← België

Arrest 205194 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.194 Rolnummer: A. 191382/X-14080 Zaak: Arrest 205194 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:53 Fiche Arrest nr 205.194 van 15 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.194 van 15 juni 2010 in de zaak A. 191.382/X-14.

  1. In zake: de n.v. J.P.F. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steve Ronse kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 6, bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 9 februari 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 november 2008 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 december 2008, “en meer in het bijzonder de bepalingen uit de normatieve delen van dit uitvoeringsplan die betrekking hebben op perceel nr. 482B0 van het deelgebied ‘gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare- West’”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. X-14.080-1/16 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Steve Ronse, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoekende partij is eigenaar van een woning gelegen aan de Oostnieuwkerksesteenweg 209 te Roeselare, op een perceel op het plan van het bestreden besluit aangeduid met nr. 480R
  7. De woning wordt bewoond door Frank VAN HOLLEBEKE, gedelegeerd bestuurder van de verzoekende partij, en zijn echtgenote. Het voormelde perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s. Het perceel ligt tevens in een zone voor KMO en dienstverlening binnen het bij ministerieel besluit van 29 april 1991 goedgekeurde algemeen plan van aanleg van de stad Roeselare. 3.
  8. Het voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” wordt in september 2006 voor een eerste keer besproken in plenaire vergadering. Na een herwerking wordt het voorontwerp van GRUP “Afbakening regionaalstedelijk X-14.080-2/16 gebied Roeselare” voor een tweede keer besproken in plenaire vergadering van 8 juni
  9. 3.
  10. Bij besluit van 26 oktober 2007 stelt de Vlaamse regering het ontwerp GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” voorlopig vast. Het ontwerp GRUP omvat 21 deelgebieden : - Deelgebied 1 : afbakeningslijn - Deelgebied 2 : regionaal bedrijventerrein Deceuninck - Deelgebied 3 : stedelijk woongebied Gitsestraat Roeselare - Deelgebied 4 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Mandelvallei-West - Deelgebied 5 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied stationsomgeving Roeselare - Deelgebied 6 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare-Oost - Deelgebied 7 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare-Noord - Deelgebied 8 : stedelijke groenpool Sterrebos-kleiputten - Deelgebied 9 : stedelijk woongebied Maria’s Linde Roeselare - Deelgebied 10 : specifiek stedelijk voorzieningsgebied Oekene - Deelgebied 11 : watergebonden bedrijventerrein en overslaggebied Schaapbrug Roeselare - Deelgebied 12 : regionaal bedrijventerrein Sasbrug Izegem - Deelgebied 13 : regionaal bedrijventerrein Top/Aurora Izegem - Deelgebied 14 : stedelijk woongebied Hazelaarstraat Izegem - Deelgebied 15 : stedelijk woongebied Hondekensmolenstraat Izegem - Deelgebied 16 : regionaal bedrijventerrein Zandberg - Deelgebied 17 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Monument Ingelmunster - Deelgebied 18 : regionaal bedrijventerrein Deefakker - Deelgebied 19 : primaire weg II N36 Roeselare-Zuid - Deelgebied 20 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare-West - Deelgebied 21 : op te heffen reservatiestrook. Het perceel van de verzoekende partij maakt deel uit van het Deelgebied 20 “Gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare-West” (deelplan 02). Meer bepaald krijgt het voormelde perceel met het ontwerp GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” de bestemming gemengd regionaal bedrijventerrein. X-14.080-3/16 Op een deel van het aanpalende perceel, nr. 482B0, dat eveneens tot gemengd regionaal bedrijventerrein wordt bestemd, wordt een buffer in overdruk aangeduid. 3.
  11. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, georganiseerd van 3 december 2007 tot en met 31 januari 2008, wordt onder meer door de verzoekende partij een bezwaarschrift ingediend. Hierin doet de verzoekende partij het volgende gelden: “
  12. De woning van mijn cliënten werd vergund met bouwvergunning van 3 november 1965 vanwege het college van burgemeester en schepenen te Roeselare (...). Van belang is dat de woning niet werd vergund als bedrijfswoning, maar wel degelijk als woonhuis.
