← België

Arrest 205197 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.197 Rolnummer: A. 191571/X-14094 Zaak: Arrest 205197 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:53 Fiche Arrest nr 205.197 van 15 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.197 van 15 juni 2010 in de zaak A. 191.571/X-14.094. In zake: 1. Gerry DECAIGNY 2. Roger DE MAREZ 3. Mario HAVEGEER 4. Annemie VERHAEGE 5. Johan MEEUS 6. Christine REBRY VANDEKERCKHOVE 7. Bart PROOT 8. Rogier SOENEN 9. Estella CALLEWAERT 10. de n.v. R.D.B. 11. de n.v. F.M.K. 12. de c.v.a. H&D bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Blommaert en Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 BRUSSEL Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 februari 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 november 2008 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 december 2008. X-14.094-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die loco advocaten Dominique Blommaert en Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” wordt in september 2006 voor een eerste keer besproken in plenaire vergadering. Na een herwerking wordt het voorontwerp van GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” voor een tweede keer besproken in plenaire vergadering van 8 juni 2007. 3.2. Bij besluit van 26 oktober 2007 stelt de Vlaamse regering het ontwerp GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” voorlopig vast. X-14.094-2/14 Het ontwerp GRUP omvat 21 deelgebieden : - Deelgebied 1 : afbakeningslijn - Deelgebied 2 : regionaal bedrijventerrein Deceuninck - Deelgebied 3 : stedelijk woongebied Gitsestraat Roeselare - Deelgebied 4 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Mandelvallei-West - Deelgebied 5 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied stationsomgeving Roeselare - Deelgebied 6 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare-Oost - Deelgebied 7 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare-Noord - Deelgebied 8 : stedelijke groenpool Sterrebos-kleiputten - Deelgebied 9 : stedelijk woongebied Maria’s Linde Roeselare - Deelgebied 10 : specifiek stedelijk voorzieningsgebied Oekene - Deelgebied 11 : watergebonden bedrijventerrein en overslaggebied Schaapbrug Roeselare - Deelgebied 12 : regionaal bedrijventerrein Sasbrug Izegem - Deelgebied 13 : regionaal bedrijventerrein Top/Aurora Izegem - Deelgebied 14 : stedelijk woongebied Hazelaarstraat Izegem - Deelgebied 15 : stedelijk woongebied Hondekensmolenstraat Izegem - Deelgebied 16 : regionaal bedrijventerrein Zandberg - Deelgebied 17 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Monument Ingelmunster - Deelgebied 18 : regionaal bedrijventerrein Deefakker - Deelgebied 19 : primaire weg II N36 Roeselare-Zuid - Deelgebied 20 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Roeselare-West - Deelgebied 21 : op te heffen van de reservatiestrook. De percelen van de verzoekende partijen maken deel uit van het deelplan 03 en meer in het bijzonder het deelgebied 8 - stedelijke groenpool Sterrebos-Kleiputten. Deze percelen liggen volgens het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Ze zijn tevens gelegen in het bij ministerieel besluit van 29 april 1991 goedgekeurde algemeen plan van aanleg Roeselare (hierna: APA) in landelijk en open ruimtegebied met agrarisch karakter. Het ontwerp GRUP bestemt deze percelen tot bosgebied. X-14.094-3/14 3.3. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, georganiseerd van 3 december 2007 tot en met 31 januari 2008, worden door de verzoekende partijen sub 1 tot en met 7 een bezwaarschrift ingediend. 3.4. Er worden adviezen verleend door verschillende gemeenten en door de provincieraad van West-Vlaanderen. 3.5. Bij ministerieel besluit van 20 februari 2008 wordt de adviestermijn van de Vlaamse commissie voor Ruimtelijke Ordening (hierna: Vlacoro) inzake het ontwerp GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” verlengd met 30 dagen. 3.6. Op 10 juni 2008 verleent de Vlacoro een gunstig advies “mits rekening wordt gehouden met de gestelde opmerkingen en voorwaarden”. 3.7. Op 10 juli 2008 wordt door de Vlaamse regering beslist de termijn voor de definitieve vaststelling van het GRUP te verlengen met 60 dagen. 3.8. Op 30 oktober 2008 brengt de Raad van State, afdeling wetgeving, advies uit. 3.9. Bij het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2008 wordt het GRUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Roeselare” definitief vastgesteld. De percelen van de verzoekende partijen worden tot bosgebied bestemd. