id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.126 Rolnummer: A. 186235/IX-5805 Zaak: Arrest 205126 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 14/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-23 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-07-01 10:04 Fiche Arrest nr 205.126 van 14 juni 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.126 van 14 juni 2010 in de zaak A. 186.235/IX-5805 In zake: Bart GOOVAERTS die woonplaats kiest te Merksem Maantjessteenweg 70 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 november 2007, strekt tot de nietigver- klaring van het besluit van de administrateur-generaal van het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie RWO van 25 september 2007 waarbij Bart Goovaerts met ingang van 27 september 2007 wegens een zware fout uit zijn functie van stagedoend deskundige wordt ontslagen, zonder opzeggingstermijn of verbrekings- vergoeding. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-5805-1/20 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei 2010. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie De Clercq, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker wordt bij besluit van de administrateur-generaal van het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie RWO van de Vlaamse overheid van 24 mei 2007 toegelaten tot de proeftijd in de betrekking van deskundige bij de afdeling Inspectie van het agentschap, met ingang van 1 juni 2007. 3.2. Op 14 juni 2007 wordt met de verzoeker een planningsgesprek gevoerd. Het doel van zijn functie wordt daarbij als volgt omschreven: “De deskundige wooninspecteur fungeert binnen het team van de Vlaamse Wooninspectie Antwerpen als officier van gerechtelijke politie. Hij treedt op tegen de verhuring van woningen en kamers die niet beantwoorden aan de woonkwaliteitsnormen van de Vlaamse Wooncode en het kamerdecreet door het opstellen van processen-verbaal en het formuleren van herstelvorderingen. Hij oefent deze functie steeds uit in samenspraak met en onder supervisie van de coördinator Vlaamse Wooninspectie Antwerpen.” 3.3. Kort na de aanvang van verzoekers proefperiode ontstaan er problemen in het team waarvan de verzoeker deel uitmaakt. IX-5805-2/20 Zijn vrouwelijke collega voelt zich door de verzoeker op intimiderende wijze aangestaard en lastiggevallen met ongepaste grappen en uitspraken. Het gedrag van de verzoeker, ook ten aanzien van andere collega’s, blijkt van die aard dat algemene beroering ontstaat binnen het team en verzoekers aanwezigheid leidt tot demotivatie en onderlinge disputen. 3.4. Op 20 juni 2007 leent de verzoeker zijn USB-stick aan zijn vrouwelijke collega, opdat deze documenten zou kunnen verplaatsen van de ene computer naar de andere. De betrokken collega verklaart hierover het volgende: “Usb-stick Op 20 juni 2007 leent Bart mij zijn persoonlijke usb-stick uit zodat ik een bestandje van mijn laptop kan kopiëren naar mijn computer. Mijn laptop staat ingesteld op miniatuurweergaven. Als ik mijn bestand wil kopiëren zie ik een map ‘kznt’ met een pornografische foto van wat mij een héél jong meisje lijkt met een volwassen man. Het deed mij onmiddellijk denken aan pedofilie. Ik heb getwijfeld maar dan instinctief gehandeld en de map mee gekopieerd. Ik nam mij voor als het volwassen personen betrof ik dit voor mezelf zou houden. Indien dit een foto was geweest van volwassen personen had ik deze map zelfs nooit mee gekopieerd. Maar indien het inderdaad minderjarigen betrof vond ik dat het risico te groot was om te doen alsof er niets aan de hand was en dan zou dat gevoel zeker blijven knagen. Onder de middag toen mijn collega’s weg waren heb ik enkele foto’s opengedaan van die map. Het betroffen één voor één zeer pornografische foto’s van zeer jonge meisjes. Ik heb tegenover Bart niets gezegd. ’s Avonds bleef ik later werken met een andere collega van mij. Ik wist niet goed wat ik moest doen en welke stappen ik moest ondernemen. Ik heb hem alles verteld wat er gebeurd was en hem de gekopieerde map laten zien. Hij heeft dan met mij beslist om alles te verwijderen van mijn computer en op cd-rom te zetten zodat dit kon doorgegeven worden aan bevoegde instanties. De map ‘kznt’ (163MB groot) was opgedeeld in verschillende mappen: dieren, gewoon, mooie details en video’s. Er stonden pornografische foto’s en filmpjes op van tienermeisjes, tienermeisjes met oudere mannen, tienermeisjes met dieren en dieren onderling, foto’s van geslachtsdelen, ... Bart was tevens zeer bewust van wat er op usb-stick stond en van wat hij mij op die moment uitleende. Enerzijds door de enorm grote hoeveelheid en anderzijds omdat een hele tijd na dit voorval Bart tegen mijn mannelijke collega zei dat hij zijn sleutelbos met zijn usb-stick was kwijtgeraakt en dat dat wel héél vervelend was daar er gevoelig beeldmateriaal op stond dat niet voor iedereen geschikt was.” 3.5. De administrateur-generaal wordt hiervan op de hoogte gebracht. Hij beslist om het netwerkverkeer van de verzoeker te laten controleren. IX-5805-3/20 Uit het daaropvolgende onderzoek blijkt dat de verzoeker in de periode van 13 juni 2007 tot en met 10 juli 2007 zijn computer gebruikte om veelvuldig en aanhoudend te surfen naar websites die geen verband houden met zijn functie, waaronder ook websites van erotische en pornografische aard. 3.6. Op 24 september 2007 vindt een gesprek plaats tussen de verzoeker, de