← België

Arrest 205213 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:A

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - art. 7 §§1 en 2 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest het volgende wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "2. Onderzoek van het beroep" vooreerst uiteen wat de grieven van huidig verweerder zijn en stelt hierna: "Verzoeker kan gevolgd worden waar hij stelt dat de motivering als zou het verzoek niet ontvankelijk zijn, foutief is." - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van onder meer de bepalingen van art.

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken luidt verder als volgt: "Uit de samenlezing van voormelde artikelen, kan dus gesteld worden dat een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet onontvankelijk kan worden verklaard in onderstaande hypotheses: - indien men zich bevindt in een van de gevallen beschreven onder artikel

, §3 van de Vreemdelingenwet (ook verwijzend naar artikel 9bis, §2, van de Vreemdelingenwet) - indien men zijn aanvraag niet met een aangetekend schrijven, heeft gericht aan de gemachtigde van de minister - indien de in artikel 7, §1 van het KB van 17 mei 2007 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag heeft gevoegd. Indien echter bij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet alle nodige documenten (waarvoor geen betwisting bestaat over het voorwerp van het document) en alle nuttige inlichtingen volledig zijn gevoegd en indien de aanvraag niet valt onder één van de twee andere hypotheses van onontvankelijkheid, dient de aanvraag ontvankelijk te worden verklaard en dient over de aanvraag ten gronde te worden beslist. Aangaande het medische getuigschrift, is het inderdaad zo dat noch de Wet noch het KB duidelijk bepalen wat de inhoud dient te zijn, van het medische getuigschrift opdat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel Ster van de Vreemdelingenwet, indien voldaan aan alle andere ontvankelijkheidsvoorwaarden, ontvankelijk zou zijn. (...) Artikel

, §1 van de Vreemdelingenwet bepaald dat 'deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit, of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft'. Voormeld artikel van de Vreemdelingenwet bepaalt verder ook dat 'De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken(...)". Hieruit kan afgeleid worden dat het medisch getuigschrift een gezondheidsproblematiek (ziekte) en een risico dient te vermelden (wat aldus kan leiden tot onontvankelijkheid van de aanvraag indien het medische getuigschrift geen gezondheidsproblematiek en risico vermeldt) maar dat de beoordeling van de inhoud van het medische getuigschrift dient overgelaten te worden aan de ambtenaar-geneesheer. Hieruit kan eveneens afgeleid worden dat deze enkel een advies dient te verschaffen aangaande het risico en de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, maar niet verplicht is om de vreemdeling te onderzoeken. Aldus blijkt dat de inhoud van een medisch getuigschrift behoort tot de XIV-30.963-3/15 beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar-geneesheer en aldus de gegrondheid van de zaak betreft. Er dient hier ook verwezen naar de memorie van toelichting (...) Uit bovenstaande memorie van toelichting blijkt eveneens dat de appreciatie dient overgelaten te worden aan de ambtenaar-geneesheer. (...) In casu blijkt uit het administratief dossier, meer bepaald uit verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf van 11 juni 2008 en de bijgevoegde documenten en uit verzoekers aanvullend schrijven van 25 juni 2008 en de daarbij gevoegde documenten, dat verzoeker inderdaad een kopie van zijn identiteitskaart + vertaling voorlegde, een medisch getuigschrift op zijn naam, getekend door een psychiater en andere dienstige inlichtingen (vroegere medische getuigschriften en een bijkomend medisch verslag van de voornoemde psychiater) en dat hij eveneens het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in zijn aanvraag vermeldde. Aldus blijkt voldaan te zijn aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 7, 1 van het KB van 17 mei 2007. Betreffende het medische getuigschrift dient vastgesteld te worden dat de psychiater aangeeft dat verzoeker lijdt aan een acute aandoening die verbeterbaar is op lange termijn en geneesbaar is op lange termijn, dat er geen medische behandeling bezig is doch dat de verzorging niet verdergezet kan worden in land van herkomst, dat de zieke liefst niet reist en met betrekking tot medisch advies aangaande terugkeer naar het land van herkomst stelt de psychiater in korte bewoordingen 'veiligheid, individuele therapie'. In het bijgevoegd medisch verslag, wijst de psychiater op een depressie geënt op een posttraumatisch stress stoornis, en stelt dat een psychische decompensatie vrijwel zeker is als een terugkeer naar zijn land wordt opgedrongen. De psychiater besluit als volgt: 'Voor zover mijn ervaring strekt, is deze toestand alleen te verbeteren door de zekerheid aan veilige omstandigheden en pas dan, en alleen dan, door medicatie en therapie'. Aldus wordt in het medische getuigschrift en in het bijgevoegde medische verslag gewezen op de gezondheidsproblematiek, op de risico's en zelfs op de nodige medische behandeling om de (gezondheids)toestand van verzoeker te verbeteren (met name therapie en medicatie). Uit dit alles kan afgeleid worden dat de aanvraag aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldeed, en dat de vraag naar de gegrondheid van de aanvraag zich opdrong. Nu de verwerende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard heeft doordat niet voldaan is aan artikel 7, §§1 en 2 van het KB van 17 mei 2007, schendt zij het voornoemde artikel. Eveneens kan vastgesteld worden dat zij, gelet op het voorgaande, onterecht motiveerde dat verzoekers aanvraag onontvankelijk was. Het enig middel is gegrond. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst aldus naar de inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen die terzake van toepassing zijn, en naar de inhoud van het' medisch getuigschrift en bijgaand medisch verslag dat huidig verweerder bij aanvullend schrijven van 25 juni 2008 bij zijn aanvraag o.g.v. art.

