← België

Arrest 205124 - Accountants en Belastingconsulenten - 14/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.124 Rolnummer: A. 164084/IX-4967 Zaak: Arrest 205124 - Accountants en Belastingconsulenten - 14/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-23 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.124 van 14 juni 2010 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.124 van 14 juni 2010 in de zaak A. 164.084/IX-4967 In zake: Jan STEURTEWAGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Defreyne kantoor houdend te Izegem Papestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTINGCONSULENTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Lebbe kantoor houdend te Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissie van beroep van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten van 9 mei 2005, waarbij het hoger beroep van de verzoeker tegen de beslissing van de raad van het genoemde instituut van 7 juni 2004, waarbij hem de hoedanigheid van accountant wordt geweigerd, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en de laatstgenoemde beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 154.823 van 13 februari 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-4967-1/13 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Defreyne, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Pieter Callebaut, die loco advocaat Martin Lebbe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Wettelijk en reglementair kader 3.
  5. De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (hierna: de wet van 22 april 1999) strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglementeren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. 3.
  6. Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten (hierna: het IAB) op. Dit instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der accountants treedt, heeft luidens artikel 3 van de genoemde wet in het bijzonder als opdracht “toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent IX-4967-2/13 uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid”. Artikel 43 van diezelfde wet richt ook het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten (hierna: het BIBF) op. 3.
  7. Het IAB verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt, de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent, indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 van de wet van 22 april 1999 voldoet, waaronder onder meer “de bij het stagereglement ingerichte stage hebben beëindigd” en “geslaagd zijn voor een bekwaamheidsexamen waarvan het programma, de voorwaarden en de examenjury door de Koning worden vastgesteld”. Bij koninklijk besluit van 8 april 2003 is het toelatingsexamen, de stage en het bekwaamheidsexamen voor accountants en belastingconsulenten geregeld. 3.
  8. Artikel 34 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van accountant als volgt: “De werkzaamheden van accountant bestaan erin, in privé-ondernemingen, openbare instellingen of voor rekening van elke belanghebbende persoon of instelling, de volgende opdrachten uit te voeren: 1/ alle boekhoudstukken nazien en corrigeren; 2/ zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrekking tot de boekhoudkundige organisatie van ondernemingen alsook de analyse met boekhoudtechnische procédés, van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico’s; 3/ boekhoudkundige en administratieve diensten bij ondernemingen organiseren en advies verstrekken inzake boekhoudkundige en administratieve organisatie bij ondernemingen; 4/ de boekhouding van derden organiseren en voeren; 5/ de in artikel 38 bedoelde werkzaamheden, met uitzondering van de in artikel 38, 3/, bedoelde werkzaamheden voor ondernemingen waarin hij opdrachten bedoeld in 6/ en in artikel 37, eerste lid, 2/, verricht; 6/ de opdrachten andere dan deze bedoeld in 1/ tot 5/ en waarvan de uitvoering hem bij of krachtens de wet is voorbehouden.” IX-4967-3/13 Artikel 38 van de genoemde wet omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt : “De functie van belastingconsulent bestaat erin: 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.” Artikel 48 van de genoemde wet bepaalt dat de (stagiair)- accountants de beroepswerkzaamheden van boekhouder mogen uitoefenen zonder ingeschreven te zijn op het tableau van de beoefenaars van het beroep of op de lijst van de stagiairs. 3.
  9. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning onder meer om, voor de periodes waarvan hij de duur bepaalt en die samen een duur van drie jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet (op 29 juni 1999) niet mogen overschrijden, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of de beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van deze wet (§ 1). Tijdens deze periodes neemt de raad van het IAB de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning bepaald zijn voor de toegang tot de titel van belastingconsulent (§ 3). 3.
  10. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten regelt de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende de overgangsperiode (hierna: het koninklijk besluit van 4 mei 1999). Aldus stelt artikel 2 van dit koninklijk besluit, in uitvoering van artikel 60, § 1, van de wet van 22 april 1999, vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen een termijn van achttien maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wet, zijn kandidatuur stelt en die hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van accountants, hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring en diploma voldoet. IX-4967-4/13 IV. Feiten 4.