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging 4.1. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op: “Verzoekende partijen beschikken hoogstens slechts over een belang met betrekking tot deelgebied 8 (...) zodat het verzoekschrift tot nietigverklaring alleszins tot dit deelgebied en in het bijzonder de eigendommen van verzoekende partijen dient beperkt te worden”. 4.2. De vraag of een gedeeltelijke nietigverklaring van het GRUP mogelijk is en of het belang van de verzoekende partijen daartoe in voorkomend X-14.094-4/14 geval is beperkt, dringt zich slechts op indien een gegrond middel wordt aangevoerd, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 5.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 3 en 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de artikelen 19, §§ 2 en 3, 38 en 42 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (hierna: het RSV), “patere legem quam ipse fecisti”, het gelijkheids-, zorgvuldigheids-, rechtszekerheidsbeginsel, en het verbod van retroactieve werking. De verzoekende partijen betogen dat het bestreden besluit veel meer doet dan de afbakening van het regionaalstedelijk gebied zoals het opschrift ervan stelt door op verschillende plaatsen de gewestplanbestemming en de bestemming volgens het APA Roeselare te wijzigen. In een eerste onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de Vlaamse regering hiermee afwijkt van de begrippen “afbakening” en “afbakening van stedelijke gebieden” in het RSV, wat in strijd is met artikel 19, § 2 en 3 DRO, “de regel patere legem quam ipse fecisti, die in feite een toepassing is van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet” en machtsafwending is. Verder stellen zij dat dit een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat “men (...) eerst het regionaalstedelijk gebied definitief (moet) vastleggen vooraleer men in het kader van stedelijk gebiedsbeleid bestemmingen kan wijzigen”. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de aankondiging van het openbaar onderzoek onzorgvuldig is geschied omdat het enkel vermeldde “dat het openbaar onderzoek de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Roeselare betrof” waardoor zij “maar tegen het einde van het openbaar onderzoek aan de weet gekomen (zijn) dat het plan dat ter inzage lag de wijziging van de bestemming van hun eigendom betrof” zodat zij “niet de volle termijn van 60 dagen van het openbaar onderzoek (hebben) kunnen benutten” hetgeen een schending is van artikel 42 DRO. In een derde onderdeel argumenteren zij dat het bestreden besluit volgens de aanhef ervan steunt op het besluit van 11 april 2008 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen en de “regel van artikel 1 van het plan (

  1. al)bestaat X-14.094-5/14 (...) van voor” dit laatste besluit dat “niet (bestond) ten tijde van het openbaar onderzoek” en leiden zij hieruit de schending van artikel 42 DRO en het rechtszekerheidsbeginsel af, minstens dat het bestreden besluit “een retroactieve werking aan het besluit van 11 april 2008 (geeft)”. Verder stellen zij dat artikel 1 van de stedenbouwkundige voorschriften (bijlage 2 bij het bestreden besluit) een nieuw verordenend stedenbouwkundig voorschrift is waarover in strijd met artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geen advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd gevraagd en dat “in toepassing van artikel 159 van de Grondwet (...) het (voormelde) besluit van de Vlaamse regering van 11 april 2008 niet (mag) toegepast worden” omdat voor dit laatste besluit met miskenning van tevens het rechtszekerheidsbeginsel door de Vlaamse regering een advies aan de afdeling wetgeving werd gevraagd met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Tot slot stellen zij dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden omdat het bestreden GRUP werd vastgesteld zonder dat werd voldaan aan de voorafgaande verplichting om “een algemene catalogus van gebiedscategorieën uit te vaardigen” en het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 11 april 2008 “niet echt een catalogus van gebiedscatogorieën” bevat en over de bij dit laatste besluit gevoegde “niet- normatieve bijlage (...) die typebepalingen bevat (...) in ieder geval geen advies (werd) gevraagd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State”. Beoordeling 6.1. Het