heeft overgemaakt, en besluit op basis hiervan: "Uit dit alles kan afgeleid worden dat de aanvraag aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldeed, en dat de vraag naar de gegrondheid van de aanvraag zich opdrong." In casu dient evenwel te worden vastgesteld dat uit de initieel bestreden administratieve beslissing duidelijk blijkt dat deze genomen werd op grond van volgend determinerend motief: "De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt." De rechter in vreemdelingenzaken gaat hierop niet in doch uit de diverse passages van het arrest, zoals onder meer: - "Voormeld artikel van de Vreemdelingenwet bepaalt verder ook dat 'De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar- geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zo nodig de vreemdeling onderzoeken(...)". Hieruit kan afgeleid worden dat het medisch getuigschrift een gezondheidsproblematiek (ziekte) en een risico dient te vermelden (wat aldus kan leiden tot onontvankelijkheid van de aanvraag indien het medische getuigschrift geen gezondheidsproblematiek en risico vermeldt) maar dat de beoordeling van de inhoud van XIV-30.963-4/15 het medische getuigschrift dient overgelaten te worden aan de ambtenaar- geneesheer. (...) Aldus blijkt dat de inhoud van een medisch getuigschrift behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar-geneesheer en aldus de gegrondheid van de zaak betreft." - "Uit bovenstaande memorie van toelichting blijkt eveneens dat de appreciatie dient overgelaten te worden aan de ambtenaar-geneesheer." blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk de mening is toegedaan dat in de bestreden beslissing de inhoud van het medisch getuigschrift wordt beoordeeld, terwijl de beoordeling van zulke inhoud niet toekomt aan de gemachtigde, doch wel aan de ambtenaar- geneesheer. Verzoeker betwist geenszins dat de beoordeling en de appreciatie van de inhoud van het medische getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer toekomt. Verzoeker merkt evenwel op dat de gemachtigde op geen enkel ogenblik een inhoudelijke beoordeling van het medisch getuigschrift heeft gemaakt. Hoger werd reeds verwezen naar het duidelijke determinerende motief van de initieel bestreden administratieve beslissing, met name dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 §2 van het K.B. dd. 17.05.2007 gezien de in §1 van dit artikel vermelde documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke medische behandeling. Dit motief is in rechte onderbouwd, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier op geen enkel ogenblik nader op in. Het determinerende motief van de bestreden beslissing vindt nochtans duidelijk steun in de wet en in het K.B., terwijl de rechter in vreemdelingenzaken een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals hierna ook zal blijken. Artikel

