id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.003 Rolnummer: A. 188247/XII-5460 Zaak: Arrest 205003 - Diploma's - 10/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.003 van 10 juni 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 205.003 van 10 juni 2010 in de zaak A. 188.247/XII-5460 In zake: Kris VAN DER HIJDEN woonplaats kiezend te Mol Vennestraat 52 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Van Hoecke tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te Assebroek Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het administratief cassatieberoep, ingesteld op 19 mei 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit nr. 2008/006 van 6 mei 2008 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 193.810 van 4 juni 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat er mee belast, na afloop van het strafgeding, het onderzoek van de zaak voort te zetten. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-5460-1\15 Advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in het bestreden besluit nr. 2008/006 de volgende feitelijke gegevens in overweging genomen : “3.
- Verzoekende partij studeert onder het statuut van werkstudent aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit Gent. Verzoekende partij was in het academiejaar 2006-2007 ingeschreven met een diplomacontract aan de Universiteit Gent in de faculteit Economie en Bedrijfs- kunde met een geïndividualiseerd traject dat opleidingsonderdelen uit de eerste en tweede licentie omvat. Verzoekende partij werd als gevolg van een aantal beslissingen niet geslaagd verklaard. 3.
- Verzoekende partij diende zich opnieuw in te schrijven in het academiejaar 2007-
- Verzoekende partij valt onder het overgangsregime naar de bachelor-masterstructuur dat bepaalt dat studenten die in het academiejaar 2006-2007 niet slaagden in de tweede licentie zich in het academiejaar 2007-2008 opnieuw formeel dienen in te schrijven in de tweede licentie, zodat zij alsnog kunnen afstuderen als licentiaat. Daartoe dient wel voor deze transitstudenten een aangepast programma te worden vastgesteld dat ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de faculteitsraad omdat het bestaande tweede licentieprogramma niet meer wordt gedoceerd. 3.
- Aan verzoekende partij werd een door de voorzitter van de examencommis- sie uitgewerkt voorstel van aangepast programma voorgelegd ter goedkeuring. Verzoekende partij dient nog drie opleidingsonderdelen te volgen voor een totaal van 14 studiepunten. Het betreft: - ‘Financiële economie II’ te vervangen door ‘Monetair beleid’; - ‘Financiële wiskunde’ te vervangen door een keuzevak te kiezen uit de lijst van keuzevakken master FEB; XII-5460-2\15 - ‘Economisch Spaans’ te vervangen door een ander taalvak te kiezen uit de lijst van keuzevakken master FEB; 3.
- Verzoekende partij bezorgde haar goedkeuring met het voorgestelde studieprogramma terug. Zij maakte gebruik van de keuzemogelijkheden en vroeg tegelijkertijd vrijstellingen aan. Verschillende aanvragen werden ingediend en meerdere beslissingen werden in dit verband genomen. 3.
- Op 19 december 2007 keurt de faculteitsraad uiteindelijk de keuzes van verzoekende partij voor de keuzevakken goed. Verzoekende partij diende over de volgende opleidingsonderdelen examen af te leggen: ‘Monetair beleid’, ‘Inleiding tot het EU-recht’ en het opleidingsonderdeel ‘Hedendaagse Economische en Sociale geschiedenis’. Op 21 januari 2008 schrijft verzoekende partij zich in voor het betreffende transitprogramma. 3.
- Verzoekende partij schreef zich in het academiejaar 2006-2007 ook in met een creditcontract aan de Universiteit Antwerpen voor het opleidingsonderdeel ‘Monetaire Economie en beleid’ waarvoor zij een credit behaalde. Op basis van deze credit vraagt zij een vrijstelling aan voor het opleidingsonderdeel ‘Monetair Beleid’ dat deel uitmaakt van het transitprogramma. Voorliggend verzoekschrift betreft specifiek de aanvraag voor een vrijstelling van dit opleidingsonderdeel. 3.
- De GIT-commissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde weigert bij beslissing van 29 februari 2008 de toekenning van de vrijstelling. 3.
- Verzoekende partij tekent intern beroep aan tegen deze weigeringsbeslis- sing. De Interne Beroepscommissie beslist op 13 maart 2008 om het beroep, voor zover het beroep betrekking heeft op de beslissing van 29 februari 2008, als ongegrond te beschouwen. De weigering van de vrijstelling werd herbeves- tigd. 3.
