id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.101 Rolnummer: A. 174922/X-12941 Zaak: Arrest 205101 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.101 van 11 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.101 van 11 juni 2010 in de zaak A. 174.922/X-12.941. In zake: de n.v. IMMOFISK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Soeteweye kantoor houdend te 3010 KESSEL-LO Eénmeilaan 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 11 mei 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verwerping van het beroep ingesteld tegen het besluit van 5 december 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek houdende weigering van de vergunning voor het bouwen van een meergezinswoning (twee woongelegenheden en gelijkvloers voor vrij beroep) op een perceel gelegen te Groot-Bijgaarden, Breedveld, kadastraal bekend sectie B, nr. 113/h24. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. X-12.941-1/11 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrick Soeteweye, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 12 mei 2005 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekende partij de stedenbouwkundige vergunning aan voor het bouwen van een “meergezinswoning” op een perceel gelegen te Groot-Bijgaarden, Breedveld, kadastraal bekend sectie B, nr. 113/h24. Het voornoemde perceel is lot 2 van een op 22 december 2003 vergunde verkaveling. 3.2. Op 26 september 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek de stedenbouwkundige vergunning voor een meergezinswoning op het voornoemde lot 2, stellend dat “de voorschriften van de verkaveling 60V861 worden nageleefd”. Die beslissing wordt aan de verzoekende partij met een op 7 oktober 2005 ter post aangetekend verzonden brief ter kennis gebracht. 3.3. Op 5 december 2005 trekt het college de beslissing van 26 september 2005 in omdat “de aanvraag (...) strijdig (
- is)met de X-12.941-2/11 verkavelingsvoorschriften voor wat betreft de bestemming van het gebouw (meergezinswoning i.p.v. ééngezinswoning)”. Die beslissing wordt aan de verzoekende partij met een op 16 december 2005 ter post aangetekend verzonden brief ter kennis gebracht. De verzoekende partij stelt tegen de laatstgenoemde beslissing beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 3.4. Op 11 mei 2006 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het administratief beroep van de verzoekende partij. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Het goed maakt deel uit van de behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling nummer 874.2/03/2/003, afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen op 22 december 2003. Het perceel is kavel 2 van deze verkaveling, kavel 1 is reeds bebouwd. In de verkavelingsvergunning werden volgende voorwaarden opgelegd: - zicht te houden aan het gewijzigd plan van 30.07.2003 - het aantal woonlagen te beperken tot maximaal 2 - naleving van de voorschriften van de bijgevoegde bijlage 1 en 2 d.d 11.12.2003 Bijlage 2 bevat de bijzondere stedenbouwkundige voorwaarden. In deze voorschriften staat onder A. Gebouwen: 1. bestemming: - één ééngezinswoning op kavel 2; - complementaire bedrijvigheid is toegelaten; - het gebouw wordt in half-open verband opgericht; - het gebouw telt maximaal twee woonlagen De beroepsindiener beweert dat er bij de verkavelingsvergunning niets bepaald wordt over de bestemming van de op te richten gebouwen en dat dit geenszins uitsluitend voor eengezinswoning bestemd zou zijn. De bijlage 2 gevoegd bij de verkavelingsvergunning die integraal deel uitmaakt van de verkavelingsvergunning laat echter geen interpretatie toe. Het oprichten van een meergezinswoning is in strijd met de bijzondere voorschriften van de verkavelingsvergunning. (...) In het kader van de wettelijke en reglementaire voorschriften is het ontwerp niet voor vergunning vatbaar gelet op de strijdigheid