van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 stipuleert dat: "§

  1. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde." (vetschrift en onderlijning toegevoegd) Artikel 7 van het K.B. van 17.05.2007 voormeld bepaalt vervolgens: "§
  2. De aanvraag van de machtiging tot verblijf bedoeld in artikel

, §1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen 1/ hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel

, § 1, derde lid, van de wet; 2/ een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, kl, van de wet: 3/ enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; § 2. Onverminderd artikel

, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven." De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Gezien de concrete inhoud van art.

§1

, noopt de gezamenlijke lezing van art.

§1van de Wet voormeld en art.

7 _§1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. XIV-30.963-5/15 Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De 'ziekte bedoeld in art.

§1

van de Wet' is niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn terzake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wel van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen `aangaande de ziekte bedoeld in artikel

§ 1' voorliggen.

Vanzelfsprekend hoeft men geen arts te zijn om vast te stellen dat de noodzakelijke informatie over de ziekte en de behandeling in het medisch getuigschrift ontbeert. Zulks maakt vanzelfsprekend niet de beoordeling van de inhoud van het medisch getuigschrift uit. Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift — ook al staat er niets in — wordt voorgelegd. Dit is duidelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en strookt ook niet met de interpretatie en de toepassing die verzoeker sedert het in voege treden van artikel

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft gemaakt van het ontvankelijkheidsvereiste van een aanvraag o.g.v. artikel

voormeld, in deze interpretatie en toepassing ook gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ook dat impliceert immers de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel — waarop huidig verweerder zich beriep in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen — met name dat de Dienst Vreemdelingenzaken niet plots een andere toepassing zou geven aan de bepalingen van de artikelen

en 7 §§1 en 2 voormeld. Uit het medische getuigschrift dat door verweerder werd voorgelegd, blijkt nopens het onderdeel van de behandeling van betrokkene dat: - er geen behandeling bezig is; - er evenmin een behandeling voorzien is; - aangaande het onderdeel 'medisch advies m.b.t. de terugkeer naar het land van herkomst', enkel wordt vermeld: "veiligheid, individuele therapie". Uit het bijgevoegde medisch verslag blijkt nopens het onderdeel van de behandeling van betrokkene enkel dat: - "Voor zover mijn ervaring reikt, is deze toestand alleen te verbeteren door de zekerheid aan veilige omstandigheden en pas dan, en alleen dan, door medicatie en therapie." XIV-30.963-6/15 De inhoud van deze stukken komt tot uiting in de inhoud van de beslissing van 24 september 2008 (t.w. de initieel bestreden administratieve beslissing) van de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid. De inhoud van deze stukken is eveneens in het bestreden arrest, op pg. 7, overgenomen, zonder er op enigerlei wijze te worden tegengesproken of in twijfel te worden getrokken, en vermag als zodanig ook in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld. Deze stukken worden ook als bijlagen 3 en 4 aan dit verzoekschrift gehecht. Uit deze stukken blijkt derhalve geenszins op duidelijke wijze welke behandeling betrokkene dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer dan ook onmogelijk kan vaststellen of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Besluitend dient dan ook te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met miskenning van de nochtans expliciete inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake heeft geoordeeld dat het gegeven dat geen enkele medische behandeling wordt vermeld niet van aard is om een aanvraag om machtiging tot verblijf o.g.v. art.

