← België

Arrest 205501 - Notarissen - 21/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.501 Rolnummer: A. 189410/IX-6019 Zaak: Arrest 205501 - Notarissen - 21/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:55 Fiche Arrest nr 205.501 van 21 juni 2010 Justitie - Notarissen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.501 van 21 juni 2010 in de zaak A. 189.410/IX-6019 In zake : Peter JOOSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Aube Wirtgen kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en Jens Mosselmans kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177/6 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Mia KNAPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 augustus 2008, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 18 juni 2008 waarbij Mia Knapen wordt benoemd tot notaris met standplaats te Lanaken, en van “de beslissing tot het niet-toewijzen van de vacature voor een notaris met standplaats te As”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-6019-1/34 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 oktober
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
  4. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Lindemans, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Jens Mosselmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker behaalde in 1995 met voldoening het diploma van licentiaat in de rechten en in 1996 met voldoening het diploma van licentiaat in het notariaat. Bij het vergelijkend examen van 2005 voor de rangschikking van kandidaat-notarissen wordt hij als vierentwintigste gerangschikt met een totaal van 62,875 %. Bij koninklijk besluit van 3 juli 2005 wordt hij benoemd tot kandidaat- notaris. Bij ministerieel besluit van 4 april 2006 wordt hij aangesteld als geasso- cieerd notaris te Lanaken en wordt goedkeuring verleend aan de oprichting van de associatie “Boes & Joossens” ter standplaats Lanaken. IX-6019-2/34 3.
  7. De tussenkomende partij behaalde in 1991 met voldoening het diploma van licentiaat in de rechten en in 1992 met onderscheiding het diploma van licentiaat in het notariaat. Bij het vergelijkend examen van 2004 voor de rangschik- king van kandidaat-notarissen wordt zij als derde gerangschikt met een totaal van 75,5 %. Bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 wordt zij benoemd tot kandidaat- notaris. 3.
  8. Bij koninklijke besluiten van 27 april 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2007, wordt het aantal notarissen in het gerechtelijk arrondissement Tongeren op veertig gebracht. De nieuwe standplaatsen zijn gevestigd te Genk, Dilsen-Stokkem, Lanaken en As. In het Belgisch Staatsblad van 31 augustus 2007 worden de vacatures voor deze vier nieuwe standplaatsen bekendgemaakt. 3.
  9. Bij aangetekende brieven van 26 september 2007 stellen de verzoeker en de tussenkomende partij zich kandidaat voor de standplaats te Lanaken. De tussenkomende partij stelt zich eveneens kandidaat voor de standplaat- sen Dilsen-Stokkem, As en Genk. 3.
  10. Overeenkomstig artikel 43, § 2, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt (hierna: de notariswet) wint de minister van Justitie het advies in van de procureur des Konings van het arrondissement waar de kandidaat zijn woonplaats heeft en van het adviescomité van notarissen van de provincie waar de kandidaat zijn beroepsactiviteit in het notariaat uitoefent. 3.
  11. Bij brieven van 10 oktober 2007 deelt de procureur des Konings te Tongeren mee dat geen van beide kandidaten een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen en dat er in zijn ambtsgebied tegen hen geen strafonderzoek loopt. 3.
