id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.131 Rolnummer: A. 185789/IX-5785 Zaak: Arrest 205131 - Wegverkeer van goederen - 14/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-23 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:53 Fiche Arrest nr 205.131 van 14 juni 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.131 van 14 juni 2010 in de zaak A. 185.789/IX-5785 In zake : de NV PALMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvia Lagrou kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 oktober 2007, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 5 september 2007 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Dirk Simons een administratieve geldboete van 1650 euro wordt opgelegd wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en waarbij de NV Palmans burger- rechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-5785-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sylvia Lagrou, die verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur Koenraad Vanschoren, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 7 september 2006 werd een vrachtwagen met oplegger, geladen met los cement, die bestuurd werd door Dirk Simons, werknemer van de verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg A11 te Zelzate. Bij weging werd een overlading vastgesteld van 2051 kg of 17,8 % op de tweede as van de trekker. Er werd proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort: “Aslastendecreet”). 3.
- Op 17 oktober 2006 werd het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Gent met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zou worden gegeven. Daarop werd medegedeeld dat het parket geen vervolging zou instellen. 3.
- Op 23 januari 2007 besliste de wegeninspecteur-controleur aan Dirk Simons een administratieve geldboete van 2750 euro op te leggen en de verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Deze beslissing werd dezelfde dag aan de verzoekende partij toegezonden. IX-5785-2/9 3.
- Op 30 januari 2007 tekende de verzoekende partij verzet aan tegen die beslissing. 3.
- Op 27 maart 2007 werd de verzoekende partij, vertegenwoordigd door haar raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij diende ook een nota in. 3.
- Op 25 april 2007 besliste de wegeninspecteur-controleur aan Dirk Simons een administratieve geldboete van 1650 euro op te leggen en de verzoeken- de partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing werd dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. 3.
- Met een aangetekende brief van 16 mei 2007 stelde de verzoeken- de partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 26 juni 2007 had een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoekende partij een verweernota werd ingediend. 3.
- Op 5 september 2007 besliste de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur ontvankelijk maar ongegrond was. Aan Dirk Simons werd dienvolgens een administratieve geldboete van 1650 euro opgelegd. De verzoekende partij werd burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. Dit is de bestreden beslissing. Zij werd met een aangetekende brief van 7 september 2007 aan de verzoekende partij toegezonden. IX-5785-3/9 IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel voert de verzoekende partij aan dat de lading cement vóór het wegen ingevolge een remmanoeuver verschoven is. Zij wijst erop dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de chauffeur onachtzaam heeft gehandeld door zijn lading niet tegen het schuiven te beschermen en dat de verzoekende partij erkend heeft dat het plaatsen van een tussenschot de overlading had kunnen vermijden. Volgens de verzoekende partij is deze motivering niet rechtsgeldig en heeft de minister in een gelijkaardig geval beslist geen administratie- ve geldboete op te leggen.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel niet ontvankelijk is omdat de verzoekende partij niet aantoont welke rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel door de bestreden beslissing geschonden werd. Ten gronde antwoordt de verwerende partij dat de overlading aantoont dat de overtreder nalatig is geweest. Een normaal, voorzichtig en redelijk persoon die een lading vervoert die gevoelig is voor verschuivingen, zou immers maatregelen genomen hebben om te beletten dat de lading gaat schuiven, bijvoor- beeld door tussenschotten te plaatsen. Uit het verslag van de hoorzitting, gehouden op 26 juni 2007 blijkt volgens de verwerende partij dat de overtreder zich bewust was van het feit dat door het plaatsen van een tussenschot het verschuiven van de lading had kunnen vermeden worden. Het gedrag van de overtreder stemde derhalve niet overeen met hetgeen van een normaal, voorzichtig en redelijk chauffeur, geplaatst in dezelfde omstandigheden, kan worden verwacht. Het feit dat de minister in een ander dossier oordeelde dat aan de overtreder niets kon worden ten laste gelegd, is volgens de verwerende partij niet terzake dienend. Beide dossiers zijn immers niet vergelijkbaar: in casu ging het om een lading losse cement, terwijl in de door de verzoekende partij aangehaalde beslissing de lading vloeibaar was. Een bulklading, zoals losse cement, kan IX-5785-4/9 gemakkelijk schuiven tijdens het transport, zonder dat ze zichzelf terug stabiliseert, terwijl een volledig vloeibare lading zichzelf automatisch stabiliseert. Bovendien merkt de verwerende partij op dat de overlading in het aangehaalde dossier veel beperkter was.
- De verzoekende partij repliceert dat cement niet anders vervoerd kan worden, en dat het plaatsen van een tussenschot in bulktransport niet mogelijk is. Bulk wordt immers langs boven geladen en onderaan gelost, door middel van een leiding onder druk, waardoor onmogelijk met een tussenschot kan gewerkt worden. Om zulks mogelijk te maken, moeten de voorschriften voor de constructie van opleggers voor bulk en vloeistoffen volgens haar gewijzigd worden. Verder voert de verzoekende partij aan dat er geen overlading meer zou zijn geweest indien een tweede weging zou zijn uitgevoerd. Het cement stabiliseert zich immers na enkele minuten en het gewicht zou dan opnieuw gelijk over de assen verdeeld zijn geweest.
