← België

Arrest 205002 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.002 Rolnummer: A. 183690/XII-5125 Zaak: Arrest 205002 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-17 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.002 van 10 juni 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 205.002 van 10 juni 2010 in de zaak A. 183.690/XII-5125 In zake: Sofie VAN VOLSEM wonende te Beveren-Waas Pastoor Steenssensstraat 76 tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jim Deridder en Christophe Coen kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 mei 2007, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing (van het bestuurscollege) van de Universiteit Antwerpen” van 4 juli 2006 om Sofie Van Volsem niet aan te stellen tot voltijds doctor-assistent in het departement Milieu, Technologie en Technologiemanagement van de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen voor een periode van 3 jaar. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. XII-5125-1\13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 februari
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster was sedert 1 september 2000 als voltijds mandaat- assistent verbonden aan de vakgroep Milieu en Technologie van de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen (TEW) van de toenmalige UFSIA (naderhand samen met de toenmalige UIA en het RUCA gefusioneerd tot de Universiteit Antwerpen, UA, thans verwerende partij). Op 1 september 2002 en 1 september 2004 wordt haar mandaat telkens voor twee jaar verlengd. 3.
  6. Op 22 maart 2006 dient verzoekster, inmiddels gedoctoreerd aan de Universiteit Gent, een aanvraag in voor een eerste aanstelling als doctor-assistent aan de Universiteit Antwerpen. Die aanvraag blijkt zowel door de promotor van haar doctoraat als door het departement MTT (milieu, technologie en technologiemanagement) gunstig te zijn geadviseerd. Op 22 maart 2006 verleent ook de betrokken faculteitsraad unaniem een gunstig advies. XII-5125-2\13 3.
  7. Op 2 mei 2006 beslist het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen om niet in te gaan op het voorstel. Het college meent dat de publicaties van verzoekster niet voldoende in omvang en impact zijn. Bij schrijven van 4 mei 2006 drukt de decaan van de faculteit TEW bij de rector zijn “grote verbazing” uit over de genomen beslissing. Hij zet uitvoerig het glansrijke carrièreverloop van verzoekster uiteen, stelt in vraag op welke hem niet gekende criteria de beslissing steunt en wijst er op dat verzoekster moeiteloos beantwoordt of zal voldoen aan de hem wél bekende criteria. 3.
  8. Op 8 mei 2006 bespreekt de departementsraad MTT andermaal het dossier van verzoekster. Bij schrijven van 10 mei 2006 aan de decaan van de faculteit, licht de departementsraad nog eens omstandig toe waarom hij verzoekster voor aanstelling tot doctor-assistent wenst voor te dragen. Op 7 juni 2006 behandelt ook de faculteitsraad de aanvraag van verzoekster voor de tweede maal. Op 12 juni 2006 zendt de decaan de rector de hernieuwde aanvraag van verzoekster vergezeld van een uitvoerige toelichting “die ik onder uw aandacht wil brengen”. Zo wijst de decaan erop dat de uitspraak van het bestuurscollege over de omvang en impact van de publicaties van verzoekster aan de ondervoorzitter van het departement de vaststelling ontlokt dat het bestuurscollege kwalitatieve uitspraken doet over onderzoek en publicaties zonder kennis te hebben genomen van het onderzoeksdomein in kwestie en dat geen rekening is gehouden met het gegeven dat tussen aanvaarding en publicatie van een artikel meer tijd verloopt in de humane wetenschappen dan bij de exacte wetenschappen. Vervolgens wijst de decaan erop dat de faculteitsraad het verschil wenst te benadrukken tussen de aanstelling als doctor-assistent en als FWO-postdoc, welke laatste zich hoofdzakelijk op onderzoek kan concentreren. Verder wees de faculteitsraad erop dat deze aanvraag nog valt onder een overgangsbepaling omdat de betrokkene volgens de toen vigerende bepalingen 50% van de aanstelling aan onderwijstaken moest besteden en dat pas tijdens de aanstellingsperiode als doctor-assistent wordt verwacht dat de kandidaat haar doctoraat valoriseert “o.a. met hoogstaande (internationale) publicaties”. De decaan wijst er nog op dat de motivering werd “aangevuld en specifieker toegespitst op de kwaliteiten van Sofie Van Volsem en de belangrijke en innovatieve bijdrage die ze binnen het departement MTT zal leveren”. XII-5125-3\13 3.