  12. Het adviescomité van notarissen van de provincie Limburg verleent voor beide kandidaten een zeer gunstig advies. 3.
  13. Op 11 januari 2008 maakt de Nederlandstalige benoemingscom- missie voor het notariaat de rangschikking op van de kandidaten voor de vacante betrekkingen. In het proces-verbaal van de vergadering wordt over de kandidatuur van beide kandidaten het volgende vermeld: IX-6019-3/34 “Peter JOOSSENS De heer Peter JOOSSENS is houder van de diploma's van licentiaat in de rechten behaald met voldoening in 1995 en van het diploma in de Nederlandse taal van licentiaat in het notariaat, behaald met voldoening in 1996 aan de KULeuven. De kandidaat is tevens houder van bijkomende getuigschriften (graduaat Fiscale Wetenschappen, bijzondere licentie Vennootschapsrecht). Bij het vergelijkend examen voor de rangschikking van kandidaat- notarissen georganiseerd in 2005 werd hij als 24ste gerangschikt met 125,75 punten, of 62,875 %. Bij Koninklijk besluit van 3 juli 2005 werd hij benoemd tot kandidaat- notaris. Hij is 37 jaar oud en heeft een ervaring van ongeveer 11 jaar in het notariaat. De Minister van Justitie heeft zijn kandidatuur ontvankelijk verklaard. De Procureur des Konings te Tongeren, hoofdplaats van het arrondissement waar de kandidaat zijn woonplaats heeft, heeft op 10 oktober 2007 meegedeeld dat de kandidaat geen veroordeling heeft opgelopen en dat er in het ambtsge- bied tegen de kandidaat geen strafonderzoek loopt. Het Adviescomité van de notarissen van de provincie Limburg heeft op 23 november 2007 over deze kandidaat een gemotiveerd zeer gunstig advies uitgebracht. De kandidaat heeft een vlotte persoonlijkheid en geeft een rustige, zelfzekere indruk. De kandidaat heeft een ruime beroepservaring in het notariaat, waarvan twee jaar als geassocieerd notaris in Lanaken zelf. Daardoor is hij goed bekend met de specifieke omstandigheden van een grensnotariaat; ook vroeger heeft hij nog in een grensnotariaat gewerkt (Neerpelt) en hij heeft in verschillende notariaten van uiteenlopend type gewerkt. De kandidaat heeft, naast voordrachten en uiteenzettingen, ook een tweetal wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. De kandidaat heeft een goed uitgewerkt financieel plan voorgelegd ‘alsof’ hij inderdaad alleen de creatie zal opstarten; het is echter zijn uitgesproken bedoeling om (terug) in associatie te gaan met zijn huidige associé. Mia KNAPEN Mevrouw Mia KNAPEN is houder van de diploma's van licentiaat in de rechten behaald met voldoening in 1991 en van het diploma in de Nederlandse taal van licentiaat in het notariaat, behaald met onderscheiding in 1992 aan de KULeuven. Bij het vergelijkend examen voor de rangschikking van kandidaat- notarissen georganiseerd in 2004 werd zij als 3de gerangschikt met 151,00 punten, of 75,50 %. Bij Koninklijk besluit van 4 juli 2004 werd zij benoemd tot kandidaat- notaris. Zij is 39 jaar oud en heeft een ervaring van ongeveer 15 jaar in het notariaat. De Minister van Justitie heeft haar kandidatuur ontvankelijk verklaard. De Procureur des Konings te Tongeren, hoofdplaats van het arrondissement waar de kandidaat haar woonplaats heeft, heeft op 10 oktober 2007 meegedeeld dat de kandidaat geen veroordeling heeft opgelopen en dat er in het ambtsge- bied tegen de kandidaat geen strafonderzoek loopt. Het Adviescomité van de notarissen van de provincie Limburg heeft op 21 november 2007 over deze kandidaat een gemotiveerd zeer gunstig advies uitgebracht. De kandidaat heeft een vlotte persoonlijkheid en geeft een levendige, IX-6019-4/34 zelfzekere en vriendelijke indruk. De kandidaat heeft een zeer ruime beroepservaring van 15 jaar in het notariaat in alle voor het notariaat relevante materies. Op academisch vlak heeft zij een foutloos parcours afgelegd met een onderscheiding in de licentie notariaat. Zij heeft nog bijkomende opleidingen gevolgd buiten de opleidingen georganiseerd door de notariële instellingen. Zij heeft een publicatie op haar naam en heeft verscheidene mandaten bekleed in notariële organisaties. Zij heeft steeds in Limburg gewoond, is zeer geëngageerd en heeft veel doorzettingsvermogen. Zij is zeer vertrouwd met