  13. Mijn cliënten stellen vast dat de integrale woning van mijn cliënten komt te liggen in een gemengd regionaal bedrijventerrein, alwaar de volgende industriële activiteiten zullen zijn toegelaten (zie artikel 67 van de stedenbouwkundige voorschriften): - productie, opslag en verwerking van goederen - onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten - op- en overslag, voorraadbeheer, groepage, fysieke distributie en groothandel; - afvalverwerking met inbegrip van recyclage; - verwerking en bewerking van mest en slib; - verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen Er kan niet worden ontkend dat dit bijzonder zware industriële activiteiten zijn die een reële impact zullen hebben op de onmiddellijke omgeving. In die zin is er zonder meer sprake van een veel hardere bestemming dan op dit ogenblik (zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO's volgens het vigerende gewestplan).
  14. Mijn cliënten zijn in deze omstandigheden van oordeel dat er rond hun woonhuis in een afdoende buffering moet worden voorzien. Zeer concreet stellen zij een buffering voor met een breedte van 20 meter tussen hun perceelsgrens en het begin van het regionaal bedrijventerrein.
  15. Geen buffering voorzien zou manifest strijdig zijn met de goede ruimtelijke ordening, en dit om de volgende redenen: - er kan onmogelijk abstractie worden gemaakt van het in 1965 vergunde woonhuis van mijn cliënten; - het realiseren van industriële hoogbouw (met mogelijke kantoorfunctie) tot tegen de perceelsgrens van mijn cliënten zou directe inkijk mogelijk maken in hun tuin en woning; - niet voorzien in een voldoende buffering zou niet logisch zijn nu er wat verder, aan de gemeentegrens met Staden, wel in een serieuze buffering wordt voorzien; - niet voorzien in een voldoende buffering zou eveneens op gespannen voet staan met het thans opgelegde groenscherm tussen het bedrijf Van Hollebeke in de Oostnieuwkerkesteenweg 207 en de woning in de Oostnieuwkerkesteenweg 205 dat werd opgelegd in diverse vergunningen (...).
  16. Louter ten overvloede verzetten mijn cliënten zich nog tegen het aanleggen van wegenis naast hun perceelsgrens. Dit zou een onaanvaardbare X-14.080-4/16 hinder met zich meebrengen (zeker gelet op de omvang van de geplande bedrijvigheid)”. 3.
  17. Er worden adviezen verleend door verschillende gemeenten en door de provincieraad van West-Vlaanderen. 3.
  18. Bij ministerieel besluit van 20 februari 2008 wordt de adviestermijn van de Vlaamse commissie voor Ruimtelijke Ordening (hierna: Vlacoro) inzake het ontwerp GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” verlengd met 30 dagen. Op 10 juni 2008 verleent de Vlacoro een gunstig advies “mits rekening wordt gehouden met de gestelde opmerkingen en voorwaarden”. 3.
  19. Op 10 juli 2008 wordt door de Vlaamse regering beslist de termijn voor de definitieve vaststelling van het GRUP te verlengen met 60 dagen. 3.
  20. Op 30 oktober 2008 brengt de Raad van State, afdeling wetgeving, advies uit. 3.
  21. Bij het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2008 wordt het GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” definitief vastgesteld. Het perceel van de verzoekende partij en het aanpalende perceel nr. 482B0 behouden de bestemming zoals voorzien in het ontwerp. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  22. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij “slechts over een belang (beschikt) m.b.t. het deelgebied 8 - stedelijke groenpool Sterrebos - Kleiputten (lees: deelgebied 20 - gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare West), beperkt tot de in het verzoekschrift aangehaalde kadastrale percelen”. 4.