- Verzoekende partij tekende bij aangetekend schrijven van 31 maart 2008 een beroep in bij de Raad”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen besluit dat het beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is : “De beslissing van 13 maart 2008 genomen in het kader van het intern beroep wordt vernietigd in de mate waarin geen onderzoek is gebeurd naar het al dan niet toekennen van een deelvrijstelling. Verwerende partij neemt een nieuwe beslissing rekening houdend met voorgaande overwegingen binnen een termijn van drie weken na de betekening van deze beslissing”. IV. Rechtspleging
- Wat de valsheidsprocedure betreft, die er toe geleid heeft dat de behandeling van het voorliggende cassatieberoep bij arrest nr. 193.810 van 4 juni XII-5460-3\15 2009 werd geschorst, stelt de Raad van State vast dat uit de onderzoeksverrichtingen van het auditoraat is gebleken dat door de raadkamer te Gent tot een buitenvervol- gingstelling werd beslist, zodat het onderzoek van de zaak kan worden voortgezet. V. Onderzoek van de middelen Vooraf
- De Raad van State stelt vast dat verzoeker het de verwerende partij noch de Raad makkelijk heeft gemaakt door met duidelijkheid en precisie zijn cassatiemiddelen voor te stellen. Zijn geschriften zijn doorspekt met feitelijkheden, persoonlijke oprispingen die ook verband houden met de thans als afgesloten te beschouwen valsheidsprocedure, opiniëring over geparafraseerde stukken regel- geving en parlementaire voorbereiding, algemene stellingnamen over de toepasselij- ke wetgeving en zo meer. Dit alles hoort niet thuis in een voorziening in cassatie en wordt dan ook zonder meer buiten beschouwing gelaten. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoeker voert als eerste middel aan: “Schending art 2, 8/ juncto art 2, 18/ juncto art 40bis, juncto artt 46 §2, 46§3, art 47 Flexibiliseringsdecreet juncto art 13, 15/ OER 2007 2008”. 6.
- In een eerste middelonderdeel zet verzoeker uiteen dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ten onrechte aanneemt dat bij een aanvraag voor een vrijstelling, geen regelgeving bestaat die een onderwijsin- stelling zou beperken tot de vergelijking van de ECTS-fiches in het kader van het onderzoek naar de eindtermen. Hij herinnert eraan dat het concrete geval dat voorligt een vrijstellingsaanvraag betreft voor een individueel opleidingsonderdeel aan een Vlaamse universiteit, als bedoeld in artikel 2, 18/, van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen (het zogenaamde flexibiliseringsdecreet), waarbij een rechtsgeldig creditbewijs -als bedoeld in artikel 2, 8/, van het XII-5460-4\15 flexibiliseringsdecreet- voorligt van een individueel opleidingsonderdeel van een andere Vlaamse universiteit. De omschrijving van de te bereiken en reeds bereikte competen- ties op de fiches van de opleidingsonderdelen waartussen een inhoudelijke vergelijking gemaakt moet worden, sluit volgens verzoeker eender welk bijkomend onderzoek uit. Bijkomende onderzoeken moeten leiden tot de registratie van competenties en vallen onder de vormvereisten van artikel 46, § 3, van het flexibiliseringsdecreet. Zodoende is artikel 46, § 3, wel degelijk een beperkende regel die de nodige vormvereisten oplegt aan bijkomende onderzoeken, welke geschonden wordt doordat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbe- slissingen deze bepaling als onbestaande beschouwt. Het creditbewijs is volgens verzoeker een geschrift dat zich opdringt aan het openbaar vertrouwen waardoor derden en de overheid die er kennis van nemen geacht worden geloof te hechten aan de erop vermelde feiten, in casu dat de houder ervan de erop vermelde competenties verworven heeft. Verzoeker refereert vervolgens aan het “gezond verstand en algemeen belang waardoor die niet gevonden ‘beperkende regelgeving’ waarnaar de Raad vruchteloos gezocht heeft, zelfs niet nodig is”. De decreetgever streeft immers integratie van het onderwijslandschap na. Verzoeker vraagt zich af waarom regelgeving nodig zou zijn terwijl de eindcompetenties eenvoudigweg op de fiche staan. Hij verwijst naar de memorie van toelichting bij het flexibiliseringsdecreet, waarin te lezen is dat de vrijstelling “alleen nog maar de vertaling” is van een formeel voorliggend studiebewijs en het onderzoek “op grond van EVK zal dan ook meestal louter op grond van stukken kunnen gebeuren zonder dat bijkomend onderzoek nodig is” - “De kwalificatie zelf is in principe reeds een bewijs van bekwaamheid”. Enigszins in tegenspraak hiermee argumenteert verzoeker vervolgens dat de decreetgever aan het universiteitsbestuur een appreciatiebevoegd- heid heeft verleend, die “geval per geval [moet] worden uitgeoefend, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak”. Hij blijft er wel bij dat “het creditbewijs [op] zich reeds effectief een bewijs van bekwaamheid is”, zodat geen bijkomend actief onderzoek nodig is en “waardoor dit [creditbewijs] de stukken zijn XII-5460-5\15 die bedoeld worden in art 46§2 Flexibiliseringsdecreet”. Het “3 uur durend bijkomend onderzoek met gedetailleerde cursusvergelijking” is niet toelaatbaar. 6.
