← België

Arrest 205122 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.122 Rolnummer: A. 185005/IX-5746 Zaak: Arrest 205122 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.122 van 14 juni 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.122 van 14 juni 2010 in de zaak A. 185.005/IX-5746 In zake : Bernard VANDENBUSSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN gevestigd te Brussel Zuidertoren bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Biesemans kantoor houdend te Brussel Schoonslaapsterstraat 29 bus 1 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van het bericht nr. 958/C van 2 juli 2007 houdende de bevordering van D. Buysse door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur in de functie van directeur pensioenen in het kantoor Kortrijk. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-5746-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei
  3. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elke Goossens, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Ilse de Jongh, die loco advocaat Bart Biesemans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is werkzaam bij de Rijksdienst voor Pensioenen, als attaché (A22) gewestelijk directeur op de toekenningsdienst in het kantoor te Kortrijk. In die hoedanigheid heeft hij de leiding over een team van enkele tientallen medewerkers. 3.
  6. Bij bericht nr. 958/A van 27 maart 2007 wordt de betrekking van directeur pensioenen in verscheidene gewestelijke kantoren van de Rijksdienst voor Pensioenen vacant verklaard, waaronder het kantoor te Kortrijk. Deze betrekking is te begeven via bevordering, mutatie, of verandering van vakklasse. 3.
  7. Twee personen stellen zich kandidaat voor de betrekking van directeur pensioenen te Kortrijk, met name de verzoeker en D.B. 3.
  8. In zijn vergadering van 8 mei 2007 hoort de directieraad van de Rijksdienst voor Pensioenen de kandidaten voor de diverse functies. In diezelfde vergadering bespreekt de directieraad de kandidatuur- stellingen. IX-5746-2/16 D.B. wordt voor drie beoordelingscriteria “geschikt” bevonden en voor tien criteria “zeer geschikt”. De eindbeoordeling luidt dat hij door de directieraad zeer geschikt wordt bevonden voor de functie van directeur pensioenen van de kantoren Brugge en Kortrijk. De verzoeker wordt “minder geschikt” bevonden voor vier beoordelingscriteria, “geschikt” voor acht criteria en “zeer geschikt” voor één criterium. De eindbeoordeling luidt dat hij door de directieraad geschikt wordt bevonden voor de functie van directeur pensioenen van het kantoor Kortrijk. 3.
  9. Bij bericht nr. 958/B van 30 mei 2007 wordt voor alle vacante betrekkingen het voorstel tot bevordering van de directieraad meegedeeld, met de daarbij horende rangschikking. Voor de functie van directeur pensioenen in het kantoor Kortrijk wordt D.B. als enige kandidaat voorgedragen. 3.
  10. De verzoeker tekent bij schrijven van 10 juni 2007 bezwaar aan tegen het voorstel tot bevordering van de directieraad. Hij vraagt tevens om te worden gehoord. 3.
  11. Bij schrijven van 14 juni 2007 wordt de verzoeker uitgenodigd om persoonlijk te verschijnen tijdens de zitting van de directieraad op 19 juni
  12. Tijdens die vergadering hoort de directieraad de verzoeker en bespreekt hij diens bezwaarschrift. De conclusie van deze bespreking luidt dat de beoordeling van de verzoeker voor één criterium wordt gewijzigd van “geschikt” naar “zeer geschikt”, doch dat de eindbeoordeling “geschikt” en de beslissing om enkel D.B. voor te stellen voor de betrekking van directeur pensioenen van het kantoor Kortrijk, niet wordt gewijzigd. 3.
  13. De directieraad stelt eenparig D.B. als enige kandidaat voor aan het beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen met het oog op bevordering op 1 juli 2007 tot de functie van directeur pensioenen in het kantoor Kortrijk. 3.
  14. Bij schrijven van 25 juni 2007 wordt de verzoeker door de voorzitter van de directieraad op de hoogte gebracht van het resultaat van zijn bezwaar. IX-5746-3/16 3.
