id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.206 Rolnummer: A. 189141/X-13859 Zaak: Arrest 205206 - Wegenwezen - 15/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:53 Fiche Arrest nr 205.206 van 15 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.206 van 15 juni 2010 in de zaak A. 189.141/X-13.
- In zake: de b.v.b.a. BERREVOETS HEKKEN EN POORTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ilse Cuypers en Nathalie Jonckheere kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Frankrijklei 146 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 juli 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 31 augustus 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning voor het wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken: Kruispunt N72 Koolmijnlaan - Voortstraat - Posthoornstraat - Mijnschoolstraat te Koersel, Koolmijnlaan, kadastraal bekend sectie C, tweede blad. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 187.721 van 4 november 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-13.859-1/9 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie Jonckheere, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat gespecialiseerd is in het maken van sierhekken en poorten. Omwille van een noodzakelijke bedrijfsuitbreiding kocht zij een terrein, gelegen aan de Koolmijnlaan te Beringen. Het betrokken perceel is ingevolge het bijzonder plan van aanleg “Mijnterreinen Beringen”, goedgekeurd bij besluit van 22 juni 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, gelegen in zone voor lokaal bedrijventerrein.
- Op 1 augustus 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een industriehal met kantoren, sociale lokalen en conciërgewoning. X-13.859-2/9
- Op 7 september 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen de gevraagde vergunning. Uit de aanhef van die beslissing blijkt dat “Wegen Limburg” op 17 juli 2006 een gunstig advies uitbracht. Nog steeds uit de aanhef van die beslissing blijkt dat volgens de dienst lokale economie de aanvraag niet voldoet aan het tewerkstellingscriterium. Het terrein heeft een oppervlakte van 92 are en zelfs na uitbreiding zouden er slechts 11 personen worden tewerkgesteld, zodat niet wordt voldaan aan het tewerk- stellingscriterium van 15 personen per hectare. Het college van burgemeester en schepenen sluit zich bij die zienswijze aan en is voorts van oordeel dat de vestiging van het bedrijf op de bewuste locatie een ernstige hypotheek dreigt te leggen op de expansiemogelijkheden van de mijnsite.
- Op 14 december 2006 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde vergunning nadat de verzoekende partij administratief beroep had ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen.
- Op 11 januari 2007 stelt het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen administratief beroep in tegen deze beslissing. In het beroepschrift worden de argumenten weergegeven die het hadden aangezet tot het weigeren van de vergunning en er wordt aan toegevoegd dat de gronden die de verzoekende partij aankocht ondertussen een heel ander concept hebben, gelet op de globale visie omtrent de actuele herbestemming van de mijnterreinen en gelet op de PPS-structuur die ondertussen vorm heeft gekregen met het oog op de ontwikkeling van de mijnsite. In een nota wijst het college tevens op de geplande uitbreiding van de rotonde Mijnschoolstraat-Koolmijnlaan, waarbij de rotonde wordt opgebroken en er een grotere rotonde in asfaltverharding komt.
- Op 10 mei 2007 verwerpt de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening het administratief beroep dat werd ingesteld door het college van burgemeester en schepenen.
- Op 25 januari 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient het agentschap Infrastructuur, Wegen en Verkeer Limburg een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning met als voorwerp het wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken langs de N72-Koolmijnlaan-Voortstraat-Posthoornstraat- Mijnschoolstraat. De geplande werken beogen onder meer het vergroten van de X-13.859-3/9 diameter van de bestaande rotonde op het kruispunt N72-Koolmijnlaan-Mijnschool- straat.
- Tussen 3 februari 2007 en 5 maart 2007 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er wordt één bezwaar ingediend door een particulier, maar niet door de verzoekende partij.
- Op 31 augustus 2007 levert de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning af. Dit is de bestreden beslissing.
- Op 7 januari 2008 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat in het algemeen belang een deel van het perceel van de verzoekende partij onmiddellijk in bezit moet worden genomen voor het herinrichten van de rotonde en dat deze goederen worden onteigend overeenk- omstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. Het door de verzoekende partij tegen dit besluit ingestelde beroep tot nietigverklaring wordt verworpen bij arrest nr. 201.281 van 25 februari 2010 omdat de gerechtelijke procedure tot onteigening inmiddels was ingeleid.