met de verkavelingsvoorschriften. Wettigheid van de intrekking De beroepsindiener betwist de wettigheid van de intrekking omdat: • de intrekking op 5 december 2005 te laat is ingesteld • de intrekking niet mag gebeuren indien het college zich steunt op haar eigen nalatigheid • de gemachtigde ambtenaar nagelaten heeft zijn schorsingsrecht uit te oefenen 1. Termijn waarbinnen intrekking mogelijk is. In de klassieke theorie, zoals de Raad van State die voorstaat, wordt een onderscheid gemaakt tussen handelingen die geen rechten verlenen - steeds intrekbaar - en handelingen die rechten verlenen - alleen intrekbaar als ze onwettig zijn. X-12.941-3/11 De verlening van een stedenbouwkundige vergunning kent rechten toe aan de verkrijger. Een regelmatige bouwvergunning kan niet ingetrokken worden. Een onregelmatige vergunning wel. Volgens de rechtspraak van de Raad van State is in het tweede geval de intrekking slechts mogelijk zolang de termijn van 60 kalenderdagen voor het indienen van een verzoekschrift tot vernietiging nog niet is verstreken. Aangezien de beslissing houdende de vergunning op 7 oktober 2005 werd betekend (cfr. bevestiging in het beroepschrift) en het college van burgemeester en schepenen op 5 december 2005 overging tot de intrekking, dient besloten tot de tijdigheid ervan. 2. De intrekking mag niet gebeuren indien het college zich steunt op haar eigen nalatigheid. De Raad van State stelt bepaalde eisen bij de aard van de onregelmatigheid van de bouwvergunning opdat de intrekking geoorloofd zou zijn. Zo stelde zij in vroegere arresten dat een overheid er niet toe gerechtigd was een vergunning in te trekken op grond van het feit dat deze bij vergissing en dus onregelmatig was verleend, indien de onregelmatigheid zoniet uitsluitend dan toch allereerst aan haarzelf te wijten was (...). Recentere uitspraken geven aan dat een overheid minstens de mogelijkheid moet hebben om een onregelmatige vergunning in te trekken zelfs indien de onregelmatigheid louter aan de overheid zelf ligt (...). Uit de arresten van de Raad van State (...) blijkt dat een overheid de mogelijkheid heeft om een onregelmatige vergunning in te trekken. In het intrekkingbesluit van het college wordt aangegeven dat de oorspronkelijke vergunning in strijd is met de verkavelingsvoorschriften. 3. De gemachtigde ambtenaar heeft nagelaten zijn schorsingsrecht uit te oefenen. De Raad van State heeft reeds meerdere malen expliciet gesteld dat het niet-gebruikmaken van de schorsingsbevoegdheid door de gemachtigde ambtenaar de onwettigheid van een bouw- of verkavelingsvergunning niet opheft en dus op zichzelf niet volstaat om de bevoegdheid van de overheid tot het intrekken van een vergunning (...) teniet te doen. Tenslotte wordt verwezen naar een gelijkaardig dossier, met name het bouwberoep Stijns namens de heer en mevrouw Crabbé-Vermeulen - Leuven. Ook hier werd een eerder verleende vergunning door het college van burgemeester en schepenen van Leuven nadien ingetrokken. De bestendige deputatie, besliste op 8 november 2001 in beroep dat de intrekkingsbeslissing ten onrechte werd genomen en dat de eerder verleende vergunning haar rechtskracht hernam. In hoger beroep werd dit door de minister op 30 mei 2002 weerlegd met de bijkomende opmerking dat de deputatie ten onrechte het onderzoek beperkt had tot het louter juridisch onderzoek van de intrekking en nagelaten had de beoogde aanvraag in zijn totaliteit te onderzoeken. In het daaropvolgend arrest (...) van de Raad van State in het kader van het verzoekschrift tot schorsing van het bovenvermelde ministerieel besluit wordt expliciet gesteld dat ‘(..., gelet op het devolutief karakter van het administratief beroep, de in de loop van de vergunningsprocedure in eerste en tweede aanleg genomen beslissingen geacht moeten worden niet meer te bestaan;...) Hieruit moet besloten worden dat het bestuur