  9. Over de vergadering van het bestuurscollege van 4 juli 2006 wordt genotuleerd wat volgt: “Verschillende leden zijn van oordeel dat er met betrekking tot het dossier van Sofie van Volsem -buiten de realisatie van een bijkomende internationale publicatie en een verdere uitwerking van de planning van de postdoctorale onderzoeksactiviteiten- onvoldoende nieuwe elementen aan het dossier zijn toegevoegd om op dit ogenblik een aanstelling tot doctor-assistent te kunnen verantwoorden. De twee periodes van bevallingsrust gedurende haar zes jaar als mandaatassistent kunnen echter wel een lagere onderzoeksoutput verklaren. Om die reden achten zij het wel verantwoord de kandidaat een aanstelling van één jaar toe te kennen. Als mandaatassistent zou zij immers recht hebben gehad op een bijkomende periode van één jaar indien haar doctoraatsproefschrift nog niet zou zijn voltooid. Deze bijkomende periode kan zij dan benutten om een aanvraag voor postdoctoraal onderzoeker bij het FWO in te dienen en om haar dossier te versterken met het oog op een eventuele volwaardige termijn van drie jaar als doctor-assistent en om een aanvraag voor postdoctoraal onderzoeker FWO in te dienen. Een lid verzet zich tegen dit voorstel. Hij acht het niet gepast een beleidskwestie aan te kaarten ten koste van een individu. De dossiers moeten in hun juiste context worden bekeken. Het kan niet dat een dossier wordt aangegrepen om bepaalde (beleids)signalen te geven aan een faculteit. Er zijn geen redenen om haar een [lees: geen] volwaardige aanstelling van drie jaar toe te kennen. De kandidaat heeft met succes haar doctoraat behaald, zij beschikt over internationale publicaties en er ligt een onderzoeksproject voor. In het verleden zijn trouwens al zwakkere dossiers gepasseerd. (Na afloop van de vergadering wordt vastgesteld dat de bepalingen van art. 16 van het AAP-statuut over het hoofd werden gezien. Dat stelt dat doctor- assistenten worden aangesteld voor een termijn van drie jaar. Teneinde de kandidaat niet langer in onzekerheid te houden over haar toekomstperspectieven heeft de rector dan beslist Sofie van Volsem aan te stellen tot voltijds academisch medewerker voor een periode van één jaar.) [...] B. Faculteit TEW - departement Milieu, Technologie en Technologiemanagement 1 . Het Bestuurscollege besliste in de zitting van 2 mei 2006 niet in te gaan op het gemotiveerde voorstel van de faculteitsraad TEW van 22 maart 2006 om Sofie Van Volsem aan te stellen tot voltijds doctor-assistent bij het departement Milieu, Technologie en Technologiemanagement van de faculteit TEW voor een periode van 3 jaar Hierbij werd volgende motivering gegeven: Het Bestuurscollege stelt vast dat betrokkene weliswaar een aantal publicaties kan voorleggen maar dat deze niet voldoende in omvang en impact zijn om een aanstelling tot doctor-assistent te kunnen rechtvaardigen. Zo blijkt er geen enkele recente zelfstandige publicatie in een internationaal tijdschrift met peer review voor te liggen en betreft het voor het overige slechts bijdragen in proceedings. XII-5125-4\13 Ter voorbereiding van een definitieve beslissing van het Bestuurscollege in tweede lezing, werd de faculteit TEW verzocht het dossier opnieuw te bespreken, rekening houdende met de door het Bestuurscollege gemotiveerde afwijking in eerste lezing. Afgaande op het nieuw advies van de faculteitsraad TEW van 7 juni 2006 beslist het Bestuurscollege Sofie Van Volsem wel aan te stellen tot voltijds doctor-assistent bij het departement Milieu, Technologie en Technologiemanagement van de faculteit TEW, maar slechts voor een periode van één jaar met ingang van 1 oktober
