen. Deze conclusie kan enkel maar aan kracht winnen door de vaststelling dat de verwerende partij zelf in het verleden -toen er zelfs geen decretale afwijkingsmogelijkheid bestond- in de zonevreemdheid geen graten zag (...)". 9. In de toelichtende memorie laten de verzoekende partijen bijkomend gelden dat er geen zekerheid is omtrent het ogenblik waarop de foto's, die naar aanleiding van de schorsingsprocedure aan het dossier werden toegevoegd, genomen zijn, dat de sporen van een wedstrijd zich, zelfs in een geteeld gewas, nog enige tijd aftekenen en dat de jaarlijkse motorcrosswedstrijden zo gespreid worden dat ze landbouwactiviteiten toelaten. 10. In een aansluitend derde middel wordt de schending aangevoerd van de motiveringswet, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van het materieel motiveringsbeginsel en van artikel 5.32.10.2, § 1, 2/, van Vlarem II, doordat het bestreden besluit berust op tegenstrijdige motieven door enerzijds te stellen dat aan de reglementaire afstandsregels tot het naastgelegen natuurreservaat wordt voldaan en anderzijds dat de inrichting een verstorend effect heeft op het geluid in de omgeving. De verzoekende partijen verduidelijken : "Het middel komt op tegen de kennelijk ongegronde motivering dat de verwerende partij klaarblijkelijk van oordeel is dat de inrichting te hinderlijk is om de site toegelaten te worden. De verzoekende partijen leiden dit af uit volgende motivering : 'Overwegende dat er daarnaast ook nog de verstorende invloed is van een dergelijke luidruchtige ontspanningsinrichting of activiteiten op de omgeving; dat zoals de Afdeling Natuur aangeeft in haar advies er tijdens de exploitatieduur van de omloop onmiskenbare negatieve repercussies zijn met betrekking tot o.m. geluid op de aangrenzende natuurgebieden in het algemeen, en op het erkend natuurreservaat 'De Schijnvallei' in het VII-37.315-12/22 bijzonder, zodat de duurzame invulling van de bestemming ook van deze gebieden door de gevraagde activiteit(
  2. en)in het gedrang komt; Overwegende dat zelfs indien alle infrastructuurvoorzieningen na elke crossactiviteit zouden verwijderd worden, niet ontkend kan worden dat deze crossactiviteiten een negatieve invloed hebben op de nabije omgeving; dat deze negatieve impact des te zwaarder wordt geacht op natuurgebieden en -reservaten, die alle ontwikkelingskansen dienen te krijgen, zodat gelet op de onmiddellijke nabijheid ervan, gesteld kan word(
  3. en)dat de aangevraagde crossactiviteiten op deze locatie niet wenselijk zijn'; Deze motivering schendt de in het middel aangehaalde bepalingen gelet op volgende elementen: ÷ De motivering negeert volkomen het sporadisch karakter van de inrichtingen. De aangevraagde vergunning laat maximaal 3 wedstrijddagen per jaar toe. Dit betekent dat er 362 dagen overblijven zonder activiteit. Zoals uit de toelichting van het tweede middel blijkt is het sporadisch, occasioneel karakter van de inrichting een uitdrukkelijk element om deze inrichtingen toe te laten in andere stemmingsgebieden. Een beslissing die dit element niet in haar overweging meeneemt, is derhalve onvoldoende gemotiveerd. ÷ Deze motivering negeert volkomen de eigen conclusie van de bestreden beslissing, dat de aangevraagde inrichting de afstanden respecteert die door een reglementaire tekst als afdoende worden beschouwd t.o.v. natuurreservaten. Zoals uit de toelichting van het eerste middel blijkt respecteert de aangevraagde inrichting de minimumafstand die artikel 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II bepaalt die motorsportomlopen moeten houden t.o.v. natuurreservaten. De reden van deze reglementaire bepaling is duidelijk : de Vlaamse Regering heeft bij de vaststelling van deze bepalingen aanvaard dat als deze afstand t.o.v. de in artikel 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II vermelde gebieden, de hinder van een motorsportcircuit t.o.v. dit gebied aanvaardbaar is. Deze afstandsregels dienen er juist toe (te grote) hinder te vermijden, door bepaalde activiteiten voldoende ver te houden van beschermde gebieden. Als deze afstandsregels gerespecteerd worden (wat het geval
