id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.494 Rolnummer: A. 140507/IX-3896 Zaak: Arrest 205494 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 21/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:55 Fiche Arrest nr 205.494 van 21 juni 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.494 van 21 juni 2010 in de zaak A. 140.507/IX-3896 In zake : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177 bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 augustus 2003, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juni
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 189.765 van 26 januari 2009 is aan het Grondwette- lijk Hof een prejudiciële vraag gesteld en is het auditoraat belast met een verder onderzoek van de zaak. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een aanvullend verslag opgesteld. IX-3896-1/6 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Patrick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Verder onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting
- Bij arrest nr. 189.765 van 26 januari 2009 heeft de Raad van State vastgesteld dat het bestreden besluit, dat een regeling bevat inzake het gezondheids- toezicht op de werknemers, zijn rechtsgrond vindt in artikel 4, § 1, eerste en tweede lid, 2/, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna: de wet van 4 augustus 1996), dat de Koning machtigt om aan de werkgevers en de werknemers maatregelen op te leggen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de werknemers op het werk; aangezien een bevoegdheidsoverschrijding door de uitvoerende macht dienvolgens slechts het gevolg kan zijn van een bevoegdheidsoverschrijding door de wetgever, is het Grondwettelijk Hof bevraagd over de schending door artikel 4, § 1, eerste en tweede lid, 2/, van de wet van 4 augustus 1996 van artikel 128 van de IX-3896-2/6 Grondwet en artikel 5, § 1, I, 2/, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen (hierna: BWHI). In zijn arrest nr 179/2009 van 12 november 2009 heeft het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag negatief beantwoord. Het heeft gesteld dat de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk een wezenlijk element van het welzijn van de werknemer uitmaakt en dat het bijgevolg tot de federale bevoegdheid inzake de arbeidsbescherming behoort (overweging B.8). Het heeft er wel aan toegevoegd dat de principiële bevoegdheid van de federale overheid om maatregelen op te leggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, de bevoegdheid van de Gemeenschappen op het vlak van de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg - inzonderheid de arbeidsgeneeskundige controle, belast met de erkenning van de bedrijfsgeneeskundige diensten en met de controle van het ARAB-, dan weer niet onmogelijk of overdreven moeilijk mag maken (overweging B.9). In die zin is volgens het Hof de machtiging aan de Koning, verleend door voornoemd artikel 4, § 1, eerste en tweede lid, 2/, beperkt (overweging B.10), maar het komt de Raad van State toe uit te maken of de uitvoerende macht met het bestreden besluit binnen die wettelijke grenzen gebleven is (overweging B.11).
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat het arrest van het Grondwettelijk Hof niet meteen impliceert dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de bevoegdheidsverdelende regels van de BWHI en dat moet worden nagegaan of het bestreden besluit deze regels “evenredig en correct, met respect voor de bevoegdheidsverdelende regels” opgesteld heeft, wat volgens haar slechts het geval kan zijn wanneer blijkt dat het bestreden besluit “er werkelijk en volledig toe strekt om de gezondheid van de werknemer op het werk te beschermen” rekening houdend met de primerende bevoegdheid van de Gemeen- schappen inzake de erkenning van bedrijfsgeneeskundige diensten. Volgens haar geeft de bestreden regeling blijk van “grote gulzigheid (en niet) van evenredigheid”. Weliswaar wordt in artikel 3 bepaald hoe de federale overheid haar bevoegdheid met betrekking tot de preventieve gezondheidszorg die gericht is op het welzijn op het werk opvat maar bepalingen zoals artikel 19 van het besluit -de vervanging van een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer- regelen wel degelijk een aspect van de erkenning van preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren en de regeling van de periodieke gezondheidsbeoordeling -artikel 30 en volgende-, de uitbreiding van het gezondheidstoezicht -artikel 42- en de bijzondere bepalingen voor zekere IX-3896-3/6 categorieën werknemers -inzonderheid stagiairs, artikel 44 en volgende- tonen aan dat het beleid aangaande de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg “bezet wordt”. Beoordeling
- In haar verzoekschrift heeft de verzoekende partij uiteengezet dat de bestreden regeling al te zeer ingrijpt op de algemene bevoegdheden van de Gemeenschappen inzake de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, terwijl de overheden die bevoegd zijn in aangelegenheden, waar de problematiek van de gezondheid slechts onrechtstreeks aan bod komt, niet op het voorbehouden domein van de Gemeenschappen mogen treden. In dat kader verwijst de verzoekende partij dan naar de in artikel 3 van het bestreden besluit omschreven doelstelling van de nieuwe regeling waarmee “de federale regelgever expliciet uiteengezet heeft dat het de bedoeling is te voorzien in activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg”. Zij stelt dat het besluit voorziet in “een uitgebreid en gedetailleerd stelsel van preventieve gezondheidszorg”, dat er “specifieke verplichtingen voor de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer” worden ingevoerd en dat er “tot in detail wordt gelegifereerd met betrekking tot een gezondheidsdossier met preventieve gezondheidszorg als doel”. Zij besluit dat de omstandigheid dat de regeling ingevoerd wordt voor mensen die werken, de federale overheid evenwel niet toelaat het domein van de overheid, die bevoegd is voor activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, te bezetten; door een systeem van preventieve gezondheidszorg op te zetten wordt “kennelijk inbreuk gepleegd op de bevoegdheden van de Gemeenschappen om een beleid te voeren inzake activiteiten en diensten”.