  15. In zijn vergadering van 25 juni 2007 beslist het beheerscomité om D.B. op 1 juli 2007 te bevorderen door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur in de functie van directeur pensioenen in het kantoor Kortrijk. Bij bericht nr. 958/C van 2 juli 2007 wordt deze bevordering bekendgemaakt. Dit is de bestreden beslissing. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  16. Hoewel de verzoeker op formele wijze in zijn verzoekschrift een vordering tot nietigverklaring instelt tegen “het bericht nr. 958/C van 2 juli 2007 houdende bevordering van D.B. door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur in de functie van directeur pensioenen in het kantoor Kortrijk”, blijkt, gelet op de inhoud van het verzoekschrift, dat het beroep gericht is tegen de beslissing waarbij D.B. wordt bevorderd, zijnde de beslissing van 25 juni 2007 van het beheerscomité. Het bericht nr. 958/C van 2 juli 2007 doet niets meer dan de beslissing van het beheerscomité bekendmaken. Aldus is het beroep gericht tegen de beslissing van 25 juni 2007 van het beheerscomité waarbij D.B. met ingang van 1 juli 2007 wordt bevorderd tot directeur pensioenen in het kantoor Kortrijk. V. Onderzoek van de middelen Gelet op de inhoud van de vier middelen wordt de volgorde waarin zij worden beoordeeld enigszins gewijzigd. A. Tweede middel Standpunt van de partijen
  17. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van de belangenafweging, het beginsel van de vergelijking van titels en het beginsel van de feitenvinding. IX-5746-4/16 De verzoeker houdt voor dat de Rijksdienst voor Pensioenen bij de benoeming of bevordering van ambtenaren een zekere keuzevrijheid heeft, en dat hierbij een plicht tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten geldt, ook bij een benoeming op voordracht, aangezien alle voorgedragen kandidaten in aanmerking komen voor de benoeming, ook al worden zij in een bepaalde volgorde voorgesteld. Het beginsel zelf van de voordracht van verschillen- de kandidaten geeft volgens de verzoeker de benoemende overheid een keuzemoge- lijkheid, die elke voorrang van rechtswege uitsluit. De verzoeker voert verder aan dat te dezen de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten wordt toevertrouwd aan de directieraad, die hierbij over een adviserende bevoegdheid zou beschikken. De verzoeker leidt zulks af uit artikel 73, §§ 3 en 4, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, gelezen in samenhang met de artikelen 17bis1 en 17bis2 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut. De verzoeker meent dat in de notulen van de directieraad van 8 mei 2007 zijn titels en verdiensten worden geëvalueerd, doch geen vergelijking wordt gemaakt met de titels en verdiensten van de andere kandidaten. Hetzelfde geldt volgens de verzoeker voor de notulen van de directieraad van 19 juni 2007 houdende het advies van de directieraad na onderzoek van zijn bezwaarschrift. De verzoeker wijst er op dat het advies van de directieraad een wezenlijk onderdeel is van de bevorderingsprocedure. Dit advies moet dan ook afdoende gemotiveerd zijn en de precieze redenen vermelden waarom de ene kandidaat werd verkozen boven de andere, wat impliceert dat de rangschikking gebaseerd moet zijn op een grondig, nauwgezet en vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de respectieve kandidaten. Wanneer het advies niet voldoende uiteenzet waarom een bepaalde kandidaat de voorkeur krijgt, kan het niet worden geacht de benoemende overheid voldoende te hebben ingelicht en zal de benoeming worden vernietigd. Aangezien het advies van de directieraad niet bindend is, mag het zich volgens de verzoeker niet beperken tot een uiteenzetting van de verdiensten van de voorgedragen kandidaat, maar moet het aan de benoemende overheid ook inlichtingen verstrekken over de loopbaan van de andere voor bevordering in IX-5746-5/16 aanmerking komende kandidaten, met een beoordeling van hun verdiensten, zodat de benoemende overheid de kans zou krijgen om te kiezen voor een andere dan de voorgedragen kandidaat. Door het niet-bindend karakter van het advies behoudt de benoemende overheid immers haar discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de geschiktheid van de kandidaat en kan zij afwijken van het advies door de geschiktheid van de kandidaten anders te beoordelen. Volgens de verzoeker werd te dezen geen vergelijking gemaakt tussen de titels en verdiensten van de kandidaten, minstens blijkt dit niet expliciet uit de hem meegedeelde stukken. Hij betoogt dat het beheerscomité in de bestreden beslissing evenmin verwijst naar een eventuele vergelijking van de titels en verdiensten door de directieraad. Van een zorgvuldig bestuur mag volgens de verzoeker evenwel worden verwacht dat het bestuur bij een bevorderingsprocedure een vergelijking van de kandidaten doorvoert, zich hierbij baserend op alle nuttige elementen.
