← België

Arrest 205491 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 21/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.491 Rolnummer: A. 195996/IX-6764 Zaak: Arrest 205491 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 21/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-29 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:55 Fiche Arrest nr 205.491 van 21 juni 2010 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 205.491 van 21 juni 2010 in de zaak A. 195.996/IX-6764 In zake : Dirk OOSTERLINCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de burgemeester van de stad MECHELEN
  2. de stad MECHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door adviseur-jurist Peter Verheyden gevestigd te Mechelen Fr. De Merodestraat 88 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 25 maart 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 januari 2010 van de burgemeester van de stad Mechelen, waarbij Dirk Oosterlinck de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben elk een nota ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
  5. IX-6764-1/5 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, is gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoeker is commissaris van politie bij de lokale politie te Mechelen. 3.
  8. Met een verslag van 18 juni 2009 deelt de korpschef van de lokale politie te Mechelen aan de burgemeester mee dat hij in kennis werd gesteld van “de attitude die CP Oosterlinck aannam tijdens een controle van de dienst Douane en Accijnzen” en dat blijkt “dat CP Oosterlinck zich mogelijks schuldig maakt aan feiten die het voorwerp kunnen uitmaken van een tuchtprocedure”. Hij verzoekt de burgemeester “een vooronderzoeker in het kader van de tuchtprocedure aan te stellen”. Op 9 december 2009 bezorgt de aangestelde vooronderzoeker zijn verslag aan de burgemeester. 3.
  9. Op 15 december 2009 ontvangt de verzoeker het inleidend tuchtverslag van de burgemeester, waarbij deze voorstelt de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen voor volgend feit: “Doordat [de verzoeker] zich op 28 april 2009 tijdens een controleactie op een neerbuigende, arrogante en onbeleefde wijze heeft gedragen tegenover de diensten die deze controle uitvoerden en [hij] zich hierbij uitdrukkelijk heeft kenbaar gemaakt als commissaris van politie, en aangezien elke misdraging van personeelsleden van de politiediensten onmiddellijk afstralen op de gehele dienst, heeft [de verzoeker] dan ook hierdoor de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht.” IX-6764-2/5 De verzoeker dient een schriftelijk verweer in en wordt op 21 januari 2010 gehoord. 3.
  10. Op 26 januari 2010 beslist de burgemeester van de stad Mechelen om de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de vordering
  11. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Uiteenzetting
  12. De verzoeker voert aan dat hij gedurende minstens twee jaar de gevolgen van de tuchtstraf van de blaam dient te dragen -tot de eventuele uitwissing ervan in toepassing van artikel 57 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet)- telkens hij zijn statutaire toestand wenst te wijzigen. Hij zal binnen enkele maanden zijn dienst bij de politie hernemen en aldus in aanmerking komen voor verschillende mobiliteitsronden waarbij hij de hem opgelegde niet-doorgehaalde tuchtstraffen zal moeten melden. Volgens de verzoeker hypothekeert de bestreden tuchtstraf aldus zijn kansen op mobiliteit wanneer hij in concurrentie komt met een andere kandidaat die geen tuchtstraf heeft opgelopen. Hij betoogt dat hij, indien hij de schorsing van de bestreden beslissing verkrijgt, genoopt zal zijn bij elke beslissing over de mobiliteit een annulatieberoep in te dienen. Dat nadeel is moeilijk te herstellen, nu een en ander zijn rechtstoestand en die van zijn mogelijke tegenkandidaten “onnodig complex” maakt. Nu er bijna permanent mobiliteitsronden zijn is de kans op de realisatie van het vermelde nadeel, niet hypothetisch en onzeker. IX-6764-3/5
  13. De verwerende partijen antwoorden daar in hun nota’s op dat de Raad van State al geoordeeld heeft dat de tuchtstraf van de blaam in de regel geen zodanige ernst vertoont dat het voor de verzoeker daaruit voortvloeiende morele nadeel enkel door een schorsing kan worden weggenomen en dat een eventuele latere vernietiging daartoe niet zou volstaan. Te dezen toont de verzoeker geen bijzondere omstandigheden aan die het bestaan van een nadeel wel aannemelijk maken; hij kan zich immers kandidaat stellen voor de mobiliteitsprocedure en bovendien is het bestuur niet verplicht om rekening te houden met de bestreden tuchtstraf. Hoogstens is het een element waarmee rekening gehouden zou kunnen worden, hetgeen gelet op het hypothetisch karakter, geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. In ieder geval heeft de verzoeker zich nog geen kandidaat gesteld voor een mobiliteitsronde en is het niet zeker dat er vacante betrekkingen zullen zijn die de interesse van de verzoeker kunnen wegdragen. Bovendien kan hij zich tot 31 augustus 2010 geen kandidaat stellen voor een functie via de mobiliteits- procedure, aangezien hij zich dan in de verlofvorm “afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden” bevindt. Beoordeling
  14. De verzoeker is gestraft met een blaam. Deze tuchtstraf is, luidens artikel 10 van de tuchtwet, “de formele afkeuring die de tuchtoverheid aan een personeelslid richt”. Ze is de op één na lichtste tuchtstraf en heeft een louter moreel sanctionerend karakter. Bovendien bepaalt artikel 57, tweede lid, van de genoemde wet dat de tuchtstraf van de blaam na een termijn van twee jaar van ambtswege op het blad der tuchtstraffen wordt uitgewist voor zover binnen die termijn geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken. Met die gegevens voor ogen kan niet worden aangenomen dat de tuchtstraf van de blaam -op zich genomen- een zodanige ernstige straf vormt dat het moreel nadeel dat ervan uitgaat enkel door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de tuchtbeslissing kan worden weggenomen en dat een eventuele latere vernietiging van die beslissing daartoe niet zou volstaan.
  15. De verzoeker meent dat het in zijn zaak anders moet zijn, nu hij bij toekomstige mobiliteitsronden een slechte beurt zou kunnen maken en er dan toe gedwongen wordt om tegen al die benoemingsbeslissingen een annulatieberoep in te dienen. IX-6764-4/5 Evenwel betekent precies de mogelijkheid om de beslissingen, waarbij hem mobiliteit geweigerd wordt op grond van de thans bestreden tuchtstraf, te bestrijden en om de onwettigheid van de tuchtstraf daarbij ter sprake te brengen, dat het door de verzoeker aangevoerde nadeel, zo al ernstig, in elk geval niet als moeilijk te herstellen is. Dat die mogelijkheid de rechtstoestand van de verzoeker “onnodig complex” zou maken, is niet meer dan een loutere bewering. Dat de rechtstoestand van “mogelijke tegenkandidaten” daardoor “onnodig complex” wordt en dat het voor de “potentieel gegadigden” “weinig aangenaam” is dat de verzoeker tegen hen zal “ageren”, is dan weer geen nadeel dat de verzoeker persoonlijk treft.
  16. Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet aangetoond. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6764-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.491 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.895 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.