functionele chef van de verzoeker en de administrateur-generaal. Het verslag van dit gesprek luidt als volgt: “Plaats: Antwerpen, Anna Bynsgebouw Datum: 24 september 2007, 15u Aanwezig: [H.B.] (administrateur-generaal), [K.V.] (coördinerend wooninspecteur), Bart Goovaerts (wooninspecteur in stage) De administrateur-generaal overloopt samen het functioneren van Bart Goovaerts als wooninspecteur sedert zijn indiensttreding op 01/06/2007 tot op heden. Hij stelt vast dat bij de aanwerving en op het planningsgesprek van 14/06/2007 de verschillende taken en gedragsgerichte competenties, belangrijk voor de functie, met betrokkene duidelijk werden besproken. [H.B.] stelt vast dat de aanvankelijke tekortkomingen op het vlak van de invulling van de resultaatsgerichte doelstellingen, die na een functioneringsgesprek op 07/08/2007 werden bijgestuurd, inmiddels zijn verdwenen. Hij concludeert samen met de coördinator wooninspecteur dat de doelstellingen inmiddels naar behoren worden ingevuld. De administrateur-generaal betreurt daarom des te meer dat er hem sinds 25 juni 2007 en tot op vandaag een aantal zwaarwichtige tekortkomingen zijn bekend geworden op het vlak van de gedragsgerichte competenties betrouwbaarheid en integriteit die het groepsgevoel, de groepsdynamiek en de integriteit van collega’s ernstig hebben aangetast. De heer Goovaerts reageert verrast en stelt dat hij vertrouwen geniet bij zijn collega’s en aanvaard is in de groep. De administrateur-generaal haalt daarop een aantal feiten en gedragingen aan, waarvan hij gedeeltelijk pas vandaag kennis kreeg, en die hem tot onmiddellijk ingrijpen nopen omdat zij absoluut niet kunnen worden geduld van een wooninspecteur, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, in de uitoefening van zijn functie: Op 20/06/2007 overhandigde de heer Goovaerts een persoonlijke USB-stick aan zijn vrouwelijke collega, zogenaamd om haar uit de nood te helpen. Bij het gebruik van deze USB-stick, stelde de collega vast dat er pornografische materiaal werd opgeslagen. De collega voelde zich hierdoor zwaar geïntimideerd. De administrateur-generaal werd hiervan op de hoogte gebracht. Het slachtoffer van de intimidatie verzocht uit vrees voor mogelijke reacties van de heer Goovaerts hem voorlopig niet te interpelleren over de voorgevallen feiten. De administrateur-generaal ging in op dit verzoek, maar hij achtte het opportuun om het netwerkverkeer van Dhr. Goovaerts te laten nagaan. De administrateur-generaal vernam net voor het gesprek met de heer Goovaerts dat deze naar aanleiding van een verlies van de datastick aan collega’s verklaarde dat de datastick ‘gevoelige gegevens bevatte die niet zomaar voor iedereen bestemd waren’. Daarmee was het voor de IX-5805-4/20 administrateur-generaal duidelijk dat de heer Goovaerts op 20/06 niet uit pure naïviteit handelde, maar er zich goed van bewust was dat zijn vrouwelijke collega geconfronteerd zou worden met de pornografische beelden. De vrouwelijke collega liet overigens net voor het gesprek met de heer Goovaerts haar bezwaar tegen het vermelden van dit voorval vallen. Daarover aangesproken verklaarde de heer Goovaerts dat hij zijn collega enkel had willen helpen en niet verantwoordelijk te kunnen zijn voor het openen van zijn bestanden door een collega die haar nieuwsgierigheid blijkbaar niet kon bedwingen. De administrateur-generaal [heeft] de opdracht gegeven aan Telindus om de computer van Dhr. Goovaerts te screenen voor de periode 13/06/2007 tot 10/07/2007. Uit het rapport, dat de dienst bereikte op 12/07/2007, bleek dat er een enorm druk internetverkeer was vanaf de computer van betrokkene. Het internet werd gedurende verschillende momenten van de werkdag geraadpleegd voor niet-werkgerelateerde doeleinden, waaronder erotische en pornografische sites of doeleinden (bv. www.zattevrienden.be, drunkenstepfather.com, badchix, thesun, ...). De administrateur-generaal deelde tevens mee dat een tweede rapport over het meer recente verleden werd opgevraagd, maar nog niet is toegekomen. De heer Goovaerts verklaarde -op de vraag van de AG- dat hij onmiddellijk na zijn indiensttreding op de hoogte was van de deontologie van het internetgebruik. Hij erkent de geregelde en voortgezette raadpleging van de opgesomde sites, maar acht de bezoeken onschadelijk voor het netwerk en de dienstprestaties omdat hij veilige versies van de sites zou hebben bezocht. De administrateur-generaal bracht ten slotte enkele seksuele uitlatingen van de heer Goovaerts ter sprake, die hij te pas en te onpas doet in en buiten teamverband en die de administrateur-generaal ten dele ter ore waren gekomen net vóór het gesprek. Ter illustratie verwees hij naar een uitspraak die door de heer Goovaerts in het gesprek ten overvloede nogmaals werd herhaald (‘mijn vrouw proeft aan mijn sperma wanneer ik look heb gegeten’). De heer Goovaerts doet deze uitspraak af als ‘mannenpraat onder collega’s’. Indien hij al dergelijke uitspraken heeft gedaan, hadden ze volgens hem niet de bedoeling om collega’s te kwetsen of te intimideren. Hij is er zich niet van bewust dat hij door verschillende teamleden niet meer au sérieux werd/wordt genomen en dat daardoor het groepsgevoel en dynamiek binnen het team van de Vlaamse Wooninspectie danig is ondermijnd. De heer Goovaerts is zich volgens de AG absoluut niet bewust van het feit dat
- a)dergelijke houding indruist tegen de deontologische code van de Vlaamse Overheid, dat