- Op 17 mei 2010 levert de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een nieuwe stedenbouwkundige vergunning af waarmee de bestreden beslissing wordt ingetrokken. Deze nieuwe beslissing is evenwel nog niet definitief geworden op de datum van uitspraak van dit arrest. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij betwist de tijdigheid van het beroep. De verzoekende partij houdt voor dat zij het bestaan van de bestreden vergunning eerst vernam tijdens een telefonisch onderhoud met de diensten van de stad Beringen op 30 juni
- Over de aanvraag die tot het nemen van de bestreden vergunning heeft geleid, werd evenwel een openbaar onderzoek georganiseerd van 3 februari 2007 tot 5 maart
- De verzoekende partij heeft geen bezwaarschrift ingediend tijdens dat openbaar onderzoek. De bestreden beslissing dateert van 31 augustus
- Het onteigeningsbesluit dateert van 7 januari 2008 en werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari
- Hieruit blijkt dat de verzoekende partij niet de minste naarstigheid aan de dag heeft gelegd om zich te vergewissen van het X-13.859-4/9 resultaat van de stedenbouwkundige aanvraag. Het instellen van een beroep tot nietigverklaring bijna twaalf maanden nadat de bestreden beslissing werd genomen, is dan ook laattijdig.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshan- deling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisne- ming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft en dat aan het voormelde artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengt met zich mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan ervan moet vermoeden, de verplichting heeft binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te dienen een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. X-13.859-5/9
- De verwerende partij toont niet aan dat de verzoekende partij eerder kennis had van de bestreden beslissing dan kort na het telefonisch onderhoud op 30 juni 2008 met de diensten van de stad Beringen, met name op 2 juli 2008, toen zij een exemplaar ontving van de bestreden beslissing. Uit de kennis van het bestaan van een stedenbouwkundige aanvraag kan nog niet worden afgeleid dat de verzoekende partij voor die datum op de hoogte kon zijn van het bestaan van de bestreden vergunning. Overigens spreekt de verwerende partij ook in haar laatste memorie de stelling van de verzoekende partij niet tegen dat zij ten tijde van het openbaar onderzoek over de aanvraag nog gevestigd was in de gemeente Koersel en de aanplakking van de aanvraag niet heeft kunnen opmerken. De kennis van het bestaan van het onteigeningsbesluit van 7 januari 2008, waartegen de verzoekende partij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, impliceert niet dat de verzoekende partij het bestaan van de stedenbouwkundige vergunning moest vermoeden, mede gelet op het feit dat niet wordt aangetoond dat de verzoekende partij vóór 30 juni 2008 op de hoogte was van het bestaan van de aanvraag die tot die vergunning heeft geleid. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel wordt de schending aangevoerd van het bijzonder plan van aanleg “Mijnterreinen Beringen” en van de motiveringsplicht. De verzoekende partij stelt dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat de bouwplaats volledig is gelegen in zone voor openbaar domein van het betrokken bijzonder plan van aanleg. Uit het onteigeningsplan bij het onteigeningsbesluit van 7 januari 2008 blijkt dat ook een langgerekte strook grond van het terrein van de verzoekende partij met een breedte tot 6,25 m wordt ingenomen. Die strook is voor een deel gelegen in bufferzone en voor een deel in zone voor lokale bedrijventerreinen, zoals blijkt uit het bestemmingsplan bij het bijzonder plan van aanleg. De uitbreiding van de rotonde is overigens nog met een hoek in de zone non aedificandi gelegen. De bestreden beslissing is strijdig met de bestemmingsvoorschriften voor deze zone en is bovendien niet afdoende gemoti- veerd. X-13.859-6/9
- De verwerende partij stelt dat zowel de vergunde rotonde als het hele tracé N72-Koolmijnlaan-Voortstraat-Posthoornstraat-Mijnschoolstraat de bestemming zone voor openbaar domein heeft en dat de bijkomende onteigeningen, nodig voor de specifieke aanleg van de verkeersveilige rotonde, hieraan geen afbreuk doen. Bovendien wordt de N72 op het gewestplan Hasselt-Genk aangeduid als een lijn, die geen specifieke dikte heeft. De verbreding van de weg blijft bovendien volledig binnen de rooilijnen. Een uitvergroting van de plannen geeft hoe dan ook een vertekend beeld van de situatie. Een eventuele twijfel kan niet worden uitgelegd ten nadele van de vergunningverlenende overheid, die het algemeen belang nastreeft. Beoordeling
- In de bestreden beslissing wordt het volgende overwogen: “Voor het gebied waarin de aanvraag gelegen is bestaat er een bijzonder plan van aanleg ‘Mijnterreinen’ niet zijnde een bijzonder plan van aanleg als bedoeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996 houdende de gecoördineerde wettekst van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 en goedgekeurd bij besluit van de minister van 22 juni
- Het voorziet de bestemming openbaar domein. De zone voor openbaar domein is voorbehouden voor de aanleg van wegen, straten en pleinen”.