  23. Zowel uit het tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschrift als uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij zich niet verzet tegen de bestemming gemengd regionaal bedrijventerrein die door het bestreden besluit aan haar woning, gelegen op het perceel 480R0, wordt gegeven. Zij verzet zich daarentegen tegen de bestemming die wordt toegekend aan het aanpalende perceel nr. 482B0 zijnde eveneens gemengd regionaal bedrijventerrein X-14.080-5/16 met een gedeeltelijke overdruk (buffer). In haar verzoekschrift beperkt de verzoekende partij haar vordering en belang ook zelf uitdrukkelijk tot het deelgebied 20 “gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare West” en dan meer bepaald tot het aanpalende perceel nr. 482B
  24. 4.
  25. Aangezien, zoals hierna zal blijken, besloten wordt tot de verwerping van het beroep, bestaat er geen noodzaak te onderzoeken of, ingeval van vernietiging, tot een gedeeltelijke vernietiging zou dienen te worden besloten. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.1.
  26. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de materiële motiveringsplicht, van de zorgvuldigheidsplicht, van het rechtszekerheidsbeginsel en van artikel 37, § 1, 2/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). Volgens de verzoekende partij werden de motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht geschonden doordat het bestreden besluit niet ingaat op het bezwaarschrift van de verzoekende partij, waarin ze de verwerende partij heeft verzocht om rond haar woning in een voldoende buffering te voorzien. De verzoekende partij betoogt dat “de VLACORO in zijn advies (nochtans) uitdrukkelijk het probleem van verzoekster (had) erkend” en “(stelde) dat de problematiek rond de woning van verzoekster fundamenteel was”. Ze verwijst daarvoor naar de passage uit het advies van de Vlacoro waarin wordt gesteld dat “noch de toelichtingsnota noch de huidige stedenbouwkundige voorschriften duidelijkheid geven wat er met de woning midden in het afgebakende bedrijventerrein zal gebeuren”. De verzoekende partij stelt dat “één en ander (...) des te meer (wringt) nu verzoekster blijkbaar geconfronteerd wordt met hetzij een behoud van de bestaande functie als woonhuis, hetzij een uitdoofscenario van deze zuivere woonfunctie”. Ze doet gelden dat, hoewel in de toelichtingsnota staat dat bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsterreinen steeds moet worden nagegaan in welke mate en hoe bestaande functies in het betreffende gebied kunnen worden ingepast of desgevallend geleidelijk kunnen uitdoven, een dergelijk onderzoek voor haar woning niet heeft plaatsgevonden. Volgens de verzoekende partij is de bestreden beslissing in dit opzicht strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien zij op basis van de bestreden beslissing niet kan X-14.080-6/16 weten welke opties verwerende partij voor ogen heeft. Voorts voert de verzoekende partij nog aan dat de suggestie van de Vlacoro om het vereiste onderzoek naar de inpasbaarheid van de woning door te voeren naar aanleiding van een latere inrichtingsstudie zelfs niet werd opgenomen in de bestreden beslissing. Ze voegt eraan toe dat “zelfs indien (de verwerende partij) dit zou gedaan hebben, quod non, (...) opgemerkt (moet worden) dat dit onwettig is”. Ten slotte stelt de verzoekende partij, met verwijzing naar het bepaalde in artikel 37, § 1, 2/ DRO, dat de afweging ten aanzien van haar woonhuis diende te gebeuren bij de totstandkoming van de bestreden beslissing en dat de intenties van de overheid met betrekking tot een bepaald stuk grond op voldoende wijze uit het uitvoeringsplan dienen te blijken. Beoordeling 5.1.
  27. Het bezwaarschrift van de verzoekende partij wordt in het advies van de Vlacoro als volgt weergegeven en besproken: “Herbestemming van de gronden (...)