- b)seksuele intimidatie in woord (uitlatingen) en daad (ongevraagde overhandiging van pornografisch materiaal) onduldbaar zijn en niet verenigbaar met de uitgeoefende functie. De AG betreurt dat hij zijn houding niet in vraag stelt en alle aangehaalde voorvallen minimaliseert. Een groot tekort aan deze twee gedragscompetenties (meer bepaald betrouwbaarheid en integriteit) samen met de onverschillige houding van betrokkene t.o.v. zijn gedrag en de daaruit ontstane ontwrichting van het team doet de administrateur-generaal en de evaluator ertoe besluiten om onmiddellijk een einde te stellen aan de stage van Dhr. Bart Goovaerts en hem te ontslaan op grond van ernstige feiten. De heer Goovaerts betreurt deze beslissing, acht ze vooringenomen (‘Een stok is snel gevonden om de hond te slaan.’) en niet in verhouding tot de feiten (‘Toch niet voor deze lichte feiten’). Hij betreurt dat hij niet eerder op de hoogte is gebracht, zodat hij eventueel zijn gedrag had kunnen bijsturen.” IX-5805-5/20 3.7. Bij besluit van de administrateur-generaal van 25 september 2007 wordt de verzoeker met ingang van 27 september 2007 wegens zware fout ontslagen, zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Dit besluit steunt op de volgende motieven: “[...] Overwegende dat er zich sedert 20 juni 2007 een reeks feiten hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de heer Bart Goovaerts ongewenst seksueel gedrag, ongewenste seksuele uitlatingen en een daarbij aansluitend ongewenst internetgebruik vertoont dat niet enkel de integriteit van de individuele collega’s maar ook het groepsgevoel en de dynamiek binnen het inspectieteam voor de provincie Antwerpen ernstig heeft aangetast; Overwegende dat naar aanleiding van de overhandiging op 20 juni 2007 van een datastick met pornografisch materiaal aan een vrouwelijke collega een onderzoek werd verricht naar het internetgebruik; dat daaruit bleek dat de heer Bart Goovaerts zijn PC gebruikte om veelvuldig en aanhoudend te surfen naar sites die geen enkele relatie hebben tot zijn functie, daaronder ook sites met erotisch en pornografisch materiaal; dat hij daarmee de deontologische regels op het internetgebruik, die hem voldoende bekend waren, miskende; dat hijzelf het surfen naar voornoemde sites ten onrechte minimaliseert en zijn bezoeken op die sites niet schadelijk acht voor zijn prestaties, de dienst of het netwerk; Overwegende dat de vrouwelijke collega zich sterk geïntimideerd voelde door de overhandiging van voornoemde datastick, maar aanvankelijk de administrateur-generaal verzocht om de heer Goovaerts daarover niet te interpelleren omdat zij vreesde voor zijn reactie; dat deze vrouwelijke collega op 24 september 2007 verklaarde geen bezwaar meer te hebben tegen de vermelding van haar naam en de feiten door haar aangebracht; dat bovendien uit verklaringen d.d. 24 september 2007 van andere collega’s bleek dat de heer Goovaerts op 20 juni 2007 niet uit onwetendheid of naïviteit handelde, maar er zich terdege van bewust was dat een onverwachte confrontatie met de opgeslagen beelden seksueel intimiderend zou zijn voor zijn collega aangezien hij het verlies van die datastick bij zijn (mannelijke) collega’s recent omschreef als vervelend omdat hij materiaal bevatte die niet voor ieders ogen bestemd was; dat hij tijdens het gesprek waarin hij geconfronteerd werd met dit feit, opnieuw het gebeuren minimaliseerde door zich niet verantwoordelijk te achten voor het openen van bestanden met erotisch materiaal door een nieuwsgierige collega; Overwegende dat blijkens verklaringen van zijn collega’s op 24 september 2007 de heer Bart Goovaerts herhaaldelijk aanstootgevende seksuele uitlatingen deed die absoluut niet in overeenstemming te brengen zijn met de integere houding die van een wooninspecteur, officier van gerechtelijke politie, in de uitoefening van zijn functie verwacht mag worden; dat hij tijdens een gesprek op 24 september 2007 niet inzag dat uitlatingen zoals ‘mijn vrouw proeft aan mijn sperma wanneer ik look heb gegeten’ niet kunnen worden weggewuifd als ‘mannenpraat onder collega’s’; Overwegende dat de verschillende feiten, gedragingen en omstandigheden, die opeenvolgend bekend werden sinds 20 juni 2007 tot op 24 september 2007, een ernstige tekortkoming vormen in de uitoefening van de functie van een wooninspecteur, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, en hebben geleid tot een diepe ontwrichting van het inspectieteam, zoals bleek uit de gesprekken d.d. 24 september 2007 met de aanwezige teamleden; IX-5805-6/20 Overwegende dat de benoemende overheid, voorafgaand aan de ontslagbeslissing, samen met de hiërarchische meerdere, de stagiair gehoord heeft op 24 september 2007 en daarvan verslag werd opgemaakt; Overwegende dat de feiten en gedragingen als een zware fout worden aangemerkt, gelet op de integriteit die van de functie van wooninspecteur moet worden verwacht; Gelet op het feit dat de zware fout werd vastgesteld binnen drie werkdagen na kennisname ervan door de voor het ontslag bevoegde overheid; Overwegende dat aan de heer Bart Goovaerts op 24 september 2007 werd meegedeeld dat een einde zou worden gemaakt aan de samenwerking en dat hij derhalve zou ontslagen worden; Overwegende dat de stagiair die tijdens de stage een zware fout begaat, kan worden ontslagen zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding; [...]” Dit is het bestreden besluit. 