  11. De verzoeker draagt de titel van erkend boekhouder-fiscalist en is lid van het BIBF. 4.
  12. Op grond van de overgangsregeling van artikel 60 van de wet van 22 april 1999 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 heeft hij een erkenning als belastingconsulent verkregen. Degene aan wie de titel van belastingconsulent is verleend, wordt daardoor lid van het IAB. Aangezien echter eenzelfde persoon niet gelijktijdig lid van het BIBF en van het IAB kan zijn, werd aan de leden van het eerstgenoemde instituut die in het kader van de overgangsregeling een erkenning als belastingconsulent verkregen, de titel van belastingconsulent slechts verleend onder de opschortende voorwaarde van ontslag bij het BIBF. Zo gebeurde het ook voor de verzoeker. 4.
  13. Omdat sommige leden van het BIBF, die in het kader van de overgangsregeling de erkenning als belastingconsulent hadden verkregen en deze titel wensten te dragen, ook hun boekhoudactiviteiten wensten voort te zetten en zij dit niet konden doen zonder lid te blijven van het BIBF, werd tussen het IAB en het BIBF een akkoord gesloten dat vervolgens werd goedgekeurd door de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, en de minister van Economie. Dat akkoord voorziet als “oplossing” in een “overstapregeling ad hoc”. Krachtens deze regeling kunnen de leden van het BIBF die in het kader van de overgangsregeling, welke gold van 29 juni 1999 tot 29 december 2000, als belastingconsulent werden erkend onder de opschortende voorwaarde van ontslag bij dat instituut, de titel van accountant verwerven mits te voldoen aan bepaalde voorwaarden. Die voorwaarden betreffen enerzijds “diploma- en ervaringsvereisten”, namelijk “houder zijn van een diploma dat toegang verleent tot het IAB” en “op datum van de aanvraag tot deelname aan het examen gedurende ten minste vijf jaar professionele boekhoudactiviteiten hebben uitgeoefend”, en anderzijds het slagen voor een “bekwaamheidsexamen”. IX-4967-5/13 Om aan het bekwaamheidsexamen te kunnen deelnemen, moet de betrokkene voorafgaandelijk het gunstige advies van het BIBF verkrijgen. Eventueel kan eerst een “aanvullende stage” in het IAB worden voorgesteld. Het examen bestaat uit een schriftelijk gedeelte en een mondeling gedeelte. Het schriftelijke gedeelte van het examen bestaat uit “een scriptie die moet toelaten de praktische kennis van de kandidaat te toetsen op de accountancy-domeinen”. Voorts wordt de kandidaat verzocht om “op omstandige wijze zijn beroepsopleiding en -ervaring met betrekking tot de werkzaamheden van accountant uiteen te zetten, evenals zijn professionele toekomstperspectieven”. Het mondelinge gedeelte wordt afgenomen “in een geest van confraterniteit” door een jury van beroepsbeoefenaars en heeft uitsluitend tot doel “na te gaan of de kandidaat de nodige kennis heeft om de specifieke werkzaamheden van de accountant te kunnen uitoefenen”. Een toetsing van de kennis op het vlak van de fiscaliteit wordt “onnodig” geacht. 4.
  14. Met een brief van 16 december 2003 stelt het IAB de verzoeker in kennis van deze regeling. Het instituut deelt hem mede dat indien hij gebruik wenst te maken van deze overstapregeling, hij uiterlijk op 31 januari 2004 een aanvraag tot het verkrijgen van de titel van accountant dient in te dienen. 4.
  15. Met een brief van 29 januari 2004 dient de verzoeker een dergelijke aanvraag in. Bij die brief is onder meer de scriptie gevoegd waarin de verzoeker de redenen uiteenzet waarom hij de titel van accountant nastreeft. 4.
  16. Op 26 maart 2004 heeft het mondelinge examen plaats. Verzoekers antwoord op de gestelde vragen wordt door de examenjury als ontoereikend beoordeeld. De jury besluit dat de verzoeker niet over een voldoende kennis beschikt om de specifieke opdrachten van accountant uit te oefenen. 4.
  17. De raad van het IAB beslist op 7 juni 2004 om aan de verzoeker de titel van accountant niet toe te kennen. IX-4967-6/13 4.
  18. De verzoeker stelt tegen deze beslissing hoger beroep in bij de commissie van beroep van het IAB. Op 11 april 2005 verschijnt hij voor deze commissie. 4.
  19. Op 9 mei 2005 beslist de commissie van beroep dat verzoekers hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond is. Dit is de bestreden beslissing. 4.