  4. is)dan kan er van uitgegaan worden dat de aangevraagde inrichting geen te grote hinder veroorzaakt. Daarbij moet nog opgemerkt worden dat: ´ Art. 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II een reglementaire bepaling is waarnaar een individueel besluit zich te schikken heeft. ´ De in artikel 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II vermelde gebieden kwetsbaarder zijn dan de gebieden waaraan het bestreden besluit de toetsing maakt. De bestreden beslissing maakt de toetsing t.o.v. een natuurgebied; dit is een minder kwetsbaar gebied dan de gebieden vermeld in art. 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II waar de minimumafstand bepaald wordt t.o.v. natuurreservaten, stiltebehoevende inrichtingen en natuurgebieden met wetenschappelijke waarde. ´ De minimale afstand die in artikel 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II laat zelfs een klasse 1 inrichting toe, d.i. een permanente omloop, zodat niet valt in te zien waarom een inrichting die 3x per jaar wordt georganiseerd en de klasse 1 afstandsregels t.o.v. kwetsbaardere gebieden respecteert omwille van een te zwaar hinderlijk karakter onmogelijk zou zijn. De bestreden beslissing is op dit punt derhalve ook in tegenspraak met zichzelf: het bevat twee motieven die kennelijk in tegenspraak zijn. Enerzijds stelt de bestreden beslissing dat de afstandsregels uit artikel 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II respecteert en anderzijds stelt de bestreden beslissing dat de aangevraagde inrichting een te storende invloed zou hebben op een natuurgebied. VII-37.315-13/22 VII-37.315-14/22 Gelet op het feit dat de aangevraagde inrichting de afstandsregels respecteert en gelet op het occasioneel karakter van de inrichtingen, kan de bestreden beslissing niet beslissen dat de aangevraagde vergunning te sterk hinderlijk zou zijn. Bijgevolg schendt de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen". 11. In de toelichtende memorie stellen de verzoekende partijen nog het volgende : "De Raad heeft in haar arrest nr. 193.279 gesteld (...) dat de oordelende overheid op grond van art. l45sexies DRO een grote beoordelingsvrijheid heeft, die zij slechts marginaal kan toetsen. De verzoekende partijen willen terzake 2 overwegingen maken: % De verzoekende partijen menen dat de oordelende overheid helemaal geen grote beoordelingsvrijheid heeft in het kader van artikel 145sexies DRO gelet op het feit dat dit in samenhang met het gedetailleerde artikel 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II moet worden gelezen. De combinatie van beide artikelen definieert de beslissing van de oordelende overheid in grote mate : de situatie van de verzoekende partijen is uitdrukkelijk deze die voorzien is zowel in artikel 145sexies DRO en artikel 5.32.10.1 § 1.2 VLAREM II. In dergelijke gevallen heeft de oordelende over(heid) geen grote oordeelsmarge. Indien de voorwaarden van deze bepalingen vervuld zijn en m.n. de afstandsregels in artikel 5.32.10.1 VLAREM II vervuld zijn, dan moet de overheid er in principe van uitgaan dat deze afstanden in principe voldoende zijn om de hinder weg te nemen ook voor een hoogdynamische activiteit (de afstandsregels zijn net voor deze hoogdynamische activiteit geschreven) en slechts bij uitzonderlijke elementen aanvaarden dat het respect van deze afstandsregels niet voldoende is in de concrete situatie. Dit betekent dat slechts in hoogst uitzonderlijke situaties zij een vergunning mag weigeren indien de voorwaarden vervuld zijn. Dit lijkt de verzoekende partijen niet overeen te komen met een grote oordeelsvrijheid. % De bestreden beslissing trekt geen enkel gevolg uit het respect van de afstandsregels door de verzoekende partijen. Zelfs indien de beslissende overheid een grote beoordelingsvrijheid heeft, dan moet zij nog steeds in deze beoordeling ALLE relevante elementen meenemen in haar beoordeling. Het respect van de afstandsregels is -zoals blijkt uit artikel 5.32.10.1 VLAREM II- een relevant element (meer nog : als de afstandsregels voldaan zijn, kan de overheid er van uitgaan dat in principe deze afstanden voldoende zijn om de hinder weg te nemen of tot een aanvaardbaar niveau te verminderen). In contrast hiermee moet vastgesteld worden dat de verwerende partij het respect van deze afstandsregels niet meeneemt in de beoordeling, hetgeen op zich voldoende is voor het gegrond bevinden van het middel". Beoordeling 12. In het tweede middel betogen de verzoekende partijen in essentie dat artikel 145sexies van het D.R.O. is geschonden, vermits deze bepaling er juist is op gericht om, onder meer, in een oplossing te voorzien voor de occasionele VII-37.315-15/22 motorcrossactiviteiten. Aan de voorwaarden van deze bepaling zou in casu zijn voldaan, vermits de aangevraagde activiteit recreatief is en het handelingen betreft van een beperkte impact, die de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Het zou onjuist zijn dat het agrarisch gebruik van de gronden onderdrukt wordt, minstens zou zulks niet bewezen zijn. In elk geval zou de agrarische bestemming van het gehele agrarische gebied niet in het gedrang komen. 13. In het derde middel stellen de verzoekende partijen dat de motivering als zou de inrichting te hinderlijk zijn om op die plaats te worden toegelaten, niet gegrond is. De motivering negeert immers dat de inrichting slechts een volkomen sporadisch karakter heeft, en negeert de eigen vaststelling van de verwerende partij dat aan de afstandsregels wordt voldaan. 14. Artikel 145sexies van het D.R.O., ingevoegd bij artikel 4, 2/, van het decreet van 22 april 2005 tot wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt : "§ 1. (...) § 2. In alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het sociaal- culturele of recreatieve medegebruik, voorzover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Voor niet van stedenbouwkundige vergunningsplicht vrijgestelde werkzaamheden, handelingen of wijzigingen die verbonden zijn met occasionele of hoogdynamische sociaal-culturele of recreatieve activiteiten kan slechts een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning worden afgeleverd, of een stedenbouwkundige vergunning met als voorwaarde dat de werkzaamheden, handelingen of wijzigingen in kwestie slechts gedurende een specifieke periode of op bepaalde momenten aanwezig kunnen zijn. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan. § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels met betrekking tot de toepassing van dit artikel vaststellen". Uit deze bepaling volgt dat activiteiten van recreatief medegebruik in niet-geëigende zones van het gewestplan toegelaten kunnen worden op voorwaarde dat zij slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van de algemene bestemming. Recreatieve activiteiten die onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen slechts op occasionele basis toegelaten worden. VII-37.315-16/22 In onderhavig geval staat buiten betwisting dat de exploitatie van de gevraagde activiteit principieel in strijd is met de gewestplanvoorschriften die de betrokken percelen tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied bestemmen. Er wordt ook niet betwist dat de motorcrossomloop milieuvergunningsplichtig is en dat het gebruik ervan een vorm van recreatief medegebruik uitmaakt, zodat de activiteit in ieder geval slechts op occasionele basis verleend kan worden, hetgeen de organisatie van drie motorcrossweekends per jaar ook is. De aanvraag is afgewezen op grond van de vastgestelde impact van de inrichting op de plaats van het gebeuren en op het in het gedrang brengen van de algemene bestemming van het gebied. Uit de memorie van toelichting bij het voornoemde decreet van 22 april 2005 blijkt dat de decreetgever een oplossing wenste te geven aan de problematiek van de occasionele motorcrosswedstrijden. Er wordt verduidelijkt dat de verwijzing naar de beperkte impact op het gebied betrekking heeft op, onder meer, de tijdelijkheid van