← België

Arrest 205192 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.192 Rolnummer: A. 186011/X-13547 Zaak: Arrest 205192 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:53 Fiche Arrest nr 205.192 van 15 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.192 van 15 juni 2010 in de zaak A. 186.011/X-13.547. In zake: 1. Frans GENTILS 2. Marianne DE LENTDECKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Denys kantoor houdend te 1560 HOEILAART de Quirinilaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 29 mei 2007 van de gewestelijke stedenbouw- kundige ambtenaar waarbij aan “de afdeling Zeeschelde” de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het uitvoeren van dijkverhogings- en verstevigingswerken langs de rechteroever van de Zeeschelde te Melle en Wetteren, kadastraal bekend Wetteren, sectie B, 1ste blad - sectie G, 3de blad en Melle, sectie D, 2de blad. X-13.547-1/10 II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 april 2008. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martin Denys, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jo Van Lommel, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij voor het uitvoeren van dijkverhogings- en verstevigingswerken langs de rechteroever van de Zeeschelde X-13.547-2/10 gelegen te Melle en Wetteren, op de percelen kadastraal bekend als Wetteren, sectie B, 1ste blad - sectie G, 3de blad en Melle, sectie D, 2de blad. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone ligt het traject op een bestaande waterweg langsheen agrarisch gebied, industriegebied en gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. 3.2. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel gelegen te Wetteren, kadastraal bekend sectie G, nr. 850/x. IV. Ontvankelijkheid A. Tijdigheid Standpunt van de partijen 4. De tussenkomende partij werpt de volgende exceptie op aangaande de tijdigheid van het beroep: “III.2 ONTVANKELIJKHEID RATIONE TEMPORIS 23. Er werd een openbaar onderzoek georganiseerd in de gemeente Wetteren in de periode tussen 15 januari en 14 februari 2007. Verzoekers maakten toen als enigen bezwaar en legden in totaal drie bezwaarschriften neer. 24. Op 13 februari 2007 werd namens verzoekers door hun raadsman bezwaar ingediend. Voormeld bezwaarschrift werd door verzoekers integraal in hun beroep tot nietigverklaring opgenomen. 25. De stedenbouwkundige vergunning werd verleend aan NV Waterwegen en Zeekanaal op 29 mei 2007. 26. Pas op 5 november 2007 nemen verzoekers telefonisch contact op met de NV Waterwegen & Zeekanaal om zich te informeren betreffende de verleende stedenbouwkundige vergunning. Op 6 november 2007 sturen verzoekers een e-mail aan NV Waterwegen en Zeekanaal met de vraag hen een kopie van de stedenbouwkundige vergunning te bezorgen. Op 7 november 2007 meldde (

  1. de)NV Waterwegen en Zeekanaal aan verzoekers dat de stedenbouwkundige vergunning ter inzage bij de Technische Dienst van de gemeente Wetteren ligt. Een paar dagen later zouden verzoekers effectief inzage in de stedenbouwkundige vergunning hebben genomen. 27. Een burger, en zeker een raadsman heeft een plicht tot waakzaamheid. Van zodra een derde op de hoogte is van het bestaan van een bouwvergunning of kan vermoeden dat er één is afgeleverd, dient hij het nodige te doen om ervan kennis te nemen. 28. Zich pas acht maanden nadat een bezwaarschrift in het kader van het openbaar onderzoek werd ingediend, en meer dan vijf maanden nadat de stedenbouwkundige vergunning werd verleend informeren over de vergunningstoestand moet als onredelijk worden beschouwd. X-13.547-3/10 29. Dit is des te meer het geval daar verzoekers in totaal drie bezwaarschriften hebben ingediend in het kader van het openbaar onderzoek. Er kan verwacht worden dat men zich tijdig informeert. 30. Daarenboven werd minstens één van de door verzoekers ingediende bezwaarschriften door hun raadsman. Een raadsman dient te kunnen inschatten hoelang een vergunningsprocedure ongeveer in beslag neemt. 31. Het verzoekschrift dient onontvankelijk te worden verklaard”. Beoordeling 5.1. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partijen er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van potentiële verzoekende partijen liggen, wanneer zij in de mogelijkheid zijn om kennis te nemen van een bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wensen te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die menen te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moeten vermoeden, de verplichting hebben om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hen ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partijen kennis hadden of konden hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning. X-13.547-4/10 Het is dan weer zaak van de verzoekende partijen in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning hebben proberen in te winnen. 