  18. De verwerende partij antwoordt dat de kritiek op het advies van de directieraad niet gefundeerd is. Uit het dossier zou immers voldoende blijken dat de verdiensten en bekwaamheden van de kandidaten werden onderzocht en vergeleken. Het feit dat de benoemde kandidaat “zeer geschikt” werd bevonden en de verzoeker “geschikt”, vindt volgens haar steun in de bespreking van de verschillende in acht genomen criteria. Aldus meent zij dat de directieraad in zijn advies voldoende gemotiveerd heeft waarom D.B. de voorkeur kreeg.
  19. De verzoeker repliceert dat hij in 1974 het diploma van licentiaat in de rechten heeft behaald, na grondige studie van het arbeidsrecht en van vraagstukken inzake het sociale zekerheidsrecht en dat hij, na een vergelijkend examen tot bestuurssecretaris waarvoor het diploma van licentiaat in de rechten vereist was, op 1 januari 1977 in dienst trad bij de toenmalige Rijksdienst voor Werknemerspensioenen. Volgens de verzoeker is het diploma van licentiaat in de rechten onontbeerlijk voor de uitoefening van de functie van directeur pensioenen, gelet op de inhoud van het werk. In de functieomschrijving is immers sprake van het nakijken van het werk van de medewerkers, wat ook juridisch van aard is. Verder IX-5746-6/16 houdt hij voor zich voortdurend te hebben gevormd tijdens zijn loopbaan, zowel in zijn eigen vakgebied, als in het ruimere domein van de sociale zekerheid en informatica. Uit het administratief dossier blijkt volgens de verzoeker niet dat een vergelijking van zijn titels en verdiensten met die van D.B. werd doorgevoerd. D.B. beschikt niet over een licentiaatsdiploma in de rechten en is niet op de hoogte van het (sociaal) procesrecht of van de wetgeving inzake het gewaarborgd inkomen voor bejaarden. Voorts merkt de verzoeker op dat hij sinds 1977 een effectieve leidinggevende functie uitoefent (niveau A) en de materiële leiding had van een gewestelijk bureau van juli 1985 tot eind februari 1987 en onafgebroken sinds
  20. D.B. zou daarentegen (slechts) tien jaar een leidinggevende functie hebben uitgeoefend en geen enkele nuttige ervaring hebben als gewestelijk directeur. Beoordeling
  21. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan de Raad van State zijn beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is slechts bevoegd om na te gaan of de benoemende overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen.
