id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.198 Rolnummer: A. 191381/X-14079 Zaak: Arrest 205198 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:53 Fiche Arrest nr 205.198 van 15 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.198 van 15 juni 2010 in de zaak A. 191.381/X-14.
(3). De synthese van deze afweging luidt als volgt: “Afweging locatie-alternatieven: synthese aandachtspunten vanuit milieu- effecten 1-Sint-Idesbaldus 2-Beveren-zuidhoek 3-Kleiputten bodem: rijkere samenstelling landschap: aandacht voor biotische elementen: dan andere locaties open-ruimtestructuren en grotere opportuniteit voor landschap: locatie sterker traditionele kleine landschaps- ecologische verbinding bepalend door hogere ligging elementen met Sterrebos ruimtelijk-functioneel: draagt ruimtelijk-functioneel: draagt ruimtelijk-functioneel: geen bij tot de versterking recreatie- bij tot visuele afscherming autovrije fietsroute pool / aandacht voor bestaande (...) bebouwd gebied van open- aanwezig / aandacht voor landbouw ruimtestructuren (buffer) / bestaande landbouw en aandacht voor bestaande ontginningsgebied landbouw Voor de locatie-alternatieven kunnen geen noemenswaardige onderscheidende kenmerken gedetecteerd worden ten aanzien van grond- en oppervlaktewater, bouwkundig erfgoed en archeologie, geluid en trillingen, straling en warmte, klimaat”. Vervolgens worden deze aspecten betrokken bij de afbakening zelf. Onder hoofding 5 “Voorstel van afbakening en vertaling naar het verordenend grafisch plan” wordt het volgende gesteld: “Prioriteit naar een versterking van de natuurlijke structuur in het regionaalstedelijk gebied Een knelpunt bij de start van het afbakeningsproces is het gebrek aan toegankelijke open en groene ruimte. Om de leefbaarheid van het stedelijk gebied ook op lange termijn te garanderen, zijn vrij veel gebieden opgenomen bij in het actieprogramma van het planningsproces (...). Enkele initiatieven, zoals de aanleg van het Rhodesgoedbos, de studie naar de lokalisatie van het stadsbos in Roeselare, en enkele lokale initiatieven in Izegem en Ingelmunster, vormden een uitgelezen aanknopingspunt om de groenstructuur voor het stedelijk gebied verder uit te bouwen. Vanuit de ruimtelijke kenmerken van het netwerk Regio Kortrijk, en van de bestaande morfologische situatie wordt een sterke keuze gemaakt om gebieden die momenteel deel uitmaken van het buitengebied, en die bovendien vanuit landbouwkundig, natuurlijk of landschappelijke kenmerken waardevol zijn, op lange termijn te bestendigen. Enerzijds worden grote gehelen, beschouwd als onderdeel van het buitengebied, namelijk: X-14.079-6/14 - de open ruimtecorridor tussen Roeselare en Staden, ten westen van Roeselare; - de steilrand van Hooglede, tussen R32 en kern van Hooglede (met belangrijke zichtrelaties, bijvoorbeeld vanuit de Duitse militaire begraafplaats; - het gemengd gebied ten noorden van Kachtem, Emelgem en Ingelmunster, gekenmerkt door land- en tuinbouw in combinatie met grote voedingsindustriecomplexen, en bos- en landschapsontwikkeling rond ’t Veld (Ardooie); - het gebied van de Oostelijke Mandel en de Devebeek, ten westen van Ingelmunster, met hoofdzakelijk agrarische functies en landschappelijk interessant vanuit het aanwezige reliëf; - de open ruimtecorridor tussen Kortrijk en Roeselare, ten zuiden van Izegem en Ingelmunster; - het agrarisch gebied ten zuidwesten van Roeselare, met landschappelijke overgang naar de heuvelrug van Westrozebeke. Anderzijds wordt geopteerd om in functie van de leefbaarheid van het stedelijk gebied en vanuit het concept van nabijheid van toegankelijke open ruimte, verschillende bestaande en te ontwikkelen groenpolen opgenomen binnen de grenslijn van het regionaalstedelijk gebied. Volgende bestaande groengebieden krijgen een specifieke en gedifferentieerde stedelijke gebiedfunctie: - Rhodesgoedbos en overgang naar Mandelvallei in Kachtem; - natuurgebieden, parken en landbouwfuncties in de