- In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de vormvereisten van artikel 46, § 3, geschonden zijn, “nu een bijkomend bekwaam- heidsonderzoek gevoerd is”, wat ook een schending is van artikel 40bis. 6.
- Het derde middelonderdeel vangt aan “Doordat de Raad van oordeel is dat dit inhoudelijk vergelijk van competenties gemaakt is en de Raad het niet equivalent vinden van de opleidingsonderdelen niet ‘kennelijk onredelijk’ vindt”, waarna volgend op de woorden “Ten overvloede” een uiteenzetting volgt met als besluit “Zodoende beschikte de Raad niet eens over de overeenkomstig de Motiveringswet en, hetzij art 2, 8/, hetzij art 40 bis, 5/ vereiste pertinente en terzake doende feiten. Hoe hij dan in staat was te beoordelen binnen de grenzen van de redelijkheid of er inderdaad equivalentie in eindtermen was, is een raadsel”. Beoordeling
- Artikel 46 van het flexibiliseringsdecreet luidt : “§
- Het instellingsbestuur verleent op grond [van] EVK’s en/of van een bewijs van bekwaamheid een vrijstelling. §
- Het instellingsbestuur voert het onderzoek uit met het oog op het verlenen van vrijstellingen op stukken. §
- Het instellingsbestuur kan in uitzonderlijke gevallen het onderzoek met het oog op het verlenen van vrijstellingen op grond van EVK’s laten verlopen via een bekwaamheidsonderzoek zoals bepaald in onderafdeling
- In dat geval verwijst het instellingsbestuur de aanvrager door naar de validerende instantie op het niveau van de associatie waaronder het instellingsbestuur ressorteert. De instelling motiveert de noodzakelijkheid van dat bekwaamheidsonderzoek”.
- Te dezen heeft het instellingsbestuur, anders dan verzoeker betoogt, niet gemeend de aanvraag van verzoeker op grond van het door hem eerder behaald creditbewijs te laten verlopen via een bekwaamheidsonderzoek “zoals bepaald in onderafdeling 1”. Het onderzoek is uitgevoerd met toepassing van artikel 46, §
- Die bepaling beperkt de beoordelingsvrijheid van het instellingsbe- stuur enkel in zoverre dat het onderzoek moet gebeuren “op stukken”. Eén van die stukken is vanzelfsprekend het door verzoeker behaalde creditbewijs, waarop hij zijn aanvraag steunt en waarvan de artikelen 31, § 3, en 31bis, van het flexibilise- ringsdecreet doen blijken dat het, onverminderd de te dezen niet aan de orde zijnde situatie van herstructurering van instellingen, geldig is “binnen de betrokken XII-5460-6\15 opleiding aan de instelling waar dit werd behaald”. Dit creditbewijs attesteert immers de “EVK” of eerder verworven kwalificatie, die voor de houder / aanvrager de grondslag is om in een ándere onderwijsinstelling een vrijstelling te vragen. Uit artikel 47, § 1, tweede lid, 1/, van het flexibiliseringsdecreet blijkt dat de toeken- ningsvoorwaarden voor het verlenen van een vrijstelling geformuleerd moeten zijn “op grond van de inhoudelijke aansluiting tussen het betrokken opleidingsonderdeel, of het deel ervan, en de geattesteerde EVK’s en/of EVC’s”. Artikel 46, § 2, noch een van de andere door verzoeker aangevoer- de bepalingen van het flexibiliseringsdecreet of het onderwijs- en examenreglement (OER) van verwerende partij schrijven voor dat die “stukken” waar het onderzoek op uitgevoerd wordt, enkel de vermeldingen op het creditbewijs en op de zogenaam- de ECTS-studiefiches mogen zijn, of sluiten uit dat een vergelijking doorgevoerd wordt naar de respectievelijke vakinhouden teneinde de “inhoudelijke aansluiting” van de op de fiches geformuleerde competenties te concretiseren. De bodemrechter oordeelde dat uit de regelgeving niet kan worden afgeleid dat het instellingsbestuur zich zou moeten beperken tot de vergelijking van de ECTS-fiches en dat het bestuur, bij het equivalentieonderzoek van de competen- ties die verzoeker geacht wordt te bezitten als houder van een creditbewijs en de competenties vereist voor het opleidingsonderdeel waarvoor vrijstelling is gevraagd, ook rekening mag houden met de resultaten van de vergelijking van de inhoud van de betrokken cursussen. Aldus heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen de in het eerste middelonderdeel aangevoerde bepalingen niet geschonden.