3.8. Met een aangetekende brief van 26 september 2007 wordt de verzoeker in kennis gesteld van dit besluit. 3.9. Met een brief van 2 oktober 2007 ontvangt de verzoeker twee afschriften van het verslag van het gesprek dat hij met zijn functionele chef en de administrateur-generaal op 24 september 2007 heeft gehad. Aan de verzoeker wordt gevraagd om één exemplaar van het verslag terug te sturen, al dan niet aangevuld met opmerkingen. De verzoeker maakt geen opmerkingen bij het verslag. IV. Ontvankelijkheid 4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord twee excepties van onontvankelijkheid van het beroep op. Ter terechtzitting verklaart zij evenwel niet in deze excepties te volharden. Deze verklaring moet worden begrepen als een afstand van de beide excepties. De Raad van State ziet geen reden om deze excepties ambtshalve op te werpen. IX-5805-7/20 V. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen 5. De verzoeker voert in zijn verzoekschrift aan dat het bestreden besluit gesteund is op bewijsmateriaal dat op onrechtmatige wijze werd verkregen. Hij ontkent dat hij bewust pornografische websites heeft bezocht en dat hij op de hoogte is gebracht van de deontologie in zake het internetgebruik. Hij betoogt dat er geen sprake is van herhaalde seksuele uitlatingen. De verzoeker stelt aldus in essentie dat het bestreden besluit steunt op onjuiste motieven. Hij argumenteert voorts dat de beslissing tot ontslag al vóór het gesprek van 24 september 2007 werd genomen, dat het redelijkheidsbeginsel is geschonden omdat een ontslag wegens zware fout niet in verhouding staat tot de zogenaamd gebeurde feiten, en dat niet duidelijk is waartegen hij zich moest verdedigen. De verzoeker laat ten slotte gelden dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, doordat enkel zijn internetverkeer werd nagegaan, en dat de administrateur-generaal met twee maten en twee gewichten heeft gemeten, nu ook andere teamleden tekortschieten in hun functie van officier van gerechtelijke politie. 6. De verwerende partij wijst er vooreerst op dat het bestreden besluit werd genomen op grond van artikel III.20 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (hierna: het Vlaams personeelsstatuut), dat als volgt luidt: “§ 1. De ambtenaar die tijdens de proeftijd een zware fout begaat, wordt ontslagen zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. § 2. Het ontslag wegens een zware fout zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding wordt door de benoemende overheid gegeven binnen de drie werkdagen na kennisname van het feit dat als zware fout wordt beschouwd. § 3. Voorafgaand aan de ontslagbeslissing hoort de benoemende overheid, samen met de functionele chef, de ambtenaar, die zich kan laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. § 4. De werkgever stort voor de ambtenaar die wegens een zware fout wordt ontslagen, bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor hun opname in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsbescherming.” IX-5805-8/20 De verwerende partij betoogt voorts dat de verzoeker weliswaar aanvoert dat het bewijs van de hem verweten zware fout onrechtmatig is verkregen, maar dat hij niet aanduidt welke bepaling te dezen door de overheid geschonden zou zijn. Volgens de verwerende partij is het zelfs niet duidelijk welke passage van het bestreden besluit de verzoeker met deze bewering bekritiseert. De verwerende partij merkt op dat het verwijt van de verzoeker dat zijn collega ten onrechte heeft gebladerd in de “privé-bestanden” van zijn USB-stick, niet relevant is voor de wettigheid van het bestreden besluit. Bovendien zou het volstaan geen dergelijke bestanden op te slaan op een USB-stick die wordt gebruikt voor professionele doeleinden en vrijwillig wordt uitgeleend aan collega’s, om dergelijke bestanden daadwerkelijk af te schermen van derden. De verzoeker laat tevens na aan te duiden welke bepaling belet dat zijn internetgebruik op het werk wordt onderzocht. De ontkenning door de verzoeker van zijn druk internetverkeer en van het feit dat hij bewust pornografische websites heeft bezocht, staat volgens de verwerende partij in schril contrast met het verslag van het gesprek met de verzoeker op 24 september 2007. Uit dit verslag blijkt immers dat de verzoeker verklaarde onmiddellijk na zijn indiensttreding op de hoogte te zijn geweest van de deontologie in zake het internetgebruik en dat hij het regelmatige bezoek aan een aantal pornografische websites erkende. Het verweer van de verzoeker was toen dat hij deze bezoeken onschadelijk achtte voor het netwerk en de dienstprestaties, omdat hij veilige versies van de desbetreffende websites zou hebben bezocht. Hij heeft over het verslag geen opmerkingen gemaakt, zodat het ontkennen van de feiten nu slechts gebeurt “pour les besoins de la cause”. Ook de ontkenning door de verzoeker van herhaalde seksuele uitlatingen is volgens de verwerende partij in tegenstrijd met het verslag van het gesprek van 24 september 2007, waarover de verzoeker geen opmerkingen formuleerde. Dit verslag heeft het over een bepaalde houding van de verzoeker, geïllustreerd aan de hand van een bepaald voorbeeld. Tijdens het voormelde gesprek verweerde de verzoeker zich met het argument dat het ging om “mannenpraat onder collega’s” die niet van aard was te kwetsen of te intimideren. Thans luidt het verweer van de