  10. (7 ja, 1 neen) Hierbij wordt volgende motivering gegeven: Buiten de realisatie van een bijkomende internationale publicatie en een verdere uitwerking van de planning van de postdoctorale onderzoeksactiviteiten zijn er onvoldoende nieuwe elementen aan het dossier toegevoegd om op dit ogenblik een aanstelling tot doctor-assistent te kunnen verantwoorden. De twee periodes van bevallingsrust gedurende haar zes jaar als mandaatassistent kunnen echter wel een lagere onderzoeksoutput verklaren. Om die reden achten zij het wel verantwoord de kandidaat een aanstelling van één jaar toe te kennen. Als mandaatassistent zou zij immers recht hebben gehad op een bijkomende periode van één jaar indien haar doctoraatsproefschrift nog niet zou zijn voltooid. Deze bijkomende periode kan zij dan benutten om een aanvraag voor postdoctoraal onderzoeker bij het FWO in te dienen en om haar dossier te versterken met het oog op een eventuele volwaardige termijn van drie jaar als doctor-assistent en om een aanvraag voor postdoctoraal onderzoeker FWO in te dienen. Voor het overige sluit het Bestuurscollege zich aan bij volgende elementen van de motivering zoals geformuleerd door de faculteitsraad TEW: Sofia Van Volsem was gedurende haar mandaat van assistent verantwoordelijk voor de onderwijsondersteuning van meerdere opleidingsonderdelen, ook gedurende de laatste twee academiejaren, zijnde de laatste fase van haar doctoraat. Na de verdediging van haar doctoraat in maart 2006 doceert zij onder leiding van prof dr. L. Van Haverbeke, omwille van zijn langdurig verblijf in de Verenigde Staten, het opleidingsonderdeel ‘Algemene Chemie’ in 1e Bachelor Handelsingenieur. Uit de opeenvolgende evaluatiedossiers van Sofie Van Volsem blijkt duidelijk dat haar onderwijsondersteuning ten zeerste geapprecieerd wordt door niet alleen het departement en de verschillende titularissen omwille van de nauwgezette en plichtsbewuste uitvoering, maar ook door de studenten, hetgeen haar in 2003 de studentenprijs (Gobelijntje) voor beste assistent van de faculteit TEW opleverde. Gedurende haar assistentschap werd het contract van Sofie Van Volsem twee maal geschorst omwille van bevallingsrust (in 2003 en 2005). Desondanks is zij er toch in geslaagd op een termijn van minder dan zes academiejaren, een doctoraat neer te leggen en succesvol te verdedigen in een multidisciplinair onderzoeksdomein, dat zowel aspecten van technologie, kwaliteit, management en het optimaal beheer van al deze aspecten, niet alleen met elkaar combineert, maar ook integreert. Dit heeft tot op heden geleid tot drie internationale publicaties met beoordelingssysteem en verschillende bijdragen in congresproceedings. Het onderzoeksdomein waarin Sofie Van Volsem zich gedurende die tijd geprofileerd heeft, omvat grote lacunes en is een domein dat een grote aandacht krijgt in de procesindustrie, doch waaraan de universitaire onderzoeksgemeenschap tot op heden weinig tot geen aandacht heeft besteed. XII-5125-5\13 Ondanks de grote onderwijsbelasting is S. Van Volsem er toch in geslaagd de eerste fundamenten te leggen voor een aanpak van een zeer complex en maatschappelijk/industrieel relevant en onontgonnen onderzoeksdomein, dat volledig past binnen de lange termijn onderzoeksstrategie van het departement MTT en dat kadert binnen het breder domein van zorgsystemen. Naast de valorisatie van haar doctoraat en de verdere ontwikkeling van deze onderzoekspeiler, waarin tevens de band met de industrie zal worden aangescherpt, plant S. Van Volsem ook een nieuwe onderzoekslijn