← België

Arrest 205128 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 14/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.128 Rolnummer: A. 188575/IX-5950 Zaak: Arrest 205128 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 14/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.128 van 14 juni 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.128 van 14 juni 2010 in de zaak A. 188.575/IX-5950 In zake : Philippe DE RYCKE wonend te Riemst Groothofstraat 15 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging Tussenkomende partijen :

  1. Andreas STEPPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Flamend kantoor houdend te Meise Vilvoordsesteenweg 101 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. Valère MAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te Tessenderlo Lichtveld 38/001 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 30 mei 2008, strekt tot de nietigverkla- ring van het ministerieel besluit van 20 maart 2008 houdende de benoeming van onderofficieren van het actief kader in de graad van adjudant-majoor bij de landmacht, wat de benoeming van Valère Maes en Andreas Steppe betreft. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-5950-1/14 De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 22 augustus
  5. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
  6. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verzoeker, luitenant-kolonel militair administrateur Arnaud De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Valérie Beckers, die loco advocaat Carine Flamend verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest anderslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De verzoeker is adjudant-chef bij de Landmacht en kandidaat voor de bevordering tot de graad van adjudant-majoor. 3.
  9. Op 25 april 2007 verleent generaal-majoor Cornelis, Chef van de Divisies Coördinatie en Evaluatie & Personeel, zijn goedkeuring aan een nota met betrekking tot de bevorderingscomités hoofdonderofficieren
  10. Deze nota bevat IX-5950-2/14 ondermeer de lijst met kandidaten, waaronder de verzoeker, die in aanmerking komen voor de bevordering tot de graad van adjudant-majoor. 3.
  11. Op 4 juni 2007 en 20 juni 2007 verlenen respectievelijk kolonel stafbrevethouder Maes en kolonel stafbrevethouder Staes een gunstig advies aan verzoekers bevorderingsvoordracht. 3.
  12. Op 26 februari 2008 zetelt het bevorderingscomité “Landmacht korps: pantsertroepen” en onderzoekt vijftien kandidaturen. Bij voormeld korps zijn er twee betrekkingen van adjudant-majoor te begeven. De adjudanten-chef Maes en Steppe worden door het bevorde- ringscomité aan de Minister van Landsverdediging aanbevolen voor de benoeming tot adjudant-majoor. Deze twee kandidaten zijn de eerste twee gerangschikte kandidaten. De rangschikking van de eerste vijf kandidaten, gerangschikt volgens toegekende puntenbeoordeling, is als volgt:
  13. Maes V. (...) 84.09/100
  14. Steppe A. (...) 81.19/100
  15. Mille G. (...) 79.82/100
  16. Van Bogaert J. (...) 79.04/100
  17. De Rycke P. (...) 78.30/100 (...) 3.
  18. Bij ministerieel besluit nr. 88.232 van 20 maart 2008 worden de adjudanten-chef Maes en Steppe met ingang van 26 maart 2008 bevorderd tot adjudant-majoor. Dit is de bestreden beslissing. Zij luidt als volgt: “(...) Gelet op de wet van 27 december 1961, betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, inzonderheid op de artikelen 2, § 1, vervangen bij de wet van 20 mei 1994, 3, § 3, vervangen bij de wet van 22 maart 2001, 10, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005, 34, vervangen bij de wet van 22 maart 2001 , 36, vervangen bij de wet van 20 mei IX-5950-3/14 1994 en 39bis, ingevoegd bij de wet van 20 mei 1994 en gewijzigd bij de wetten van 22 maart 2001 en 16 juli 2005; Gelet op het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, inzonderheid op de artikelen 3, § 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 september 2004, 8, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003, 14, § l, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 en 21, eerste lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 2002; Gelet op het koninklijk besluit van 13 januari 2003 betreffende de organisatie van de korpsen en specialiteiten in dewelke de onderofficieren van de krijgsmacht worden ingedeeld, inzonderheid op artikel 1; Gelet op het ministerieel besluit van 13 december 1995 betreffende de adviezen over de kandidatuur voor de bevordering van de onderofficieren en betreffende de samenstelling en de werking van de bevorderingscomités, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 29 januari 1998, 9 december 1999, 12 juli 2000, 16 februari 2001, 8 april 2003, 23 september 2004 en 7 september 2007; Overwegende dat het bevorderingscomité van 26 februari 2008 mij de volgende onderofficieren gunstig heeft aanbevolen voor bevordering tot de graad van adjudant-majoor en dat ze aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen: Besluit: Enig artikel. De Adjudant-chefs van wie de namen volgen, worden benoemd in de graad van Adjudant-majoor, beroepsonderofficier, op 26 maart 2008 in de hierna vermelde korpsen: (...) Pantsertroepen R27979 Maes, V. R17960 Steppe, A. (...).” Op 31 maart 2008 worden de bestreden benoemingen bekendge- maakt in het “wijzigingsrapport”. 3.
