van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - art. 7 §§1 en 2 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest het volgende wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "2. Onderzoek van het beroep" vooreerst uiteen wat de grieven van huidig verweerder zijn en stelt hierna: "Verzoeker kan gevolgd worden waar hij stelt dat de motivering als zou het verzoek niet ontvankelijk zijn, foutief is." - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van onder meer de bepalingen van art.
van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken luidt verder als volgt: "Uit de samenlezing van voormelde artikelen, kan dus gesteld worden dat een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel
van de Vreemdelingenwet onontvankelijk kan worden verklaard in onderstaande hypotheses: - indien men zich bevindt in een van de gevallen beschreven onder artikel
, §3 van de Vreemdelingenwet (ook verwijzend naar artikel 9bis, §2, van de Vreemdelingenwet) - indien men zijn aanvraag niet met een aangetekend schrijven, heeft gericht aan de gemachtigde van de minister - indien de in artikel 7, §1 van het KB van 17 mei 2007 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag heeft gevoegd. Indien echter bij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel
van de Vreemdelingenwet alle nodige documenten (waarvoor geen betwisting bestaat over het voorwerp van het document) en alle nuttige inlichtingen volledig zijn gevoegd en indien de aanvraag niet valt onder één van de twee andere hypotheses van onontvankelijkheid, dient de aanvraag ontvankelijk te worden verklaard en dient over de aanvraag ten gronde te worden beslist. Aangaande het medische getuigschrift, is het inderdaad zo dat noch de Wet noch het KB duidelijk bepalen wat de inhoud dient te zijn, van het medische getuigschrift opdat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel Ster van de Vreemdelingenwet, indien voldaan aan alle andere ontvankelijkheidsvoorwaarden, ontvankelijk zou zijn. (...) Artikel
, §1 van de Vreemdelingenwet bepaald dat 'deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit, of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft'. Voormeld artikel van de Vreemdelingenwet bepaalt verder ook dat 'De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken(...)". Hieruit kan afgeleid worden dat het medisch getuigschrift een gezondheidsproblematiek (ziekte) en een risico dient te vermelden (wat aldus kan leiden tot onontvankelijkheid van de aanvraag indien het medische getuigschrift geen gezondheidsproblematiek en risico vermeldt) maar dat de beoordeling van de inhoud van het medische getuigschrift dient overgelaten te worden aan de ambtenaar-geneesheer. Hieruit kan eveneens afgeleid worden dat deze enkel een advies dient te verschaffen aangaande het risico en de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, maar niet verplicht is om de vreemdeling te onderzoeken. Aldus blijkt dat de inhoud van een medisch getuigschrift behoort tot de XIV-30.963-3/15 beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar-geneesheer en aldus de gegrondheid van de zaak betreft. Er dient hier ook verwezen naar de memorie van toelichting (...) Uit bovenstaande memorie van toelichting blijkt eveneens dat de appreciatie dient overgelaten te worden aan de ambtenaar-geneesheer. (...) In casu blijkt uit het administratief dossier, meer bepaald uit verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf van 11 juni 2008 en de bijgevoegde documenten en uit verzoekers aanvullend schrijven van 25 juni 2008 en de daarbij gevoegde documenten, dat verzoeker inderdaad een kopie van zijn identiteitskaart + vertaling voorlegde, een medisch getuigschrift op zijn naam, getekend door een psychiater en andere dienstige inlichtingen (vroegere medische getuigschriften en een bijkomend medisch verslag van de voornoemde psychiater) en dat hij eveneens het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in zijn aanvraag vermeldde. Aldus blijkt voldaan te zijn aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 7, 1 van het KB van 17 mei 2007. Betreffende het medische getuigschrift dient vastgesteld te worden dat de psychiater aangeeft dat verzoeker lijdt aan een acute aandoening die verbeterbaar is op lange termijn en geneesbaar is op lange termijn, dat er geen medische behandeling bezig is doch dat de verzorging niet verdergezet kan worden in land van herkomst, dat de zieke liefst niet reist en met betrekking tot medisch advies aangaande terugkeer naar het land van herkomst stelt de psychiater in korte bewoordingen 'veiligheid, individuele therapie'. In het bijgevoegd medisch verslag, wijst de psychiater op een depressie geënt op een posttraumatisch stress stoornis, en stelt dat een psychische decompensatie vrijwel zeker is als een terugkeer