Mandelvallei vanaf Blauwhuis in Izegem tot de Wantebrug in Ingelmunster; - het Domein Wallemote en het aangrenzend gaaf landbouwgebied. Daarnaast worden drie gebieden opgenomen in het uitvoeringsplan omdat het nieuwe ontwikkelingen in functie van de groen- en open-ruimtestructuur betreft. Deze drie gebieden werden beoordeeld naar hun milieu-effecten in hoofdstuk 4 en worden dus allemaal weerhouden. Het gebied Sint-Idesbaldus wordt voornamelijk gekenmerkt als een overgang van het stedelijk gebied langs de Mandelvallei naar het buitengebied. Uit de milieubeoordeling blijkt dat ontwikkeling van dit gebied vooral een zeer positieve impact zou hebben voor de spreiding van de openlucht-recreatieve structuur. Om de ruimtelijke en functionele samenhang met het stedelijk gebied enerzijds te versterken en de waarde van dit gebied in functie van het buitengebied anderzijds te vrijwaren, wordt geopteerd voor een beperkte ontwikkeling als een recreatief gebied in parkomgeving. Het gebied Beveren-zuidhoek wordt vooral gekenmerkt door haar waarde als open-ruimte-corridor binnen het stedelijk gebied. Tegelijkertijd kunnen de aanwezige beekvalleien en enkele bouwkundig waardevolle hoeves belangrijke potenties bieden voor de ontwikkeling van een parkachtige bosstructuur zonder dat het open-ruimte-karakter verder in noordoostelijke richting wordt gehypothekeerd. De locatie Kleiputten biedt voornamelijk potenties voor de ontwikkeling als stadsbos gezien naar ligging nabij het bestaande Sterrebos. De ecologische en functionele barrière-werking van de ring zal daarbij zoveel mogelijk tegengegaan worden”. Voorts worden de ontwikkelingsperspectieven van deelgebied 8 in de toelichtingsnota onder meer als volgt toegelicht: “Een afwisselend bebost gebied wordt gecreëerd met het Sterrebos enerzijds en het bos rond de site van de kleiputten (natuurreservaat) anderzijds. Door de verdere uitbouw van het bos aan de kleiputten, zal men komen tot X-14.079-7/14 aaneengesloten bosvormen. Dit betekent dus dat tussen het bestaande Sterrebos en het nieuw te ontwikkelen stadsbos geen andere infrastructuren meer aanwezig zullen zijn, afgezien van de ring. Verder is er een verweving door middel van bosfragmenten, houtkanten, bomenrijen en dergelijke die de in het gebied aanwezige bebouwing en voorzieningen verweven”. Uit het voorgaande blijkt dat de milieubeoordeling van de locatiealternatieven wel degelijk bij de besluitvorming werd betrokken en dat de keuze voor de locatie van de Kleiputten tevens in het licht van de bevindingen van de milieubeoordeling werd verantwoord. De stelling van de verzoekster dat er dienaangaande noch in het bestreden besluit, noch in de toelichtingsnota een motivering is terug te vinden, mist derhalve feitelijke grondslag. De verzoekster toont niet aan dat deze motivering niet zou beantwoorden aan de vereisten zoals gesteld in artikel 4.1.7 DABM. 5.1.
- Nu vaststaat dat er bij de besluitvorming wel degelijk rekening werd gehouden met de milieubeoordeling terzake, toont de verzoekster evenmin een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan. 5.1.
- Voorts behoort het tot de bevoegdheid van de daartoe door de wet aangewezen overheden het ruimtelijk beleid te bepalen en vast te leggen in ruimtelijke uitvoeringsplannen. De Raad van State is niet bevoegd zijn oordeel daaromtrent in de plaats te stellen van dat van de administratieve overheid en beschikt ter zake enkel over een marginaal toetsingsrecht. In de afweging van de locatie-alternatieven werd met betrekking tot de locatie van de Kleiputten reeds gewezen op de grote opportuniteit voor de ecologische verbinding met het Sterrebos. De verzoekster maakt niet aannemelijk dat de bevoegde overheid, door te opteren voor de Kleiputten als locatie voor het stadsbos, tot een conclusie, een beleidskeuze, is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat of die onzorgvuldig tot stand is gekomen. 5.1.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.2.