  19. Op 26 maart 2008 neemt de verzoeker kennis van het feit dat hij niet gunstig werd voorgedragen voor de bevordering tot de graad van adjudant- majoor. 3.
  20. Op 10 april 2008 neemt de verzoeker ter gelegenheid van een post-consultatiegesprek onder meer kennis van het proces-verbaal van het bevorderingscomité van 17 februari 2004 en van de tekstgegevens uit zijn dossier. Hij krijgt toelichtingen ter zake. Op 29 april 2008 richt de verzoeker zich tot het Administratief en Technisch Secretariaat van het Ministerie van Landsverdediging IX-5950-4/14 met het oog op het bekomen van de verslagen van het bevorderingscomité van de jaren 2005 tot en met
  21. Op 28 mei 2008 worden de voornoemde documenten aan de verzoeker overgemaakt. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  22. De verzoeker heeft, na ontvangst van de memories in tussenkomst van de tussenkomende partijen, een tweede laattijdige memorie van wederantwoord ingediend. Een dergelijk stuk is niet voorzien in de procedureregeling en dient bijgevolg uit de debatten te worden geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de tussenkomende partijen
  23. De tussenkomende partijen werpen twee identieke excepties op. In een eerste exceptie voeren zij de laattijdigheid van het beroep aan daar de verzoeker “al op 26 maart kennis nam van de bestreden beslissing zodat op dat ogenblik al de termijn begon te lopen en niet vanaf de datum van publicatie in het wijzigingsrapport”. In een tweede exceptie stellen zij dat het beroep tot nietigverkla- ring onontvankelijk is bij gebrek aan belang daar het beroep tot nietigverklaring enkel gericht is tegen de benoemingen van de tussenkomende partijen, en niet tegen de beslissing waarbij de verzoeker niet batig gerangschikt werd. Dit betekent, aldus de tussenkomende partijen, dat een eventuele vernietiging van de benoemingen de verzoeker geen enkel voordeel bijbrengt vermits hij dan nog steeds niet batig gerangschikt is. Hij blijft vijfde gerangschikt, terwijl er slechts twee plaatsen te begeven zijn. Beoordeling
  24. Wat de eerste exceptie betreft dient opgemerkt te worden dat de verzoeker op 26 maart 2008 kennis heeft genomen van de beslissing van het bevorderingscomité waarbij hem meegedeeld werd dat hij niet batig gerangschikt werd. De verzoeker heeft pas kennis kunnen nemen van de bestreden benoemingen IX-5950-5/14 bij de bekendmaking ervan in het wijzigingsrapport dat volgens de verwerende partij op 31 maart 2008 is verschenen. De beroepstermijn is dienvolgens pas beginnen lopen vanaf 1 april
  25. Het beroep is niet laattijdig en de exceptie dient te worden verworpen. Wat de tweede exceptie betreft dient opgemerkt te worden dat de voordracht van het bevorderingscomité, dat over een adviserende bevoegdheid beschikt, deel uitmaakt van de complexe rechtshandeling die leidt tot de aangevoch- ten benoemingen. Dit betekent dat deze voordracht kan bekritiseerd worden naar aanleiding van het formuleren van middelen in het beroep tegen de eindbeslissing, hetgeen te dezen het geval is. Een vernietiging van de aangevochten eindbeslissing op basis van deze kritiek, wat zoals hierna zal blijken te dezen het geval is, leidt er toe dat het bevorderingscomité gebeurlijk een nieuwe voordracht dient te formule- ren. De exceptie dient te worden verworpen. VI. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  26. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen (hierna: de motiveringswet). Hij betoogt dat volgens de bijlage B gevoegd bij de nota HRE-08- 141537 van 10 maart 2008 de beoordeling van de kandidaten gebeurt binnen drie domeinen, met name kennis, vaardigheden en houding, waarbij ieder domein onderverdeeld is in twee subgroepen, met name consultatie van het dossier en dossierstudie. Voor het jaar 2008 werd de waarde/het gewicht voor de drie domeinen als volgt bepaald: kennis 25 punten, vaardigheden 35 punten en houding 40 punten. De verzoeker werd door het bevorderingscomité gerangschikt na de twee aanbevolen en benoemde kandidaten, en