← België

Arrest 205130 - Wegverkeer van goederen - 14/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.130 Rolnummer: A. 179338/IX-5505 Zaak: Arrest 205130 - Wegverkeer van goederen - 14/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Arrest nr 205.130 van 14 juni 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.130 van 14 juni 2010 in de zaak A. 179.338/IX-5505 In zake :

  1. Eddy GHELDOF
  2. Gabriël VOET beiden bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Danny Cool kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 12 december 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 12 oktober 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Eddy Gheldof een administratieve geldboete van 1650 euro wordt opgelegd wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en waarbij Gabriël Voet burgerlijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-5505-1/8 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
  5. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Vanden Bogaerde, die verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Op 18 november 2005 werd een vrachtwagen, die voor rekening van de tweede verzoeker bestuurd werd door de eerste verzoeker, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg N336 te Ieper. Bij weging werd een overlading vastgesteld van 4,9 % op de eerste as en 15,3 % op de tweede as. Er werd proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort: “Aslastendecreet”). 3.
  8. Op 15 december 2005 werd het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Ieper met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zou worden gegeven. Daarop werd medegedeeld dat het parket geen vervolging zou instellen. IX-5505-2/8 3.
  9. Op 15 februari 2006 besliste de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoeker een administratieve geldboete van 1650 euro op te leggen en de tweede verzoeker burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Deze beslissing werd dezelfde dag aan de verzoekers toegezonden. 3.
  10. Op 9 maart 2006 tekende de tweede verzoeker verzet aan tegen die beslissing. De eerste verzoeker deed hetzelfde op 22 maart
  11. 3.
  12. Op 10 mei 2006 werden de verzoekers, vertegenwoordigd door hun raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dienden tevens een nota in. 3.
  13. Op 5 juni 2006 besliste de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoeker een administratieve geldboete van 1650 euro op te leggen en de tweede verzoeker burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing werd dezelfde dag met aangetekende brieven aan de verzoekers ter kennis gebracht. 3.
  14. Met een aangetekende brief van 14 juni 2006 stelden de verzoekers tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 7 september 2006 had een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoekers een verweernota werd ingediend. 3.
  15. Op 12 oktober 2006 besliste de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur ontvankelijk maar ongegrond was. Aan de eerste verzoeker werd dienvolgens een administratieve geldboete van 1650 euro opgelegd. De tweede verzoeker werd burgerlijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. Dit is de bestreden beslissing. Zij werd met aangetekende brieven van 13 oktober 2006 aan de verzoekers toegezonden. IX-5505-3/8 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  16. In een eerste middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 60, § 3, in fine van het Aslastendecreet, doordat de bestreden beslissing hen niet binnen de termijn van vier maanden na het instellen van het beroep ter kennis werd gebracht. Zij hebben immers op 14 juni 2006 tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur beroep aangetekend en de bestreden beslissing werd pas op 13 oktober 2006 verstuurd, zodat “het hoogst twijfelachtig is dat verzoekers deze tijdig, d.i. binnen de termijn van 4 maanden, ontvangen hebben”. Volgens de verzoekers is de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen dan ook vervallen.
  17. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekers met een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs van 13 oktober 2006 in kennis werden gesteld van het ministerieel besluit van 12 oktober 2006 en dat zij de ontvangst van dit aangetekend schrijven niet ontkennen. De kennisgeving is volgens haar dan ook geschied binnen de termijn van vier maanden na het indienen van het beroep.
  18. De verzoekers repliceren dat als datum van kennisgeving niet het versturen van de beslissing geldt, maar wel de datum waarop het aangetekend schrijven aan de betrokkene wordt aangeboden. De verwerende partij wijst volgens hen dan ook ten onrechte 13 oktober 2006 aan als eindpunt van de termijn van vier maanden. De verzoekers merken op dat de verwerende partij niet meedeelt op welke datum zij effectief kennis hebben genomen van de bestreden beslissing. Nochtans moet de aangetekende zending overeenkomstig artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet per aangetekende brief met ontvangstbewijs worden verstuurd. Zij verzoeken de verwerende partij de betrokken stukken waaruit de datum van kennisname blijkt voor te leggen, zo niet moet worden aangenomen dat deze laattijdig was. IX-5505-4/8
  19. In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij dat in artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet geen specifieke termijn voor kennisgeving vermeld is en dat indien toch wordt voorgehouden dat een beslissing niet enkel ter kennis moet worden gebracht, maar ook in ontvangst moet worden genomen door de betrokkene binnen de voorziene termijn van vier maanden, de overheid niet over de volledige termijn zou beschikken voor het nemen van die beslissing. De situatie in tuchtzaken, waarnaar in het auditoraatsverslag wordt verwezen, is volgens de verwerende partij totaal verschillend, vermits eens een tuchtbeslissing is genomen, deze binnen een termijn van tien dagen ter kennis dient te worden gebracht van én in ontvangst genomen door de betrokkene. Ook de verwijzing in het auditoraatsverslag naar artikel 54 Ger.Wb. gaat volgens de verwerende partij niet op. Er moet immers minstens bij analogie toepassing worden gemaakt van artikel 53, tweede lid, Ger.Wb., luidens welke bepaling de vervaldag verplaatst wordt op de eerstvolgende werkdag wanneer hij een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is. Zij meent dat de termijn dan ook pas op maandag 16 oktober 2006 verstreek, en niet op zaterdag 14 oktober