naar zijn land wordt opgedrongen. De psychiater besluit als volgt: 'Voor zover mijn ervaring strekt, is deze toestand alleen te verbeteren door de zekerheid aan veilige omstandigheden en pas dan, en alleen dan, door medicatie en therapie'. Aldus wordt in het medische getuigschrift en in het bijgevoegde medische verslag gewezen op de gezondheidsproblematiek, op de risico's en zelfs op de nodige medische behandeling om de (gezondheids)toestand van verzoeker te verbeteren (met name therapie en medicatie). Uit dit alles kan afgeleid worden dat de aanvraag aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldeed, en dat de vraag naar de gegrondheid van de aanvraag zich opdrong. Nu de verwerende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel
van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard heeft doordat niet voldaan is aan artikel 7, §§1 en 2 van het KB van 17 mei 2007, schendt zij het voornoemde artikel. Eveneens kan vastgesteld worden dat zij, gelet op het voorgaande, onterecht motiveerde dat verzoekers aanvraag onontvankelijk was. Het enig middel is gegrond. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst aldus naar de inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen die terzake van toepassing zijn, en naar de inhoud van het' medisch getuigschrift en bijgaand medisch verslag dat huidig verweerder bij aanvullend schrijven van 25 juni 2008 bij zijn aanvraag o.g.v. art.
heeft overgemaakt, en besluit op basis hiervan: "Uit dit alles kan afgeleid worden dat de aanvraag aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldeed, en dat de vraag naar de gegrondheid van de aanvraag zich opdrong." In casu dient evenwel te worden vastgesteld dat uit de initieel bestreden administratieve beslissing duidelijk blijkt dat deze genomen werd op grond van volgend determinerend motief: "De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt." De rechter in vreemdelingenzaken gaat hierop niet in doch uit de diverse passages van het arrest, zoals onder meer: - "Voormeld artikel van de Vreemdelingenwet bepaalt verder ook dat 'De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar- geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zo nodig de vreemdeling onderzoeken(...)". Hieruit kan afgeleid worden dat het medisch getuigschrift een gezondheidsproblematiek (ziekte) en een risico dient te vermelden (wat aldus kan leiden tot onontvankelijkheid van de aanvraag indien het medische getuigschrift geen gezondheidsproblematiek en risico vermeldt) maar dat de beoordeling van de inhoud van XIV-30.963-4/15 het medische getuigschrift dient overgelaten te worden aan de ambtenaar- geneesheer. (...) Aldus blijkt dat de inhoud van een medisch getuigschrift behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar-geneesheer en aldus de gegrondheid van de zaak betreft." - "Uit bovenstaande memorie van toelichting blijkt eveneens dat de appreciatie dient overgelaten te worden aan de ambtenaar-geneesheer." blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk de mening is toegedaan dat in de bestreden beslissing de inhoud van het medisch getuigschrift wordt beoordeeld, terwijl de beoordeling van zulke inhoud niet toekomt aan de gemachtigde, doch wel aan de ambtenaar- geneesheer. Verzoeker betwist geenszins dat de beoordeling en de appreciatie van de inhoud van het medische getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer toekomt. Verzoeker merkt evenwel op dat de gemachtigde op geen enkel ogenblik een inhoudelijke beoordeling van het medisch getuigschrift heeft gemaakt. Hoger werd reeds verwezen naar het duidelijke determinerende motief van de initieel bestreden administratieve beslissing, met name dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 §2 van het K.B. dd. 17.05.2007 gezien de in §1 van dit artikel vermelde documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke medische behandeling. Dit motief is in rechte onderbouwd, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier op geen enkel ogenblik nader op in. Het determinerende motief van de bestreden beslissing vindt nochtans duidelijk steun in de wet en in het K.B., terwijl de rechter in vreemdelingenzaken een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals hierna ook zal blijken. Artikel
van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 stipuleert dat: "§
, §1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen 1/ hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel
, § 1, derde lid, van de wet; 2/ een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel
, kl, van de wet: 3/ enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; § 2. Onverminderd artikel
, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven." De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel
'. Gezien de concrete inhoud van art.