- De verzoekster leidt een tweede middel af uit de “schending van artikel 4.2.4, § 4, 3de lid van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene X-14.079-8/14 bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffecten- en veiligheidsrapportage (DABM), zoals ingevoerd bij artikel 4 van het decreet van 18 december 2002; schending van het rechtszekerheidsbeginsel; schending van artikel 38, § 1, 6/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; schending van artikel 6 van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s”. De verzoekster voert aan dat de consultatieronde, waarvan sprake in artikel 4.2.4, § 4, 3de lid DABM werd georganiseerd van 10 tot en met 20 april 2007 en zodoende slechts uit tien dagen bestond, terwijl het voormelde artikel een termijn van dertig dagen oplegt. Nu het milieueffectenrapport niet conform artikel 4.2.4, § 4 DABM aan een openbaar onderzoek werd onderworpen, is er volgens de verzoekster sprake van een schending van een substantieel vormvoorschrift, zodat de bestreden beslissing met een onwettigheid is behept. In ondergeschikte orde doet de verzoekster nog gelden dat, indien de verwerende partij zou argumenteren dat er ten tijde van de opmaak van het uitvoeringsplan geen plan-MER-plicht bestond, onmogelijk kan worden ontkend dat de verwerende partij het blijkbaar noodzakelijk gevonden heeft om een plan-MER op te maken en de verzoekster er in de gegeven omstandigheden mocht op vertrouwen dat de verwerende partij de toepasselijke wetgeving inzake de plan- MER-procedure correct zou toepassen. Beoordeling 5.2.
- Het toentertijd geldende artikel 4.2.4, § 4 DABM, zoals ingevoegd door artikel 4 van het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, luidde als volgt: “De administratie zorgt voor de bekendmaking en de ter inzagelegging van de kennisgeving binnen een termijn van tien dagen na volledigverklaring van de kennisgeving. Ze bezorgt een afschrift van de kennisgeving aan de overeenkomstig artikel 4.2.2, §4, door de Vlaamse regering per categorie van plan of programma of geval per geval aangeduide administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties die een vertegenwoordiger hebben in de SERV of MINA-Raad. De administratie bezorgt de initiatiefnemer onverwijld een afschrift van de bekendmaking en informeert de initiatiefnemer over de aanvangs- en afsluitingsdatum van de ter inzagelegging. Voor de door de Vlaamse regering aangewezen plannen en programma’s maakt de administratie binnen de in het eerste lid bedoelde termijn tevens een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving over aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten en/of de bestendige X-14.079-9/14 deputatie van de provincie of provincies, waarvoor het plan of programma relevant is. De gemeenten en/of provincies leggen het afschrift ter inzage van het publiek binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan. Bij de bekendmaking of ter inzagelegging wordt duidelijk aangegeven dat eventuele opmerkingen over de inhoudsafbakening van het voorgenomen plan- MER binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of ter inzagelegging, al dan niet via de gemeente, aan de administratie moeten worden bezorgd, behoudens verlenging van deze termijn”. 5.2.