te openen binnen het kader van de besluitvormingstheorie. Hierin wenst zij de informatie- inhoud van gegevens of uitspraken en de impact ervan op de ‘optimalisatie’ van de uiteindelijke beslissing te onderzoeken, binnen een kader waarin meerdere criteria een uiteindelijke beslissing beïnvloeden. Besluitvormingstheorie is voor het departement MTT één van zijn strategische peilers van onderzoeksbeleid. Voor het departement MTT zou het postdoctoraal project van Sofie Van Volsem bijgevolg een belangrijke en innovatieve ondersteuning betekenen voor het onderzoek rond de combinatie van operationeel onderzoek en technologiemanagement. De verdere ontwikkeling van dit domein, alsook het verder integreren van de verschillende onderzoeksrichtingen van het departement, zoals in haar onderzoeksvoorstel omschreven, samen met het verder verstrekken van een kwaliteitsvolle academische onderwijsondersteuning binnen de opleiding handelsingenieur, rechtvaardigt volgens het departement MTT dan ook in ruime mate de honorering van de aanvraag van S. Van Volsem tot doctor- assistent. De departementsraad heeft dan ook opnieuw met eenparigheid van stemmen deze aanvraag tot aanstelling als doctor-assistent positief geadviseerd. Aangezien deze beslissing strijdig is met de bepalingen van art.16 van het AAP-statuut en teneinde de kandidaat niet langer in onzekerheid te houden over haar toekomstperspectieven heeft de rector na afloop van de vergadering beslist Sofie Van Volsem aan te stellen tot voltijds academisch medewerker voor een periode van één jaar met ingang van 1 oktober 2006”. Bij schrijven van 17 juli 2006 wordt verzoekster in kennis gesteld van de beslissing van 4 juli 2006 van het bestuurscollege, waarbij zij, met ingang van 1 oktober 2006, voor de periode van één jaar wordt aangesteld tot voltijds doctor-assistent bij het departement MTT van de faculteit TEW evenals, “Op grond van strijdigheid van deze beslissing met art. 16 van het AAP-statuut”, van de wijziging van die beslissing in een aanstelling als voltijds academisch medewerker voor de periode van één jaar met ingang van 1 oktober
  11. Als bijlage bij dit schrijven wordt haar een contract met de Universiteit Antwerpen in de zin als voornoemd ter ondertekening overgezonden. 3.
  12. Op 18 september 2006 vraagt verzoekster de rector ontslag uit haar functie van voltijds tijdelijk academisch medewerker bij het departement MTT XII-5125-6\13 van de faculteit TEW met ingang van 18 september 2006 en dit wegens haar aanstelling als docent aan de Hogeschool West-Vlaanderen. Diezelfde dag bevestigt de rector zijn instemming met dit verzoek. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4.
  13. Blijkens de geciteerde notulering van de vergadering van het bestuurscollege op 4 juli 2006 werden toen met betrekking tot verzoekster twee beslissingen genomen : - een eerste, door het bestuurscollege zelf, waarbij verzoekster aangesteld wordt tot voltijds doctor-assistent bij het departement MTT van de faculteit TEW, maar slechts voor één jaar met ingang van 1 oktober 2006, en - een tweede -in de woorden van het auditoraatsverslag “een soort rectoraal koekoeksei gelet op de plaats waar ze is neergelegd”- van de rector zelf, waarbij hij na afloop van de vergadering beslist wegens de vermeende strijdigheid van de eerstgenoemde beslissing van het bestuurscollege met artikel 16 van het AAP- statuut om verzoekster aan te stellen tot voltijds academisch medewerker voor dezelfde periode. Uit die beslissingen blijkt de weigering om verzoekster aan te stellen voor de volle periode van drie jaar. 4.