, noopt de gezamenlijke lezing van art.
7 _§1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. XIV-30.963-5/15 Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De 'ziekte bedoeld in art.
van de Wet' is niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn terzake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wel van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen `aangaande de ziekte bedoeld in artikel
Vanzelfsprekend hoeft men geen arts te zijn om vast te stellen dat de noodzakelijke informatie over de ziekte en de behandeling in het medisch getuigschrift ontbeert. Zulks maakt vanzelfsprekend niet de beoordeling van de inhoud van het medisch getuigschrift uit. Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel
'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift — ook al staat er niets in — wordt voorgelegd. Dit is duidelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en strookt ook niet met de interpretatie en de toepassing die verzoeker sedert het in voege treden van artikel
van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft gemaakt van het ontvankelijkheidsvereiste van een aanvraag o.g.v. artikel
voormeld, in deze interpretatie en toepassing ook gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ook dat impliceert immers de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel — waarop huidig verweerder zich beriep in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen — met name dat de Dienst Vreemdelingenzaken niet plots een andere toepassing zou geven aan de bepalingen van de artikelen
en 7 §§1 en 2 voormeld. Uit het medische getuigschrift dat door verweerder werd voorgelegd, blijkt nopens het onderdeel van de behandeling van betrokkene dat: - er geen behandeling bezig is; - er evenmin een behandeling voorzien is; - aangaande het onderdeel 'medisch advies m.b.t. de terugkeer naar het land van herkomst', enkel wordt vermeld: "veiligheid, individuele therapie". Uit het bijgevoegde medisch verslag blijkt nopens het onderdeel van de behandeling van betrokkene enkel dat: - "Voor zover mijn ervaring reikt, is deze toestand alleen te verbeteren door de zekerheid aan veilige omstandigheden en pas dan, en alleen dan, door medicatie en therapie." XIV-30.963-6/15 De inhoud van deze stukken komt tot uiting in de inhoud van de beslissing van 24 september 2008 (t.w. de initieel bestreden administratieve beslissing) van de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid. De inhoud van deze stukken is eveneens in het bestreden arrest, op pg. 7, overgenomen, zonder er op enigerlei wijze te worden tegengesproken of in twijfel te worden getrokken, en vermag als zodanig ook in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld. Deze stukken worden ook als bijlagen 3 en 4 aan dit verzoekschrift gehecht. Uit deze stukken blijkt derhalve geenszins op duidelijke wijze welke behandeling betrokkene dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer dan ook onmogelijk kan vaststellen of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Besluitend dient dan ook te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met miskenning van de nochtans expliciete inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake heeft geoordeeld dat het gegeven dat geen enkele medische behandeling wordt vermeld niet van aard is om een aanvraag om machtiging tot verblijf o.g.v. art.
van de Wet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. De verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden in het bestreden arrest is in casu niet dienstig, gezien de paragrafen waar de rechter in vreemdelingenzaken in het bestreden arrest naar verwijst betrekking hebben op het medisch onderzoek dat ten gronde wordt gevoerd door de ambtenaar-geneesheer en op de appreciatie van de inhoud van het medisch getuigschrift, aspecten die allen de gegrondheid van de aanvraag betreffen, terwijl dit in casu niet aan de orde is. Verzoeker wenst er volledigheidshalve tevens op te wijzen dat hij geenszins voorhoudt dat een medische behandeling aan de gang moet zijn op het ogenblik van het indienen van de aanvraag o.g.v. art.
opdat deze aanvraag ontvankelijk zou kunnen zijn. Enkel, het weze herhaald, dient melding gemaakt te worden van een behandeling teneinde aan de ambtenaar- geneesheer toe te laten te onderzoeken of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Aldus miskende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen
van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 door te oordelen dat de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard, ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel
van de Vreemdelingenwet en op artikel 7 §§ 1 en 2 van het Koninklijk Besluit van 17 mei 2007. Zij motiveert als volgt: "De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel
'. Gezien de concrete inhoud van art.