5.2. De tussenkomende partij toont niet aan dat de verzoekende partijen vóór 5 november 2007 kennis hadden of konden hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning. De deelname van de verzoekende partijen aan het openbaar onderzoek verplichtte hen, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij voorhoudt, niet om bij ontstentenis van de uitvoering van de werken waarvoor de vergunning werd aangevraagd, zich op regelmatige tijdstippen naar het gemeentehuis te begeven om daar te informeren of de tussenkomende partij de vergunning voor de geplande bouwwerken reeds had verkregen of niet. De exceptie wordt verworpen. B. Belang Standpunten van de partijen 6.1. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op aangaande het gebrek aan belang van de verzoekende partijen: “5. De bestreden beslissing betreft de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning aan de N.V. Waterwegen en Zeekanaal- Afdeling Zeeschelde, voor het uitvoeren van dijkverhogings- en verstevigingswerken op een traject langs de rechteroever van de Zeeschelde te 9090 Melle en 9230 Wetteren. Het traject van de vergunde werken loopt over een deel van de eigendom van de verzoekende partijen. Zoals reeds door de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar gesteld in de bestreden beslissing, wordt de vergunning pas uitvoerbaar op het ogenblik dat de onteigeningsprocedure is afgerond. Aangezien een stedenbouwkundige vergunning slechts wordt verleend ‘onder voorbehoud van de betrokken burgerlijke rechten’, kan de huidige stedenbouwkundige vergunning aan de verzoekende partijen geen enkel nadeel toebrengen. Aangezien de stedenbouwkundige vergunning niet kan uitgevoerd worden zolang de verzoekende partijen de hoedanigheid van eigenaar bezitten over het perceel, kadastraal gekend onder sectie G, deel van nummer 850T, hebben de verzoekende partijen dus geen enkel belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. 6. De verzoekende partijen spreken over een vergunning voor dijkverhogingen en verstevigingswerken “met inbegrip van de afbraak van het kunstenaarsatelier”. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de bestreden beslissing geen stedenbouwkundige vergunning verleent voor afbraakwerken op het perceel van de verzoekende partijen. Evenmin blijkt X-13.547-5/10 uit de plannen dat er van afbraak van het kunstenaarsatelier van de verzoekende partijen sprake zou zijn. Het uitgangspunt van de verzoekende partijen is dus verkeerd. De omschrijving van hun belang en de omschrijving van het middel is hierop gebaseerd. Volgens de verzoekende partijen belet de verleende stedenbouwkundige vergunning hen de eigendom te verkopen, te verbouwen, uit te breiden omwille van de “afbraakvergunning”. Bovendien zou de verkoopwaarde van de eigendom hierdoor verminderen. Enkel hierom al hebben zij geen belang bij deze vordering tot nietigverklaring. Daarenboven is het een verkeerde voorstelling van de feiten om aan te duiden dat de bestreden beslissing het zou beletten dat de verzoekende partijen hun eigendom zouden verkopen, verbouwen of uitbreiden. Aangezien de vergunning niet kan uitgevoerd worden zolang de percelen waarop ze dient uitgevoerd te worden geen eigendom is van degene die de vergunning heeft verkregen, kan deze geen onmiddellijke, rechtstreekse weerslag hebben op de economische waarde van het perceel. Het is desgevallend enkel de onteigening zelf die de economische waarde van het perceel zou kunnen aantasten. Minstens is dit een louter hypothetisch nadeel, dat in hoofde van de verzoekende partijen geen voldoende belang kan meebrengen. Zij tonen geenszins aan dat de bestreden beslissing de verkoopwaarde zou aantasten of hun zou beletten te verkopen, te verbouwen of uit te breiden. De verzoekende partijen hebben het enkel over de vermindering van de economische, dus financiële waarde van het perceel. Zelfs indien daarvan sprake zou zijn, quod non, dan nog is dit niet voldoende om een belang te hebben bij de vernietiging van de beslissing. Het is daarenboven net dit aspect dat artikel 16 van de Grondwet voorziet, namelijk dat een billijke en voorafgaande schadevergoeding moet worden betaald voor alle schade in geval van onteigening. Dit alles is bovendien zeer hypothetisch. Er is geen enkele aanwijzing dat er ooit plannen geweest zijn van de verzoekende partijen om te verkopen, te verbouwen, uit te breiden,... Al de opmerkingen van de verzoekende partijen hebben betrekking op de onteigening zelf, en niet op de bestreden beslissing. 