- Ten overvloede merkt de Raad van State nog op dat miskenning van “gezond verstand en algemeen belang” geen ontvankelijk cassatiemiddel kan uitmaken. Net zo min zijn de grieven die verzoeker bij het eerste middelonderdeel in de memorie van wederantwoord omtrent “machtsafwending” of “art 26 BUPO” verwoordt ontvankelijk, nu deze niet in het inleidend verzoekschrift werden aangebracht en ze dus laattijdig zijn. Waar verzoeker in de toelichting van het middel argumenteert dat het bijkomend onderzoek op stukken gepaard zou moeten gaan met een registratie- of rapporteringsplicht, heeft hij in dit middelonderdeel niet aangeduid in welk van de door hem aangevoerde bepalingen die plicht te lezen is, hetgeen reden is om ook dit aspect van zijn grieven te verwerpen. XII-5460-7\15
- Verzoeker heeft voor de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen de schending aangevoerd van artikel 46, § 2, van het flexibiliseringsdecreet, maar niet van artikel 46, § 3, of van artikel 40bis. Het tweede middelonderdeel is nieuw en bijgevolg als cassatiemiddel niet ontvankelijk. Overigens is bij de bespreking van het eerste middelonderdeel ook al vastgesteld dat het uitgangspunt dat een (bijkomend) bekwaamheidsonderzoek is gevoerd, feitelijke grondslag mist.
- In de memorie van wederantwoord formuleert verzoeker nog kritiek op de wijze waarop het onderzoek op stukken -als bedoeld in artikel 46, § 2- is gebeurd, zowel wat de omvang betreft van het onderzoek als de gehanteerde methodologie. Aldus geeft verzoeker een laattijdige en dus onontvankelijke nieuwe invulling aan het oorspronkelijk aangevoerde tweede middelonderdeel.
- In het inleidend verzoekschrift heeft verzoeker als derde middelonderdeel een betoog van drie bladzijden uitgeschreven dat wel duidelijk maakt dat hij zich met de beslissing van de bodemrechter niet kan verenigen, zonder evenwel een rechtsregel aan te geven, en de wijze waarop die door het bestreden besluit is geschonden. Zijn kritiek, onder meer over de bewijskracht van het creditbewijs of de vermelding van eindcompetenties op studiefiches, is overigens reeds deels aan bod gekomen bij het eerste middelonderdeel. In de memorie van wederantwoord komt verzoeker op zijn oorspronkelijke uiteenzetting van het middelonderdeel in het geheel niet meer terug en argumenteert verzoeker nu dat hij “slechts stelt” dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen artikel II.28 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (het zogenaamde aanvullingsdecreet) schendt, dat hij thans als middel “van openbare orde” aanvoert, omdat verwerende partij bij haar beslissing stukken vermeldt, in het bijzonder cursusmateriaal, die zij niet heeft neergelegd ter griffie van het rechtscollege zodat het bestuur de “rapporterings- plicht” niet nakomt en de zaak niet in staat van wijzen was. Luidens artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurereglement (koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure XII-5460-8\15 bij de Raad van State) heeft de memorie van wederantwoord “de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet” en “doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvatten- de memorie”. Dit betekent dat over een middel(onderdeel) dat niet (meer) in deze samenvatting is opgenomen geen uitspraak dient te worden gedaan. Luidens artikel II.28 van het aanvullingsdecreet “stelt het bestuur de Raad en de verzoeker onverwijld in het bezit van de stukken op grond waarvan de beslissing is genomen”. Volgens verzoeker was dit stukkenbundel onvolledig en is voormelde bepaling daarom geschonden. Wat die grief over een regel van de rechtspleging betreft -énige grief die verzoeker blijkens zijn memorie van wederantwoord nog behoudt bij het derde middelonderdeel- blijkt niet en wordt zelfs niet beweerd dat verzoeker toepassing ervan heeft gevorderd voor de bodemrechter. Verzoeker laakt integendeel in zijn “wederantwoordnota” van 30 april 2008 de “pletwals van ingediende stukken” en de “massa’s overtollige overtuigingsstukken”. De feitenrechter had dan ook geen uitspraak te doen over de toepassing van het vernoemd artikel II.