  22. Het voorstel van de directieraad, waarbij de benoemende overheid zich aansluit, moet de redenen vermelden waarom de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen. Uit de stukken van het dossier, meer bepaald de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007, blijkt dat de directieraad de kandidaturen van de verzoeker en van D.B. voor de betrekking te Kortrijk uitvoerig heeft onderzocht aan de hand van dertien beoordelingscriteria. Voor elk van de in aanmerking genomen criteria hield de directieraad rekening met de relevante gegevens, aangebracht in het sollicitatieformulier en tijdens het interview, om per IX-5746-7/16 criterium tot een beoordeling “zeer geschikt”, “geschikt”, of “minder geschikt” te komen. Op basis van die beoordeling per criterium kwam de directieraad tot een globale beoordeling, die voor D.B. “zeer geschikt” luidde en voor de verzoeker “geschikt”. Vervolgens besliste de directieraad om enkel de kandidaten die de vermelding “zeer geschikt” kregen, in het voorstel tot bevordering op te nemen en te rangschikken. Aangezien de verzoeker “geschikt” werd bevonden, werd hij niet gerangschikt. Aldus blijkt uit voormelde notulen dat de aanspraken en verdiensten van beide kandidaten voor de betrekking te Kortrijk uitgebreid zijn onderzocht en besproken op basis van voornoemde dertien beoordelingscriteria. In diezelfde notulen is expliciet vermeld hoe de beide kandidaten scoren voor elk van de dertien gehanteerde beoordelingscriteria, zodat duidelijk is voor welke criteria de ene kandidaat beter of minder goed scoorde dan de andere kandidaat. Het voorstel van de directieraad tot bevordering van D.B. steunt derhalve wel degelijk op een deugdelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten die met de nodige zorgvuldigheid werd uitgevoerd en die doet blijken van een correcte feitenvinding. Wat de bewering van de verzoeker betreft dat een diploma van licentiaat in de rechten onontbeerlijk zou zijn om de betrokken functie uit te oefenen, wordt vastgesteld dat de directieraad zelf oordeelt welke gegevens voor de uitoefening van de te begeven functie van belang zijn. De directieraad is er derhalve niet toe gehouden een diploma van licentiaat in de rechten of ervaring in de betrokken functie als onontbeerlijk te beschouwen voor de te begeven functie. Uit voormelde notulen of uit het competentieprofiel blijkt evenmin dat de directieraad dit diploma als een beoordelingscriterium heeft gekozen. Voorts wijst de verzoeker geen bepaling aan die het bedoelde diploma als een vereiste voor het bekleden van de betrokken functie oplegt. Bovendien heeft de verzoeker in zijn bezwaarschrift niet aangevoerd dat de directieraad onvoldoende aandacht heeft besteed aan zijn diploma of aan zijn ervaring als attaché gewestelijk directeur. De verzoeker maakt niet duidelijk hoe het beginsel van de belangenafweging is geschonden, in zoverre is het middel niet ontvankelijk. Het middel is niet gegrond. IX-5746-8/16 B. Derde middel Standpunt van de partijen
  23. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van het gelijkheids- en niet- discriminatiebeginsel in het bijzonder. Hij betoogt dat het gelijkheidsbeginsel het principe inhoudt van de gelijke toegang tot het openbaar ambt, wat op zijn beurt impliceert dat de overheid de titels en verdiensten van de kandidaten moet onderzoeken en vergelijken op basis van objectieve en pertinente criteria en dat de benoeming moet berusten op wettige motieven. Aangezien de bestreden beslissing volgens de verzoeker de motiveringsplicht schendt, evenals de verplichting tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten, miskent zij volgens hem ook het gelijkheidsbeginsel.
  24. De verwerende partij antwoordt dat uit het administratief dossier voldoende blijkt dat de benoemde kandidaat beter scoorde dan de verzoeker en dat de titels en verdiensten van beide kandidaten op een objectieve wijze werden vergeleken, zodat de ingeroepen beginselen niet werden geschonden. Beoordeling
  25. Bij de bespreking van het tweede middel is gebleken dat de verplichting tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten werd nageleefd, omdat, in essentie de directieraad een gemotiveerde score per kandidaat heeft toegekend voor de dertien weerhouden criteria. Het middel is niet gegrond. IX-5746-9/16 C. Vierde middel Standpunt van de partijen
  26. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van het vertrouwensbeginsel in het bijzonder, doordat hij er op kon vertrouwen, gezien zijn staat van dienst en de nuttige ervaring die hij opdeed in zijn functie van attaché gewestelijk directeur, dat zijn titels en verdiensten op een correcte en expliciete wijze zouden worden afgewogen. De verzoeker wijst er op dat hij reeds de materiële leiding van het gewestelijk kantoor te Kortrijk had van juli 1985 tot februari 1987 en van 1 mei 1996 tot op het ogenblik van de bestreden beslissing. Hij merkt op dat geen opmerkingen werden geformuleerd over de werking van dit kantoor, noch over zijn functioneren als gewestelijk directeur en dat zijn evaluaties steeds “zeer goed” waren. Volgens de verzoeker lag een bevordering door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur in de functie van directeur pensioenen in het kantoor Kortrijk in de lijn van de verwachtingen, gelet op zijn titels en verdiensten.