RSV voorziet nergens een fasering derwijze dat het bevoegde bestuur slechts bestemmingen in het gewestplan kan wijzigen nadat het GRUP waarin het regionaalstedelijk gebied wordt afgebakend, definitief werd vastgesteld. Uit het RSV (blz. 346 e.v.) blijkt zelfs dat een afbakening door middel van een GRUP naast “een grenslijn of een grensgebied” ook “acties” kan bevatten die moeten worden ingezet “om de vooropgestelde hypothese met betrekking tot de gewenste ruimtelijke structuur voor het stedelijk gebied te realiseren. Deze acties kunnen de volgende zijn: * voorstellen voor bestemmingswijzigingen en/of inrichting van gebieden of infrastructuur zoals ondermeer voor woningbouwlocaties, gemeenschaps- en nutsvoorzieningen, regionale bedrijventerreinen, randstedelijke groengebieden (waaronder recreatieve voorzieningen), (stedelijke) landbouwgebieden, locaties voor natuur- en bosontwikkeling, infrastructuur op het niveau van het stedelijk gebied. * acties inzake grond- en pandenbeleid zoals voor het verwerv(
  2. en)van gronden, voorschriften inzake eigendomsbeperking, ... X-14.094-6/14 * verder onderzoek rond specifieke locaties of thema’s; * initiatieven inzake strategische stedelijke projecten; * andere te nemen (ook sectorale) acties ondermeer deze inzake stedelijke mobiliteit (relatie met de opties en acties in de mobiliteitsconvenanten) of inzake natuurontwikkeling in het stedelijk gebied in zoverre zij van een stedelijk schaalniveau zijn. In de hierop volgende goedkeuringsfase wordt het voorstel van afbakening vertaald in een aantal ruimtelijke en andere instrumenten waaronder een ontwerp van afbakeningsplan met verordenende kracht. Het bevat tenminste de grenslijn of het grensgebied met de bijbehorende voorschriften en desgevallend bestemmingswijzigingen voor specifieke locaties. Het afbakeningsplan voor de grootstedelijke gebieden, het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel en de regionaalstedelijke gebieden wordt vastgelegd in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan”. Het eerste onderdeel is ongegrond. 6.2. De verzoekende partijen hebben geen belang bij het tweede onderdeel van het middel omdat uit de gegevens van het dossier blijkt dat zij in de loop van het openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend en hun bezwaren ook betrekking hebben op de wijziging van de gewestplanbestemming van hun respectieve percelen. Het tweede onderdeel is onontvankelijk. 6.3. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de afdeling wetgeving van de Raad van State het gevraagde advies heeft gegeven op 30 oktober 2008. In zoverre dit derde middelonderdeel is gesteund op de veronderstelling dat geen advies werd gevraagd, mist het feitelijke grondslag. 6.4. Artikel 4 van het besluit van 11 april 2008 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, bepaalt dat dit besluit van toepassing is op de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor de uitnodiging voor de eerste plenaire vergadering wordt verstuurd na de inwerkingtreding van dit besluit. Dit besluit werd op 1 augustus 2008 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is aldus in werking getreden op 11 augustus 2008. De louter formele vermelding in de aanhef van het bestreden besluit van 21 november 2008 van het voormelde besluit van 11 april 2008 moet dan ook worden beschouwd als een materiële vergissing. Er valt derhalve niet in te zien hoe deze foutieve X-14.094-7/14 vermelding in het bestreden besluit de regels inzake het openbaar onderzoek vervat in artikel 42 DRO of het rechtszekerheidsbeginsel zou schenden. 6.5. Nog daargelaten de vraag hoe het bestreden besluit het rechtszekerheidsbeginsel kan schenden door het ontbreken van een “catalogus van gebiedscategorieën”, blijkt uit de bewoordingen van het toentertijd geldende artikel 39, § 3 DRO dat er op de Vlaamse regering een mogelijkheid maar geen verplichting rust “nadere regels vast (
  3. te)stellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen” en verder dat bij artikel 2 van het decreet van 22 april 2005 tot wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, het vierde lid van artikel 39, § 1 DRO werd opgeheven waarin de mogelijkheid was voorzien voor de Vlaamse regering om “stedenbouwkundige voorschriften vast (