7. De rechtspraak erkent in hoofde van de verzoeker het rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden zijn vervuld : enerzijds dient de verzoeker door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel én wettig nadeel te lijden, anderzijds moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van de beslissing aan de verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. (...) Beroepen tegen beslissingen die geen enkel nadeel toebrengen aan de verzoekende partij zijn niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang. Onder deze beslissingen dienen te worden vermeld, de beslissingen die geen rechtsgevolgen hebben voor de verzoekende partij, zoals de beslissingen die uitsluitend betrekking hebben op derden zonder een nadeel toe te brengen aan de verzoeker, die niet kunnen worden uitgevoerd of geen uitwerking kunnen hebben. (...). Uit het voorgaande blijkt dat deze situatie zich in casu voordoet. 8. De verzoekende partijen verwijzen naar het arrest Opstaele uit 1981. In dit arrest werd door de Raad van State geoordeeld dat er wel degelijk een belang was voor verzoekster om de vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning te vorderen. In deze zaak was er immers reeds een onteigening gebeurd van de eigendom van de verzoekende partij. Bijgevolg kon de stedenbouwkundige vergunning, in tegenstelling X-13.547-6/10 tot wat in casu het geval is, worden uitgevoerd. Hoewel de verzoekende partij in deze zaak geen eigenaar meer was, kon zijn wel een belang doen gelden, nu zij een procedure in herziening had ingesteld tegen de onteigening. In het arrest Opstaele stelde de Raad van State: ‘Overwegende dat niet wordt betwist dat verzoekster een procedure in herziening heeft ingesteld, gegrond o.m. op de onregelmatigheid van de onteigening, met name de ontstentenis van een oogmerk van algemeen nut, doordat de onteigening wordt ‘doorgevoerd om aan een bouwpromotor de eigendom te verschaffen van de onroerende goederen van verzoekster om er een nieuw appartementsgebouw op te richten’; dat dit rechtmatigheidsbezwaar alleszins niet kennelijk ongegrond is; dat verzoekster dan ook alleszins er voldoende belang bij heeft, in afwachting van een definitieve gerechtelijke uitspraak terzake, te voorkomen dat op de onteigende percelen werken zouden worden uitgevoerd of constructies worden opgericht; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen’. In tegenstelling tot het geciteerde arrest, is er in casu nog geen onteigeningsbeslissing (laat staan een onteigening), zodat in elk geval geen werken kunnen worden uitgevoerd op de eigendom van de verzoekende partijen in uitvoering van de bestreden beslissing. In tegenstelling tot de verzoekende partij in het geciteerde arrest, kunnen de verzoekende partijen in casu dus geen belang aantonen bij de vernietiging van de bestreden beslissing. 9. Het verzoek tot nietigverklaring van de bestreden beslissing is wegens gebrek aan belang onontvankelijk”. 6.2. De tussenkomende partij betwist eveneens het belang van de verzoekende partijen en stelt dienaangaande nog het volgende: “III.1 HET BELANG VAN VERZOEKERS 11. De bestreden beslissing verleent een stedenbouwkundige vergunning aan NV Waterwegen en Zeekanaal, afdeling Zeeschelde voor het uitvoeren van dijkverhogingen en verstevigingswerken op een traject van rechteroever van de Zeeschelde op het grondgebied van de gemeenten Melle en Wetteren. Het traject van de vergunde werken loopt over een deel van de eigendom van verzoekers. 12. Met betrekking tot de door verzoekers geuite bezwaren in het kader van het openbaar onderzoek stelt de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar in zijn beslissing: ‘...De ontsluiting van de terreinen heeft inderdaad een zekere relevantie voor de goede plaatselijke ordening, maar maakt ook en vooral deel uit van de onteigeningsproblematiek, die uitsluitend door de burgerlijke rechtbank kan worden beslecht. Voor het verlenen van deze vergunning stelt zich dus geen probleem, gelet op het feit dat de vergunning pas uitvoerbaar wordt op het ogenblik dat de onteigeningsprocedure is afgerond, en er derhalve een sluitende oplossing voor dit probleem voorhanden is. Een stedenbouwkundige vergunning wordt immers steeds verleend onder voorbehoud van de betrokken burgerlijke rechten.’ 13. De bestreden beslissing kan verzoekers derhalve geen enkel nadeel toebrengen. 14. Zolang verzoekers eigenaar zijn van het perceel kadastraal gekend onder sectie G, nummer 850T, voor wat betreft dat deel waarover het traject loopt, X-13.547-7/10 beschikken verzoekers niet over een actueel, persoonlijk en duidelijk geïndividualiseerd, rechtstreeks en wettig belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. 15. Daarenboven werpen verzoekers op dat de bestreden beslissing hen zou beletten hun eigendom te verkopen, te verbouwen of uit te breiden. Aangezien de verleende vergunning niet kan worden uitgevoerd zolang de percelen waarop de vergunning dient te worden uitgevoerd geen eigendom zijn van degene die de vergunning heeft verkregen, kan de bestreden vergunning geen onmiddellijke, rechtstreekse weerslag hebben op de economische waarde van het perceel. 16. Enkel de onteigening kan in voorkomend geval de economische waarde van het perceel aantasten. Evenwel voorziet artikel 16 G.W. in een billijke en voorafgaande schadevergoeding voor alle schade in geval van onteigening. Derhalve mag een onteigende nooit enig nadeel van een onteigening ondervinden. 