de ingreep, waarbij uitdrukkelijk het voorbeeld vermeld wordt van een motorcross in agrarisch gebied die occasioneel, bijvoorbeeld maximaal drie keer per jaar, wordt gehouden (Vl. Parl, 2004-2005, stuk é/1, p. 11). Uit de verdere verduidelijking (p. 12) blijkt evenwel ook dat de vaststelling van de beperkte impact geenszins betekent dat het bestuur verplicht is de vergunning te verlenen. Er wordt integendeel in de volgende bewoordingen benadrukt dat steeds een specifiek en plaatsgebonden onderzoek vereist is, dat betrekking heeft op de bestemming van het gebied, op de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en op andere natuurwaarden : "Het spreekt voor zich dat voor elk toepassingsgeval een gebiedsgerichte beoordeling essentieel is, waarbij rekening gehouden wordt met de algemene bestemming van het betrokken gebied maar ook met de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en de goede ruimtelijke ordening in het algemeen. In die zin moeten de decretale bepalingen in kwetsbare gebieden (de ruimtelijk kwetsbare gebieden en degene, aangewezen op basis van andere wetgeving, zoals speciale beschermingszones) een veel striktere beoordeling krijgen dan in bepaalde andere gebieden. Zelfs binnen eenzelfde categorie van bestemmingsgebieden kan de toelaatbaarheid van de betrokken activiteiten verschillen, bijvoorbeeld wegens nabuurschap met andere bestemmingsgebieden (cf. supra) of de feitelijke toestand zoals de aanwezigheid van bepaalde natuurwaarden of het landschappelijk waardevol karakter van een gebied bestemd voor agrarisch gebruik. Bij de plaatsgebonden beoordeling moeten ook elementen zoals de toegankelijkheid van een gebied en de verkeersimpact van bepaalde activiteiten in rekening worden gebracht. Om het belang van de plaatsgebonden beoordeling te benadrukken, en om aan te geven dat de vergunningsplicht (stedenbouwkundige vergunningsplicht zowel als milieuvergunningsplicht) onverminderd blijft gelden, wordt in de tekst gesteld dat de betrokken handelingen, activiteiten e.d. kunnen worden toegelaten i.p.v. te stellen dat ze zijn toegelaten (dit is een wijziging ten opzichte van de tekst van het eerdere voorstel van decreet)". VII-37.315-17/22 Er wordt voorts ook gesteld dat een "hoogdynamische activiteit", zoals een motorcross, veel strikter bekeken moet worden dan een "laagdynamische activiteit", zoals wandelen (p. 13). Artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. verleent aldus aan het bestuur een ruime appreciatiebevoegdheid. In het kader van zijn toezichtsbevoegdheid gaat de Raad van State na of het bestuur bij het uitoefenen van die bevoegdheid rekening gehouden heeft met gegevens die in feite juist zijn en die in rechte de genomen beslissing terdege onderbouwen, terwijl de genomen beslissing in het licht van die gegevens ook niet kennelijk onredelijk mag zijn. De milieuvergunning is aan de tweede verzoekende partij geweigerd om de volgende decisieve redenen : "Overwegende dat uit de gegevens van het dossier, waaronder het advies van de afdeling Natuur dd. 12 maart 2008 en het advies van AMV dd. 1 april 2008, blijkt dat de omloop duidelijk waarneembaar is in het terrein, alsook de talrijke springheuvels; dat hierdoor het agrarisch gebruik van de gronden onderdrukt wordt en meer bepaald ondergeschikt is aan het gebruik van het terrein voor motorsportwedstrijden; dat het terrein meer en meer op een permanente omloop begint te lijken; dat er (...) dus gesteld (kan) worden dat de realisatie van de algemene bestemming van het gebied waarin de omloop zich situeert in de praktijk wel degelijk in het gedrang komt; Overwegende dat er daarnaast ook nog de verstorende invloed is van een dergelijke luidruchtige ontspanningsinrichting of activiteiten op de omgeving; dat zoals de Afdeling Natuur aangeeft in haar advies er tijdens de exploitatieduur van de omloop onmiskenbare negatieve repercussies zijn met betrekking tot o.m. geluid op de aangrenzende natuurgebieden in het algemeen, en op het erkend natuurreservaat 'De Schijnvallei' in het bijzonder, zodat de duurzame invulling van de bestemming ook van deze gebieden door de gevraagde activiteit(