, noopt de gezamenlijke lezing van art.
7 §1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een XIV-30.963-7/15 appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De 'ziekte bedoeld in art.
van de Wet' is niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn terzake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad vo, betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wel van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen 'aangaande de ziekte bedoeld in artikel
' voorliggen." Verzoekster stelt eigenlijk in haar verzoekschrift dat de zinsnede van artikel 7 van het K.B. 'alle nuttige inlichtingen aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9 ter § l' dient te worden geïnterpreteerd als omvattend de omschrijving van een specifieke medische behandeling. Verzoekster maakt hierbij een verkeerde interpretatie van de wet. Noch de wet, noch het K.B., noch de samenlezing van beiden houden in dat de vermelding van de medische behandeling een ontvankelijkheidsvoorwaarde zou uitmaken. Bovendien wordt er op de voorgedrukte formulieren van de medische getuigschriften uitgegeven door verzoekster, enkel gevraagd naar het feit of er een medische behandeling bezig is en niet naar de behandeling zelf. In subsidiaire orde, mocht de Raad van oordeel zijn dat de wet, het K.B. of dezen gecombineerd toch zouden kunnen worden geïnterpreteerd als zou de vermelding van een specifieke medische behandeling een ontvankelijkheidsvoorwaarde zijn, meent verweerder dat het eerste middel dat verzoekster opwerpt hoe dan ook ongegrond is en wel om volgende redenen. Verweerder had bij zijn eerste schrijven i.k.v. de aanvraag op grond van artikel 9 ter Vreemdelingenwet een medisch attest toegevoegd opgesteld door dokter Peeters dd. 30.05.2008 waarbij zij in het medisch advies m.b.t. de terugkeer naar het land van herkomst attesteert dat "hier (in België) psychotherapie mogelijk is". (stuk 2) Derhalve was verzoekende partij wel degelijk op de hoogte omtrent de soort behandeling. Bovendien meent verweerder dat een ambtenaar-geneesheer reeds op basis van gegevens over de medische aandoening kan oordelen welke behandeling redelijkerwijs kan worden verwacht en derhalve kan nagaan of er in het land van herkomst een adequate behandeling mogelijk is. Derhalve kan volgende redenering van verzoekster niet kloppen: "Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel
'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift — ook al staat er niets in — wordt voorgelegd." Ambtenaren-geneesheer kunnen zoals hoger vermeld reeds weten welke behandeling noodzakelijk is wanneer men in het medisch getuigschrift kan kennis nemen van de medische problemen in de voorliggende gevallen. Het middel is ongegrond.”; XIV-30.963-8/15 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “In de memorie van antwoord houdt verweerder voor dat de uiteenzetting van verzoeker berust op een `verkeerde interpretatie van de wet'. Hij meent dat `noch de wet, noch het K.B., noch de samenlezing van beiden inhouden dat de vermelding van de medische behandeling een ontvankelijkheidsvoorwaarde zou uitmaken'. De verzoekende partij laat gelden dat, zoals hoger reeds afdoende werd uiteengezet, uit artikel
voormeld dit echter heel duidelijk blijkt! Er staat immers letterlijk in de wet: "j' 1. De in België verblijvende vreemdeling die (...) op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte (...) wanneer er Zeen adequitte behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft" (vetschrift en onderlijning toegevoegd) Indien de stelling van verweerder zou worden gevolgd, zou dit betekenen dat laatstgenoemde (in vetjes gedrukte) zinsnede niet zou mogen worden toegepast, wat uiteraard niet kan. Terwijl, waar verweerder poneert dat de ambtenaar-geneesheer "reeds op basis van gegevens over de medische aandoening kan oordelen welke behandeling redelijkerwijs kan worden verwacht", verzoeker er andermaal op wijst dat deze stelling geen steun vindt in de wet. Immers, en zoals reeds uiteengezet, moet het volledige artikel
voormeld worden gelezen én toegepast, en derhalve ook de zinsnede "wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft". Artikel