17. Er is derhalve slechts sprake van een hypothetisch nadeel, wat in hoofde van verzoekers geen voldoende belang met zich kan meebrengen. 18. De rechtspraak erkent het bestaan in hoofde van de verzoeker van het rechtens vereiste belang, indien twee voorwaarden zijn vervuld: enerzijds dient de verzoeker door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden, anderzijds moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van de beslissing aan de verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. 19. Zoals supra reeds aangegeven leiden verzoekers slechts een hypothetisch nadeel door de bestreden beslissing. Verzoekers kunnen niet aangeven dat ze een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijden. 20. Daarenboven verschaft de vernietiging van de bestreden beslissing verzoekers geen direct en persoonlijk voordeel. De bestreden beslissing is immers niet uitvoerbaar zolang de percelen waarop het bestreden besluit betrekking heeft niet zijn onteigend ten gunste van de partij in tussenkomst. 21. Beroepen tegen beslissingen die geen enkel nadeel toebrengen aan de verzoekende partij zijn niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang. Onder deze beslissingen dienen te worden vermeld, de beslissingen die geen rechtsgevolgen hebben voor de verzoekende partij, zoals de beslissingen die uitsluitend betrekking hebben op derden zonder een nadeel toe te brengen aan de verzoeker, die niet kunnen worden uitgevoerd of geen uitwerking kunnen hebben. 22. Het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit is bij gebrek aan belang onontvankelijk”. 6.3. De verzoekende partijen repliceren als volgt in de memorie van wederantwoord: “Tegenpartij laat gelden dat er helemaal geen sprake is van afbraakwerken op de eigendom van beroepers. Bij de lezing van het administratief dossier medegedeeld door tegenpartij valt natuurlijk op dat er wel degelijk een intentie bestaat een aantal delen van gebouwen te slopen. Zie bijvoorbeeld het wateradvies van RO Vlaanderen van 15 februari 2007 (...). Bovendien volstaat het de medegedeelde plannen te lezen om te begrijpen dat de toekomstige dijk zich wel degelijk zal bevinden op een gedeelte van het af te breken gebouw van beroepers. X-13.547-8/10 Dat de vergunning voorwaardelijk zou zijn is al even irrelevant voor wat betreft het eigendomsrecht van beroepers en zelfs integendeel. Men kan geen bouwvergunning verlenen op andermans grond, nu niet en ook nooit eerder. De vraag is niet te weten of beroepers plannen hebben om hun eigendom te verkopen maar wel hoe zij dit zouden moeten aan boord leggen wetende dat een bouwvergunning/afbraakvergunning verleend is voor hun gebouw en zonder dat zelfs enige zekerheid zal bestaan dat de bouwtoelating ooit zal gerealiseerd worden. Dergelijke eigendomslast is in geen enkele wettekst verankerd en schendt op evidente wijze artikel 544 B.W en de andere ingeroepen voorschriften”. Beoordeling 7.1. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partijen moeten doen blijken van het rechtens vereiste rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging. Verzoekende partijen die nadelen dreigen te ondervinden ten gevolge van de bestreden beslissing hebben in principe belang bij de vernietiging van die beslissing. 7.2. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel waarvoor, ten behoeve van de tussenkomende partij, de stedenbouwkundige vergunning is verleend voor het uitvoeren van dijkverhogings- en verstevigingswerken langs de Zeeschelde. Zij stellen dat de bestreden vergunning “hun economische belangen in gevaar brengt” aangezien deze vergunning hen belet, “indien zij dat zouden wensen, de eigendom te verkopen, te verbouwen, uit te breiden, etc”. Zij stellen dat de verleende vergunning “zijn weerslag (heeft) op de verkoopwaarde van het goed” en dat de “bouwtoelating nefaste gevolgen (heeft) voor het patrimonium van concluanten”. Als eigenaar hebben de verzoekende partijen uiteraard een belang bij het aanvechten van een beslissing waardoor op hun grond een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend ten behoeve van een ander, ook al zou de bestreden beslissing niet kunnen worden uitgevoerd voordat de onteigeningsprocedure is afgerond. De excepties worden verworpen. X-13.547-9/10 V. Onderzoek van de middelen - heropening van de debatten 8. Het auditoraatsverslag is met toepassing van artikel 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt tot het onderzoek van de excepties van niet-ontvankelijkheid. Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat ook de middelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. BESLISSING 1. De debatten worden heropend. 2. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.547-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.192 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.