id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.004 Rolnummer: A. 188695/XII-5491 Zaak: Arrest 205004 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 10/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-11 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.004 van 10 juni 2010 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 205.004 van 10 juni 2010 in de zaak A. 188.695/XII-5491 In zake: Kris VAN DER HIJDEN woonplaats kiezend te Mol Vennestraat 52 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Van Hoecke tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te Assebroek Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het administratief cassatieberoep, ingesteld op 24 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit nr. 2008/010 van 19 juni 2008 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 193.809 van 4 juni 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat er mee belast, na afloop van het strafgeding, het onderzoek van de zaak voort te zetten. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-5491-1\8 Advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in het bestreden besluit nr. 2008/010 de volgende feitelijke gegevens in overweging genomen : “3.
- Verzoekende partij studeert onder het statuut van werkstudent aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit Gent. Verzoekende partij was in het academiejaar 2006-2007 ingeschreven met een diplomacon- tract aan de Universiteit Gent in de faculteit Economie en Bedrijfskunde met een geïndividualiseerd traject dat opleidingsonderdelen uit de eerste en tweede licentie omvat. Verzoekende partij werd als gevolg van een aantal beslissingen niet geslaagd verklaard. 3.
- Verzoekende partij diende zich opnieuw in te schrijven in het academiejaar 2007-
- Verzoekende partij valt onder het overgangsregime naar de bachelor-masterstructuur dat bepaalt dat studenten die in het academiejaar 2006-2007 niet slaagden in de tweede licentie zich in het academiejaar 2007-2008 opnieuw formeel dienen in te schrijven in de tweede licentie, zodat zij alsnog kunnen afstuderen als licentiaat. Daartoe dient wel voor deze transitstudenten een aangepast programma te worden vastgesteld dat ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de faculteitsraad omdat het bestaande tweede licentieprogramma niet meer wordt gedoceerd. 3.
- Aan verzoekende partij werd een door de voorzitter van de examencommis- sie uitgewerkt voorstel van aangepast programma voorgelegd ter goedkeuring. Verzoekende partij dient nog drie opleidingsonderdelen te volgen voor een totaal van 14 studiepunten. Het betreft: - ‘Financiële economie II’ te vervangen door ‘Monetair beleid’; - ‘Financiële wiskunde’ te vervangen door een keuzevak te kiezen uit de lijst van keuzevakken master FEB; - ‘Economisch Spaans’ te vervangen door een ander taalvak te kiezen uit de lijst van keuzevakken master FEB; 3.
- Verzoekende partij bezorgde haar goedkeuring met het voorgestelde studieprogramma terug. Zij maakte gebruik van de keuzemogelijkheden en vroeg tegelijkertijd vrijstellingen aan. Verschillende aanvragen werden ingediend en meerdere beslissingen werden in dit verband genomen. XII-5491-2\8 3.
- Op 19 december 2007 keurt de faculteitsraad uiteindelijk de keuzes van verzoekende partij voor de keuzevakken goed. Verzoekende partij diende over de volgende opleidingsonderdelen examen af te leggen: ‘Monetair beleid’, ‘Inleiding tot het EU-recht’ en het opleidingsonderdeel ‘Hedendaagse Economische en Sociale geschiedenis’. Op 21 januari 2008 schrijft verzoekende partij zich in voor het betreffende transitprogramma. 3.
- Verzoekende partij schreef zich in het academiejaar 2006-2007 ook in met een creditcontract aan de universiteit Antwerpen voor het opleidingsonderdeel ‘Monetaire Economie en beleid’ waarvoor zij een credit behaalde. Op basis van deze credit vroeg zij een vrijstelling aan voor het opleidingsonderdeel ‘Monetair Beleid’ dat deel uitmaakt van het transitprogramma. De GIT- commissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde weigert bij beslissing van 29 februari 2008 de toekenning van de vrijstelling. 3.
- Verzoekende partij tekende een eerste beroep aan bij aangetekend schrijven van 31 maart 2008 bij de Raad tegen de beslissing op intern beroep van 13 maart 2008 waarbij de weigering van de vrijstelling wordt herbevestigd. 3.
- De Raad besliste op zijn zitting van 6 mei 2008 dat het beroep van verzoekende partij ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is. De beslissing van 13 maart 2008 genomen in het kader van het intern beroep werd vernietigd in de mate waarin geen onderzoek is gebeurd naar het al dan niet toekennen van een deelvrijstelling. 3.
- Verwerende partij neemt op 2 juni 2008 een nieuwe beslissing waarbij zij het intern beroep van verzoekende partij als ongegrond beschouwt en besluit dat geen vrijstelling kan verleend worden op delen uit het opleidingsonderdeel ‘Monetair beleid’. 3.