na nog twee andere kandidaten. IX-5950-6/14 De bekendmaking van de benoemingen in het wijzigingsrapport laat niet toe vast te stellen waarom de benoemden voorrang kregen op de verzoeker, en dit werd ook niet meegedeeld in de mededeling van het bevorderingscomité dat de verzoeker niet batig werd gerangschikt, en evenmin naar aanleiding van het “post-consultatiegesprek”. Uit dit post-consultatiegesprek blijkt ook niet op welke wijze en volgens welke criteria de kandidaten ingedeeld worden in waardegroepen. De verzoeker meent dat in het systeem van vergelijking van titels en verdiensten dat door het bevorderingscomité gehanteerd werd, de beoordeling van sommige gegevens niet op een geobjectiveerde wijze plaats heeft, doch wel het voorwerp is van een discretionaire bevoegdheid, zodanig dat de score van de kandidaten en hun rangschikking niet kan worden verantwoord. De vereiste doorzichtigheid op het vlak van de vergelijking van de kandidaten is slechts mogelijk wanneer hun punten ondersteund worden door een verantwoording die de betrokkene kan toelaten zijn score te begrijpen. In de beoordeling uitgebracht in de voordracht tot de benoeming in de graad van adjudant-majoor heeft de verzoeker de hoogst mogelijke appreciatie behaald. De wijze waarop deze beoordelingsgegevens vertaald en omgezet worden in een score die door het bevorderingscomité gehanteerd wordt bij het opmaken van een rangschikking, is niet doorzichtig. Navraag hierover op het post-consultatiege- sprek kon hierover ook geen duidelijkheid verschaffen. De verzoeker somt vervolgens een aantal voorbeelden van de door hem beweerde onduidelijkheid op: - op grond van welke motieven vormingen en cursussen al dan niet in aanmerking worden genomen en welk gewicht wordt er in voorkomend geval aan gehecht; - op grond van welke motieven de kandidaten die mindere resultaten behaalden voor de fysieke testen of die hiervoor zelfs mislukten, de voorkeur krijgen op de verzoeker, terwijl vorig jaar de quotering voor fysieke vaardigheden verminderd werd omdat deze niet overeenstemde met de behaalde resultaten en dat dit dit jaar niet gebeurde; - waarom voor sommige kandidaten rekening gehouden werd met een functie die zij nog niet uitoefenen terwijl de verzoeker al functies van hoger onderofficier uitoefent; - op basis van welke criteria buitenlandse opdrachten en een stationering in het buitenland wordt gewaardeerd terwijl verzoekers langdurig verblijf bij de Belgische Strijdkrachten geen meerwaarde opleverde; IX-5950-7/14 - hoe schriftelijke bedankingen en felicitaties werden gewaardeerd; - volgens welke regels bepaalde criteria die voorkomen op de evaluatienota’s voor bepaalde kandidaten met het oog op de beoordeling door het bevorderingscomité werden verhoogd en - welke criteria gehanteerd werden bij het beoordelen van de taalkennis. De verzoeker besluit dat de wijze waarop de kandidaten met elkaar vergeleken werden door het bevorderingscomité, derhalve ondoorzichtig is. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker dat de bestreden beslissing wel de motieven bevat waarom zij genomen werd doch meent hij dat de opgegeven motivering niet afdoende is in het licht van het feit dat het bevorderings- comité punten toekent die het resultaat zijn van een discretionaire beoordeling van een aantal gegevens die het domein van de loutere kennis overstijgen. Voorts beklemtoont hij dat rekening houdend met de feitelijke gegevens en de stukken van het dossier, de aanbeveling van het bevorderingscomité en de notulen die hem ter inzage werden voorgelegd, hem niet toelaten te begrijpen waarom het bevorderings- comité andere kandidaten dan hijzelf aan de minister heeft aanbevolen. Evenmin, zo vervolgt de verzoeker, kan worden nagegaan of de elementen die de verzoeker een voorsprong verleenden op de benoemden, door de verwerende partij werden in acht genomen noch of de benoemden door hun score op dezelfde of op andere vergelijkingspunten de beweerde voorsprong van de verzoeker hebben ongedaan kunnen maken.