- In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij dat het weinig waarschijnlijk is dat een verschuiving van een lading van 1500 kg te wijten zou zijn aan een enkel remmanoeuver en dat het in elk geval niet aan haar toekomt om te onderzoeken of de verklaring van de overtreder met de werkelijkheid strookt. Zij meent dat de chauffeur wist of behoorde te weten dat door de verschuiving van een lading een risico op overlading op de assen ontstaat, in het bijzonder wanneer de maximaal toegelaten massa van de sleep dicht benaderd wordt, zoals te dezen het geval was. De verwerende partij betoogt dat het niet haar taak is om, wanneer de overtreder zowel de oorzaak van de inbreuk toegeeft als het bestaan van mogelijkheden om deze te vermijden, na te gaan of het in de gegeven omstandighe- den wel mogelijk was om een tussenschot te plaatsen. De chauffeur had immers, wanneer hij niet in de mogelijkheid was om een eventuele verschuiving van de lading te vermijden, nog steeds kunnen opteren om ofwel minder te laden, ofwel zich niet met het voertuig op de openbare weg te begeven. Volgens de verwerende partij heeft de overtreder zich desondanks met het voertuig op de openbare weg begeven en hierdoor duidelijk een risico genomen. Dergelijke handeling, waarbij men zich bewust is van de mogelijkheid om bepaalde goederen of belangen te schenden, maar waarbij men erop vertrouwt, door een lichtzinnige of verkeerde IX-5785-5/9 inschatting van de situatie, dat deze gevolgen zich niet zullen voordoen, brengt mee dat de overreder met “bewuste culpa” heeft gehandeld. Beoordeling
- In het middel wordt de ondeugdelijke motivering aangevoerd wat het moreel bestanddeel van de inbreuk betreft. Uit haar verweer blijkt dat de verwerende partij het middel ook in die zin begrepen heeft. Het middel is derhalve ontvankelijk.
- In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 het volgende overwogen: “Overwegende dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals hier bij verkeersovertredingen, de schuld bestaat uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij niet deed bij verkeersovertredingen; Dat in dit geval de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt.” Het Hof van Cassatie neemt derhalve aan dat wanneer de wet bij een delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt. In een arrest van 2 november 2004 oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen: “[...] dat die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan.” IX-5785-6/9 De bestreden beslissing bevat, wat het moreel bestanddeel van de inbreuk betreft, de volgende motivering: “Appellante roept in dat deze overlading te wijten is aan een kort en krachtig remmanoeuver, uitgevoerd aan een verkeerslicht, voorafgaandelijk aan de weging, waardoor de lading naar voor is geschoven; Appellante is van oordeel dat er dan ook geen enkel intentioneel element aanwezig was; Opdat het moreel element van het misdrijf, omschreven in artikel 56 van het decreet aanwezig zou zijn, is het niet nodig dat de inbreuk wetens en willens werd begaan, het volstaat dat de chauffeur onachtzaam handelde, waardoor de overlading is kunnen ontstaan; Door zijn lading niet dusdanig te beschermen of beveiligen dat bij een krachtig remmanoeuver de lading naar voor kan schuiven begaat de chauffeur een onachtzaamheid die volstaat opdat het moreel element van het misdrijf aanwezig is; Appellante erkent bovendien dat het plaatsen van een tussenschot de overlading had kunnen vermijden.” De bestreden beslissing stelt terecht vast dat het niet nodig is dat de inbreuk willens en wetens werd begaan. Het volstaat dat aan de chauffeur onachtzaamheid kan worden ten laste gelegd. De vraag is dan of er in de onderhavige zaak sprake kan zijn van onachtzaamheid. De verwerende partij betwist in de bestreden beslissing niet dat de overlading op de tweede as van de trekker veroorzaakt kan zijn door het schuiven van de lading ingevolge het plots remmen van het voertuig. Zij gaat er evenwel van uit dat de chauffeur zijn voorzorgen had moeten nemen door het plaatsen van een tussenschot. In dat verband verwijst de verwerende partij naar de verklaring van de raadsman van de verzoekende partij tijdens de hoorzitting op 26 juni 2007: “Om het probleem van de gewichtsverdeling op te lossen en om de lading op zijn plaats te houden had er een tussenschot moeten steken in de laadbak”. De verwerende partij blijkt evenwel niet te hebben nagegaan of het in de gegeven omstandigheden voor de chauffeur wel mogelijk was om dergelijk IX-5785-7/9 tussenschot te plaatsen. Te dezen is zulks niet het geval. Zoals blijkt uit bijlage 2 van het proces-verbaal, was de oplegger immers van het merk “Feldbinder”. Dit betreft een gesloten cementtank die, zoals de verzoekende partij aangeeft in haar memorie van wederantwoord, bovenaan geladen en onderaan gelost wordt door middel van een leiding onder druk. Het plaatsen van een tussenschot in dergelijk transportmiddel is onmogelijk voor de chauffeur, gelet op de constructie van een dergelijke tank en het gebruikte laad- en lossysteem. In de bestreden beslissing gaat de verwerende partij er dan ook ten onrechte van uit dat het voor de chauffeur mogelijk was om door middel van een tussenschot of door een ander middel, de overlading op één van de assen ingevolge het schuiven van de lading te vermijden. Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 5 september 2007 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Dirk Simons een administratieve geldboete van 1650 euro wordt opgelegd wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en waarbij de NV Palmans burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5785-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5785-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div