- In de toelichtingsnota bij het bestreden GRUP wordt omtrent de “Actieve openbaarheid en betrokkenheid van actoren” het volgende gesteld: “Actieve openbaarheid en betrokkenheid van actoren Een belangrijk aandachtspunt bij de milieueffectrapportage is actieve openbaarheid en betrokkenheid van actoren bij de besluitvorming. Dit aspect wordt in de decretaal bepaalde RUP-procedure in ieder geval ingevuld onder de vorm van een actieve openbaarheid bij het openbaar onderzoek. In de aanloop van dit openbaar onderzoek werd tijdens het planningsproces aandacht besteed aan consultatie en informatie van diverse actoren. Het projectteam, samengesteld uit een vertegenwoordiging van de initiatiefnemer, de provincie en de vier direct betrokken gemeenten (Roeselare, Izegem, Ingelmunster en Hooglede), was direct betrokken bij de voorbereiding van het voorstel tot afbakening. Op enkele cruciale tijdstippen in het voorbereidingsproces (analyse bestaande ruimtelijke structuur, uitwerking voorstel van afbakening) werd een ruimere overleggroep betrokken, bestaand uit het projectteam en een vertegenwoordiging van diverse administraties en organisaties. De ruime bevolking werd voorafgaand aan de eigenlijke RUP-procedure geïnformeerd en geconsulteerd op diverse wijzen: - publicatie van een nieuwsbrief tijdens het afbakeningsproces in de periode 2002-2004 (informatieverstrekking) ; - organisatie van een informatieavond voor de bevolking in de gemeenten en voor de provincieraad in februari 2004 (informatieverstrekking en inwinnen van reacties bij het publiek); - publieke consultatieronde naar aanleiding van de scoping voor de locatie-alternatieven voor de programma-onderdelen van het plan. De publieke consultatieronde rond de scoping werd georganiseerd van 10 tot en met 20 april
- Aankondiging gebeurde op voorhand via mailing naar de gemeenteraden en gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de betrokken gemeenten, de betrokken provinciale diensten en de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening, de adviesverlenende instanties voor de plenaire vergadering van het gewestelijk RUP en enkele bijkomende instanties/organisaties die vertegenwoordigd waren in de overleggroep (milieu- en natuurverenigingen). Naar aanleiding van de kennisgevingsfase voor de milieu-beoordeling van de locatie-alternatieven werd tijdens twee overlegmomenten door de dienst MER richtlijnen overgemaakt. De meeste opmerkingen tijdens deze consultatiefase hadden betrekking op de problematiek van stofhinder, geluidshinder, verkeersveiligheid voor fietsers en de aanwezige landbouw. De plenaire vergadering van 8 juni 2007 omvatte een eerste bespreking van het plan inclusief milieurapport met de betrokken administraties op gewestelijk en provinciaal niveau en de verschillende gemeenten. Naar aanleiding van deze plenaire vergadering heeft de dienst MER van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie geoordeeld dat het voorontwerp globaal voldoet aan de X-14.079-10/14 principes van de integratiespoorprocedure. Een aantal bijkomende aandachtspunten ten aanzien van de milieubeoordeling werd tijdens deze vergadering besproken en zijn opgenomen in deze toelichtingsnota. Het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan werd onderworpen aan een openbaar onderzoek, wat inhoudt dat het ontwerp gedurende 60 dagen voor iedereen ter inzage lag en dat er bezwaren en opmerkingen bij konden geformuleerd worden. Het openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden van 3 december 2007 tot 31 januari
- Deze bezwaren en opmerkingen dienden bezorgd te worden aan de Vlaamse commissie ruimtelijke ordening (VLACORO). Tijdens het openbaar onderzoek kunnen ook de betrokken gemeenten en de provincie hun advies uitbrengen over het ontwerp. Vlacoro bundelde en behandelde alle bezwaren en opmerkingen en legde ze samen met haar eigen advies voor aan de Vlaamse regering. Bij het openbaar onderzoek werden in totaal 2.184 tijdige bezwaarschriften ingediend. Hierbij werden 1.874 bezwaren ingediend via de stad Roeselare met 1439 gelijkaardige bezwaren van het comité ‘Leefbaar Beveren’, 98 gelijkaardige bezwaren van de vzw Leefmilieu en 347 individueel verschillende bezwaren. Daarnaast werden 310 individueel verschillende bezwaren bij Vlacoro en de andere betrokken gemeenten bezorgd. Er werden tevens 4 adviezen van gemeenteraden van Ingelmunster, Hooglede, Roeselare en Izegem en 1 advies van de provincieraad West-Vlaanderen tijdig aan VLACORO overgemaakt. VLACORO heeft op 10 juni 2008 een gunstig advies uitgebracht, mits rekening wordt gehouden met de gestelde opmerkingen en voorwaarden in het advies. Conform de principes van het plan-MER-integratiespoor zijn de bemerkingen aangebracht tijdens de het openbaar onderzoek en de wijze waarop hiermee werd omgegaan geïnventariseerd in een aparte overzichtstabel”. 5.2.