  28. Bezwaarindiener

(181)(percelen 480d en 481 - op plan 480R) dient bezwaar in tegen de herbestemming omdat: -de aanwezige woning is vergund als woonhuis -de toegelaten activiteiten duidelijk een hardere bestemming impliceren dan op dit ogenblik. In de toelichtingsnota pagina 64 staat dat bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen steeds moet worden nagegaan in welke mate en hoe bestaande functies in het betreffende gebied kunnen ingepast worden of desgevallend geleidelijk kunnen uitdoven. Dit gebeurt door het voorzien van ruimte voor het behoud van bestaande functies of de geleidelijke overgang van deze bestaande functies naar de nieuwe bestemming. Vlacoro is van oordeel dat noch de toelichtingsnota noch de huidige stedenbouwkundige voorschriften duidelijkheid geven wat er met de woning midden in het afgebakende bedrijventerrein zal gebeuren. Volgens Vlacoro zullen de nodige maatregelen moeten opgenomen worden in de inrichtingsstudie die opgemaakt moet worden bij elke stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. (...) Aard en omvang van de buffer (...) 22. Bezwaarindiener
(181)(perceel 480R) vraagt dat bovendien een afdoende buffering van 20 meter tussen hun perceelsgrens en het begin van het regionaal bedrijventerrein omdat: -onmogelijk abstractie kan worden gemaakt van het in 1965 vergunde woonhuis -het realiseren van industriële hoogbouw (met mogelijke kantoorfunctie) een directe inkijk mogelijk zou maken in tuin en woning X-14.080-7/16 -het niet voorzien van een buffer in tegenspraak zou zijn met de buffering aan de gemeentegrens met Staden en met het via de vergunningen opgelegde groenscherm tussen het bedrijf Van Hollebeke en de woning Oostnieuwkerkesteenweg 205. Vlacoro is van oordeel dat een keuze moet gemaakt worden: ofwel wordt gebufferd ten aanzien van de omliggende woningen, ofwel wordt gebufferd ten aanzien van de open ruimte. Vlacoro kiest voor de eerste oplossing. Aan twee zijden een buffer voorzien, brengt het nut van het regionaal bedrijventerrein in gevaar... Vlacoro vraagt de ontwerper de locatie van de nieuwe buffer te voorzien rond de woonkorrel langs de Oostnieuwkerksesteenweg”. 5.1.3. Nog daargelaten de vraag of de verzoekende partij wel een belang kan laten gelden bij dit middel, nu ze haar belang zelf uitdrukkelijk beperkt tot het perceel nr. 482B0 en ze zich niet verzet tegen de bestemming die door het bestreden besluit aan haar woning wordt gegeven, dient alleszins te worden vastgesteld dat het middel uitgaat van een onvolledige lezing van het bestreden besluit. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, werd wel degelijk een passend gevolg gegeven aan de opmerking van de Vlacoro waarin gesteld werd dat bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen steeds moet worden nagegaan in welke mate en hoe bestaande functies in het betreffende gebied kunnen worden ingepast of desgevallend geleidelijk kunnen uitdoven. Dienaangaande bepaalt het bestreden besluit het volgende: “Over algemene onderwerpen Overwegende dat een aantal opmerkingen, bezwaren en adviezen en onderdelen van het advies van VLACORO betrekking hebben op meerdere deelgebieden van het ruimtelijk uitvoeringsplan; dat in navolging van deze opmerkingen, bezwaren en adviezen volgende aanpassingen aan de verordenende delen van het plan worden doorgevoerd: - (...) - opname in de voorschriften voor bedrijventerreinen van overgangs- bepalingen zodat de bestaande en vergunde woningen er verder kunnen blijven bestaan tot de bestemming van het gebied gerealiseerd is; (...)”. Tevens werd in de stedenbouwkundige voorschriften een artikel 61.6 ingevoegd dat stelt: “Tot een vergunning verleend is voor de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van de bestaande landbouwbedrijven, voor woningen, en voor de bestaande bedrijven met aan de landbouw toeleverende, verwerkende en dienstverlenende activiteiten”. In navolging van het advies van de Vlacoro wordt voorts geopteerd voor een lijnbuffer. Dienaangaande stelt het bestreden besluit wat volgt: X-14.080-8/16 “Overwegende dat in navolging van verschillende opmerkingen, bezwaren en adviezen en in het advies van Vlacoro volgende wijzigingen worden doorgevoerd aan het verordenend deel van het voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan: (...) -opname van een lijnbuffer in het gemengd regionaal bedrijventerrein, teneinde een kwalitatieve inpassing van de woonkorrel aan de hoek van de Veldbosstraat en de Oostnieuwkerksesteenweg te bereiken; -schrapping van de westelijke buffer van het gemengd regionaal bedrijventerrein tussen de Roeselarestraat en de Withoekstraat”. 