de Limburgse gebruiken, mentaliteit en plaatselijke toestanden. Ook op het financiële vlak heeft zij zich zeer grondig voorbereid met een degelijk uitgewerkt financieel plan, vertrek- kend vanuit voorzichtige premissen.” De benoemingscommissie vergelijkt de kandidaten als volgt: “De Commissie is overgegaan tot een nauwgezette afweging van de kwaliteiten op alle relevante vlakken. Op academisch vlak hebben de heer Allard, de heer Joossens en mevrouw Knapen het best gepresteerd door bijkomende opleidingen, behaalde graden, wetenschappelijke publicaties en uiteenzettingen. Ook de dames Cleeren en Seronvalle hebben hun studietraject binnen de normale voorziene tijd afgelegd, in tegenstelling tot de eerst genoemden hebben ze zich niet onderscheiden door graden of in het voor notariaat relevante bijkomende academische opleidingen. De kandidaten Rembert Van Bael (4 jaar voor tweejarige kandidaturen) en Ann Vrancken (4 jaar voor driejarige licenties) hebben hun studietraject niet afgelegd binnen de normaal voorziene termijn. De Commissie oordeelt dat in beginsel de uitslagen op het examen tot kandidaat-notaris moeilijk vergelijkbaar zijn omwille van de verschillende jaren waarin de examens plaatsvinden maar noteert toch een voorsprong voor mevrouw Knapen (3de geklasseerde) en Seronvalle (4de, die ten opzichte van hun mede-examinandi toch een plaats in de top vijf behaalden en mevrouw Cleeren, die reeds bij haar tweede poging slaagde in tegenstelling tot de andere kandidaten die minstens drie pogingen nodig hadden om te slagen. De heer Allard is op dit punt zwakker vermits hij pas bij zijn zesde poging slaagde en een dertigste plaats behaalde. Op het vlak van ervaring heeft de Commissie rekening gehouden met de duur van de reeds opgedane ervaring en de verscheidenheid ervan in kantoren van een verschillend type, evenals de eventuele buiten het notariaat opgedane ervaring, in de mate dat deze laatste relevant is voor het notariaat. Hierin staan de heer Allard (langste notariële ervaring (16 jaar), ervaring in landelijke en stedelijke kantoren, docent) en mevrouw Seronvalle (14,5 jaar notariële ervaring alsook 2,5 jaar ervaring in de vastgoedsector, gastdocent in familiaal vermogensrecht en vennootschapsrecht) vooraan, gevolgd door mevrouw Knapen (15 jaar notariële ervaring). De andere kandidaten hebben betekenisvol minder ervaring, met een verschil van 3 tot 9 jaar ervaring minder, waar toch moet aangestipt worden dat de heer Joossens reeds twee jaar ervaring heeft als geassocieerd notaris. Alle kandidaten hebben de Benoemingscommissie een gedegen financiële planning voorgelegd, die alle aspecten, zowel roerend als onroerend van de te verwachten investeringen omvat. Op dit vlak heeft vooral Mevrouw Knapen en IX-6019-5/34 de heer Joossens het voortouw genomen ten opzichte van de andere kandidaten. Wanneer de Commissie kijkt naar de inzet binnen notariële organisaties en instellingen, dan vallen vooral de heer Allard (ondervoorzitter-VLN, actief bestuurslid VLN) en mevrouw Knapen (gewezen voorzitster VLN) op, gevolgd door mevrouw Seronvalle (Afgevaardigde VLN, en lid Commissie Professio- neel Statuut VLN). Alle kandidaten hebben een voldoende betekenisvolle band met de Provincie Limburg, waarbij de heer Van Bael de jongste (maar naar zijn enthousiasme te oordelen zeer intense) band met de streek heeft. Geen enkele kandidaat werd door de Provinciale Adviescomités als ongunstig beoordeeld. Het is merkwaardig dat de Provinciale adviescomités in sommige gevallen een verschillend advies geven naar gelang de standplaats. Om die reden heeft de Commissie er geen rekening mee gehouden.” De benoemingscommissie beslist met eenparigheid van stemmen om voor de standplaats te Lanaken de kandidaten als volgt te rangschikken: - als eerste kandidaat : Mia Knapen; - als tweede kandidaat : Peter Joossens; - als derde kandidaat : Marc Allard. Het proces-verbaal van de benoemingscommissie vermeldt “louter ter informatieve titel” dat Mia Knapen een voorkeur heeft voor de standplaats Lanaken. In een brief van 27 februari 2008 aan de minister van Justitie bevestigt zij haar “absolute voorkeur” voor die standplaats. 3.