- Nog daargelaten de vraag of de in de geciteerde passage vermelde “publieke consultatieronde naar aanleiding van de scoping voor de locatie- alternatieven voor de programma-onderdelen van het plan” die werd georganiseerd van 10 tot en met 20 april 2007, kan beschouwd worden als een ter inzagelegging in de zin van artikel 4.2.4, § 4 DABM, dient alleszins te worden vastgesteld dat het middel uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat dit artikel bepaalt dat het bedoelde afschrift gedurende een termijn van dertig dagen ter inzage van het publiek dient te worden gelegd. Aldus steunt het middel op een verkeerde lezing van artikel 4.2.4, § 4 DABM, nu dit artikel slechts bepaalt dat eventuele opmerkingen binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of ter inzagelegging moeten worden bezorgd. In die omstandigheden kan de vaststelling dat de “publieke consultatieronde” slechts tien dagen heeft geduurd, geenszins tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het bijkomend stuk dat de verzoekster nog bij haar laatste memorie aanbrengt, kon reeds bij haar verzoekschrift worden gevoegd en is bijgevolg onontvankelijk. 5.2.
- Het tweede middel is ongegrond. X-14.079-11/14 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 5.3.
- De verzoekster leidt een derde middel af uit de schending van artikel 12 van het besluit van 18 april 2008 van de Vlaamse regering betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan, alsook uit de schending van artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken. In dit middel doet de verzoekster gelden dat het bestreden besluit met een onwettigheid is behept, nu “in de bestreden beslissing kan worden gelezen” dat toepassing werd gemaakt van het besluit van 18 april 2008 van de Vlaamse regering betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: integratiespoorbesluit), terwijl dit besluit nog niet in werking was getreden bij de opmaak van het vereiste MER en aldus nog niet kon worden toegepast. De verzoekster preciseert dat het bedoelde besluit kadert in artikel 4.2.4, § 2 DABM, dat werd ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van 27 april 2007, en dat deze bepaling ingevolge artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken, slechts van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 27 april 2007, zijnde zes maanden na 1 december 2007, en dat in casu de eerste plenaire vergadering werd gehouden op 26 september 2006, zodat het decreet van 27 april 2007, het uitvoeringsbesluit van 12 oktober 2007 alsmede het integratiespoorbesluit van 18 april 2008 nog niet konden worden toegepast. Beoordeling 5.3.
- Met de verzoekster dient te worden vastgesteld dat in het bestreden besluit verwezen wordt naar het integratiespoorbesluit. Daaromtrent wordt in het bestreden besluit volgende verantwoording gegeven: “Overwegende dat voorliggend gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd opgesteld conform de principes van bovengenoemd uitvoeringsbesluit over de integratie van plan-MER in een ruimtelijk uitvoeringsplan; dat het plan MER werd goedgekeurd door de dienst MER op 6 juni 2007; dat het uitvoeringsbesluit voorziet in enkele bijkomende formele vereisten voor de toelichtingsnota van het ruimtelijk uitvoeringsplan; dat de toelichtingsnota op deze punten wordt aangevuld; dat dit geen aanleiding geeft tot een wijziging van het verordenend deel van het plan”. X-14.079-12/14 In de toelichtingsnota wordt dienaangaande het volgende gesteld: “Voorliggend gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is opgesteld anticiperend op nader te bepalen richtlijnen inzake plan-MER-verplichting van ruimtelijke uitvoeringsplannen. De hieronder voorgestelde aanpak voor het plan-MER integratiespoor voor het regionaalstedelijk gebied Roeselare komt overeen met de principes die ondertussen zijn vastgelegd in het BVR van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor milieueffectrapportage (m.e.r) over een RUP”. 5.3.
- De loutere omstandigheid dat de verwerende partij er voor geopteerd heeft de principes van een nog tot stand te komen besluit te volgen, maakt het bestreden besluit op zich nog niet onwettig, zeker nu niet wordt aangevoerd, laat staan aangetoond, dat de verwerende partij door het toepassen van deze principes zou zijn afgeweken van de op dat ogenblik geldende bindende bepalingen. Bovendien is het bedoelde integratiespoorbesluit van de Vlaamse regering conform artikel 12 ervan in werking getreden op 1 juni 2008, zijnde nog voor het nemen van het bestreden besluit, zodat het niet onredelijk voorkomt reeds rekening te houden met de in dit besluit vervatte principes. 5.3.
- Het derde middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-14.079-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-14.079-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.198 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div