  4. te)stellen die in de ruimtelijke uitvoeringsplannen gebruikt worden, met hun grafische aanduiding”. Het derde onderdeel wordt verworpen. Tweede middel 7. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 3 en 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de artikelen 38 en 42 DRO, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van retroactieve werking, en vragen de toepassing van artikel 159 van de Grondwet. De verzoekende partijen betogen dat het bestreden besluit een nieuw stedenbouwkundig voorschrift, met name artikel 25 - bosgebied, invoert dat niet voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Beoordeling 8.1. Uit de bespreking van het eerste middel is reeds gebleken dat het bestreden besluit, en derhalve het voormelde stedenbouwkundig voorschrift bosgebied, voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State die op 30 oktober 2008 advies heeft uitgebracht. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. 8.2. In zoverre de verzoekende partijen hun stellingen verwoord in het eerste middel hernemen in het onderhavig middel met betrekking tot het voormelde X-14.094-8/14 stedenbouwkundig voorschrift bosgebied, is het tweede middel ongegrond om de redenen uiteengezet in de bespreking van het eerste middel. Derde middel 9. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 38, § 1, 3/ en 42 DRO samengelezen met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De verzoekende partijen betogen dat de rechtens vereiste feitelijke grondslag ontbreekt om hun percelen te bestemmen tot bosgebied en dat hun bezwaren dienaangaande niet werden beantwoord. Zij leiden de ontbrekende grondslag af uit het feit dat hun percelen volgens het gewestplan in agrarisch gebied en volgens het APA Roeselare in landelijk- en open ruimtegebied gelegen waren en hun percelen “in de feiten (...) in elk geval geen bosgebied (zijn)” en steunen zich daarvoor op het onderzoek dat werd gevoerd door een erkend landmeter-deskundige waaruit is gebleken dat hun percelen niet zijn opgenomen in een GEN-gebied, habitatrichtlijngebied, speelzone in bossen, vogelrichtlijngebied, risicozone voor overstromingen, beschermd landschap of dorpsgezicht, relictzone, ankerplaats, stedelijke kern, traditioneel landschap, “gebied waar de Vlaamse overheid een recht van voorkoop heeft”, weliswaar wel “in een zone 1b ecosysteemkwetsbaarheidsgebied doch in de beleidsstatus als niet belangrijk gebied werden aangewezen”. Beoordeling 10.1. Bij het vaststellen van bestemmingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen is de overheid er niet toe gehouden de op dat ogenblik bestaande toestand in het plan te bevestigen en te bekrachtigen. De plannen zijn namelijk toekomstgericht en kunnen stedenbouwkundige voorschriften vastleggen die afwijken van de bestaande toestand. De loutere vaststelling dat het bestreden besluit het stedenbouwkundig voorschrift van bosgebied dat afwijkt van de bestaande toestand voor (o.m.) de percelen van de verzoekende partijen vastlegt, toont op zich de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan. 10.2. De door artikel 42 DRO aan de Vlaamse regering opgelegde verplichting om het ontwerp GRUP aan een openbaar onderzoek te onderwerpen en de resultaten ervan aan de Vlacoro voor advies voor te leggen, brengt met zich mee dat de Vlacoro in de eerste plaats, zoniet alleszins de Vlaamse regering, kennis moet X-14.094-9/14 nemen van de tijdens het openbaar onderzoek op regelmatige wijze geformuleerde bezwaren en opmerkingen en deze moet onderzoeken en beoordelen. Er bestaat evenwel geen wettelijk opgelegde verplichting elk individueel bezwaar op individuele wijze te beantwoorden. Het advies van de Vlacoro vormt één geheel en dient als dusdanig te worden gelezen. 10.3. De Vlacoro beantwoordt het bezwaar van de verzoekende partijen als volgt : “Vlacoro verwijst naar rubriek B.3. Eigen opmerkingen Vlacoro en haar eerder advies inzake locatiekeuze, onder kaders 1-2-3 van dit deelgebied (deelgebied 8) .... ... Wat betreft de verwijzing naar de biologische waarderingskaart stelt Vlacoro dat deze kaart niet de enige vertrekbasis vormt voor de ontwikkeling van de natuurlijke structuur. De basisdoelstelling van het RSV is ondermeer de versnippering van de open ruimte tegen te gaan. Zij stelt het bundelen voorop van ontwikkelingen in de kernen en het inbedden van landbouw, natuur en bos in goed gestructureerde gehelen”. Onder de voormelde rubrieken 1-2-3 stelt de Vlacoro: “Vlacoro is van oordeel dat het huidige planningsproces streeft naar een substantieel bijkomend aanbod van bijkomend groen op verschillende plaatsen. Wat de inplanting van het groenpoolconcept