- Verzoekende partij tekent op 3 juni 2008 een beroep aan bij de Raad.” De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen besluit dat het beroep ontvankelijk en niet gegrond is. IV. Rechtspleging
- Wat de valsheidsprocedure betreft, die er toe geleid heeft dat de behandeling van het voorliggende cassatieberoep bij arrest nr. 193.809 van 4 juni 2009 werd geschorst, stelt de Raad van State vast dat uit de onderzoeksverrichtingen van het auditoraat is gebleken dat door de raadkamer te Gent tot een buitenvervol- gingstelling werd beslist, zodat het onderzoek van de zaak kan worden voortgezet. XII-5491-3\8 V. Onderzoek van de middelen
- Verzoeker voert zeven middelen aan tegen het bestreden besluit. In het auditoraatsverslag wordt het verzoekschrift enkel onderzocht in de mate waarin er “op verschillende plaatsen in het verzoekschrift, zo o.m. sub 48 in fine” de schending wordt aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet, zodat de Raad van State met toepassing van artikel 24 van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State uitspraak doet over de conclusies van het auditoraatsverslag zonder dat de Raad zich reeds over de niet in het verslag besproken cassatiemiddelen vermag uit te spreken. 6.
- In een tweede middel, “bijkomend” middelonderdeel, voert verzoeker de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “en het toekennen van een foute juridische kwalificatie aan vakinhouden door ze gelijk te stellen met competenties waardoor de relatie tussen norm, zijnde art 47 Flexibiliseringsdecreet (dat een vergelijk in termen van competenties vereist), en het rechtsfeit niet overeen- stemmen met elkaar”. Volgens verzoeker moet de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zijn vaststellingen uitleggen en moet hijzelf “toch weten waar het vergelijk precies mank loopt opdat [hij] kan weten of [hij] al of niet beroep kan aantekenen”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen motiveert ook niet, volgens verzoeker, waarom hij niet ingaat op zijn vraag om inschrijving wegens valsheid. Verzoeker noemt voorts de motivering onlogisch en gebrekkig “gezien [de Raad] tegelijk ook niet motiveert hoe het zelfs enigszins mogelijk kan zijn dat verzoeker kan bewijzen dat de te bereiken competenties reeds bereikt zijn via het creditbewijs en het bestuur tegelijk kan stellen dat verzoeker zelfs niet één deelcompetentie bereikt heeft nu zelfs geen deelvrijstelling gegeven werd”. Volgens verzoeker spreekt de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen zijn eigen motieven in het eerste middel tegen in de beoordeling van het zesde middel, die per definitie te begrijpen moet zijn als een verwijzing naar een bijkomend onderzoek als bedoeld in artikel 46, § 3, van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen (het zogenaamde flexibiliseringsdecreet). 6.
- In het derde middel voert verzoeker tegen de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de schending aan van artikel 149 XII-5491-4\8 van de Grondwet “door geen feiten die het zou hebben beoordeeld weer te geven in het besluit”. De relevante en pertinente feiten zijn niet opgenomen in paragraaf 3 van het besluit. Verzoeker komt nergens te weten welke feiten concreet door het rechtscollege beoordeeld zijn geworden. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker dit, eraan toevoegende dat uit het bestreden besluit nergens valt af te leiden wat volgens de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen de rechtsfeiten zijn die hij in zijn beoordeling betrekt. Volgens verzoeker is het ook totaal niet duidelijk welke deelcompetentie van Monetair Beleid nog niet bereikt zou zijn. 6.
- Ook in het zesde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, en “schending van de principes van het bewijsrecht: hij die beweert, die bewijst!”. Verzoeker stelt alzo : “Wat is een deelvakinhoud volgens Gent? De delen werden niet gedefinieerd! Ook de Raad geeft geen antwoord op de vraag van verzoeker hoe groot de delen moeten zijn volgens het decreet. De Raad schendt weer eens art 149 GW gezien dit antwoord een eerste vereiste is om het geschil te kunnen beoordelen”. Volgens verzoeker kunnen op basis van de letters, getallen en lijnen die in de teksten van de UGent voorkomen talloze deelvrijstellingen worden toegekend -verschillende duizenden- zodat het ongerijmd is als er helemaal géén deelvrijstelling wordt toegekend. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft geen beoordeling gegeven van dit wiskundige bewijs. De motiveringsplicht wordt geschonden wanneer de beslissing geen enkele aanwijzing bevat waarom een eis niet werd aanvaard, zodat vergetelheid van de rechter te beschikken over deze eis niet uit te sluiten is. Het besluit is gemotiveerd door een veronderstelling over het niveau van het opleidings- onderdeel; dit kan als loutere bewering niet volstaan. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker daarenboven dat ook de Raad van State hieruit kan afleiden dat het weigeren van deelvrijstelling- en niet anders dan onredelijk kan zijn zonder daarbij zelf in de beoordeling van de grond van de zaak te moeten treden. Ook stond de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen toe dat de formele-motiveringsplicht geschonden werd gezien het motief betreffende het niveauverschil niet was weergegeven in de bestuursbeslissing waar klaar en duidelijk staat dat voor de deelvrijstellingen naar overlappingen van de cursusinhoud werd gezocht. XII-5491-5\8 Beoordeling
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. De regel geldt voor elk contentieus college.