  5. en)in het gedrang komt; Overwegende dat zelfs indien alle infrastructuurvoorzieningen na elke crossactiviteit zouden verwijderd worden, niet ontkend kan worden dat deze crossactiviteiten een negatieve invloed hebben op de nabije omgeving; dat deze negatieve impact des te zwaarder wordt geacht op natuurgebieden en -reservaten, die alle ontwikkelingskansen dienen te krijgen, zodat gelet op de onmiddellijke nabijheid ervan, gesteld wordt dat de aangevraagde cross- activiteiten op deze locatie niet wenselijk zijn". Voor de feitelijke vaststellingen, inzonderheid met betrekking tot de zichtbaarheid van de omloop en de springheuvels, heeft de verwerende partij gesteund op het advies van de afdeling Natuur en van de afdeling Milieuvergunningen. Aan de verwerende partij kan bezwaarlijk worden verweten rekening te hebben gehouden met de feitelijke elementen waarop de adviesverlenende instanties de aandacht hebben gevestigd. De uitgebrachte adviezen strekken er immers toe de bevoegde overheid zo ruim mogelijk voor te lichten zodat VII-37.315-18/22 deze met kennis van zaken over de vergunningsaanvraag kan beslissen. Bij afwezigheid van concrete aanwijzingen omtrent feitelijke onjuistheden moest de verwerende partij niet veronderstellen dat de ambtenaren verkeerde vaststellingen zouden hebben gedaan. De verzoekende partijen leggen geen gegevens voor die kunnen doen twijfelen aan de objectiviteit van de vaststellingen door de adviesverlenende instanties. Het advies van de afdeling Milieuvergunningen verwijst naar een plaatsbezoek waaruit gebleken is dat de rijpistes duidelijk in het terrein zichtbaar zijn. Het advies van de afdeling Natuur stelt dat het agrarisch gebruik van de gronden slechts bijzaak is, ondergeschikt aan het gebruik van het terrein voor motorsportwedstrijden, dat de omloop en de springheuvels duidelijk waarneembaar zijn in het terrein, zodat het terrein op een permanente omloop gaat lijken, temeer daar de dranghekken en ander logistiek materiaal ook niet meer van het terrein worden verwijderd. Uit het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie blijkt ook dat de raadsman van de verzoekende partijen geconfronteerd is met de vraag of de springheuvels na de activiteiten genivelleerd worden en dat hij de aanwezigheid van springheuvels niet echt ontkend heeft. De verzoekende partijen betwisten in het middel weliswaar de juistheid van de vaststellingen gedaan door de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Natuur, maar zij brengen niet het minste begin van tegenbewijs aan. Integendeel, de foto van de omloop die zij overleggen en die dagtekent van 1 januari 2002 laat duidelijk de sporen van de crossomloop zien. De luchtfoto die de auditeur- verslaggever bij het dossier heeft gevoegd toont bovendien duidelijk de impact van het motorcrossgebeuren aan, zowel wat de rijsporen betreft als wat de omvang van de bezetting van het terrein betreft. Dat niet met zekerheid valt uit te sluiten dat de luchtfoto onmiddellijk na een motorcross genomen is, neemt niet weg dat de verzoekende partijen zelf nalaten enig concreet tegenbewijs te leveren, zoals een bewijs van het inzaaien van het perceel met gras of van het gebruik van het perceel als weide- en hooiland. De omstandigheid dat de begroeiing op het perceel drie keer per jaar beschadigd wordt door het parcours van een crossomloop waarop kunstmatig heuvels worden aangebracht, terwijl de verzoekende partijen er niet in slagen het bewijs te leveren dat het terrein na elk crossgebeuren in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld en als landbouwgrond wordt gebruikt, heeft de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit kunnen brengen dat de crossomloop een significante VII-37.315-19/22 impact heeft op het agrarisch gebied, in zoverre zelfs dat de bestemming als agrarisch gebied van die percelen niet behouden blijft. Daarbij heeft de verwerende partij zich terecht kunnen beperken