- Uit een vergelijking van de vergunde plannen met het bestem- mingsplan bij het bijzonder plan van aanleg “Mijnterreinen Beringen”, goedgekeurd bij besluit van 22 juni 2001 van de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, blijkt dat het door de bestreden beslissing vergunde fietspad grotendeels gelegen is in bufferzone en zone voor lokale bedrijventerreinen en dat het tevens over de hoek van een zone non aedificandi loopt. Het rijweggedeelte van de vergunde rotonde is gedeeltelijk gelegen in bufferzone en in zone voor lokale bedrijventerreinen. Artikel 6.3 van de bestemmingsvoorschriften bij het betrokken bijzonder plan van aanleg bepaalt voor zone voor lokale bedrijventerreinen het volgende: “Dit is een gemengde zone voor ambachtelijke bedrijven, toonzaal en opslag voor zover die horen bij het bedrijf en kantoren. Het is een bedrijventerrein met openbaar karakter. Een bedrijventerrein met openbaar karakter is bestemd voor de vestiging van bedrijven en kan alleen worden gerealiseerd op initiatief van de overheid. X-13.859-7/9 Het gebied is bestemd voor de vestiging van bedrijven of inrichtingen met een lokale en bovenlokale functie, dit laatste tenminste als de bedrijvigheid of activiteiten aansluiten bij het gebied voor stedelijke ontwikkelingen en dit gebied hierdoor functioneel ondersteund wordt. Het terrein omvat immers eveneens enkele voormalige mijngebouwen en maakte er voorheen integraal deel van uit. Voor zover de veiligheid en de goede werking van het bedrijf het vereist kan een beperkte woongelegenheid voor bewaking voorzien worden, tenminste voor zover deze geïncorporeerd is in het bedrijfsgebouw”. Voor wat betreft bufferzone luidt artikel 6.13 van de bestem- mingsvoorschriften als volgt: “Tussenzone tussen twee bestemmingszones, die elkaar negatief beïnvloeden of waarbij een scheiding om een of andere reden wenselijk is. De bufferzone wordt als een ‘neutraal’ tussengebied ingevoegd. De invulling van de bufferzone is afhankelijk van het doel van de scheiding (aard van de hinder). In principe heeft de bufferzone een groen karakter. Als een visuele scheiding gewenst wordt, dan is een middelhoge tot hoge en dichte beplanting gewenst. In andere gevallen kan een zone met laag groen of een waterpartij meer aangewezen zijn. De bufferzones m.b.t. het bedrijventerrein, zoals opgegeven op het plan, moeten op het bedrijventerrein zelf gerealiseerd worden. In geen geval is de bufferzone een ruimte voor het verderzetten van de activiteiten die inherent zijn aan de aard van de af te schermen functie (bijvoorbeeld: geen parking, open werkvloer of opslagplaats bij een bedrijf). In de zuidelijke bufferzone die aansluit op de woonwijk kunnen recreatieve elementen opgenomen worden in functie van de woonwijk”. Voor wat betreft zone non aedificandi bepaalt artikel 6.15 van de bestemmingsvoorschriften het volgende: “In de zones non-aedificandi is geen enkele bebouwing toegelaten. Deze zones mogen volledig verhard worden, bij voorkeur met een waterdoorlatende verharding”. Uit deze voorschriften kan worden opgemaakt dat het aanleggen van een fietspad en een rijweg niet verenigbaar is met deze bestemmings-voorschrif- ten, op zijn minst voor wat betreft de twee eerstgenoemde bestemmings-zones, hetgeen door de verwerende partij ook niet wordt betwist.
- Uit het voorgaande blijkt dat de bestreden beslissing werken vergunt die strijdig zijn met de zo-even vermelde bestemmingsvoorschriften van het betrokken bijzonder plan van aanleg. Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. X-13.859-8/9 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 31 augustus 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de steden- bouwkundige vergunning voor het wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken: Kruispunt N72 Koolmijnlaan - Voortstraat - Posthoornstraat - Mijnschoolstraat te Koersel, Koolmijnlaan, kadastraal bekend sectie C, tweede blad.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.859-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.206 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div