5.1.4. Uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit wel degelijk rekening heeft gehouden met de opmerkingen van de Vlacoro naar aanleiding van het bezwaarschrift van de verzoekende partij. De stelling van de verzoekende partij dat het bestreden besluit “in het geheel niet (
  1. is)ingegaan” op haar bezwaarschrift en haar woning aldus “compleet heeft genegeerd”, kan dan ook niet worden aangenomen. 5.1.5. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.2.1. In een tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het redelijkheidsbeginsel. Volgens de verzoekende partij schendt de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel door, niettegenstaande het bezwaarschrift van de verzoekende partij, geen buffer te voorzien rond haar woning, terwijl ten aanzien van andere, eveneens vergunde woningen wel in een buffering werd voorzien. De verzoekende partij verwijst dienaangaande naar de woningen gelegen aan de Oostnieuwkerksesteenweg 199 en de Gitsbergstraat 1. De verzoekende partij voert voorts aan dat er tevens sprake is van een inbreuk op het redelijkheidsbeginsel aangezien “werkelijk niet (valt) in te zien waarom in de bestreden beslissing niet in een voldoende buffer voorzien wordt ten aanzien van verzoeksters woning terwijl dit wel het geval is voor andere vergunde woningen binnen de grenzen van het uitvoeringsplan” en het “mede gelet op het bezwaar van verzoekster en de opmerkingen van de VLACORO (...) manifest onredelijk (
  2. is)om dit niet te doen”. X-14.080-9/16 Beoordeling 5.2.2. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts zijn geschonden indien een verzoekende partij met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat in rechte én in feite gelijke toestanden ongelijk werden behandeld, zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De woningen aan de Oostnieuwkerksesteenweg 199 en de Gitsbergstraat 1 waarnaar de verzoekende partij verwijst, zijn beiden buiten en aan de rand van een gemengd regionaal bedrijventerrein gelegen. Om deze reden alleen reeds zijn deze woningen niet vergelijkbaar met de woning van de verzoekende partij, nu deze laatste in het gemengd regionaal bedrijventerrein is gelegen en zelf deze bestemming heeft, bestemming waartegen de verzoekende partij zich overigens in deze procedure niet verzet. In die omstandigheden kan er geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel. 5.2.3. Gezien de ligging van de woning van de verzoekende partij in het gemengd regionaal bedrijventerrein, maakt de omstandigheid dat er rond deze woning geen buffer werd voorzien evenmin een schending uit van het redelijkheidsbeginsel. 5.2.4. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 5.3.1. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de “schending van artikel 4.2.4, § 4, 3de lid van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffecten- en veiligheidsrapportage (DABM), zoals ingevoerd bij artikel 4 van het decreet van 18 december 2002; schending van het rechtszekerheidsbeginsel; schending van artikel 38, § 1, 6/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; schending van artikel 6 van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s”. De verzoekende partij voert aan dat de consultatieronde, waarvan sprake in het toentertijd geldende artikel 4.2.4, § 4, 3de lid van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene X-14.080-10/16 bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) werd georganiseerd van 10 tot en met 20 april 2007 en zodoende slechts uit tien dagen bestond, terwijl het voormelde artikel een termijn van dertig dagen oplegt. Nu het