van de Wet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. De verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden in het bestreden arrest is in casu niet dienstig, gezien de paragrafen waar de rechter in vreemdelingenzaken in het bestreden arrest naar verwijst betrekking hebben op het medisch onderzoek dat ten gronde wordt gevoerd door de ambtenaar-geneesheer en op de appreciatie van de inhoud van het medisch getuigschrift, aspecten die allen de gegrondheid van de aanvraag betreffen, terwijl dit in casu niet aan de orde is. Verzoeker wenst er volledigheidshalve tevens op te wijzen dat hij geenszins voorhoudt dat een medische behandeling aan de gang moet zijn op het ogenblik van het indienen van de aanvraag o.g.v. art.

opdat deze aanvraag ontvankelijk zou kunnen zijn. Enkel, het weze herhaald, dient melding gemaakt te worden van een behandeling teneinde aan de ambtenaar- geneesheer toe te laten te onderzoeken of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Aldus miskende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 door te oordelen dat de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard, ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel

van de Vreemdelingenwet en op artikel 7 §§ 1 en 2 van het Koninklijk Besluit van 17 mei 2007. Zij motiveert als volgt: "De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Gezien de concrete inhoud van art.

§ 1

, noopt de gezamenlijke lezing van art.

§7van de Wet voormeld en art.

7 §1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een XIV-30.963-7/15 appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De 'ziekte bedoeld in art.

§1

van de Wet' is niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn terzake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad vo, betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wel van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen 'aangaande de ziekte bedoeld in artikel

§1

' voorliggen." Verzoekster stelt eigenlijk in haar verzoekschrift dat de zinsnede van artikel 7 van het K.B. 'alle nuttige inlichtingen aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9 ter § l' dient te worden geïnterpreteerd als omvattend de omschrijving van een specifieke medische behandeling. Verzoekster maakt hierbij een verkeerde interpretatie van de wet. Noch de wet, noch het K.B., noch de samenlezing van beiden houden in dat de vermelding van de medische behandeling een ontvankelijkheidsvoorwaarde zou uitmaken. Bovendien wordt er op de voorgedrukte formulieren van de medische getuigschriften uitgegeven door verzoekster, enkel gevraagd naar het feit of er een medische behandeling bezig is en niet naar de behandeling zelf. In subsidiaire orde, mocht de Raad van oordeel zijn dat de wet, het K.B. of dezen gecombineerd toch zouden kunnen worden geïnterpreteerd als zou de vermelding van een specifieke medische behandeling een ontvankelijkheidsvoorwaarde zijn, meent verweerder dat het eerste middel dat verzoekster opwerpt hoe dan ook ongegrond is en wel om volgende redenen. Verweerder had bij zijn eerste schrijven i.k.v. de aanvraag op grond van artikel 9 ter Vreemdelingenwet een medisch attest toegevoegd opgesteld door dokter Peeters dd. 30.05.2008 waarbij zij in het medisch advies m.b.t. de terugkeer naar het land van herkomst attesteert dat "hier (in België) psychotherapie mogelijk is". (stuk 2) Derhalve was verzoekende partij wel degelijk op de hoogte omtrent de soort behandeling. Bovendien meent verweerder dat een ambtenaar-geneesheer reeds op basis van gegevens over de medische aandoening kan oordelen welke behandeling redelijkerwijs kan worden verwacht en derhalve kan nagaan of er in het land van herkomst een adequate behandeling mogelijk is. Derhalve kan volgende redenering van verzoekster niet kloppen: "Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

§1

'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift — ook al staat er niets in — wordt voorgelegd." Ambtenaren-geneesheer kunnen zoals hoger vermeld reeds weten welke behandeling noodzakelijk is wanneer men in het medisch getuigschrift kan kennis nemen van de medische problemen in de voorliggende gevallen. Het middel is ongegrond.”; XIV-30.963-8/15 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “In de memorie van antwoord houdt verweerder voor dat de uiteenzetting van verzoeker berust op een `verkeerde interpretatie van de wet'. Hij meent dat `noch de wet, noch het K.B., noch de samenlezing van beiden inhouden dat de vermelding van de medische behandeling een ontvankelijkheidsvoorwaarde zou uitmaken'. De verzoekende partij laat gelden dat, zoals hoger reeds afdoende werd uiteengezet, uit artikel