betreft is Vlacoro van oordeel dat dit voldoende gemotiveerd is en ingegeven is door voorafgaand studiewerk naar inplanting van stedelijk groen in Roeselaarse, lokale beleidsopties en afweging op niveau van het stedelijk gebied. De toelichtingsnota bepleit duidelijk een multifunctionele en gediversifieerde ontwikkeling van het stadsbos waarbij ook aandacht gaat naar de uitbouw van een duurzaam recreatief netwerk in functie van natuur- en landschapsbeleving. Vlacoro is van oordeel dat de inplanting van een stadsbos voldoende gemotiveerd is en ingegeven is door voorafgaand studiewerk naar inplanting van een stadsbos in Roeselare, lokale beleidsopties en afweging op niveau van het stedelijk gebied. Wel vraagt Vlacoro aan de ontwerper om na te kijken of het mogelijk is het bosgebied ten westen van de oude spoorweg in nabijheid van het actieve serrebedrijf te schrappen/beperken en dit te compenseren ten oosten van de oude spoorwegbedding. Op die manier komt men tot een compacter bosstructuren en wordt de schade aan de omliggende landbouwbedrijven nog enigszins beperkt . (...)”. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, biedt het bestreden besluit wel degelijk een antwoord op hun bezwaar dat voor de bestemmingswijziging naar bosgebied van hun percelen binnen de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Roeselare, niet de rechtens vereiste feitelijke grondslag zou bestaan. Het middel is ongegrond. X-14.094-10/14 Vierde middel 11. De verzoekende partijen voeren de schending aan van “de decreten van 16 december 1997 (...) en 19 maart 2004 (...) houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het RSV”, de artikelen 19 en 42 DRO, het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De verzoekende partijen betogen dat het bestreden besluit de agrarische bestemming van hun eigendommen wijzigt naar bosgebied terwijl niet voldaan is aan de decretale verplichting van een voorafgaande afbakening door de Vlaamse regering van de agrarische structuur in het betrokken gebied zoals is voorzien in het RSV waaruit wordt afgeleid dat “de bestaande gewestplanbestemmingen agrarisch gebied achterhaald zijn” voor de percelen van de verzoekende partijen omdat zij “niet effectief voor de landbouw (...) gebruikt” worden en terwijl hun bezwaren in dat verband niet afdoende werden beantwoord. Beoordeling 12. De verzoekende partijen stellen zelf dat “de bestaande bestemming ‘agrarisch’ van het gewestplan inderdaad achterhaald is” voor wat hun percelen betreft. Zij leiden daaruit af “dat wanneer in uitvoering van het RSV een ruimtelijk structuurplan (sic) wordt opgesteld, hun eigendom met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet langer in het agrarisch gebied behouden zal worden” omdat die percelen “volgens de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (...) niet kunnen betrokken worden in de afbakening van de 750.000 ha van de agrarische structuur”. Nog daargelaten de vraag hoe het bestreden besluit de door de verzoekende partijen ingeroepen bepalingen en beginselen kan schenden door het verzuim van de Vlaamse regering om vooraf de agrarische structuur in ruimtelijke uitvoeringsplannen af te bakenen, kan niet worden ingezien welk belang de verzoekende partijen kunnen hebben bij dit middel vermits zij zelf aanvoeren dat hun percelen niet in die afbakening “agrarische structuur” konden of mochten worden opgenomen. Het middel is onontvankelijk. Vijfde middel 13. De verzoekende partijen voeren de schending aan van art. 162, 2/ van de Grondwet, de artikelen 18, 38, 41, § 2, 44, § 2 en 48, § 2 DRO samengelezen met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en machtsoverschrijding. X-14.094-11/14 De verzoekende partijen betogen dat het bestreden besluit de bestemming van hun percelen in het APA Roeselare wijzigt en “in de toelichtingsnota van het plan wordt gesteld dat het gaat om een stadsbos en dat de acties hiervoor grotendeels op gemeentelijk niveau zullen worden genomen, of nog dat het gaat om gemeentelijke planningsprocessen”. Zij stellen dat deze bestemmingswijziging “geen bevoegdheid (...) van het Vlaamse Gewest (is), maar een bevoegdheid van de stad Roeselare” en dat hun bezwaarschrift dienaangaande niet werd beantwoord. Beoordeling 14. In het auditoraatsverslag wordt dit middel als volgt beantwoord: “Het subsidiariteitsbeginsel houdt volgens de richtinggevende bepalingen van het RSV in dat elke inzake ruimtelijke ordening bevoegde overheid zich bezighoudt met die materies die geëigend zijn om op het bewuste niveau geregeld te worden. Beslissingen moeten genomen worden op het meest geschikte niveau. Een beslissing op een hoger niveau is te verantwoorden als het belang en/of de reikwijdte ervan het lagere niveau duidelijk overstijgt. Een hoger niveau treedt slechts op voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door het lager niveau kunnen worden verwezenlijkt . Overeenkomstig de bindende bepalingen van het RSV (blz. 583