milieueffectenrapport niet conform het toentertijd geldende artikel 4.2.4, § 4 DABM aan een openbaar onderzoek werd onderworpen, is er volgens de verzoekende partij sprake van een schending van een substantieel vormvoorschrift, zodat de bestreden beslissing met een onwettigheid is behept. In ondergeschikte orde doet de verzoekende partij nog gelden dat, indien de verwerende partij zou argumenteren dat er ten tijde van de opmaak van het uitvoeringsplan geen plan-MER-plicht bestond, onmogelijk kan worden ontkend dat de verwerende partij het blijkbaar noodzakelijk heeft gevonden om een plan-MER op te maken en de verzoekende partij er in de gegeven omstandigheden mocht op vertrouwen dat de verwerende partij de toepasselijke wetgeving inzake de plan- MER-procedure correct zou toepassen. Beoordeling 5.3.2. Het toentertijd geldende artikel 4.2.4, § 4 DABM, zoals ingevoegd door artikel 4 van het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, luidde als volgt: “De administratie zorgt voor de bekendmaking en de terinzagelegging van de kennisgeving binnen een termijn van tien dagen na volledigverklaring van de kennisgeving. Ze bezorgt een afschrift van de kennisgeving aan de overeenkomstig artikel 4.2.2, §4, door de Vlaamse regering per categorie van plan of programma of geval per geval aangeduide administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties die een vertegenwoordiger hebben in de SERV of MINA-Raad. De administratie bezorgt de initiatiefnemer onverwijld een afschrift van de bekendmaking en informeert de initiatiefnemer over de aanvangs- en afsluitingsdatum van de terinzagelegging. Voor de door de Vlaamse regering aangewezen plannen en programma’s maakt de administratie binnen de in het eerste lid bedoelde termijn tevens een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving over aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten en/of de bestendige deputatie van de provincie of provincies, waarvoor het plan of programma relevant is. De gemeenten en/of provincies leggen het afschrift ter inzage van het publiek binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan. Bij de bekendmaking of terinzagelegging wordt duidelijk aangegeven dat eventuele opmerkingen over de inhoudsafbakening van het voorgenomen plan- MER binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of terinzagelegging, al dan niet via de gemeente, aan de administratie moeten worden bezorgd, behoudens verlenging van deze termijn”. X-14.080-11/16 5.3.3. In de toelichtingsnota bij het bestreden GRUP wordt omtrent de “Actieve openbaarheid en betrokkenheid van actoren” het volgende gesteld: “Actieve openbaarheid en betrokkenheid van actoren Een belangrijk aandachtspunt bij de milieueffectrapportage is actieve openbaarheid en betrokkenheid van actoren bij de besluitvorming. Dit aspect wordt in de decretaal bepaalde RUP-procedure in ieder geval ingevuld onder de vorm van een actieve openbaarheid bij het openbaar onderzoek. In de aanloop van dit openbaar onderzoek werd tijdens het planningsproces aandacht besteed aan consultatie en informatie van diverse actoren. Het projectteam, samengesteld uit een vertegenwoordiging van de initiatiefnemer, de provincie en de vier direct betrokken gemeenten (Roeselare, Izegem, Ingelmunster en Hooglede), was direct betrokken bij de voorbereiding van het voorstel tot afbakening. Op enkele cruciale tijdstippen in het voorbereidingsproces (analyse bestaande ruimtelijke structuur, uitwerking voorstel van afbakening) werd een ruimere overleggroep betrokken, bestaand uit het projectteam en een vertegenwoordiging van diverse administraties en organisaties. De ruime bevolking werd voorafgaand aan de eigenlijke RUP-procedure geïnformeerd en geconsulteerd op diverse wijzen: - publicatie van een nieuwsbrief tijdens het afbakeningsproces in de periode 2002-2004 (informatieverstrekking) ; - organisatie van een informatieavond voor de bevolking in de gemeenten en voor de provincieraad februari 2004 (informatieverstrekking en inwinnen van reacties bij het publiek); - publieke consultatieronde naar aanleiding van de scoping voor de locatie-alternatieven