  14. Ook voor de standplaatsen Dilsen-Stokkem, As en Genk wordt Mia Knapen als eerste gerangschikt. Voor die standplaatsen is de rangschikking telkens : 1) Mia Knapen, 2) Marc Allard, 3) Monique Seronvalle. 3.
  15. Bij koninklijk besluit van 18 juni 2008, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 juni 2008, wordt Mia Knapen tot notaris te Lanaken benoemd. De motivering van dit besluit luidt als volgt: “Overwegende dat het ambt van notaris ter standplaats Lanaken, werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 augustus 2007; Overwegende dat zeven kandidaten het ambt van notaris-titularis ter standplaats Lanaken hebben gepostuleerd en de door de Koning vereiste bijlagen gevoegd hebben bij de kandidatuur; Overwegende dat de benoemingsdossiers werden overgezonden aan de voorzitter van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat op 13 december 2007; IX-6019-6/34 Overwegende dat de Commissie op grond van de afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten en meer in het bijzonder hun geschiktheid met betrekking tot de vacature, drie kandidaten heeft voorgedragen: - als eerste kandidaat : mevr. Knapen Mia, geboren op 26 november 1967, wonende te Hoeselt; - als tweede kandidaat : de heer Joossens Peter, geboren op 29 juni 1970, wonende te Lanaken; - als derde kandidaat : de heer Allard Marc, geboren op 17 oktober 1965, wonende te Tienen; Overwegende dat de beoordeling van de kandidaten is gebeurd op objectieve basis en afdoende is gemotiveerd op grond van de criteria met betrekking tot bekwaamheid en geschiktheid voor de uitoefening van de functie van notaris in de standplaats waarvoor wordt gepostuleerd; Overwegende dat deze Commissie de lijst van de gerangschikte kandidaten op 20 februari 2008 ter benoeming heeft overgemaakt aan de Minister van Justitie samen met het gemotiveerd proces-verbaal; Overwegende dat Knapen Mia, licentiaat in de rechten, op 9 juli 1992 het diploma behaalde van licentiaat in het notariaat in de Nederlandse taal, en zich kandidaat heeft gesteld op datum van 28 september 2007; Overwegende dat mevr. Knapen Mia werkzaam is in het notariaat sedert 1 september 1992 te Bilzen; Overwegende dat betrokkene bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 is benoemd tot kandidaat-notaris; Overwegende dat mevr. Knapen Mia, met eenparigheid van stemmen, als eerste werd gerangschikt en de benoemingscommissie met betrekking tot deze kandidaat vermeldt wat volgt: (...) Overwegende dat mevr. Knapen Mia van alle kandidaten de hoogste procentuele score heeft behaald voor het toegangsexamen, wat haar positief onderscheidt van de andere kandidaten; Overwegende dat zij van alle kandidaten nagenoeg de langste ervaring heeft in het notariaat; dat zij door deze gedegen ervaring zich positief onderscheidt van de meeste andere kandidaten en dus wel bijzonder goed is voorbereid om zelfstandig een kantoor te leiden; Overwegende dat zij door deze bijzonder lange ervaring in het notariaat, ononderbroken in de streek, zich uitstekend heeft kunnen voorbereiden; dat zij daardoor een goede kennis heeft kunnen verwerven van de gemeente, de streek en de bevolking waar het kantoor gelegen is; Overwegende dat betrokkene weliswaar geen beroepsactiviteit heeft in de gemeente waar het vacante kantoor gelegen is; dat de standplaats echter in de nabijheid ligt van haar huidige werkplaats zodat dit geen hinderpaal oplevert; IX-6019-7/34 Overwegende dat mevr. Knaepen van alle kandidaten het best heeft gepresteerd door bijkomende opleidingen, behaalde graden, wetenschappelijke publicaties en uiteenzettingen, waardoor zij zich positief onderscheidt van de andere kandidaten; Overwegende dat de door de wet voorziene adviezen werden ingewonnen op 9 oktober 2007; Overwegende dat het advies van het adviescomité van notarissen van de provincie Limburg betreffende mevr. Knapen zeer gunstig is; Gelet op het advies van de procureur des Konings bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren; Overwegende dat mevr. Knapen aan alle wettelijke voorwaarden voldoet om benoemd te kunnen worden tot notaris en dat bovendien bij de afweging van de kandidaten blijkt dat betrokkene de meest geschikte kandidaat is voor de invulling van het vacante kantoor te Lanaken.” 3.