de vergunning mocht intrekken en dat de intrekking gelijk staat met een weigering. Het huidig beroep staat bijgevolg gelijk met een beroep tegen de weigering van het college van burgemeester en schepenen en het is aan de bestendige deputatie om over de volledige aanvraag te oordelen. (...) De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de bestendige deputatie het beroep niet inwilligen om volgende redenen: X-12.941-4/11 - het ontwerp is in strijd met de geldende verkavelingsvoorschriften waar enkel een eengezinswoning wordt toegelaten en geen meergezinswoning. - de vergunning mocht ingetrokken worden en staat gelijk met een weigering, het huidig beroep staat bijgevolg gelijk met een beroep tegen de weigering van het college van burgemeester en schepenen en het is aan de bestendige deputatie om over de volledige aanvraag te oordelen”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. In het verzoekschrift wordt het volgende eerste middel aangevoerd: “schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het verbod van intrekking van administratieve rechtshandelingen als beginsel van rechtsstaat, machtsoverschrijding De bouwvergunning verleend bij beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van Dilbeek van 26 september 2005 is geen onregelmatige administratieve beslissing. De beslissing van het College van burgemeester en Schepenen van 5 december 2005 waarbij de bouwvergunning van 26 september 2005 werd ingetrokken geeft als reden van deze intrekking dat de verkavelingsvoorschriften met betrekking tot het perceel niet zouden zijn gerespecteerd gezien de bestemming van het gebouw een meergezinswoning was terwijl de voorschriften slechts een ééngezinswoning zou toestaan; De verkavelingsvoorschriften met betrekking tot dit perceel zijn opgenomen in de verkavelingsvergunning van 22 december 2003 verleend door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Dilbeek. In deze vergunning werden de volgende voorwaarden opgenomen; • zich te houden aan het gewijzigd plan van 30/07/2003 mits het aantal woonlagen te beperken tot maximaal 2 de kroonlijsthoogte bedraagt maximaal 7,7 m. ten opzichte van het straatpeil • de naleving van de voorschriften van de bijlagen 1 en 2 gevoegd bij het advies van dd.11/12/03 van de afdeling ROHM Vlaams Brabant • er moet een overeenkomst voorgelegd worden in verband met de verwerving van het stuk grond tussen de aangegeven perceelsgrens en de rooilijn • de naleving van het advies dd 18/02/03 van de afdeling Wegen en werken Vlaams Brabant • de nutsvoorzieningen door en op kosten van de aanvrager aan te leggen’ De enige restrictie die werd opgenomen is de kroonlijsthoogte en het aantal woonlagen diende beperkt te worden. Daarbij dient benadrukt te worden dat in het advies van de gemachtigde ambtenaar van 11 december 2003, naar aanleiding van de verkavelingsaanvraag X-12.941-5/11 uitdrukkelijk wordt verwezen naar het feit dat het gebouw voorzag in 3 woongelegenheden. De beoordeling van de gemachtigde ambtenaar met betrekking tot de voorgestelde verkaveling was dat ze planologisch en stedenbouwkundig-architecturaal verantwoord was. De gemachtigde ambtenaar adviseerde enkel dat het aantal woonlagen diende beperkt te worden tot twee. Met deze beperking van de woonlagen en niet het aantal woongelegenheden heeft de gemachtigde ambtenaar duidelijk aangegeven dat het voorgestelde project en de uiteindelijke verkavelingsvergunning niet beperkt diende te blijven tot een ééngezinswoning. Uiteindelijk is het gebruik van de terminologie van essentieel belang. Alleen de bouwhoogte werd beperkt. Dergelijke beperking zou trouwens strijdig zijn met de werkelijkheid ter plaatse waar een groot gedeelte van de aanwezige woningen bestaat uit meergezinswoningen. Het College van Burgemeester en Schepenen waagt zich trouwens niet aan bedenkingen van architecturale of stedenbouwkundige aard