  27. De verwerende partij antwoordt dat uit de notulen van de directieraad naar aanleiding van het bezwaarschrift van de verzoeker wel degelijk blijkt dat rekening werd gehouden met het feit dat de verzoeker gedurende ruime tijd de materiële leiding van voornoemd kantoor heeft verzekerd. Voorts blijkt volgens de verwerende partij niet dat zij zich zou hebben vergist en dat zij aan de benoemde kandidaat een onterecht voordeel zou hebben verleend. Beoordeling
  28. Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit beginsel moet vermijden dat de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het bestuursoptreden put, te kort worden gedaan. IX-5746-10/16
  29. De verzoeker toont niet aan dat hij er op basis van zijn staat van dienst rechtmatig op kon vertrouwen dat hij zou worden bevorderd in de te begeven functie. Het is immers niet omdat hij steeds de evaluatie “zeer goed” heeft gekregen in de functie die hij vervulde -zelfs al zou dat dezelfde functie zijn als de te begeven functie-, dat er in de loop van de procedure geen andere kandidaten zouden kunnen aantreden die meer geschikt worden bevonden voor de te begeven betrekking, of dat er een vaste gedragslijn of concrete toezegging of belofte door de overheid zou bestaan om de verzoeker in die betrekking te bevorderen. Derhalve kon de verzoeker geen rechtmatige verwachtingen koesteren dat hij in de betrokken functie zou worden bevorderd en is het vertrou- wensbeginsel niet geschonden. Het middel is niet gegrond. D. Eerste middel Standpunt van de partijen
  30. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van de formele motiverings- plicht in het bijzonder, daar de bestreden beslissing wel naar de zitting van het beheerscomité van 25 juni 2007 verwijst, doch de notulen hiervan nooit werden meegedeeld. De verzoeker stelt wel kennis te hebben gekregen van een samenvat- ting van die notulen, maar ook die samenvatting is volgens hem niet gemotiveerd. De verzoeker wijst er op dat een motivering door verwijzing naar een voorstel of advies slechts afdoende is wanneer dat voorstel of advies zelf afdoende gemotiveerd is. Een benoemingsbeslissing gebaseerd op een advies van de directieraad dat niet afdoende gemotiveerd is, moet volgens hem worden vernietigd. De verzoeker meent dat het onmogelijk is om na te gaan waarom niet hij, maar wel D.B. werd bevorderd, die niet beschikt over een licentiaatsdiplo- ma en geen master in de rechten is, noch over relevante ervaring beschikt als gewestelijk directeur of directeur pensioenen. IX-5746-11/16
  31. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden benoeming wel degelijk gemotiveerd is. Uit de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007 blijkt immers dat D.B. “zeer geschikt” werd bevonden voor het merendeel van de in aanmerking komende criteria, zodat hij de beoordeling “zeer geschikt” verkreeg op basis van het geheel van de onderzochte criteria. De verzoeker, voegt zij eraan toe, werd op vele criteria “geschikt” bevonden en op andere criteria “minder geschikt”, zodat hij de eindbeoordeling “geschikt” kreeg voor de functie. Zij merkt op dat naar aanleiding van het bezwaar van de verzoeker de directieraad zijn beoordeling gewijzigd heeft voor één criterium van “geschikt” naar “zeer geschikt”, maar dat de eindbeoordeling “geschikt” van de verzoeker gehandhaafd werd en de directieraad bij zijn beslissing is gebleven om D.B. als enige voor de betrekking voor te stellen. De verwerende partij stelt voorts dat aan de motiveringsplicht bij benoemingen en bevorderingen wordt voldaan door een positieve motivering, die te dezen aanwezig is, gelet op het feit dat de benoemde kandidaat als “zeer geschikt” werd beoordeeld. De verwerende partij voegt daaraan toe dat uit het dossier blijkt dat daadwerkelijk een vergelijking werd gemaakt van de titels en verdiensten en dat pertinente criteria werden gehanteerd en merkt hierbij op dat de Raad van State zich niet in de plaats van de overheid kan stellen bij het afwegen van de titels en verdiensten. Uit de stukken blijkt volgens haar voldoende dat het bestuur, dat over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld en is uitgegaan van gegevens die in feite correct en in rechte aanvaard- baar zijn.