  16. Bij koninklijke besluiten van 18 juni 2008 worden Monique Seronvalle en Marc Allard benoemd tot notaris met respectievelijke standplaats te Genk en Dilsen-Stokkem. Er wordt geen benoeming gedaan in de standplaats As. 3.
  17. Voor de vacante plaats van notaris met standplaats te As werd in het Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2008 een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt. 3.
  18. Bij koninklijk besluit van 18 december 2008, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2008, werd Bert Vrancken benoemd tot notaris met standplaats te As. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  19. De verzoeker stelt in zijn verzoekschrift vast dat hoewel het aantal notarissen in het gerechtelijk arrondissement Tongeren bij koninklijke besluiten van 27 april 2007 op 40 werd gebracht en een nieuwe standplaats werd gevestigd te As, bij koninklijke besluiten van 18 juni 2008 enkel notarissen werden benoemd met standplaats te Genk, Dilsen-Stokkem en Lanaken. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij dus minstens impliciet beslist de vacature voor een notaris te As niet toe te wijzen. Deze beslissing is het tweede voorwerp van het beroep. IX-6019-8/34 IX-6019-9/34
  20. De verwerende partij werpt op dat het beroep tegen de beweerde impliciete niet-toewijzing van de vacature voor de standplaats te As, als niet- ontvankelijk moet worden afgewezen, aangezien de beslissing waarbij de benoemende overheid oordeelde om voorlopig geen kandidaat te As te benoemen geen verband houdt met de beslissing tot benoeming van de tussenkomende partij als notaris te Lanaken. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker lijkt voor te houden, kan uit de benoeming van de tussenkomende partij geenszins de impliciete weigering worden afgeleid vanwege de benoemende overheid om geen kandidaat te benoemen in As. Het gaat om twee onderscheiden vorderingen, waarvoor afzonderlijke beroepen tot nietigverklaring moeten worden ingediend. Bovendien werd inmiddels in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2007 een nieuwe vacature gepubliceerd voor de standplaats te As, zodat de vordering tot nietigverklaring van de impliciete weigering tot benoeming van een notaris in die standplaats in ieder geval zonder voorwerp is geworden.