  5. ev)worden ‘De grootstedelijke en de regionaalstedelijke gebieden door het Vlaams Gewest in samenspraak met de betrokken bestuursniveau’s in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend’. Zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel werd uiteengezet, stelt het RSV tevens (blz. 348) dat zulke afbakening naast een grenslijn/grensgebied ook ‘acties’ kan bevatten die moeten worden ingezet om de vooropgestelde hypothese met betrekking tot de gewenste ruimtelijke structuur voor het stedelijk gebied te realiseren en dat die acties kunnen zijn “voorstellen voor bestemmingswijzigingen en/of inrichting van gebieden of infrastructuur zoals ondermeer voor woningbouwlocaties, gemeenschaps- en nutsvoorzieningen, regionale bedrijventerreinen, randstedelijke groengebieden (waaronder recreatieve voorzieningen), (stedelijke) landbouwgebieden, locaties voor natuur- en bosontwikkeling, infrastructuur op het niveau van het stedelijk gebied”. De bevoegde overheid, te dezen de Vlaamse regering, beschikt bij de uitvoering van het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan over een ruime beoordelingsbevoegdheid en de Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht, enkel bevoegd om na te gaan of de overheid bij de uitoefening van de bedoelde bevoegdheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De loutere bewering van de verzoekende partijen dat ‘de stad Roeselare in elk geval het meest adequate bestuursniveau is om een wijziging van de percelen van verzoekers te appreciëren’ volstaat geenszins om aan te tonen dat het stedenbouwkundig voorschrift artikel 25 Bosgebied kennelijk niet inpasbaar zou zijn in de door de bindende bepalingen van het RSV aan verweerster X-14.094-12/14 toegekende bevoegdheid tot afbakening van het regionaalstedelijk gebied Roeselare. Ook de stelling dat de desbetreffende bestemmingswijziging neerkomt op een wijziging van het APA Roeselare, is niet van aard om de onbevoegdheid van (het) Vlaamse Gewest aan te tonen. Zoals verwerende partij terecht stelt, lijken verzoekende partijen er verkeerdelijk van uit te gaan dat enkel gemeentelijke uitvoeringsplannen de gemeentelijke aanlegplannen zou kunnen vervangen. Vaststelling is trouwens dat Vlacoro dit bezwaar van verzoekende partij ook in die zin beantwoordde : ‘Vlacoro is van mening dat het ontwerp van gewestelijk RUP niet automatisch de met de ordening van het APA vastgelegde bestemmingszones dient over te nemen’. De bewering in het verzoekschrift ‘dat nochtans in de toelichtingsnota van het plan wordt gesteld dat het gaat om een stadsbos en dat de acties hiervoor grotendeels op gemeentelijk niveau zullen worden genomen, of nog dat het gaat om gemeentelijke planningsprocessen’, volstaat evenmin om aan te tonen dat het stedenbouwkundig voorschrift artikel 25 Bosgebied kennelijk niet inpasbaar zou zijn in de door de bindende bepalingen van het RSV aan de verweerster toegekende bevoegdheid tot afbakening van het regionaalstedelijk gebied Roeselare. Het besluit is dan ook dat met deze argumenten door verzoekende partijen niet wordt aangetoond dat het subsidiariteitsbeginsel zou geschonden zijn. Wat betreft het tweede middelonderdeel met name de stelling van verzoekende partijen dat hun bezwaarschrift in die zin niet beantwoord zou geweest zijn, zij opgemerkt dat, zoals hiervoor reeds aangehaald dit bezwaar van verzoekende partijen wel degelijk onderzocht en beantwoord werd. Indien verzoekende partijen met dit middel aanvoeren dat hun bezwaarschrift niet afdoende weerlegd werd, zij vastgesteld dat verzoekers het hier bij een loutere bewering laten maar nergens aantonen in welk opzicht die motivering niet zou volstaan”. Om de voormelde redenen uiteengezet in het auditoraatsverslag, is het middel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 2100 euro, elk voor een twaalfde. X-14.094-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-14.094-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.