  20. Met een aangetekende brief van 10 mei 2005 wordt de verzoeker van deze beslissing in kennis gesteld. V. Ontvankelijkheid van het beroep
  21. In zijn verslag over de zaak wijst de auditeur-verslaggever erop dat de verzoeker met zijn beroep nastreeft dat hem alsnog de hoedanigheid van accountant wordt verleend op basis van het hiervóór onder nr. 4.3 vermelde akkoord tussen het IAB en het BIBF, dat de goedkeuring heeft verkregen van de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, en de minister van Economie. Hij stelt vast dat de regeling waarin dit akkoord voorziet om de hoedanigheid van accountant te verkrijgen, afwijkt van de toepasselijke wetgeving en reglementering, doordat -onder meer- ze in beginsel vrijstelt van de stageverplichting, en het examen dat ze voorschrijft een andere inhoud heeft dan het bekwaamheidsexamen bedoeld in artikel 19, eerste lid, 5/, van de wet van 22 april
  22. Na een uitvoerige analyse van de toepasselijke wetgeving en de reglementering en een vergelijking daarvan met de bepalingen van het voormelde akkoord, besluit de auditeur-verslaggever het volgende: “Aangezien minstens wat betreft de toepassing op verzoeker de conformiteit van het Protocol van akkoord niet blijkt met de bestaande wetgeving en reglementering en evenmin de rechtsgrond van het in casu op verzoeker toegepaste Protocol van akkoord wordt aangetoond en de bevoegdheid ter zake van het IAB en het BIBF en van de voornoemde ministers, is het akkoord in zoverre toegepast op verzoeker strijdig met en vindt het geen rechtsgrond in de wet en/of het koninklijk besluit van 8 april 2003 zodat het, ambtshalve, buiten toepassing gelaten moet worden. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep aangezien hij dan in ieder geval op basis van dit IX-4967-7/13 Protocol van akkoord niet wettig de hoedanigheid van accountant kan bekomen.”
  23. De verzoeker repliceert in zijn laatste memorie op deze ambtshalve opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste wettig belang. Hij verwijst “wat de rechtmatigheid van het belang” betreft naar het antwoord van de minister van Middenstand en Landbouw op de parlementaire vraag nr. 124 die haar op 26 april 2006 werd gesteld met betrekking tot de rechtsgrond van de zogenaamde “overstapregeling ad hoc” die is opgenomen in het voormelde akkoord (Schriftelijke vragen en antwoorden, Kamer, 2005-2006, QRVA 51 123, 6-6-2006, 24171-24176). Hij merkt ook op dat hij in elk geval door de verwerende partij zelf werd uitgenodigd om zijn kandidatuur te stellen in het kader van deze regeling. Beoordeling
  24. Luidens artikel 19, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 verleent het IAB aan een natuurlijke persoon die hierom verzoekt, de hoedanigheid van accountant, indien hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Die voorwaarden zijn onder meer: “de bij het stagereglement ingerichte stage hebben beëindigd” en “geslaagd zijn voor een bekwaamheidsexamen waarvan het programma, de voorwaarden en de examenjury door de Koning worden vastgesteld”.
  25. Het akkoord tussen het IAB en het BIBF voorziet ten behoeve van de leden van het BIBF die tijdens de overgangsperiode werden erkend als “belastingconsulent” onder opschortende voorwaarde van ontslag bij het BIBF, in “een overstapmogelijkheid ad hoc”. Het wordt deze leden namelijk mogelijk gemaakt de hoedanigheid van (stagiair-)accountant te verkrijgen, onder de voorwaarde enerzijds dat de betrokkene “houder [is] van een diploma dat toegang verleent tot het IAB” en hij “op datum van de aanvraag tot deelname aan het examen gedurende ten minste vijf jaar professionele boekhoudactiviteiten [heeft] uitgeoefend”, en anderzijds dat hij slaagt voor een bekwaamheidsexamen tot het verkrijgen van de titel van accountant. Tenzij het BIBF anders adviseert, geldt in beginsel een vrijstelling van de stage. IX-4967-8/13 De verzoeker heeft klaarblijkelijk een gunstig advies van het BIBF verkregen en is vrijgesteld van de stage. De inhoud van het bekwaamheidsexamen, waarvan sprake, wijkt af van deze van het bekwaamheidsexamen bedoeld in artikel 19, eerste lid, 5/, van de wet van 22 april 1999, waarvan het programma, de voorwaarden en de examenjury door de Koning worden bepaald, hetgeen gebeurd is bij koninklijk besluit van 8 april