verzoeker dat zijn uitlatingen filosofisch zijn en dat de seksuele connotatie ver te zoeken is. Opnieuw minimaliseert hij volgens de verwerende partij zijn houding op een weinig ernstige wijze. IX-5805-9/20 De bewering van de verzoeker dat de beslissing tot ontslag al vóór het gesprek van 24 september 2007 werd genomen, wordt volgens de verwerende partij evenzeer tegengesproken door het verslag van dit gesprek, dat door de verzoeker niet werd becommentarieerd. Volgens de verwerende partij beperkt de verzoeker zich ertoe te stellen dat de feiten al te licht zouden zijn om een ontslag te verantwoorden, zonder de motivering van het bestreden besluit te bekritiseren, zodat hij geen middel ontwikkelt op grond van een beweerde schending van het redelijkheidsbeginsel. De verwerende partij wijst erop dat het opgelegde ontslag wordt gemotiveerd aan de hand van de laakbare feiten en de houding van de verzoeker en de gevolgen ervan voor sommige collega’s en het team in het algemeen. Hetgeen aan de verzoeker wordt verweten, wordt ook in verband gebracht met zijn functie als wooninspecteur, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie. Voor zover de verzoeker laat gelden dat hem niet duidelijk is waartegen hij zich moest verweren en over welke zware fout het zou gaan, stelt de verwerende partij dat zij dit argument niet kan beantwoorden bij gebrek aan nadere ontwikkeling van de desbetreffende grief. 7. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat artikel III.20, §3, van het Vlaams personeelsstatuut werd geschonden en zodoende ook zijn rechten van verdediging. Hij stelt er niet van op de hoogte te zijn geweest dat het gesprek op 24 september 2007 over zijn mogelijk ontslag wegens zware fout zou gaan, noch dat hij het recht had zich te laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Er zou hem valselijk zijn voorgehouden dat het om een tussentijds evaluatiegesprek ging. De verzoeker handhaaft zijn standpunt dat het bewijsmateriaal op een onrechtmatige wijze werd verkregen, namelijk door diefstal van zijn datastick. Het argument dat hij zijn datastick dan maar niet had moeten afstaan, volstaat volgens hem niet om de diefstal van data te rechtvaardigen. De administrateur- generaal insinueert ten onrechte dat de verzoeker andere redenen had om de stick aan zijn collega te overhandigen, namelijk haar te intimideren. Volgens de verzoeker had de administrateur-generaal in dat geval moeten ingrijpen en een confrontatie moeten opzetten. Het feit dat er op de stick erotisch materiaal stond, kon geen reden zijn om zijn privacy te schenden door zijn internetverkeer na te gaan. Voorts IX-5805-10/20 herhaalt de verzoeker dat de administrateur-generaal hem discrimineert door alleen zijn internetverkeer na te gaan en alleen hem te straffen op grond van iets dat iedereen doet. Aldus werd het gelijkheidsbeginsel geschonden. De verzoeker benadrukt dat hij niet op de hoogte was van de deontologie in zake het internetgebruik en hij stelt, bij uitbreiding van een adagium uit het strafrecht, dat indien je niet weet dat iets strafbaar is, er ook geen straf kan volgen. De verzoeker blijft voorts ontkennen dat hij bewust pornografische websites zou hebben bezocht. Het feit dat hij niet onmiddellijk heeft gereageerd op hetgeen dienaangaande in het verslag van het gesprek van 24 september 2007 is gesteld, doet volgens hem daaraan geen afbreuk en houdt geen schuldbekentenis in. Volgens de verzoeker vermeldt het verslag niet dat hij heeft toegelicht dat de website “www.zattevrienden.be” een versie “safe for work” en een versie “not safe for work” heeft. De verzoeker erkent enkel het regelmatige bezoek aan de versie “safe for work”, waarop geen erotiek en porno te vinden zijn. Met betrekking tot de tenlastelegging dat hij herhaaldelijk aanstootgevende seksuele uitlatingen zou hebben gedaan, stelt de verzoeker dat er niet bij wordt gezegd welke deze zijn, en hij betwist ook dat hij ze zou hebben gedaan. Mocht zijn collega aanstoot hebben genomen aan sommige van zijn uitlatingen, dan had hij veel vroeger aangifte moeten doen. De verzoeker vervolgt dat zijn rechten van verdediging geschonden zijn, doordat de administrateur-generaal zich al vóór het verhoor van 24 september 2007 had voorgenomen om hem te ontslaan. Volgens de verzoeker staat het ontslag bovendien niet in verhouding tot de laakbare feiten. Hij betwist de hem verweten bezoeken aan erotische en pornografische websites, maar erkent zijn uitlating ten aanzien van een collega. Een ontslag voor dit feit alleen is volgens de verzoeker evenwel buiten verhouding. Andere, zelfs hoger geplaatste personeelsleden zouden andere zaken hebben gedaan die met de mantel der liefde zijn bedekt. De verzoeker stelt dat hij de motivering van het bestreden besluit wel degelijk bekritiseert: in de motivering is er sprake van verschillende feiten, gedragingen en omstandigheden, maar er wordt maar één feit met name genoemd. IX-5805-11/20 Ten slotte stelt de verzoeker dat de administrateur-generaal nalaat te bewijzen dat hij het verslag over zijn internetgebruik minder dan drie dagen voor het ontslaggesprek heeft ontvangen. Zelfs indien bepaalde websites zouden zijn bezocht, wat niet het geval is, kan het bewijs daarvan niet worden aanvaard, zo stelt de verzoeker, aangezien de voormelde termijn niet is nageleefd. Alleen voor zijn uitlating ten aanzien van een collega zou de termijn gerespecteerd zijn, zodat deze uitlating de enige grond kan zijn voor het ontslag. 8. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker dat de omstandigheid dat hij geen opmerkingen heeft gemaakt bij het verslag van het gesprek van 24 september 2007 niet betekent dat dit document “een soort van kracht van gewijsde” zou hebben verkregen, te meer daar geen termijn was vermeld binnen dewelke eventuele opmerkingen moesten worden gemaakt. Hij betwist pornografische websites te hebben bezocht en hij stelt dat hij, zoals ook de anderen deden, enkel tijdens de lunchpauzes heeft gesurft op het internet en dan nog telkens heel kort. Hij ontkent andermaal diverse seksueel getinte uitspraken te hebben gedaan. Hij wijst er nogmaals op dat indien een ontslagbeslissing moest worden genomen, dit binnen de drie dagen diende te gebeuren. Beoordeling 9. De grieven van de verzoeker worden hierna onderzocht zoals ze door de verwerende partij redelijkerwijze konden worden begrepen en overigens werden begrepen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het bestuur in aangelegenheden als de onderhavige over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt en het de Raad van State bij de beoordeling van de ten aanzien van de verzoeker uitgesproken beslissing niet toekomt zich in de plaats van het bestuur te stellen. De Raad kan slechts een marginale controle uitoefenen, hetgeen betekent dat alleen een kennelijk onredelijke beslissing, dit wil zeggen een beslissing die buiten elke redelijke verhouding staat tot de feiten, als onwettig kan worden aangemerkt. 10. Het standpunt van de verzoeker dat het bestreden besluit gesteund zou zijn op onrechtmatig verkregen bewijs, kan niet worden bijgevallen. Het bestreden besluit blijkt vooreerst te steunen op de verklaring van een collega van de verzoeker die heeft vastgesteld dat de verzoeker pornografisch materiaal had IX-5805-12/20 opgeslagen op een stick die hij zelf in het kader van het werk aan haar had overhandigd. Voorts wordt verwezen naar de verklaringen van verzoekers collega’s betreffende herhaalde aanstootgevende seksuele uitlatingen van de verzoeker. Ten slotte wordt gesteund op de bevindingen van een onderzoek van verzoekers internetgebruik. Het valt niet in te zien waarom de verwerende partij de op dergelijke wijze aan het licht gekomen gegevens betreffende het gedrag van de verzoeker niet rechtmatig bewezen mocht achten. Alleszins wijst de verzoeker geen enkele rechtsregel aan die de Raad van State ertoe noopt te besluiten dat het bewijs van verzoekers gedrag door het bestuur niet rechtmatig werd verkregen. De vage verwijzing naar het begrip “privacy” is daartoe ontoereikend. 11. Waar de verzoeker betoogt dat het niet opportuun was om zijn internetgebruik na te gaan, omdat er geen verband bestond tussen het privé- materiaal op zijn datastick enerzijds en zijn internetverkeer op het werk anderzijds, moet worden opgemerkt dat de Raad van State de opportuniteit van de desbetreffende beslissing niet vermag te beoordelen, aangezien deze beslissing binnen de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij valt en de verzoeker in gebreke blijft aan te tonen dat ze enige rechtsregel of rechtsbeginsel heeft geschonden. 12. In zoverre de verzoeker ontkent dat hij bewust pornografische websites heeft bezocht en hij aldus in feite voorhoudt dat het bestreden besluit op onjuiste motieven is gesteund, kan worden verwezen naar het verslag van het gesprek van 24 september 2007, dat het volgende vermeldt: “[...] Uit het rapport, dat de dienst bereikte op 12/07/2007, bleek dat er een enorm druk internetverkeer was vanaf de computer van betrokkene. Het internet werd gedurende verschillende momenten van de werkdag geraadpleegd voor niet-werkgerelateerde doeleinden, waaronder erotische en pornografische sites of doeleinden (bv. www.zattevrienden.be, drunkenstepfather.com, badchix, thesun, ...). [...] De heer Goovaerts [...] erkent de geregelde en voortgezette raadpleging van de opgesomde sites, maar acht de bezoeken onschadelijk voor het netwerk en de dienstprestaties omdat hij veilige versies van de sites zou hebben bezocht.” De verzoeker erkende derhalve tijdens het gesprek van 24 september 2007 dat hij de genoemde websites -waarvan overigens ook werd gesteld dat zij een erotische of pornografische inhoud hadden- heeft bezocht. Hij IX-5805-13/20 heeft over dit verslag geen enkele opmerking gemaakt, niettegenstaande hij uitdrukkelijk daartoe werd uitgenodigd met een brief van 2 oktober 2007. Weliswaar werd geen termijn opgelegd waarbinnen de verzoeker zijn opmerkingen moest kenbaar maken, maar dit neemt niet weg dat van hem dan kon worden verwacht dat, indien hij het niet eens was met hetgeen over het gesprek werd genotuleerd, hij binnen een redelijke termijn zou reageren, wat hij niet heeft gedaan. Door dit na te laten en zijn opmerkingen over het verslag slechts te formuleren in zijn verzoekschrift en zijn memorie van wederantwoord, doet de verzoeker zelf afbreuk aan de geloofwaardigheid van die opmerkingen. Er is dan ook geen reden om te twijfelen aan de waarheidsgetrouwe weergave van het gesprek in het verslag. 