voormeld dit echter heel duidelijk blijkt! Er staat immers letterlijk in de wet: "j' 1. De in België verblijvende vreemdeling die (...) op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte (...) wanneer er Zeen adequitte behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft" (vetschrift en onderlijning toegevoegd) Indien de stelling van verweerder zou worden gevolgd, zou dit betekenen dat laatstgenoemde (in vetjes gedrukte) zinsnede niet zou mogen worden toegepast, wat uiteraard niet kan. Terwijl, waar verweerder poneert dat de ambtenaar-geneesheer "reeds op basis van gegevens over de medische aandoening kan oordelen welke behandeling redelijkerwijs kan worden verwacht", verzoeker er andermaal op wijst dat deze stelling geen steun vindt in de wet. Immers, en zoals reeds uiteengezet, moet het volledige artikel

§1

voormeld worden gelezen én toegepast, en derhalve ook de zinsnede "wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft". Artikel

§1

voormeld bepaalt duidelijk aan welke vereisten de ziekte van 'de in België verblijvende vreemdeling' moet voldoen om op grond daarvan een verblijfsmachtiging te kunnen aanvragen. Aangezien artikel 7 van het K.B. van 17.05.2007 voormeld bepaalt dat 'de vreemdeling een medisch stuk dient voor te brengen aangaande zijn ziekte `bedoeld in artikel

§ 1

', betekent dit niet meer of minder dan dat uit dit medisch stuk moet blijken dat de vreemdeling lijdt aan een 'ziekte bedoeld in artikel

§1

'. Voorgaande vaststellingen zijn geen 'interpretaties' van de wet en het K.B., doch de letterlijke en ondubbelzinnige toepassing van de inhoud ervan. De beschouwingen van verweerder zijn dan ook duidelijk strijdig met deze heldere en ondubbelzinnige bepalingen en kunnen geenszins worden aangenomen. Overigens, het gegeven dat verweerder zelf stelt dat de ambtenaar-geneesheer kan oordelen welke behandeling redelijkerwijs kan worden verwacht" noopt reeds tot het besluit dat de stelling van verweerder onjuist is. Het is niet aan de ambtenaar-geneesheer om te gaan onderzoeken wat 'redelijkerwijs kan worden verwacht', maar wel of er een adequate behandeling voorhanden is.”; en “Tot slot, en in zoverre verweerder in de memorie van antwoord voorhoudt dat bij de initiële aanvraag om machtiging tot verblijf wel een medisch attest werd gevoegd, opgesteld door dr. Peeters waarin zou vermeld staan dat 'psychotherapie mogelijk is' en verzoeker 'derhalve wel degelijk op de hoogte was omtrent de soort behandeling', dergelijke beschouwing niet dienstig kan worden aangebracht in het kader van huidige administratieve cassatieprocedure. Immers mag de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet in de plaats stellen van de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid, wanneer deze zijn eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent en evenmin in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waar deze zijn taak als annulatierechter vervult. XIV-30.963-9/15 De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Daarenboven werd dit gegeven door verweerder nooit aangebracht in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat verweerder dit niet met gunstig gevolg voor het eerst kan aanhalen in de cassatieprocedure. Er dient dan ook te worden besloten dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 miskende door te oordelen dat de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard, ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar- geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 3.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij een schending aanvoert van artikel

van de Vreemdelingenwet en van artikel 7 §§1 en 2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verzoekende partij stelt dat het determinerend motief van de initieel bestreden beslissing is dat er geen sprake is van een specifieke medische behandeling, dat dit motief in rechte is onderbouwd doch dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hier op geen enkel ogenblik nader op ingaat, dat dit motief nochtans steun vindt in artikel