  26. Het genoemde akkoord omschrijft het schriftelijke gedeelte van het examen als “een scriptie die moet toelaten de praktische kennis van de kandidaat te toetsen op de accountancy-domeinen”. Het vermeldt ook dat de kandidaat zal worden verzocht “op omstandige wijze zijn beroepsopleiding en -ervaring met betrekking tot de werkzaamheden van accountant uiteen te zetten, evenals zijn professionele toekomstperspectieven”. Met betrekking tot het mondelinge gedeelte van het examen is bepaald dat het “in een geest van confraterniteit” zal worden afgenomen en uitsluitend tot doel heeft “na te gaan of de kandidaat de nodige kennis heeft om de specifieke werkzaamheden van accountant te kunnen uitoefenen”. Een toetsing van de kennis op het vlak van de fiscaliteit wordt “onnodig” geacht. Artikel 50, § 1, van het koninklijk besluit van 8 april 2003, dat betrekking heeft op het bekwaamheidsexamen bedoeld in artikel 19, eerste lid, 5/, van de wet van 22 april 1999, bepaalt daarentegen dat het schriftelijke gedeelte voor de toegang tot de titel van accountant slaat op één of meerdere toepassingsgevallen met betrekking tot de (vijfentwintig) in artikel 3, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit omschreven opleidingsinhouden. Van die opleidingsinhouden zijn er wel acht die specifiek het fiscaal recht betreffen. Het mondelinge gedeelte van het bekwaamheidsexamen omvat een bespreking van het schriftelijke gedeelte en een ondervraging over de praktijk van het beroep, de opdrachten, de aansprakelijkheid en de plichtenleer van de accountants. Volgens het genoemde akkoord bestaat de examenjury uit vijf leden, namelijk vier leden van het IAB en één lid van het BIBF. Artikel 51 van het koninklijk besluit van 8 april 2003 bepaalt daarentegen dat de examencommissies uit vijf leden bestaan, waaronder ten minste vier leden van het IAB en één docent aan een universiteit, aan een inrichting voor hoger onderwijs van universitair niveau of aan een inrichting voor hoger economisch onderwijs. Zowel de lijst van de accountants als de lijst van de belastingconsulenten moet in de commissie vertegenwoordigd zijn. IX-4967-9/13
  27. De vraag rijst dienvolgens op basis van welke rechtsgrond de raden van het IAB en het BIBF een afwijkende regeling met betrekking tot de stage en het bekwaamheidsexamen konden uitwerken en de genoemde ministers die regeling konden goedkeuren. Artikel 19 van de wet van 22 april 1999 verleent noch aan het IAB en/of het BIBF, noch aan de genoemde ministers, de bevoegdheid eventuele afwijkende regelingen vast te stellen voor de toekenning van de hoedanigheid van accountant, zelfs niet als overgangsregeling. De hoedanigheid van accountant wordt door het IAB integendeel toegekend indien aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan, terwijl de bevoegdheid tot het vaststellen van “het programma, de voorwaarden en de examenjury” voor het bekwaamheidsexamen uitdrukkelijk aan de Koning is toegewezen.
  28. In haar antwoord op de parlementaire vraag nr. 124 van 26 april 2006 naar de rechtsgrond van het akkoord tussen het IAB en het BIBF, waarop de verzoeker zich beroept als repliek op de door de auditeur-verslaggever opgeworpen exceptie, refereert de minister van Middenstand en Landbouw met betrekking tot de vrijstelling van de stageverplichting aan artikel 29 van het koninklijk besluit van 8 april
  29. Artikel 29 van het koninklijk besluit van 8 april 2003 luidt als volgt: “Overeenkomstig artikel 19bis van de wet, worden de houders van een van de diploma’s of opleidingstitels bedoeld in dat artikel, vrijgesteld van de stage. Op voorstel van de stagecommissie kan de Raad vrijstelling van het volgen van de stage toestaan aan de personen die in het buitenland een hoedanigheid bezitten waarvan hij vaststelt dat zij gelijkwaardig is met die van accountant en/of belastingconsulent in België, voorzover de wettelijke en reglementaire vereisten voor de toegang tot het beroep in dat land beantwoorden aan die welke met betrekking tot de theoretische kennis en vakbekwaamheid zijn gesteld voor een accountant en/of belastingconsulent in België. De Raad kan na advies van de stagecommissie, de stageduur verminderen voor de personen die ingeschreven zijn ofwel op de ledenlijst van het Instituut der Bedrijfsrevisoren, ofwel op de ledenlijst van het Beroepsinstituut van de erkende boekhouders en fiscalisten.” Artikel 19bis, § 1, van de wet van 22 april 1999 bepaalt de diploma’s of opleidingstitels die onder meer de onderdanen van “een andere toegetreden staat” kunnen doen gelden