  14. Die lezing van de notulen doet de auditeur-verslaggever besluiten dat de beslissing van de rector, de wettigheid ervan in het midden latende, in de plaats gekomen is van de eerder op diezelfde dag door het bestuurscollege genomen beslissing. Vaststellende dat verzoekster het eerste middel dat hierna wordt onderzocht ondubbelzinnig richt tegen de beslissing van de rector, laat de auditeur- verslaggever de mogelijke onduidelijkheid bij de initiële omschrijving in het inleidend verzoekschrift van het voorwerp van het beroep voor wat ze is en hij besluit dat ook de beslissing van de rector door verzoekster in rechte is bestreden. Verwerende partij repliceert in laatste memorie niet meer op deze omschrijving van het voorwerp van het beroep. XII-5125-7\13 4.
  15. Het voorwerp mag worden bepaald aan de hand, niet enkel van hetgeen formeel zo wordt omschreven, maar ook van de nadere uiteenzettingen van het verzoekschrift, de inhoud van de aangevoerde middelen en het door de verzoekende partij beoogde resultaat. De Raad van State valt in dat licht het auditoraatsverslag bij, en stelt vast dat de beslissing van de rector mede voorwerp van het beroep is. V. Ontvankelijkheid van het beroep 5.
  16. In de memorie van wederantwoord stelt verwerende partij het belang van verzoekster in vraag. 5.
  17. Op die exceptie is door verzoekster omstandig gerepliceerd in de memorie van wederantwoord en nogmaals, na een uitdrukkelijke vraag daarover van de auditeur-verslaggever, met een brief van 28 mei
  18. De door verzoekster gegeven toelichting is zo overtuigend, dat niet enkel de auditeur-verslaggever haar bijvalt maar ook dat de verwerende partij in laatste memorie nog enkel, wat het belang betreft, opmerkt dat zij zich ter zake gedraagt naar de wijsheid van de Raad. De Raad acht het wijs uit deze proceshouding te begrijpen dat verwerende partij niet langer aandringt op de bedoelde exceptie. Zelf ziet de Raad ook geen reden om het belang van verzoekster ambtshalve te betwisten. VI. Onderzoek van de middelen A. Vooraf
  19. Verzoekster voert twee annulatiemiddelen aan. Het eerste is gericht tegen de beslissing van de rector en het tweede tegen de beslissing van het bestuurscollege. Verzoekster laat uitdrukkelijk in het midden, zoals blijkt bij de toelichting van het eerste middel, of de rector terecht uit artikel 16 van het AAP- statuut mocht afleiden dat het bestuurscollege een onregelmatige beslissing had genomen. Nu schending van artikel 16 van het AAP-statuut niet als vernietigingsgrond wordt aangevoerd, spreekt ook de Raad van State zich daarover niet uit. XII-5125-8\13 Ook kan in het midden blijven of na een gebeurlijke nietig- verklaring van de beslissing van de rector, de eerdere beslissing van het bestuurscollege die ingevolge de beslissing van de rector uit het rechtsverkeer was verdwenen omdat het bestuurscollege niet bevoegd zou zijn, zou herleven. Hoe dan ook volgt uit het gegrond bevinden van het tweede middel dat ook deze beslissing mee uit het rechtsverkeer dient te worden verwijderd. B. Eerste middel Standpunt van de partijen