voor de programma-onderdelen van het plan. De publieke consultatieronde rond de scoping werd georganiseerd van 10 tot en met 20 april 2007. Aankondiging gebeurde op voorhand via mailing naar de gemeenteraden en gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de betrokken gemeenten, de betrokken provinciale diensten en de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening, de adviesverlenende instanties voor de plenaire vergadering van het gewestelijk RUP en enkele bijkomende instanties/organisaties die vertegenwoordigd waren in de overleggroep (milieu- en natuurverenigingen). Naar aanleiding van de kennisgevingsfase voor de milieu-beoordeling van de locatie-alternatieven werd tijdens twee overlegmomenten door de dienst MER richtlijnen overgemaakt. De meeste opmerkingen tijdens deze consultatiefase hadden betrekking op de problematiek van stofhinder, geluidshinder, verkeersveiligheid voor fietsers en de aanwezige landbouw. De plenaire vergadering van 8 juni 2007 omvatte een eerste bespreking van het plan inclusief milieurapport met de betrokken administraties op gewestelijk en provinciaal niveau en de verschillende gemeenten. Naar aanleiding van deze plenaire vergadering heeft de dienst MER van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie geoordeeld dat het voorontwerp globaal voldoet aan de principes van de integratiespoorprocedure. Een aantal bijkomende aandachtspunten ten aanzien van de milieubeoordeling werd tijdens deze vergadering besproken en zijn opgenomen in deze toelichtingsnota. Het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan werd onderworpen aan een openbaar onderzoek, wat inhoudt dat het ontwerp gedurende 60 dagen voor iedereen ter inzage lag en dat er bezwaren en opmerkingen bij konden geformuleerd worden. Het openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden van 3 december 2007 tot 31 januari 2008. Deze bezwaren en opmerkingen dienden bezorgd te worden aan de Vlaamse commissie ruimtelijke ordening (VLACORO). Tijdens het openbaar onderzoek X-14.080-12/16 kunnen ook de betrokken gemeenten en de provincie hun advies uitbrengen over het ontwerp. Vlacoro bundelde en behandelde alle bezwaren en opmerkingen en legde ze samen met haar eigen advies voor aan de Vlaamse regering. Bij het openbaar onderzoek werden in totaal 2.184 tijdige bezwaarschriften ingediend. Hierbij werden 1.874 bezwaren ingediend via de stad Roeselare met 1439 gelijkaardige bezwaren van het comité ‘Leefbaar Beveren’, 98 gelijkaardige bezwaren van de vzw Leefmilieu en 347 individueel verschillende bezwaren. Daarnaast werden 310 individueel verschillende bezwaren bij Vlacoro en de andere betrokken gemeenten bezorgd. Er werden tevens 4 adviezen van gemeenteraden van Ingelmunster, Hooglede, Roeselare en Izegem en 1 advies van de provincieraad West-Vlaanderen tijdig aan VLACORO overgemaakt. VLACORO heeft op 10 juni 2008 een gunstig advies uitgebracht, mits rekening wordt gehouden met de gestelde opmerkingen en voorwaarden in het advies. Conform de principes van het plan-MER-integratiespoor zijn de bemerkingen aangebracht tijdens (...) het openbaar onderzoek en de wijze waarop hiermee werd omgegaan geïnventariseerd in een aparte overzichtstabel”. 5.3.4. Nog daargelaten de vraag of de in de geciteerde passage vermelde “publieke consultatieronde naar aanleiding van de scoping voor de locatie- alternatieven voor de programma-onderdelen van het plan” die werd georganiseerd van 10 tot en met 20 april 2007, kan beschouwd worden als een ter inzagelegging in de zin van het toentertijd geldende artikel 4.2.4, § 4 DABM, dient alleszins te worden vastgesteld dat het middel uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat dit artikel bepaalt dat het bedoelde afschrift gedurende een termijn van dertig dagen ter inzage van het publiek dient te worden gelegd. Aldus steunt het middel op een verkeerde lezing van het toentertijd geldende artikel 4.2.4, § 4 DABM, nu dit artikel slechts bepaalt dat eventuele opmerkingen binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of terinzagelegging moeten worden bezorgd. In die omstandigheden kan de vaststelling dat de “publieke consultatieronde” slechts tien dagen heeft geduurd, geenszins tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het bijkomend stuk dat de verzoekende partij nog bij haar laatste memorie aanbrengt, kon reeds bij haar verzoekschrift worden gevoegd en is bijgevolg onontvankelijk. 