- In haar verzoekschrift heeft de verzoekende partij op algemene wijze de bevoegdheidsoverschrijding door de federale overheid aangekaart. Afgaande op het arrest nr. 179/2009 van het Grondwettelijk Hof wordt vastgesteld dat de wet van 4 augustus 1996 daarvoor een deugdelijke rechtsgrond biedt. Het middel is, wat dat betreft, niet gegrond.
- De verzoekende partij stelt terecht dat het arrest nr 179/2009 de vraag openlaat of en in welke mate het bestreden besluit daadwerkelijk op het bevoegdheidsterrein van de Gemeenschappen treedt. Wat dat betreft vraagt zij om een onderzoek van de verschillende bepalingen van het bestreden besluit die IX-3896-4/6 volgens haar een bevoegdheidsoverschrijding inhouden in die zin dat de verwerende partij haar eigen bevoegdheidsdomein betreden heeft en zulks in die mate dat haar eigen beleid onmogelijk gemaakt wordt of minstens overdreven bemoeilijkt wordt. Het komt aan de verzoekende partij toe een en ander aan te tonen. Met de voormelde algemene uiteenzetting in haar verzoekschrift doet zij dit niet en het komt de Raad van State niet toe dit in haar plaats te doen, inzonderheid omdat hij daarbij in de plaats van de verzoekende partij zou moeten uitmaken op welke wijze en in welke mate de diverse maatregelen het beleid van de Gemeenschap concreet belemmeren en verder of die belemmering dan het optreden van de Gemeenschap zelf onmogelijk maakt of overdreven bemoeilijkt.
- In haar laatste memorie verwijst de verzoekende partij uiteindelijk wel naar een aantal bepalingen waaruit volgens haar moet blijken dat de verwerende partij op onverantwoorde wijze op haar bevoegdheidsdomein getreden is. Daargelaten de vaststelling dat de verzoekende partij, door die uiteenzetting niet in haar verzoekschrift op te nemen, de verwerende partij niet in de mogelijkheid gesteld heeft zich te verdedigen en aan te tonen dat de betrokken bepalingen de uitoefening van de bevoegdheid van de Gemeenschappen niet noodzakelijk in de weg moesten staan of dat die inmenging verantwoord was, blijft de verzoekende partij ook nu nog in gebreke te verduidelijken waarom die bepalingen niet zouden kaderen binnen de beperkte bevoegdheid van de federale overheid.
- Het middel is niet ontvankelijk in de mate dat de verzoekende partij het niet van meet af aan onderbouwd heeft met de opgave van de in het bestreden besluit opgenomen maatregelen, die volgens haar de uitoefening van haar toegewezen bevoegdheden zou verhinderen of hinderen en zij in haar verzoekschrift ook niet aangeduid heeft waarom, naar redelijkheid beschouwd, die maatregelen haar beleid onmogelijk of overdreven moeilijk maken.
- Het middel kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-3896-5/6
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-3896-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.494 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.623 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.765 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div