tot de impact op het agrarisch gebied waar de activiteiten effectief plaatsvinden. De verwerende partij is van oordeel dat de aangevraagde activiteiten negatieve repercussies zullen hebben op het natuurgebied in de omgeving. In die omgeving ligt het erkend natuurreservaat "De Schijnvallei", hetgeen wijst op de aanwezigheid van bijzondere natuurwaarden. De elementen die de verzoekende partijen naar voren brengen laten de Raad van State niet toe te stellen dat de verwerende partij kennelijk onredelijk gehandeld heeft wanneer zij oordeelde dat de crossactiviteiten negatieve repercussies kunnen hebben op de duurzame invulling van de bestemming natuurgebied. Met de verwijzing naar de omstandigheid dat er slechts drie crossen per jaar georganiseerd worden bewijzen de verzoekende partijen niet dat er geen significante negatieve weerslag is op de bijzondere natuurwaarden in de omgeving. De verzoekende partijen benadrukken dat de reglementering voorziet in bepaalde afstandsregels voor crossomlopen en dat, nu de omloop aan die afstandsregels voldoet, van de verwerende partij verwacht mocht worden dat zij bijzondere redenen zou opgeven waarom in dit geval de vergunning toch geweigerd kon worden. De Raad van State kan dat standpunt niet bijtreden omdat de omstandigheid dat een vergunningsaanvraag voldoet aan alle verbods- en afstandsregels van Vlarem II, niet wegneemt dat de vergunningverlenende overheid, gebruik makend van haar discretionaire bevoegdheid, de plicht heeft elke aanvraag te beoordelen, rekening houdend met alle terzake relevante feitelijke gegevens, inzonderheid de kenmerken van de inrichting en de plaatselijke toestand. De vaststelling dat aan de afstandsregels van Vlarem II, die overigens moeten worden gezien als minimumregels waarbinnen een absoluut exploitatieverbod geldt, is voldaan, brengt derhalve voor het bestuur niet de rechtsplicht mee om de gevraagde milieuvergunning te verlenen, ook niet op grond van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 145sexies van het D.R.O.. Er bestaat dan ook geen tegenstrijdigheid tussen de motieven waarin de naleving van de toepasselijke afstandsregel wordt vastgesteld en de motieven waarin wordt uitgedrukt waarom de ter plaatse beoogde activiteiten wegens de hinderlijkheid ervan moeten worden geweerd. Het tweede en het derde middel zijn ongegrond. VII-37.315-20/22 C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 15. In een vierde middel roepen de verzoekende partijen de schending in van een aantal beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de vergunning nu geweigerd wordt terwijl voorheen reeds herhaaldelijk - drie keer - een vergunning werd verleend voor exact dezelfde activiteiten op dezelfde plaats. De verzoekende partijen stellen dat zij er mochten op vertrouwen dat het bestuur op standvastige wijze zijn eerdere beleidslijn zou aanhouden en dat het bestuur de verplichting heeft om de openbare dienst op bestendige en regelmatige wijze te laten werken. 16. In de toelichtende memorie wordt het middel herhaald. Beoordeling 17. De omstandigheid dat de VZW MC De Stroeckx Vrienden in het verleden een milieuvergunning heeft verkregen, impliceert niet dat zij de verwachting mag koesteren, laat staan een recht doen gelden, ook in de toekomst een vergunning te verkrijgen. De aan het bestuur verleende appreciatiebevoegdheid verzet er zich immers tegen dat er bij voorbaat wordt van uitgegaan dat op elke vergunningsaanvraag een positieve beslissing volgt. Bovendien kan het vertrouwensbeginsel niet primeren op het legaliteitsbeginsel, wat te dezen concreet inhoudt dat de vergunningverlenende overheid louter op grond van het vertrouwensbeginsel niet mag afwijken van dwingende stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften. Het vierde middel is ongegrond. VII-37.315-21/22 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.315-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.994 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.279 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.