  32. De verzoeker repliceert dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de opmerkingen geformuleerd in zijn bezwaarschrift. Met name houdt hij voor dat de directieraad op 8 mei 2007 met betrekking tot “de initiatieven ter vervolmaking” heeft geoordeeld dat de verzoeker een beperkt aantal initiatieven opsomt, terwijl hij op zijn inschrijvingsformulier een uitgebreide lijst van gevolgde opleidingen en cursussen had weergegeven en in zijn bezwaarschrift daar nogmaals naar heeft verwezen. De bestreden beslissing heeft volgens de verzoeker geen rekening gehouden met deze opmerking. IX-5746-12/16 Voorts betoogt de verzoeker dat de directieraad op 8 mei 2007 heeft geoordeeld dat de verzoeker niet aantoont dat hij voldoende openstaat voor nieuwe ideeën. Hoewel de verzoeker meent dit uitgebreid te hebben weerlegd in zijn bezwaarschrift en tijdens zijn mondelinge toelichting voor de directieraad op 19 juni 2007, zou de bestreden beslissing met zijn opmerkingen geen rekening hebben gehouden.
  33. In zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat de volledige notulen van de directieraad van 8 mei 2007 hem nooit zijn meegedeeld, maar enkel het onderdeel van die notulen dat betrekking had op de bespreking van de criteria in hoofde van de verzoeker zelf. De bespreking van de criteria in hoofde van diegene die benoemd werd, werd hem niet meegedeeld, enkel het feit dat D.B. als eerste gerangschikt werd omdat hij voor meer criteria “zeer geschikt” werd bevonden en ook een grondigere visie heeft op het dienstverlenende karakter van een kantoor, aldus de verzoeker. De verzoeker betoogt dat een vergelijking van aanspraken juist veronderstelt dat de aanspraken met elkaar worden geconfronteerd. Door hem slechts een gedeelte van de notulen van de directieraad van 8 mei 2007 ter kennis te brengen, meent de verzoeker dat hij niet kon uitmaken hoe beide kandidaten scoorden voor elk van de gehanteerde beoordelingscriteria, zodat niet duidelijk was voor welke criteria de ene kandidaat beter of minder goed scoorde dan de andere. De verzoeker besluit dan ook dat hij niet kon nagaan of er al dan niet een deugdelijke vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten werd gemaakt. Hetzelfde geldt volgens de verzoeker voor de notulen van de vergadering van de directieraad van 19 juni 2007 houdende het advies van de directieraad na onderzoek van het bezwaarschrift van de verzoeker. Beoordeling
  34. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze IX-5746-13/16 duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De schending van de formele motiveringsplicht kan echter niet tot de vernietiging van een beslissing leiden indien blijkt dat de verzoeker op een andere wijze van de motieven kennis heeft genomen en dus niet in zijn belangen is geschaad door de afwezigheid van de formele motivering in de beslissing zelf.