5.3.5. Het derde middel is ongegrond. X-14.080-13/16 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 5.4.1. De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending van artikel 12 van het besluit van 18 april 2008 van de Vlaamse regering betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: het integratiespoorbesluit), alsook uit de schending van artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken. In dit middel doet de verzoekende partij gelden dat het bestreden besluit met een onwettigheid is behept, nu “in de bestreden beslissing kan worden gelezen” dat toepassing werd gemaakt van het besluit van 18 april 2008 van de Vlaamse regering betreffende het integratiespoor voor de milieueffectenrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: integratiespoorbesluit), terwijl dit besluit nog niet in werking was getreden bij de opmaak van het vereiste MER en aldus nog niet kon worden toegepast. De verzoekende partij preciseert dat het bedoelde besluit kadert in artikel 4.2.4, § 2 DABM, dat werd ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van 27 april 2007, en dat deze bepaling ingevolge artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken, slechts van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 27 april 2007, zijnde zes maanden na 1 december 2007, en dat in casu de eerste plenaire vergadering werd gehouden op 26 september 2006, zodat het decreet van 27 april 2007, het uitvoeringsbesluit van 12 oktober 2007 alsmede het integratiespoorbesluit van 18 april 2008 nog niet konden worden toegepast. Beoordeling 5.4.2. Met de verzoekende partij dient te worden vastgesteld dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het integratiespoorbesluit van 18 april 2008. Daaromtrent wordt in het bestreden besluit volgende verantwoording gegeven: “Overwegende dat voorliggend gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd opgesteld conform de principes van bovengenoemd uitvoeringsbesluit over de integratie van plan-MER in een ruimtelijk uitvoeringsplan; dat het plan MER werd goedgekeurd door de dienst MER op 6 juni 2007; dat het uitvoeringsbesluit voorziet in enkele bijkomende formele vereisten voor de X-14.080-14/16 toelichtingsnota van het ruimtelijk uitvoeringsplan; dat de toelichtingsnota op deze punten wordt aangevuld; dat dit geen aanleiding geeft tot een wijziging van het verordenend deel van het plan”. In de toelichtingsnota wordt dienaangaande het volgende gesteld: “Voorliggend gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is opgesteld anticiperend op nader te bepalen richtlijnen inzake plan-MER-verplichting van ruimtelijke uitvoeringsplannen. De hieronder voorgestelde aanpak voor het plan-MER integratiespoor voor het regionaalstedelijk gebied Roeselare komt overeen met de principes die ondertussen zijn vastgelegd in het BVR van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor milieueffectrapportage (m.e.
  3. r)over een RUP”. 5.4.3. De loutere omstandigheid dat de verwerende partij er voor geopteerd heeft de principes van een nog tot stand te komen besluit te volgen, maakt het bestreden besluit op zich nog niet onwettig, zeker nu niet wordt aangevoerd, laat staan aangetoond, dat de verwerende partij door het toepassen van deze principes zou zijn afgeweken van de op dat ogenblik geldende bindende bepalingen. Bovendien is het bedoelde integratiespoorbesluit van de Vlaamse regering conform artikel 12 ervan in werking getreden op 1 juni 2008, zijnde nog voor het nemen van het bestreden besluit, zodat het niet onredelijk voorkomt reeds rekening te houden met de in dit besluit vervatte principes. 5.4.4. Het vierde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-14.080-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-14.080-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.