- Het middelonderdeel is nieuw en kan bijgevolg niet worden aangenomen.
- Het eerste middel wordt in elk van zijn onderdelen verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Als tweede middel voert verzoeker aan : “Schending art 58 Structuurdecreet voor zover generieke competenties mogen vergeleken worden. Fout in de objectieve juistheid van de materiële relatie van de feiten en de juiste kwalificatie van de feiten die aanvaard worden door het rechtscollege”. XII-5460-9\15 Beoordeling
- Het door verzoeker bestreden besluit verwerpt als volgt de grief waarop het thans aangevoerde tweede middel betrekking heeft (derde middel in het besluit a quo) : XII-5460-10\15 “Verzoeker klaagt in een derde middel de schendig aan van artikel 58, § 2, 3/ van het Structuurdecreet, daar het universiteitsbestuur de generieke eindcompe- tenties niet gelijk vindt terwijl dat artikel daartoe de garanties biedt. Artikel 58 van het Structuurdecreet heeft betrekking op de accreditatie van opleidingen. Het verduidelijkt welke generieke kwaliteitswaarborgen er in een opleiding moeten zijn opdat ze zou kunnen geaccrediteerd worden, en geeft de algemene doelstellingen aan van de bachelors in het professioneel en het academisch onderwijs en van masters in het academisch onderwijs. Artikel 58, §2, 3/ van het Stuctuurdecreet geeft in algemene bewoordingen aan wat de einddoelstellingen van de masteropleidingen moeten zijn. Bij het onderzoek naar vrijstellingen gebeurt de vergelijking op het niveau van de leerresultaten verbonden aan de verschillende opleidingsonderdelen en niet op het generieke niveau. Het middel kan niet worden aangenomen”.
- Verzoeker geeft een verkeerde lezing aan deze beoordeling en verwart de “generieke eindcompetenties” - die staan tegenover de “specifieke eindcompetenties”- van een welbepaald opleidingsonderdeel met de “generieke kwaliteitswaarborgen”, bedoeld in artikel 58 van het structuurdecreet, die verband houden met de accreditatie van opleidingen. Artikel 58, § 2, 3/, van het structuurdecreet wordt door het bestreden besluit niet miskend door de draagwijdte ervan te situeren op het niveau van de accreditatieprocedures, zonder concrete doorwerking op de vergelijking van competenties bij een individuele vrijstellingsaanvraag op basis van een creditbewijs.
- Het middel faalt naar recht. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel luidt in het inleidend verzoekschrift : “geen volheid van bevoegdheid, geen mogelijkheid ingediende stukken met onwaarheden te betwisten”. In de toelichting bij het middel argumenteert verzoeker dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geen rechter met volle rechtsmacht is als bedoeld in artikel 6 EVRM, omdat die Raad geen inschrijving wegens valsheid kent en hij de door het bestuur weergegeven feiten niet vermag na te gaan, “inclusief het actief onderzoek of het bestuur wel op rechtmatige wijze tot zijn voorstelling van feiten is gekomen”. Hij merkt op dat de Raad van State, te XII-5460-11\15 dezen cassatierechter zijnde, niet in aanmerking komt om deze tekortkoming aan artikel 6 EVRM goed te maken. Uit de memorie van wederantwoord, op basis waarvan de Raad van State uitspraak moet doen, leidt de Raad van State af dat verzoeker (enkel nog) tilt aan het feit dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geen eigen valsheidsonderzoek uitvoert. Met inachtname van artikel 6.1 EVRM, zo meent verzoeker, “heeft de Raad de bevoegdheid om een inschrijving van valsheid te doen, desnoods via art 29 Sv. dat van toepassing is op iedere gestelde overheid”. Verzoeker vraagt in geval van cassatie “verwijzing door de Raad van State naar de strafrechter / procureur des Konings”. Beoordeling
- Verzoeker heeft artikel 29 van het wetboek van Strafvordering, dat overigens vreemd is aan de rechtspleging voor een rechtscollege, niet aangevoerd in het inleidend verzoekschrift zodat de Raad van State er alleen reeds om die reden voorts geen acht op slaat.