om de bouw van een meergezinswoning tegen te gaan. In de aangevochten beslissing van de Bestendige Deputatie van Vlaams Brabant wordt trouwens letterlijk bevestigd dat de bestemming van de wijk Breedveld niet uitsluitend het bouwen van ééngezinswoningen is. Uit de beschrijving die in de beslissing wordt gegeven kan zeer duidelijk worden afgeleid dat in deze wijk zowel eengezinswoningen als meergezinswoningen voorkomen. In casu dient bovendien rekening gehouden te worden met het feit dat de gemachtigde ambtenaar stelde dat het ingediende project verenigbaar was met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Wel wordt toegelaten dat er ruimte wordt voorzien voor kantoren voor vrije beroepen, zodat het niet gaat om een perceel (dat) uitsluitend voor een ééngezinswoning bestemd is. De beperking die het College van Burgemeester en Schepenen, meent te mogen toepassen, daarin gevolgd door de Bestendige Deputatie, steunt derhalve niet op een objectieve regel of voorschrift voortvloeiende uit de verkavelingsvergunning die op 22 december 2003 werd verleend. Zodoende was de bouwvergunning van 26 september 2005 volkomen regelmatig en kon zij op basis van het verbod van intrekking van administratieve rechtshandelingen als beginsel van rechtsstaat niet worden ingetrokken. Dit rechtsbeginsel is in feite een van de hoekstenen van de rechtstaat, gezien de rechtsonderhorige er moet kunnen op vertrouwen dat de administratieve beslissingen die op hem betrekking hebben en hem bepaalde rechten verlenen niet zondermeer en haast willekeurig zouden kunnen worden tenietgedaan. Een administratieve rechtshandeling die rechten toekent aan een derde en wettig is kan omwille van de rechtszekerheid niet worden ingetrokken. (...) De bouwvergunning van 26 september 2005 kende aan verzoeker het recht toe te bouwen en was bovendien wettig gezien zij niet in strijd was met de verkavelingsvergunning”. Beoordeling 4.2.1. In de door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek op 22 december 2003 verleende verkavelingsvergunning wordt “de naleving van de voorschriften van de bijlagen 1 en 2 gevoegd bij het advies d.d. 11/12/03 van de afdeling ROHM Vlaams-Brabant” opgelegd. X-12.941-6/11 De bedoelde bijlage 2 “Bijzondere stedenbouwkundige voorwaarden gevoegd bij verkavelingsaanvraag: (in vervanging van de voorgelegde)” bepaalt in zake de bestemming van de gebouwen onder meer wat volgt: “- één ééngezinswoning op lot 2”. In strijd met de verkavelingsvoorschriften vergunt het besluit van 26 september 2005 een meergezinswoning op lot 2. De bestreden beslissing kon derhalve terecht vaststellen dat “het oprichten van een meergezinswoning (...) in strijd (
- is)met de bijzondere voorschriften van de verkavelingsvergunning”, aangezien “(
- in)de geldende verkavelingsvoorschriften (...) enkel een eengezinswoning wordt toegelaten en geen meergezinswoning”. Het uitgangspunt van het middel als zou de vergunningsbeslissing van 26 september 2005 geen onregelmatige beslissing zijn, faalt. 4.2.2. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.3. In het verzoekschrift wordt het volgende tweede middel aangevoerd: “In de gewraakte beslissing van 11 mei 2006 stelt de Bestendige Deputatie zeer summier dat de beslissing van intrekking tijdig zou zijn geweest gezien de beslissing houdende de bouwvergunning betekend is op 7 oktober 2005 terwijl de beslissing tot intrekking genomen werd op 5 december 2005. Een rechtscheppend besluit van de gemeente kan slechts ingetrokken worden wanneer het besluit nog niet definitief is geworden, waarmee bedoeld wordt dat het besluit niet meer aangevochten kan worden ofwel doordat de beroepstermijn van zestig dagen om in beroep te gaan voor de Raad van State is verstreken ofwel zolang de debatten voor de Raad van State nog niet zijn gesloten ingeval er een vernietigingsberoep werd ingesteld. (...) In onderhavig