13. Hetzelfde geldt voor de bewering van de verzoeker dat hij nooit op de hoogte werd gebracht van de deontologie in zake het internetgebruik. Het verslag van het gesprek van 24 september 2007 vermeldt dienaangaande: “De heer Goovaerts verklaarde -op de vraag van de AG- dat hij onmiddellijk na zijn indiensttreding op de hoogte was van de deontologie van het internetgebruik.” Ook over deze passage uit het verslag heeft de verzoeker niet tijdig opmerkingen gemaakt, zodat mag worden aangenomen dat hij inderdaad op de hoogte was van de deontologie in zake het internetgebruik. 14. De verzoeker stelt dat hij gediscrimineerd zou zijn, doordat alleen zijn internetverkeer werd nagegaan en alleen hij wordt gestraft, terwijl de andere teamleden eveneens zouden surfen naar niet-werkgerelateerde websites. De verzoeker gaat er evenwel aan voorbij dat hem ongewenst en onaangepast seksueel gedrag wordt verweten en dat het surfen tijdens het werk naar niet-werkgerelateerde websites van erotische en pornografische aard daarvan deel uitmaakt. Het blijkt geenszins dat ook de teamleden van de verzoeker tijdens hun werkuren surfen naar websites met erotisch en pornografisch materiaal, waardoor eenzelfde controle van hun internetverkeer zich zou hebben opgedrongen. De verzoeker beweert zelfs niet dat dit wél het geval geweest zou zijn. Er is dan ook geen sprake van een ongelijke behandeling die tot een schending van het gelijkheidsbeginsel doet besluiten. IX-5805-14/20 Voorts moet worden opgemerkt dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord weliswaar stelt dat de website www.zattevrienden.be een versie “safe for work” heeft die geen erotisch of pornografisch materiaal bevat, en dat hij enkel die versie heeft geconsulteerd, doch met betrekking tot de andere in het verslag vermelde erotische of pornografische websites maakt de verzoeker geen gewag van een dergelijke “veilige” versie. Dat de verzoeker alleen tijden de lunchpauzes dergelijke websites zou hebben bezocht, wordt tegengesproken door het verslag van het gesprek van 24 september 2007 waarin melding wordt gemaakt van het kwestieuze internetgebruik “gedurende verschillende momenten van de werkdag”. Dat het bezoek van de verzoeker aan de bedoelde websites, zoals hij beweert, slechts van korte duur zou zijn geweest, doet aan het ongeoorloofde karakter ervan geen afbreuk. 15. In zoverre de verzoeker stelt dat tijdens het gesprek van 24 september 2007 niet over “herhaalde seksuele uitlatingen” werd gesproken, doch slechts over één enkele uitspraak, kan andermaal worden verwezen naar het verslag van dit gesprek: “De administrateur-generaal bracht ten slotte enkele seksuele uitlatingen van de heer Goovaerts ter sprake, die hij te pas en te onpas doet in en buiten teamverband en die de administrateur-generaal ten dele ter ore waren gekomen net vóór het gesprek. Ter illustratie verwees hij naar een uitspraak die door de heer Goovaerts in het gesprek ten overvloede nogmaals werd herhaald (‘mijn vrouw proeft aan mijn sperma wanneer ik look heb gegeten’). De heer Goovaerts doet deze uitspraak af als ‘mannenpraat onder collega’s’. Indien hij al dergelijke uitspraken heeft gedaan, hadden ze volgens hem niet de bedoeling om collega’s te kwetsen of te intimideren. Hij is er zich niet van bewust dat hij door verschillende teamleden niet meer au sérieux werd/wordt genomen en dat daardoor het groepsgevoel en dynamiek binnen het team van de Vlaamse Wooninspectie danig is ondermijnd. De heer Goovaerts is zich volgens de AG absoluut niet bewust van het feit dat
- a)dergelijke houding indruist tegen de deontologische code van de Vlaamse Overheid, dat
- b)sexuele intimidatie in woord (uitlatingen) en daad (ongevraagde overhandiging van pornografisch materiaal) onduldbaar zijn en niet verenigbaar met de uitgeoefende functie. De AG betreurt dat hij zijn houding niet in vraag stelt en alle aangehaalde voorvallen minimaliseert.” Aldus blijkt uit het verslag dat wel degelijk diverse uitspraken van de verzoeker ter sprake zijn gekomen, maar één daarvan bij wijze van illustratie uitdrukkelijk werd vermeld. Opnieuw moet erop worden gewezen dat de verzoeker IX-5805-15/20 in gebreke is gebleven tijdig opmerkingen te maken, zodat ook deze passage van het verslag als waarheidsgetrouw mag worden beschouwd. 16. Met betrekking tot de grief van de verzoeker dat de administrateur-generaal met twee maten en twee gewichten meet, doordat hij niet zou optreden tegen andere teamleden die ook zouden tekortschieten in hun functie van officier van gerechtelijke politie, moet worden opgemerkt dat de verzoeker zich te dezen beperkt tot loutere beweringen die op geen enkele manier worden gestaafd. Hoe dan ook kan deze grief niet tot het besluit leiden dat het bestreden besluit onwettig is. 17. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, blijkt niet dat de beslissing tot ontslag reeds genomen zou zijn vóór het gesprek van 24 september 2007. Het verslag van dat gesprek vermeldt immers: “De heer Goovaerts is zich volgens de AG absoluut niet bewust van het feit dat
- a)dergelijke houding indruist tegen de deontologische code van de Vlaamse Overheid, dat