- Net zo min als de Raad van State is de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen als administratieve rechter bevoegd om zich uit te spreken over een betichting van valsheid. In de door de Grondwet gewilde bevoegdheidsverdeling tussen de gewone rechters en de met eigenlijke rechtspraak belaste organen, behoort de kennisneming van deze betichting tot het exclusief domein van de gewone rechter.
- De vaststelling dat de rechtspleging bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet uitdrukkelijk voorziet in een valsheids- procedure, vergelijkbaar met die welke geldt voor de Raad van State, komt neer op kritiek op het decreet. In dat verband stelt de Raad van State evenwel vast dat het antwoord op de vraag of dit een lacune is die strijdt met artikel 6.1 EVRM in de concrete omstandigheden van deze zaak zonder antwoord mag blijven. Immers heeft verzoeker ondertussen die procedure dan toch ingesteld, op het niveau van de cassatierechter. Dat de Raad van State enkel cassatierechter is, doet voor deze problematiek geen afbreuk eraan dat verzoeker de rechtsbescherming die de XII-5460-12\15 valsheidsprocedure hem biedt heeft genoten : mocht immers inderdaad een voor het bestreden besluit wezenlijk stuk vals zijn gebleken, dan had de Raad van State het cassatieberoep moeten inwilligen en zou de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een nieuwe beslissing na cassatie niet meer mogen steunen op het valse stuk. Ondertussen is gebleken dat de klacht van verzoeker geleid heeft tot een buitenvervolgingstelling. Het middel kan dan ook niet worden aangenomen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vierde middel heet in het inleidend verzoekschrift “Schending art 32 lid 2 OER 207-08 (oud art 46 OER 2006-07)”. Volgens verzoeker heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen artikel 32, tweede lid, van het toepasselijke onderwijs- en examenreglement geschonden “[door] de optie om de studiepunten anders te bepalen in kader van deelvrijstellingen weg te nemen en verwerende partij effectief te dwingen enkel de deelvrijstelling, verplichting die inderdaad volgt uit het Flexibiliseringsdecreet zelf, te onderzoeken en de anders bepaling van studiepunten op grond van het equivalentieonderzoek tussen competenties uitsluit”. Hij meent dat de door hem voorgestelde lezing van artikel 32 OER “interessanter” is voor een student. Beoordeling
- Artikel 32, tweede lid, OER bepaalt dat er aan de universiteit Gent geen deelvrijstellingen kunnen worden toegekend. In het bestreden besluit oordeelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen echter dat dit artikel 32, tweede lid, OER in strijd is met de artikelen 2, 27/, 46 en 49 van het flexibiliseringsdecreet en op basis van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Wegens die vaststelling wordt het betrokken, door verzoeker voor de bodemrechter aangevoerde middel “in die mate gegrond” verklaard. XII-5460-13\15
- Het te dezen in cassatie aangevoerde middel is vreemd aan die beoordeling en oefent er geen wettigheidskritiek op uit. Het kan dan ook niet tot nietigverklaring leiden, nu verzoeker enkel de schending aanvoert van een bepaling die volgens een niet aangevochten oordeel van de bodemrechter op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet blijven. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vijfde middel “bestaat erin dat het gezag van gewijsde van besluit 2007/048 geschonden wordt indien het cassatieberoep van de Ugent verworpen wordt doordat de instelling nu niet meer eenduidig moet aantonen hoe de specifieke competenties (de raad spreekt in 2007/048 van eindtermen) van het opleidingsonderdeel Monetair Beleid niet gehaald zouden kunnen zijn door de competenties verbonden aan het creditbewijs Monetaire Economie en Beleid”. Beoordeling
- Het volstaat vast te stellen dat het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak niet kan worden geschonden door het rechtscollege zelf dat de uitspraak heeft gedaan en dat nadien uitspraak moet doen in een ander geschil, zelfs tussen dezelfde partijen. Overigens lijkt verzoeker dat in de memorie van wederantwoord niet te betwisten. Het middel faalt naar recht. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 175 euro. XII-5460-14\15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 juni 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-5460-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.003 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.810 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.