  20. Als eerste middel voert verzoekster tegen de beslissing van de rector de onbevoegdheid aan van de steller van die rechtshandeling. Zij wijst er op dat die beslissing met schending van artikel 12 van het AAP-statuut is genomen, bepaling naar luid waarvan enkel het bestuurscollege bevoegd is over de aanstelling van een lid van het assisterend academisch personeel (AAP). Wanneer de rector van mening was dat het bestuurscollege een onregelmatige beslissing had genomen, dan had hij het dossier opnieuw aan het bestuurscollege moeten voorleggen waarna het bestuurscollege had kunnen beslissen om betrokkene ofwel toch aan te stellen als doctor-assistent voor de volle periode van drie jaar ofwel om haar helemaal niet aan te stellen als doctor-assistent, aldus nog verzoekster. Beoordeling
  21. In het auditoraatsverslag krijgt het middel de volgende beoordeling : “Artikel 12 van het AAP-statuut van de Universiteit Antwerpen luidt als volgt : ‘Het bestuurscollege beslist over de aanstelling van het lid van het AAP’. Een eenvoudige lezing van die door verzoekster geschonden geachte statutaire bepaling leert zelfs het juridisch ongeoefend oog dat haar middel ontegensprekelijk gegrond is. De verwerende partij wijst harerzijds niet de regelgevende bepaling aan waarop de rector zich zou hebben beroepen om, eigener gezag, een beslissing als t.a.v. verzoekster door het bestuurscollege op 4 juli 2007 genomen, prompt in een ander om te zetten”. XII-5125-9\13
  22. Het standpunt ingenomen in het auditoraatsverslag wordt door verwerende partij in laatste memorie niet tegengesproken, en nog minder wordt de conclusie ontkracht. Opnieuw luidt het immers : “Wat het eerste middel betreft gedraagt verwerende partij zich naar de wijsheid van de Raad”.
  23. Om de sub 8 genoemde redenen is het middel, zo al niet “ontegensprekelijk” dan toch ontegengesproken, gegrond. C. Tweede middel Standpunt van de partijen
  24. Als tweede middel voert verzoekster onder meer de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Zij wijst op de verschillende adviezen die werden uitgebracht door de departementsraad en de faculteitsraad waaruit blijkt dat zij ruimschoots aan de vooropgestelde criteria voor een aanstelling voldoet. Afwijken van dergelijke unanieme adviezen blijft mogelijk, aldus verzoekster, maar in dat geval is een uitgebreide en afdoende motivering noodzakelijk. Daarvan is echter geen sprake. Het enige argument houdt verband met een vermeend gebrek aan internationale publicaties. Afgezien van de vraag of dit een deugdelijk criterium is blijkt het niet correct te zijn toegepast aangezien zij reeds drie internationale publicaties met beoordelingssysteem kon voorleggen, zoals de faculteitsraad kon bevestigen in zijn tweede advies. Verzoekster verbaast er zich ook over dat de bestreden beslissing het tweede advies van de faculteitsraad bijna integraal overneemt. Die motivering wijst echter overduidelijk in de richting van een geschiktheid voor een aanstelling tot doctor-assistent, zoals de faculteitsraad ook voorstelde. De twee onderdelen van de gehanteerde motivering staan dan ook haaks op elkaar en zijn tegenstrijdig.