  27. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord, dat in de aanhef van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de toepasselijke reglementaire bepalingen en naar de gunstige aanbeveling van het bevorderingsco- mité. De juistheid en de draagkracht van de motieven moeten worden beoordeeld in samenhang met de adviezen van het bevorderingscomité van 26 februari
  28. Uit het verslag van het bevorderingscomité blijkt dat het advies van het bevorde- ringscomité gesteund is op een deugdelijke en objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten. De verzoeker heeft op 10 april 2008 bijkomend kennis gekregen van en toelichting verkregen over het verslag van het bevorderings- comité waarin onder meer de gehanteerde beoordelingscriteria worden vermeld. Hij heeft tevens kennis kunnen nemen van zijn presentatiefiche, van de “texfile”, van zijn evaluatiefiche, van het klassement “consultation” en “final detail” en van de presentatie “post comité HOO 2008”. IX-5950-8/14 De verwerende partij verwijst vervolgens naar het auditoraatsver- slag in een gelijkaardige zaak waarin met betrekking tot de formele motiverings- plicht wordt gesteld dat aan deze plicht is voldaan zo de verzoeker in kennis is gesteld van de eindscores van de benoemde kandidaten. Naar analogie met deze zaak moet, aldus de verwerende partij, worden vastgesteld dat de verzoeker de schending van de motiveringswet niet nuttig kan opwerpen.
  29. De tussenkomende partijen merken op dat uit de parlementaire voorbereiding bij de motiveringswet blijkt dat de benoemende overheid moet vermelden waarom zij een bepaalde kandidaat benoemt, maar niet waarom een andere niet wordt benoemd. Het bestreden besluit is wel degelijk afdoende gemotiveerd in de zin van artikel 3 van de motiveringswet: het verwijst naar de toepasselijke reglementaire bepalingen en naar de aanbeveling van het bevorde- ringscomité van 26 februari
  30. Uit het administratief dossier blijkt dat het advies van het bevorderingscomité gesteund is op een gedetailleerde, deugdelijke en objectieve afweging van de titels en verdiensten van de vijftien kandidaten. Uit het gedetailleerde verslag van het bevorderingscomité blijkt de werkwijze die het comité gevolgd heeft: eerst hebben de leden van het comité kennis gekregen van de kandidatenlijst en hebben zij op voorstel van de officier belast met de voordracht van de kandidaten (OBVK) met handopsteking beslist dat iedereen geschikt was; vervolgens heeft de OBVK de aanbevelenswaardige kandidaten voorgesteld en dit op basis van de voorstellingsfiches waarover ieder lid van het comité beschikte, waarna het comité de voorstelling heeft bevestigd. Daarna heeft de OBVK de kandidaten onderling vergeleken op basis van de voorgestelde criteria en gewichten en stelde hij een rangschikking op van de kandidaten, die tevens een verdeling inhoudt van de waardegroepen. Na kennisgeving van het aantal te begeven betrekkingen (twee) aanvaardde het comité het voorstel van de OBVK om de twee eerst gerangschikte kandidaten voor te dragen. Uit de bijlagen van het verslag van het bevorderings-comité blijkt zeer duidelijk welke criteria werden afgewogen en welke waarde zij hadden. Daarnaast zijn in de bijlage E van het verslag van het bevorderingscomité voor elk van de kandidaten de scores opgenomen die zij behaalden op de criteria, alsook de totaalscore. De twee benoemden behaalden de hoogste scores en de verzoeker behaalde als vijfde een beduidend lagere score dan de tussenkomende partijen. In deze omstandigheden is de verwijzing in de IX-5950-9/14 motivering van het besluit naar de aanbevelingen van het bevorderingscomité “afdoende”. Het is dan ook, zo besluiten de tussenkomende partijen, volkomen ten onrechte dat de verzoeker voorhoudt dat hij uit het dossier niet zou kunnen afleiden waarom de overheid de voorkeur gaf aan twee andere kandidaten. Beoordeling