geval werd er geen verzoek tot vernietiging van de bouwvergunning van 26 september 2005 ingesteld zodat de bouwvergunning definitief is geworden 60 dagen na kennis name door verzoekster. De bouwvergunning van 26 september 2005 werd aan verzoekster ter kennis gebracht bij brief van 7 oktober 2005. De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen kan slechts gevolgen ressorteren en tegengeworpen worden aan de rechtssubjecten vanaf het ogenblik dat deze beslissing wordt bekend gemaakt of betekend. (...) De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van 5 december 2005 werd slechts bij brief van 16 december aan verzoekster X-12.941-7/11 meegedeeld, zijnde buiten de termijn van zestig dagen, waarbij er dan nog rekening dient gehouden (
- te)worden dat verzoekster ten vroegste kennis kon nemen van deze beslissing op maandag 19 december 2005. Gezien een beslissing van intrekking slechts gevolgen ressorteert nadat zij ter kennis is gebracht en deze kennisgeving na de termijn van 60 dagen is gebeurd, waarbij dient opgemerkt (
- te)worden dat een tijdige kennisgeving mogelijk was. De termijn van zestig dagen is derhalve verstreken zodat de beslissing van intrekking onregelmatig is en de Bestendige Deputatie ten onrechte besliste dat de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van 5 december 2005 tijdig was. Minstens mocht verzoekster rechtmatig vertrouwen dat de vergunning definitief verworven was, zodat de laattijdige intrekking van de vergunning dient beschouwd (
- te)worden als een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. De beslissing van de Bestendige Deputatie van 11 mei 2006 schendt het rechtszekerheidsbeginsel gezien verzoekster er mocht van uitgaan dat eens de 60 dagen vanaf kennisgeving van de bouwvergunning deze beslissing definitief was. Wanneer de stelling van de Bestendige deputatie dient gevolgd te worden deze termijn in feite verlengd wordt met de termijn die nodig is om de beslissing van intrekking ter kennis te brengen van de betrokkene, wat een aantasting is van het rechtzekerheidsbeginsel. Deze rechtszekerheidsnorm heeft tot gevolg dat de burger er mag van uit gaan dat de overheid zich zal houden aan de grenzen die door een norm zijn gesteld. In casu wordt de termijn voor intrekking van een beslissing geënt op de termijn van 60 dagen waarbinnen beroep kan worden ingesteld voor de Raad van State. Wanneer dergelijk beroep wordt ingesteld dient de kennisgeving ervan ook te gebeuren binnen deze 60 dagen. Bovendien werd het vertrouwensbeginsel eveneens geschonden doordat op grond van de motivering van de beslissing waarbij de bouwvergunning werd verleend. Dit vertrouwen die verzoekster rechtmatig mocht hebben werd daarenboven aangescherpt en versterkt met het feit dat de gemachtigde ambtenaar vooreerst een gunstig advies heeft gegeven en daarnaast geen gebruik heeft gemaakt van zijn schorsingsrecht”. Beoordeling 4.4.1. De verzoekende partij betwist niet dat het besluit tot intrekking is genomen binnen de termijn voor het instellen tegen het ingetrokken besluit van een beroep bij de Raad van State. Aangezien een gebrekkige kennisgeving de wettigheid van de ter kennis gebrachte beslissing in beginsel onverlet laat, tast het feit dat aan de verzoekende partij van de intrekkingsbeslissing kennis werd gegeven op 16 december 2005 - dit is zeventig dagen nadat haar kennis was gegeven van de vergunningsbeslissing van 26 september 2005 - de geldigheid van het intrekkingsbesluit niet aan, ook niet nu de verzoekende partij van het schrijven van 16 december 2005 “ten vroegste kennis kon nemen (...) op maandag 19 december 2005”. X-12.941-8/11 Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, impliceert het rechtszekerheidsbeginsel niet dat zij er “mocht van uitgaan dat eens de 60 dagen vanaf kennisgeving van de bouwvergunning deze beslissing definitief was”. Daarvan kan