voormeld bepaalt duidelijk aan welke vereisten de ziekte van 'de in België verblijvende vreemdeling' moet voldoen om op grond daarvan een verblijfsmachtiging te kunnen aanvragen. Aangezien artikel 7 van het K.B. van 17.05.2007 voormeld bepaalt dat 'de vreemdeling een medisch stuk dient voor te brengen aangaande zijn ziekte `bedoeld in artikel
', betekent dit niet meer of minder dan dat uit dit medisch stuk moet blijken dat de vreemdeling lijdt aan een 'ziekte bedoeld in artikel
'. Voorgaande vaststellingen zijn geen 'interpretaties' van de wet en het K.B., doch de letterlijke en ondubbelzinnige toepassing van de inhoud ervan. De beschouwingen van verweerder zijn dan ook duidelijk strijdig met deze heldere en ondubbelzinnige bepalingen en kunnen geenszins worden aangenomen. Overigens, het gegeven dat verweerder zelf stelt dat de ambtenaar-geneesheer kan oordelen welke behandeling redelijkerwijs kan worden verwacht" noopt reeds tot het besluit dat de stelling van verweerder onjuist is. Het is niet aan de ambtenaar-geneesheer om te gaan onderzoeken wat 'redelijkerwijs kan worden verwacht', maar wel of er een adequate behandeling voorhanden is.”; en “Tot slot, en in zoverre verweerder in de memorie van antwoord voorhoudt dat bij de initiële aanvraag om machtiging tot verblijf wel een medisch attest werd gevoegd, opgesteld door dr. Peeters waarin zou vermeld staan dat 'psychotherapie mogelijk is' en verzoeker 'derhalve wel degelijk op de hoogte was omtrent de soort behandeling', dergelijke beschouwing niet dienstig kan worden aangebracht in het kader van huidige administratieve cassatieprocedure. Immers mag de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet in de plaats stellen van de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid, wanneer deze zijn eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent en evenmin in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waar deze zijn taak als annulatierechter vervult. XIV-30.963-9/15 De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Daarenboven werd dit gegeven door verweerder nooit aangebracht in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat verweerder dit niet met gunstig gevolg voor het eerst kan aanhalen in de cassatieprocedure. Er dient dan ook te worden besloten dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen
van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 miskende door te oordelen dat de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard, ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar- geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 3.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij een schending aanvoert van artikel
van de Vreemdelingenwet en van artikel 7 §§1 en 2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verzoekende partij stelt dat het determinerend motief van de initieel bestreden beslissing is dat er geen sprake is van een specifieke medische behandeling, dat dit motief in rechte is onderbouwd doch dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hier op geen enkel ogenblik nader op ingaat, dat dit motief nochtans steun vindt in artikel
van de Vreemdelingenwet en in het voormelde koninklijk besluit, dat de rechter in vreemdelingenzaken dan ook een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, dat de “ziekte bedoeld in artikel 9 ter §1 van de wet” niet alleen de ziekte is die een reëel risico inhoudt voor haar leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar tevens de ziekte is waarvoor er geen adequate behandeling bestaat in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft en dat, gezien er in het bestreden arrest op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, de ambtenaar- geneesheer in de onmogelijkheid is om desbetreffend enig onderzoek te voeren; Overwegende dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat “in het medische getuigschrift en in het bijgevoegde medische verslag gewezen wordt op de gezondheidsproblematiek, op de risico’s en zelfs op de nodige medische behandeling om de (gezondheids)toestand van verzoeker te verbeteren (met name therapie en medicatie)”; dat hieruit blijkt dat er wel degelijk melding is gemaakt van een medische behandeling; dat de verzoekende partij er bijgevolg ten onrechte van uit gaat dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierop niet nader is ingegaan; dat het eerste middel feitelijke grondslag mist; XIV-30.963-10/15 3.2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.