  25. Verwerende partij merkt op dat reeds bij de eerste beoordeling van de kandidatuur de bemerking werd gemaakt dat er geen enkele recente zelfstandige publicatie is in een internationaal tijdschrift met peer review en dat bovendien de bestaande publicaties ook qua impact als onvoldoende werden beoordeeld. Dit is een deugdelijk criterium volgens verwerende partij, nu de aanstelling luidens artikel 5 AAP-statuut verifieert of de kandidaat in staat is zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten en hierover schriftelijk te rapporteren. Naderhand werd XII-5125-10\13 slechts één dergelijke publicatie bijgevoegd, wat niet volstaat om de beoordeling te verhelpen. Het is niet kennelijk onredelijk te stellen dat verzoekster onvoldoende aan de vooropgestelde criteria voldoet doordat zij slechts in zeer beperkte mate internationale publicaties kan voorleggen. Het tweede gedeelte van de motivering ondersteunt volgens verwerende partij de redenen waarom verzoekster aangesteld wordt - de aanstelling op zich derhalve, niet de duurtijd ervan. In haar laatste memorie verwijst verwerende partij met betrekking tot de naleving van de motiveringsplicht “naar haar duidelijke uiteenzetting in de memorie van antwoord, die als integraal hernomen moet worden beschouwd”. Beoordeling
  26. Luidens artikel 89 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wint het universiteitsbestuur voor elke benoeming of aanstelling tot lid van het academisch personeel “een met redenen omkleed advies in van de faculteit”. Niet enkel is het inwinnen van dit “met redenen omkleed advies” uitdrukkelijk bij decreet voorgeschreven. De faculteitsraad is ook een bij uitstek onderlegd gremium binnen de universiteit, om met dit beredeneerd advies de benoemende overheid met kennis van zaken -zo wat het onderzoeksdomein betreft als wat de kandidaat in kwestie betreft- over het dossier van de aspirant doctor- assistent en haar geschiktheid voor het ambt voor te lichten. Terecht vraagt verzoekster dan ook dat aan dit gezaghebbende advies de nodige aandacht wordt geschonken en dat er niet licht aan wordt voorbijgegaan. Zo de benoemende overheid redenen heeft om dat alsnog te doen, dient zij dit op een afdoende wijze te motiveren. Precies wegens het beschreven gezag dat uitgaat van het advies, zullen enkele stijlformuleringen daartoe niet volstaan.
  27. Verwerende partij is het er terecht mee eens dat het tweede onderdeel van de motivering van het bestreden besluit -dat precies de redenen overneemt waarom de faculteitsraad met overtuiging verzoeksters verdiensten XII-5125-11\13 ondersteunt voor een aanstelling van drie jaren- niet kan verantwoorden waarom precies afgeweken wordt van de conclusies van dit advies.
  28. Wat dan blijft, is de enkele vaststelling dat verzoekster onvoldoende internationale publicaties voorlegt -eerst geen, dan één. Gewis zijn internationale publicaties met peer review een valabele toetssteen om de kwaliteiten van een kandidaat in te schatten en sluit dit aan bij de vereiste dat de kandidaat “in staat [is] om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten en [...] hierover schriftelijk en mondeling [kan] rapporteren”. Daarmee is echter niet gezegd dat énkel dergelijke publicaties -of een niet nader genoemd minimum aantal- noodzakelijk zijn om het bewijs als bedoeld in artikel 5 AAP- statuut te kunnen leveren, dat immers in algemene termen is gesteld en internationale publicaties of peer review zelfs niet uitdrukkelijk vermeldt. Alleszins blijkt uit het unanieme en herhaalde advies van de faculteitsraad, dat hij wel degelijk redenen zag om verzoekster deze vereiste kwaliteiten toe te schrijven. Afgezet tegenover de hiervoor sub 3.
  29. aangehaalde argumenten van de faculteitsraad, kan verwerende partij met de enkele vaststelling dat slechts één internationale publicatie met peer review wordt voorgelegd, niet ermee volstaan om het omstandig gemotiveerd advies van de faculteitsraad opzij te schuiven. Het middel is in de besproken mate gegrond. BESLISSING
  30. De Raad van State vernietigt de beslissingen van 4 juli 2006 waarbij het bestuurscollege en de rector van de Universiteit Antwerpen Sofie Van Volsem aanstellen voor een periode van één jaar met ingang van 1 oktober 2006, respectievelijk als doctor-assistent en als voltijds academisch medewerker, en de uit die beslissingen blijkende weigering om haar aan te stellen als doctor- assistent voor een periode van drie jaar. XII-5125-12\13
  31. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 juni 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier, De voorzitter, Silja Doms Dierk Verbiest XII-5125-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.002 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.