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker niet meer het “bijkomend” middelonderdeel van het tweede middel. De Raad van State moet luidens artikel 14 van het procedurereglement inzake administratieve cassatie uitspraak doen op basis van deze memorie, die de vorm moet aannemen van een samenvattende memorie. Over een middel(onderdeel) dat in de memorie van wederantwoord niet wordt hernomen, mag geen uitspraak worden gedaan. Het “bijkomend” middelonderdeel van het tweede middel is onontvankelijk.
- Wat het derde en het zesde middel betreft, samen genomen, herinnert de Raad van State eraan dat de bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren een louter vormvereiste is. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt.
- Te dezen heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen de grieven van verzoeker met betrekking tot de deelvrijstelling afgewezen, op grond van in wezen de redengeving dat : “Uit de voorgelegde stukken blijkt dat het universiteitsbestuur voor het al of niet toestaan van een deelvrijstelling in de eerste plaats de ECTS-fiches van de betrokken opleidingsonderdelen heeft vergeleken en vervolgens het resultaat van dit onderzoek heeft geverifieerd aan de hand van het betrokken lesmateriaal zonder dat deze verificatie kan beschouwd worden als een bijkomend onderzoek zoals bepaald met het oog op de attestering van een EVC. [...] De Raad doet bovendien opmerken dat uit de voorgelegde stukken en de toelich- ting tijdens de hoorzitting gebleken is dat de reden waarom geen deelvrijstelling wordt toegestaan, niet gelegen is in het feit dat er geen overlappingen tussen de beide opleidingsonderdelen zouden zijn, maar gelegen is in het verschillend niveau van de betrokken opleidingsonderdelen. Het opleidingsonderdeel ‘Monetaire Economie en Beleid’ bevindt zich op het basisniveau terwijl het opleidingsonderdeel ‘Monetair Beleid’ zich op een gevorderd niveau bevindt”. XII-5491-6\8 Door te stellen dat de deelvrijstelling is geweigerd omdat de beide te vergelijken opleidingsonderdelen zich op een verschillend niveau bevinden, is het besluit regelmatig met redenen omkleed en heeft de bodemrechter voldaan aan het vormvereiste, bedoeld bij artikel 149 van de Grondwet. De motivering toont aan op welke feiten de rechter steunt -inzonderheid “de voorgelegde stukken”, welke aan verzoeker bekend zijn- en welke gedachtegang hij volgt om zijn beslissing te nemen, zodat de partijen kunnen nagaan of zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden en zodat de Raad van State in voorkomend geval zijn opdracht als cassatierechter naar behoren kan uitoefenen en nagaan of de wet correct werd toegepast. Het valt niet toe aan de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen in de plaats van het bestuur vast te stellen welke deelcompe- tenties wel of niet bereikt zouden zijn.
- Ten overvloede merkt de Raad van State op dat een schending van “de principes van het bewijsrecht” geen ontvankelijk cassatiemiddel uitmaakt, nu het middel nalaat de wettelijke bepalingen te vermelden waarin genoemde principes zouden zijn neergeschreven.
- Als cassatierechter staat het niet aan de Raad van State in de beoordeling van de zaak te treden, zodat hij in tegenstelling tot wat verzoeker meent, zich niet in de plaats van de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen erover vermag uit te spreken of “het weigeren van de deelvrijstel- lingen niet anders dan onredelijk kan zijn”. Dat de feitenrechter dan weer onterecht zou besluiten dat de voor hem bestreden beslissing van verwerende partij niet onredelijk is, is een argument dat vreemd is aan het aangevoerde cassatiemiddel van de schending van artikel 149 van de Grondwet.
- De in de memorie van wederantwoord opgenomen grief dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen toestond “dat de formele motiveringsplicht geschonden werd” is nieuw ten opzichte van het oorspronkelijk zesde middel en bijgevolg alleen reeds om die reden niet ontvan- kelijk.
- Het derde en het zesde middel falen naar recht. XII-5491-7\8
- Het auditoraatsonderzoek maakt de oplossing van het geschil niet mogelijk. BESLISSING
- De debatten worden heropend.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee belast het onderzoek van het cassatieberoep af te doen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 juni 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-5491-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.004 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.809 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.