ter ondersteuning van hun verzoek tot het verkrijgen van de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent. Zij zijn dan IX-4967-10/13 krachtens artikel 19bis, § 2, van de wet vrijgesteld van de stage, maar moeten zich in bepaalde gevallen onderwerpen aan een specifieke bekwaamheidsproef. Uit niets blijkt evenwel dat de verzoeker, die overigens de Belgische nationaliteit heeft, zijn aanvraag steunt op een diploma of opleidingstitel als bedoeld in artikel 19bis van de wet van de wet van 22 april 1999 of dat hij in het buitenland een hoedanigheid zou bezitten waarvan de stagecommissie heeft vastgesteld dat ze gelijkwaardig is met die van accountant. Derhalve kan niet worden aangenomen dat de verzoeker aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 29, eerste of tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 april
  30. Voorts voorziet artikel 29, derde lid, van datzelfde koninklijk besluit in een mogelijkheid tot “vermindering” van de stageduur, maar niet in een mogelijkheid tot “vrijstelling” van de stage. Onder een “vermindering” van de stageduur, kan te dezen geen “vrijstelling” worden begrepen, te meer daar de wet van 22 april 1999 slechts van een “vrijstelling” gewaagt in het geval van artikel 19bis, § 2, en artikel 29 van het koninklijk besluit van 8 april 2003 zelf een onderscheid maakt tussen een vrijstelling van de stage (eerste en tweede lid) en een vermindering van de stageduur (derde lid). Derhalve is ook artikel 29, derde lid, van het koninklijk besluit van 8 april 2003 niet van toepassing.
  31. Wat het in artikel 19, eerste lid, 5/, van de wet van 22 april 1999 bedoelde bekwaamheidsexamen betreft, moet worden vastgesteld dat artikel 50, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 2003 slechts in een vrijstelling voorziet, “overeenkomstig artikel 19bis van de wet”, voor de houders van één van de diploma’s of opleidingstitels bedoeld in dat artikel. Zoals hiervóór reeds gesteld blijkt uit niets dat de verzoeker zijn aanvraag steunt op een diploma of opleidingstitel als bedoeld in artikel 19bis van de wet van de wet van 22 april
  32. In haar antwoord op de parlementaire vraag nr. 124 van 26 april 2006 naar de rechtsgrond van het akkoord tussen het IAB en het BIBF, waarop de verzoeker zich beroept als repliek op de door de auditeur-verslaggever opgeworpen exceptie, argumenteert de minister van Middenstand en Landbouw dat uit artikel 35 van het koninklijk besluit van 8 april 2003 kan worden afgeleid dat het bekwaamheidsexamen integraal deel uitmaakt van de stage en dat de principiële vrijstelling van de stage een principiële vrijstelling van het bekwaamheidsexamen impliceert. IX-4967-11/13 Deze argumentatie kan niet worden aangenomen. Niet alleen blijkt uit hetgeen hiervoor werd gesteld dat geen rechtsgrond aanwezig blijkt voor een vrijstelling van de stage, zodat die vrijstelling geen verantwoording kan bieden voor een vrijstelling van het bekwaamheidsexamen, bovendien legt artikel 19 van de wet van 22 april 1999 het slagen voor het bekwaamheidsexamen als een afzonderlijke voorwaarde op.
  33. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het akkoord tussen het IAB en het BIBF, goedgekeurd door de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, en de minister van Economie dat in “een overstapmogelijkheid ad hoc” voorziet ten behoeve van de leden van het BIBF die tijdens de overgangsperiode werden erkend als “belastingconsulent” onder opschortende voorwaarde van ontslag bij het BIBF, alleszins wat zijn toepassing op de verzoeker betreft, niet in overeenstemming is met de wet- en regelgeving, noch rechtsgrond daarin vindt. Het moet dan ook krachtens artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten. Aangezien de verzoeker op basis van het akkoord niet wettig de hoedanigheid van accountant kan verkrijgen, moet worden besloten dat hij niet over het rechtens vereiste belang bij zijn beroep beschikt. De exceptie is gegrond. VI. Kosten
  34. In de concrete omstandigheden van de zaak is het gepast de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing ten laste te leggen van de verwerende partij. BESLISSING
  35. De Raad van State verwerpt het beroep.
  36. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-4967-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4967-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.124 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.