immers slechts sprake zijn na het verstrijken van de termijn waarbinnen derde belanghebbenden, op ontvankelijke wijze, een annulatieberoep bij de Raad van State kunnen instellen tegen de haar verleende stedenbouwkundige vergunning. Het blijkt niet dat de gemachtigde ambtenaar advies zou hebben verleend bij de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning van 12 mei 2005. Uit het enkele feit dat de gemachtigde ambtenaar zijn schorsingsbevoegdheid niet heeft uitgeoefend ten aanzien van de vergunning van 26 september 2005 blijkt geen schending van de aangevoerde regels en beginselen. 4.4.2. Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.5. In het verzoekschrift wordt het volgende derde middel aangevoerd: “Derde middel; Fout in hoofde van het College van Burgemeester en Schepenen. Schending van het rechtszekerheids-en vertrouwensbeginsel Het college van Burgemeester en Schepenen was bij het verlenen van de bouwvergunning perfect op de hoogte van de verkavelingsvergunning en de voorschriften die hieruit voortvloeien. Uit het uittreksel van de beraadslagingen van het Schepencollege van 26 september 2005 kan worden afgeleid dat het College rekening heeft gehouden met de verkavelingsvergunning gezien er uitdrukkelijk wordt naar verwezen en gesteld wordt dat; ‘de aanvraag is gelegen binnen een op datum van 22 december 2003 door het college van burgemeester en schepenen behoorlijk vergunde verkaveling, bij de afdeling ROHM Vlaams Brabant bekend onder het nr. 60V861. Deze verkaveling is voor het terrein van de aanvraag niet vervallen.’ In het motiverende gedeelte wordt vooreerst nog eens benadrukt dat het project past in een goede ruimtelijke orde en dat de voorschriften van de verkaveling werden nageleefd. Het college van Burgemeester en Schepenen was derhalve op de hoogte van het bestaan van de verkavelingsvergunning en kon derhalve er rekening mee houden. Derhalve staat het vast dat voorzover de afgeleverde bouwvergunning als onregelmatig dient beschouwd te worden, quod non, dit uitsluitend te wijten is aan een onzorgvuldigheid, vergissing of fout van het College van Burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek X-12.941-9/11 Dergelijke vergissing kan op zich geen grond zijn om de bouwvergunning in te trekken; (...) Wanneer de onregelmatigheid volledig aan de gemeente te wijten valt, kan zij op basis hiervan de vergunning niet intrekken, gezien er geen gewichtige redenen zijn om de rechtsonderhorige dat voordeel te ontnemen. Uit de voorgaande blijkt zeer duidelijk dat er geen gewichtige reden voorhanden zijn gezien zelfs de gemachtigde ambtenaar geen b(e)zwaren opperde met betrekking tot de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en in de beslissing van de bestendige deputatie van 11 mei 2006 uitdrukkelijk omschreven wordt dat in de omgeving van het perceel waa(r)op de bouwvergunning betrekking heeft meerdere meergezinswoningen staan”. Beoordeling 4.6.1. De overheid kan wettig een onregelmatige administratieve rechtshandeling die rechten toekent op rechtmatigheidsgronden intrekken binnen de termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad van State. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, is het voor de wettigheid van de voornoemde intrekking niet vereist dat de onregelmatigheid niet te wijten is aan een “onzorgvuldigheid, vergissing of fout” van de overheid of dat er “gewichtige redenen (...) om de rechtsonderhorige (een) voordeel te ontnemen” voorhanden zijn. In het bestreden besluit wordt dan ook terecht overwogen dat “een overheid (...) de mogelijkheid moet hebben om een onregelmatige vergunning in te trekken zelfs indien de onregelmatigheid louter aan de overheid zelf ligt”. 4.6.2. Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.941-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.941-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div