- b)seksuele intimidatie in woord (uitlatingen) en daad (ongevraagde overhandiging van pornografisch materiaal) onduldbaar zijn en niet verenigbaar met de uitgeoefende functie. De AG betreurt dat hij zijn houding niet in vraag stelt en alle aangehaalde voorvallen minimaliseert. Een groot tekort aan deze twee gedragscompetenties (meer bepaald betrouwbaarheid en integriteit) samen met de onverschillige houding van betrokkene t.o.v. zijn gedrag en de daaruit ontstane ontwrichting van het team doet de administrateur-generaal en de evaluator ertoe besluiten om onmiddellijk een einde te stellen aan de stage van Dhr. Bart Goovaerts en hem te ontslaan op grond van ernstige feiten.” Aldus blijkt dat de beslissing tot ontslag mede is ingegeven door de onverschillige houding van de verzoeker en het feit dat hij de aangehaalde voorvallen minimaliseerde. Een dergelijke houding kon enkel blijken tijdens het gesprek, zodat moeilijk valt in te zien hoe de ontslagbeslissing reeds voordien genomen kon zijn. 18. Wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, moet worden opgemerkt dat de Raad van State ter zake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt, zodat hij enkel een kennelijk in wanverhouding tot de feiten staande ontslagbeslissing onwettig kan bevinden. De Raad van State kan slechts een ontslagbeslissing onwettig bevinden die dermate buiten verhouding staat tot de feiten, dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen. IX-5805-16/20 Het komt evenwel niet als kennelijk onredelijk over om een stagiair te ontslaan wegens een zware fout, zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding, wanneer de betrokkene -zoals blijkt uit de motivering van het bestreden besluit- “ongewenst seksueel gedrag, ongewenste seksuele uitlatingen en een daarbij aansluitend ongewenst internetgebruik vertoont dat niet enkel de integriteit van de individuele collega’s, maar ook het groepsgevoel en de dynamiek binnen het inspectieteam [...] ernstig heeft aangetast”, “herhaaldelijk aanstootgevende seksuele uitlatingen deed die absoluut niet in overeenstemming te brengen zijn met de integere houding die van een wooninspecteur, officier van gerechtelijke politie, in de uitoefening van zijn functie verwacht mag worden” en de “verschillende feiten, gedragingen en omstandigheden [...] een ernstige tekortkoming vormen in de uitoefening van de functie van een wooninspecteur, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, en hebben geleid tot een diepe ontwrichting van het inspectieteam”. De verwerende partij heeft aldus de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid niet overschreden. 19. De verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat hij “ook wat de termijn betreft niet goed volgt”. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is het echter niet duidelijk welke kritiek de verzoeker hier beoogt uit te oefenen. Aanvankelijk lijkt hij te willen laten gelden dat hij uit het bestreden besluit niet kan opmaken waaruit de hem verweten zware fout bestaat. In zijn memorie van wederantwoord lijkt hij dan weer te argumenteren dat de ontslagbeslissing niet tijdig werd genomen. In zoverre de verzoeker beoogt te laten gelden dat hij uit het bestreden besluit niet kan opmaken waaruit de hem verweten zware fout bestaat, moet erop worden gewezen dat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt dat hem ongewenste seksuele uitlatingen en gedragingen worden verweten. In zoverre de verzoeker argumenteert dat de bestreden beslissing niet tijdig zou zijn genomen, lijkt hij een schending aan te voeren van artikel III.20, § 2, van het Vlaams personeelsstatuut, dat bepaalt dat het ontslag wegens een zware fout zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding door de benoemende overheid wordt gegeven binnen de drie werkdagen na kennisname van het feit dat IX-5805-17/20 als zware fout wordt beschouwd. Te dezen moet worden vastgesteld dat uit het geheel van de overwegingen van het bestreden ontslagbesluit blijkt dat de aan de verzoeker verweten zware fout bestaat uit diverse feiten en gedragingen. De administrateur- generaal heeft daarvan klaarblijkelijk kennis gekregen in meerdere fasen, waarbij de laatste fase bestond uit gesprekken met teamleden van de verzoeker op 24 september 2007. Na de verzoeker op diezelfde datum te hebben gehoord, heeft de administrateur-generaal vastgesteld dat de kwestieuze feiten en gedragingen vaststonden en een zware fout uitmaakten. Op 25 september 2007 is hij overgegaan tot het ontslag van de verzoeker, dit wil zeggen binnen de voorgeschreven termijn van drie werkdagen. 20. De verzoeker voegt in zijn memorie van wederantwoord aan zijn argumentatie toe dat hij zich niet heeft kunnen laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze, zoals voorgeschreven door artikel III.20, § 3, van het Vlaams personeelsstatuut, en dat hij evenmin op de hoogte was van het feit dat het gesprek op 24 september 2007 over zijn mogelijk ontslag wegens een zware fout zou gaan. Te dezen moet worden opgemerkt dat de verzoeker deze grief niet in zijn verzoekschrift heeft vermeld en slechts aanvoert nadat de verwerende partij in haar memorie van antwoord artikel III.20 van het Vlaams personeelsstatuut ter sprake heeft gebracht. De verzoeker vult aldus het middel zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift aan, en geeft dit een andere wending. Aangezien deze grief niet de openbare orde raakt en de verzoeker haar reeds in zijn verzoekschrift had kunnen aanbrengen, kan hij dit niet meer in zijn memorie van wederantwoord doen. In zoverre is het middel dan ook onontvankelijk. 21. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het middel deels niet ontvankelijk en voor het overige niet gegrond is. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op 175 euro. IX-5805-18/20 IX-5805-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5805-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div