  20. Verder voert de verwerende partij aan dat de rechten (van verdediging) van de betrokkenen in elk geval gevrijwaard zijn, nu in het auditoraats- verslag zelf wordt benadrukt dat kan worden aangenomen dat de brieven van 13 oktober 2006 de verzoekers ten vroegste op 16 oktober 2006 hebben bereikt. Een verzoeker heeft immers geen belang bij het opwerpen van een vormgebrek, indien het normdoel van het vormvoorschrift op een andere wijze werd bereikt. Het één dag te laat ontvangen van een beslissing schendt volgens de verwerende partij geenszins het normdoel, in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de vervaldag een zaterdag was. Beoordeling
  21. Artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, regelt de beroepsprocedure bij de Vlaamse regering tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur als volgt: “§
  22. Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de wegeninspecteur-controleur, kan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming in beroep gaan bij de Vlaamse Regering. Beroep wordt schriftelijk aangetekend. Hieronder wordt verstaan een beroep per brief, per fax IX-5505-5/8 of per e-mail. De kennisgeving van de beslissing bevat de adressen waarop dat kan gebeuren. Het beroep schorst de bestreden beslissing. Als niet tijdig schriftelijk beroep wordt aangetekend, wordt de administratieve geldboete geacht definitief en onherroepelijk te zijn opgelegd en moet de boete binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving betaald worden. Als wel tijdig beroep werd aangetekend, nodigt de Vlaamse Regering of de ambtenaar aangewezen overeenkomstig § 4, door middel van een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, de overtreder en in voorkomend geval de onderneming uit op de hoorzitting binnen dertig dagen na het instellen van het beroep. De uitnodiging vermeldt plaats, dag en uur waarop de hoorzitting zal plaatsvinden. De hoorzitting mag op zijn vroegst dertig dagen na de verzending van de aangetekende brief plaatshebben. De uitnodiging vermeldt ten slotte de plaats waar en de periode waarin het dossier kan worden ingezien. Het dossier ligt ter inzage vanaf de datum van verzending van de uitnodiging. Een afschrift kan tegen een vergoeding, die overeenstemt met de kostprijs, verkregen worden. Binnen vijftien dagen na de verzending van de uitnodiging, bedoeld in het vorige lid, bevestigt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming zijn aanwezigheid of vertegenwoordiging op de hoorzitting. De bevestiging gebeurt schriftelijk. Hieronder wordt verstaan een bevestiging per brief, per fax of per e-mail. De uitnodiging bevat de adressen waarop dat kan gebeuren. De procedure bedoeld in § 2, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de hoorzitting in het kader van het beroep. Als er geen beslissing van de Vlaamse Regering of de ambtenaar, aangewezen overeenkomstig § 4, ter kennis is gebracht van de overtreder en in voorkomend geval van de onderneming, per aangetekende brief met ontvangstbewijs binnen een termijn van vier maanden nadat het beroep is ingesteld, vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.”
  23. Het in deze bepaling omschreven beroep is een administratief en geen jurisdictioneel beroep, nu het niet bij een rechtscollege wordt ingesteld, maar bij de Vlaamse regering. Artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de vervaldag wordt verplaatst op de eerstvolgende werkdag wanneer hij valt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag, geldt op grond van artikel 48 van het Gerechtelijk Wetboek enkel voor termijnen voor het verrichten van “proceshandelingen”. Nu de kennisgeving van de beslissing na een administratief beroep geen proceshandeling is, is voormeld artikel 53 te dezen niet van toepassing. In het kader van een administratief beroep kan enkel sprake zijn van het verplaatsen van een vervaldag indien de administratieve beroepsprocedure zulks uitdrukkelijk bepaalt. Het Aslastendecreet voorziet niet uitdrukkelijk in het verplaatsen van de vervaldag indien die vervaldag valt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag. De verzoekers hebben bij aangetekende brief van 14 juni 2006 beroep ingesteld IX-5505-6/8 tegen de beslissing van 5 juni 2006 van de wegeninspecteur-controleur. De termijn van vier maanden om de beslissing in beroep aan de verzoekers ter kennis te brengen, verstreek derhalve op zaterdag 14 oktober 2006, en niet op maandag 16 oktober
  24. De kennisgeving van een beslissing met ontvangstbewijs, heeft betrekking op de handeling waarbij de beslissing daadwerkelijk ter kennis van de betrokkene wordt gebracht, dit wil zeggen dat zij hem aangeboden wordt voor kennisneming. Behoudens een uitdrukkelijk andersluidende bepaling, gebeurt de kennisgeving niet bij de verzending van de aangetekende brief, maar bij de ontvangst ervan. De bestreden beslissing van 12 oktober 2006 werd bij aangetekende brieven van 13 oktober 2006 aan de verzoekers toegestuurd. Aangezien 13 oktober 2006 een vrijdag was, moet worden aangenomen dat die brieven de verzoekers ten vroegste op maandag 16 oktober 2006 hebben bereikt. De verwerende partij legt geen ontvangstbewijs voor waaruit de kennisgeving op een vroegere datum zou blijken. De bestreden beslissing is derhalve laattijdig aan de verzoekers ter kennis gebracht.
  25. De verwerende partij voert ten onrechte aan dat het normdoel van het laatste lid van voormeld artikel 60, § 3, bereikt zou zijn, doordat kort na het verstrijken van de betrokken termijn de verzoekers alsnog in kennis zijn gesteld van de bestreden beslissing. De termijn van vier maanden waarbinnen de beslissing van de Vlaamse regering aan de overtreder of de onderneming moet worden ter kennis gebracht is een vervaltermijn, waarbij het duidelijk de bedoeling was van de decreetgever om in het kader van de rechtszekerheid de mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete strikt te beperken in de tijd. Omwille van het openbare orde karakter, kan van die termijn niet worden afgeweken.
  26. Het middel is gegrond. IX-5505-7/8 BESLISSING
  27. De Raad van State vernietigt de beslissing van 12 oktober 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Eddy Gheldof een administratieve geldboete van 1650 euro wordt opgelegd wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en waarbij Gabriël Voet burgerlijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete.
  28. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5505-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.