van de Vreemdelingenwet en in het voormelde koninklijk besluit, dat de rechter in vreemdelingenzaken dan ook een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, dat de “ziekte bedoeld in artikel 9 ter §1 van de wet” niet alleen de ziekte is die een reëel risico inhoudt voor haar leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar tevens de ziekte is waarvoor er geen adequate behandeling bestaat in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft en dat, gezien er in het bestreden arrest op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, de ambtenaar- geneesheer in de onmogelijkheid is om desbetreffend enig onderzoek te voeren; Overwegende dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat “in het medische getuigschrift en in het bijgevoegde medische verslag gewezen wordt op de gezondheidsproblematiek, op de risico’s en zelfs op de nodige medische behandeling om de (gezondheids)toestand van verzoeker te verbeteren (met name therapie en medicatie)”; dat hieruit blijkt dat er wel degelijk melding is gemaakt van een medische behandeling; dat de verzoekende partij er bijgevolg ten onrechte van uit gaat dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierop niet nader is ingegaan; dat het eerste middel feitelijke grondslag mist; XIV-30.963-10/15 3.2.

  1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoordineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld onder de hoofding "
  2. Onderzoek van het beroep" : - "In een enig middel voert verzoeker de schending aan van (...) In een tweede onderdeel van het enig middel voert verzoeker specifiek de schending aan van (...) Verzoeker kan gevolgd worden waar hij stelt dat de motivering als zou het verzoek niet ontvankelijk zijn, foutief is." - Vervolgens geeft de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van de relevante wettelijke en reglementaire bepalingen weer en zet zij uiteen waarom de aanvraag naar haar oordeel ontvankelijk is, dit met verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden van de wet, om vervolgens te besluiten dat de aanvraag 'aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldeed' en te oordelen dat het middel van huidig verweerder (oorspronkelijk verzoeker) gegrond is. Over de opmerkingen en repliek van de oorspronkelijk verwerende partij (huidig verzoeker) in de nota met opmerkingen dd. 22 november 2008 wordt met geen woord gerept. Op geen enkel ogenblik blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken het door verzoeker in zijn nota met opmerkingen gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. In het arrest komt geen enkel motief naar voor dienaangaande. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege echter te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/
  3. eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel. dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst of de rechter in vreemdelingenzaken al dan niet het verweer van verzoeker, zoals uiteengezet in de nota met opmerkingen van 22 november 2008, in overweging heeft genomen, laat staan beoordeeld. XIV-30.963-11/15 De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt niet eens op dit verweer, zelfs niet summier. Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december
  4. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. (R.v.S. XIV-20.981-3/6) Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken" , T. P.R. 1971, 1-26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. Administratieve jurisdicties moeten de in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. (VANDE LANOTTE, J. en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-12). De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aangehoord en onderzocht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest evenwel niet afleiden of de rechter in vreemdelingenzaken de uiteenzetting dienaangaande van de oorspronkelijk verwerende partij mee in overweging heeft genomen bij haar beoordeling. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt alleszins niet op de uiteenzetting van de oorspronkelijk verwerende partij. De rechter in vreemdelingenzaken gaat voorbij aan de uiteenzetting van verzoeker in de nota met opmerkingen, en laat deze volledig buiten beschouwing. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, in acht genomen het verweer van de (toenmalige) verwerende partij, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld noch blijkt het impliciet uit de bewoordingen van het bestreden arrest dat de rechter in vreemdelingenzaken het verweer van de oorspronkelijk verwerende partij, huidig verzoeker, in overweging heeft genomen, heeft onderzocht en tot slot heeft beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt dan ook de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65 eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het tweede middel is gegrond.”; XIV-30.963-12/15 3.2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een tweede middel beroept verzoekster zich op een schending van art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Verzoekende partij voelt zich gegriefd omdat de rechten van verdediging zouden geschonden zijn. Zij stelt dat de motivering van het bestreden arrest niet zou toelaten te weten om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat de beslissing dient te worden vernietigd en dat daarbij haar rechten van verdediging zouden zijn geschonden. Zij stelt in een eerste onderdeel dat met haar argumenten geen rekening zou gehouden zijn quod non. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna genoemd RVV) verwijst in haar arrest uitdrukkelijk naar de regelmatig gewisselde memories en de opmerkingen gegeven ter zitting. Dat verzoekende partij bezwaarlijk kan afleiden dat uit de volgens haar "summiere" vermelding van haar verweer geen rekening werd gehouden met door haar naar voren geschoven elementen. Overigens blijkt uit de nota welke zij mocht indienen bij de RW dat zij zelf niet op uitgebreide wijze ingaat op het essentiële punt wat zij thans tracht naar voor te brengen, te weten het feit dat de vermelding van de aard van de medische behandeling een ontvankelijkheidsvoorwaarde zou zijn in de zin van de wet, het betrokken K.B. of de samenlezing hiervan. Dat de RW niet verplicht is in te gaan op elke alinea in te gaan aangehaald door verzoekende partij. Dat zulks eveneens de vaste rechtspraak is van de Raad van State. Dat de vraag kan gesteld worden of de Raad van State los van enige andere schending van enig ander artikel kan besluiten tot een schending van de motiveringsverplichting. Dat op het eerste zicht zulks onmogelijk is. Dat wanneer verzoekende partij zich beroept op de rechten van verdediging op geen enkele wijze wordt aangetoond dat er effectief sprake is van de schending van de rechten van verdediging zoals hoger vermeld. Het tweede middel is ongegrond.”; 3.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Waar verweerder in de memorie van antwoord summier poneert dat ‘de vraag kan gesteld worden of de Raad van State los van enige andere schending van enig ander artikel kan besluiten tot een schending van de motiveringsverplichting. Dat op het eerste zicht zulks onmogelijk is’ antwoordt verzoeker dat de Raad van State uiteraard wel degelijk kan besluiten tot een schending van de motiveringsverplichting, zoals hoger afdoende wordt uiteengezet. De summiere en volstrekt niet onderbouwde beschouwing van verweerder mist elke juridische grondslag.”; 3.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van “de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen”, namelijk artikel 149 van de Grondwet, artikel 39/65, eerste lid van de Vreemdelingenwet, het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht en het algemeen XIV-30.963-13/15 rechtsbeginsel van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij stelt dat de rechter in vreemdelingenzaken in zijn arrest met geen woord rept over haar nota met opmerkingen van 22 november 2008, terwijl de motiveringsplicht een garantie dient te vormen dat de door de verdediging aangebrachte middelen effectief met zorg zijn aangehoord en onderzocht; dat de verwerende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, thans verzoekende partij, in haar nota met opmerkingen stelt dat de bestreden beslissing afdoende in recht en in feite is gemotiveerd en dat de aanvraag om machtiging tot verblijf niet werd vergezeld van een medisch attest dat wees op een specifieke medische behandeling of therapie die de betrokkene momenteel zou ondergaan, terwijl uit artikel 7 § 1 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 uitdrukkelijk blijkt dat een medische behandeling moet worden vermeld; dat uit het bestreden arrest blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken vooreerst heeft onderzocht aan welke vereisten het medische getuigschrift volgens hem dient te voldoen om vervolgens vast te stellen dat “in het medisch getuigschrift en in het bijgevoegde medische verslag (wordt) gewezen op de gezondheidsproblematiek, op de risico’s en zelfs op de nodige medische behandeling om de (gezondheids)toestand van verzoeker te verbeteren (met name therapie en medicatie)”; dat bijgevolg in het bestreden arrest wel degelijk wordt ingegaan op de argumenten die de toenmalige verwerende partij in haar nota met opmerkingen heeft aangevoerd, zodat in casu is voldaan aan de motiveringsverplichting als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.963-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.963-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.213 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.