  31. De motiveringswet, die te dezen van toepassing is, bepaalt dat de motivering van een bestuursbeslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. De motivering moet in rechte en in feite evenredig zijn aan het belang van de beslissing. Die motivering moet ook draagkrachtig zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Een motivering is afdoende wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en de bestuurde aldus met kennis van zaken desgevallend tegen deze beslissing in rechte kan optreden en wanneer zij de Raad van State in staat stelt de hem opgedragen wettigheidscontrole uit te oefenen. De motiveringsplicht houdt in dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies.
  32. De bestreden beslissing, die bekendgemaakt werd in het wijzigingsrapport waar er geen vermelding wordt gemaakt van de motieven die zij bevat, verwijst naar de aanbeveling van de benoemden door het bevorderingscomité van 26 februari
  33. Hiermee maakt de verwerende partij duidelijk dat zij de motieven van het bevorderingscomité tot de hare maakt en dat aan de bestreden benoemings- beslissing geen andere motieven ten grondslag liggen dan deze welke het bevorderingscomité in rekening gebracht heeft. De verzoeker heeft bij de hem aangewezen instantie om uitleg gevraagd. Hij heeft inzage gekregen van de notulen van het bevorderingscomité, dus ook van de rangschikkingstabel van de kandidaten, dit is hun score per domein doch niet onderverdeeld naar subgroepen, met inbegrip van de punten die zij behaalden IX-5950-10/14 en van de tekstgegevens uit zijn dossier en hij heeft de gegevens betreffende zijn cursussen B1, BM en/of HOO kunnen verifiëren. De verzoeker betwist die kennisnemingen niet maar is wel van oordeel dat deze uitleg hem niet verder helpt in zijn zoektocht naar de redenen waarom de benoemden een betere rangschikking hebben verkregen en zij op grond daarvan ook aanbevolen en benoemd zijn geworden. In die zin, en in de mate dat het bevorderingscomité de punten niet met geheel objectieve criteria kan verantwoor- den, loopt de vraag naar de formele motivering van de bestreden benoemingsbeslis- sing uit op de vraag of de beslissing van het bevorderingscomité zelf voldoet aan de wet van 29 juli
  34. Zoals uit bijlage D van de notulen van het bevorderingscomité blijkt, gebeurt de beoordeling van de kandidaten binnen drie domeinen met name kennis, vaardigheden en houding. Elk domein is verdeeld in twee subgroepen met name een gedeelte consultatie van het dossier en een gedeelte dossierstudie. Inzake het gedeelte consultatie van het dossier wordt bij het domein kennis rekening gehouden met de punten en rangschikking van de cursus B1, met de punten en rangschikking van de cursus BM en met andere vormingen, militair of burger, indien ze een meerwaarde vormen voor de kandidaat. Bij het domein vaardigheden bestaat het gedeelte consultatie van het dossier uit de punten van de evaluatienota’s van de laatste tien jaar en bestaat het gedeelte houding uit de punten van de bevorderingsvoordracht. Inzake het gedeelte dossierstudie wordt bij het domein kennis rekening gehouden met de kennis van de talen en de professionele kennis, bij het domein vaardigheden met de karakteriële, fysieke en professionele vaardigheden en bij het domein houding met inzet en gedrag, zin voor verbetering en communicatie, ervaring en algemene beoordeling. Inzake puntentoekenning wordt voor het domein kennis 25 punten voorzien waarvan 10 punten voor het gedeelte consultatie van het dossier en 15 voor het gedeelte dossierstudie; voor het domein vaardigheden 35 punten waarvan 20 punten voor het gedeelte consultatie van het dossier en 15 voor het gedeelte IX-5950-11/14 dossierstudie; voor het domein houding 40 punten waarvan 15 punten voor het gedeelte consultatie van het dossier en 25 voor het gedeelte dossierstudie.