  35. Uit het administratief dossier blijkt dat noch in het bericht nr. 958/C van 2 juli 2007, noch in de beslissing van 25 juni 2007 van het beheerscomité enige motivering voor de bestreden bevordering wordt aangegeven, evenmin wordt verwezen naar het voorstel van de directieraad. Door te besluiten om D.B. te bevorderen, moet evenwel worden aangenomen dat het beheerscomité zich bij het unanieme gemotiveerde voorstel van de directieraad heeft aangesloten en bijgevolg de motivering ervan heeft overgeno- men. Met betrekking tot de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007, waaruit de deugdelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten blijkt, beweert de verzoeker dat deze hem slechts zijn meegedeeld voor zover zij de beoordeling van de verscheidene criteria, wat hem betreft, bevat. Dit strookt met de bij het verzoekschrift gevoegde stukken. De verzoeker stelt ook dat hem verder is meegedeeld dat D.B. als eerste gerangschikt was omdat hij voor meer criteria “zeer geschikt” werd bevonden. Dit blijkt uit voornoemde notulen van 8 mei 2007 die betrekking hebben op de geschiktheid van IX-5746-14/16 de verzoeker voor de te begeven betrekking, en die tevens de voorstellen van de directieraad bevatten. Die voorstellen luiden in essentie als volgt: “Op basis van het geheel van de aangebrachte elementen komt de directie- raad tot volgende conclusies. Enkel de kandidaten die de eindvermelding ‘zeer geschikt’ hebben gekregen worden weerhouden in de voorstellen voor het beheerscomité. Wanneer er meerdere kandidaten voor éénzelfde bureau als ‘zeer geschikt’ worden bevonden worden deze onderling gerangschikt op basis van de beoordeling op de verschillende subcriteria. De leden van directieraad stellen uiteindelijk éénparig voor om de volgende kandidaten voor te dragen aan het beheerscomité voor de bevordering naar de betrekking van directeur pensioenen (klasse A3 - titel van adviseur): (...) Voor het bestuur Kortrijk Dhr. D.B. (...).” Uit de stukken gevoegd bij het verzoekschrift blijkt dat de verzoeker voorts kennis had van de notulen van de vergadering van de directieraad van 19 juni 2007 naar aanleiding van zijn bezwaarschrift. Uit die notulen blijkt dat de directieraad akkoord ging om de verzoeker voor het criterium “gerichtheid op dienstverlening” de beoordeling “zeer geschikt” toe te kennen in plaats van “geschikt”, maar dat de directieraad de overige bezwaren van de verzoeker niet relevant of voldoende vond om de initiële beoordeling van de andere criteria, zoals die blijkt uit de notulen van 8 mei 2007, te wijzigen. Bijgevolg had de verzoeker kennis van de essentie van de motivering van het voorstel van de directieraad en dus van de bestreden beslissing, omdat hij wist waarom D.B. als enige werd voorgedragen door de directieraad om te worden benoemd. Enkel de gedetailleerde beoordeling van de verscheidene criteria, die de directieraad in aanmerking nam voor wat D.B. betreft, was hem onbekend. Bijgevolg is de door de verzoeker gekende motivering, zoals hierboven omschreven “afdoende” in de zin van de formele motiveringswet. Het stond bovendien de verzoeker vrij om de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007 op te vragen, voor zover deze betrekking hebben op de beoordeling van de criteria in hoofde van D.B., met het oog op een vergelijking van de titels en verdiensten van beide kandidaten. Uit het dossier blijkt echter niet dat de verzoeker dit heeft gevraagd, hoewel dit perfect mogelijk was. IX-5746-15/16 Nu de verzoeker op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift op afdoende wijze kennis had van de motieven van de bestreden beslissing, staat vast dat in zijnen hoofde het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt. Het middel kan niet worden aangenomen. BESLISSING
  36. De Raad van State verwerpt het beroep.
  37. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5746-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.