  35. In de notulen van het bevorderingscomité, zoals de verzoeker ze kon inkijken op 10 april 2008 en zoals neergelegd in het administratief dossier, worden voor de verzoeker en de twee benoemden de door hen gevolgde vormingen en cursussen met score en brevettering weergegeven, worden voor deze drie kandidaten de punten van de evaluatienota’s van de laatste tien jaar weergegeven alsook hun punten van hun bevorderingsvoordrachten. Aldus is de verzoeker in kennis gesteld geweest van de redenen van de puntentoekenning voor hemzelf en de twee benoemden wat het gedeelte consultatie van het dossier betreft voor de drie domeinen en toont hij geen schending van de formele motiveringsplicht aan.
  36. Wat het gedeelte dossierstudie betreft heeft de verzoeker op 10 april 2008 kennis kunnen nemen van de notulen van het bevorderingscomité met inbegrip van de rangschikkingstabel van de kandidaten met de puntentoekenning - weliswaar niet verdeeld onder de gedeelten consultatie van het dossier en dossier- studie, en van de tekstgegevens uit zijn dossier. In het administratief dossier bevinden zich voorts de evaluatie- fiche betrekkelijk de verzoeker waaruit blijkt hoe de puntentoekenning van het gedeelte dossierstudie tot stand kwam; het bevat een beschrijving en beoordeling van verzoekers gegevens ten aanzien van de voor dit gedeelte toegepaste subcriteria. Voorts werd door de verwerende partij een gedetailleerde puntentabel voorgelegd waaruit voor elke kandidaat de toegekende score blijkt en dit verdeeld naar de drie domeinen en de twee subgroepen. Uit de voormelde evaluatiefiche blijkt dat de beoordeling van de drie domeinen op het subgedeelte dossierstudie resulteert in een score, die het resultaat is van een discretionaire beoordeling van een aantal gegevens die ook het domein van de loutere kennis overstijgen en dit inzonderheid wat de domeinen vaardigheden en houding betreft. Bekeken vanuit de formele motiveringsplicht dient deze puntentoekenning dan ook ondersteund te worden door een verduidelijking die de betrokkene kan toelaten zijn score en ook die van de concurrenten te begrijpen, zo niet is er voor de verzoeker niet de vereiste doorzichtigheid op het vlak van de puntentoekenning en van de vergelijking mogelijk. Uit de evaluatiefiche van de verzoeker blijkt deze verduidelijking. IX-5950-12/14 Dergelijke verduidelijking met betrekking tot de twee benoemde kandidaten ligt niet voor. De verzoeker stelt daarom terecht, ook rekening houdend met de feitelijke gegevens en de stukken van het dossier waarop de Raad van State acht kan slaan, dat de aanbeveling van het bevorderingscomité en de notulen die hem ter inzage werden voorgelegd, hem niet toelaten te begrijpen waarom het bevorderingscomité andere kandidaten dan hijzelf aan de minister aanbevolen heeft en waarom de minister vervolgens op grond van de enkele verwijzing naar die aanbeveling de bestreden beslissing heeft genomen.
  37. Het middel is gegrond. BESLISSING
  38. De Raad van State vernietigt het ministerieel besluit van 20 maart 2008 houdende de benoeming van onderofficieren van het actief kader in de graad van adjudant-majoor bij de landmacht, voorzover het de benoeming van Valère Maes en Andreas Steppe betreft.
  39. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  40. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. IX-5950-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5950-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.