  21. De tussenkomende partij voert eveneens aan dat het beroep tegen de impliciete beslissing om de vacature voor het notarisambt met standplaats te Asse niet in te vullen, om diverse redenen onontvankelijk is. Vooreerst heeft de verzoeker geen belang bij de vernietiging van deze beslissing. Hij was immers zelf geen kandidaat voor dit ambt en kan er zich dan ook niet over beklagen dat het niet werd ingevuld. Voorts kunnen, aldus de tussenkomende partij, verschillende beslissingen slechts in één verzoekschrift worden aangevochten indien zij dermate met elkaar verbonden zijn dat het bestaan en de inhoud van de ene beslissing het bestaan van de andere beslissing bepaalt. Uit niets blijkt dat deze omstandigheid zich in deze zaak voordoet. De vacatures voor het ambt te Lanaken en het ambt te As zijn twee onderscheiden vacatures die in twee weliswaar parallel lopende maar voor het overige volstrekt onderscheiden procedures werden behandeld. De enkele omstandigheid dat zich voor beide vacatures gedeeltelijk dezelfde kandidaten hebben aangemeld, heeft niet tot gevolg dat beslissingen over die vacatures dermate verknocht zijn dat de inhoud van de ene beslissing de inhoud van de andere bepaalt. Vermits beide bestreden beslissingen niet in hetzelfde verzoekschrift kunnen worden aangevochten, moet het beroep onontvankelijk worden verklaard wat betreft het tweede voorwerp ervan, zijnde de vermeende beslissing om het ambt met standplaats te As in te vullen. IX-6019-10/34 Ten slotte, zo vervolgt de tussenkomende partij, is het beroep, wat de tweede bestreden beslissing betreft, zonder voorwerp, aangezien ondertussen een nieuwe vacature is gepubliceerd voor het betrokken ambt, en de bevoegde minister aldus duidelijk te kennen heeft gegeven dat het wel degelijk de bedoeling is om het vacante ambt in te vullen.
  22. De verzoeker antwoordt hierop dat de bestreden beslissingen zo nauw samenhangen dat ze in één verzoekschrift kunnen worden aangevochten. Zoals in het tweede middel wordt toegelicht, werden de door de benoemingscom- missie gunstig gerangschikte kandidaten zo benoemd dat er geen benoeming meer mogelijk was te As. De benoemingscommissie heeft Mia Knapen voor de vier standplaatsen waarvoor zij kandidaat was als eerste gerangschikt en, zogenaamd “ter informatieve titel”, melding gemaakt van haar voorkeur voor de standplaats te Lanaken. Uit de wijze waarop de benoemingscommissie de kandidaten voor de vier kantoren gerangschikt heeft en uit de benoeming van Mia Knapen te Lanaken blijkt dat met haar voorkeur rekening werd gehouden. De benoeming steunde dus op een criterium waarmee volgens de notariswet geen rekening mag worden gehouden. De benoemende overheid heeft op kennelijk onredelijke wijze van haar discretionaire bevoegdheid gebruik gemaakt door in strijd met de geest van artikel 31 van de notariswet en met de vastgestelde behoeften, de geschikt bevonden kandidaten zo te benoemen dat er voor de standplaats te As niemand kon benoemd worden en deze vacature vooralsnog niet werd ingevuld. De impliciete beslissing tot het niet toewijzen van de vacature voor een notaris met standplaats te As is onlosmakelijk verbonden met de eerste bestreden beslissing, met name het besluit waarbij de tussenkomende partij benoemd wordt tot notaris en de standplaats te Lanaken wordt gevestigd. Immers, was de tweede bestreden en onwettige beslissing niet genomen, dan kon de verzoeker zelf tot notaris met standplaats te Lanaken benoemd worden. Volgens de verzoeker beweert de tussenkomende partij ten onrechte dat hij geen belang heeft bij de vernietiging van de tweede bestreden beslissing omdat hij zelf geen kandidaat was voor de standplaats te As en hij er zich bijgevolg niet kan over beklagen dat die plaats niet werd ingevuld. Deze exceptie mist grondslag omdat de onwettigheid van de tweede bestreden beslissing aanzienlijke gevolgen voor de verzoeker heeft gehad. De benoemende overheid is immers wat betreft deze vacature voorbijgegaan aan het algemeen belang, meer bepaald de door haarzelf eerder vastgestelde behoefte om een notaris met standplaats te As te benoemen, wat voor gevolg heeft gehad dat de verzoeker niet IX-6019-11/34 als notaris met standplaats te Lanaken kon benoemd worden. Voorts benadrukt de verzoeker dat de verwerende partij door rekening te houden met de “voorkeur” van een kandidaat artikel 44, § 2, van de notariswet heeft geschonden dat niet voorziet in dergelijk beoordelingscriterium. Beoordeling
  23. Te dezen blijkt tussen de beide voorwerpen van het beroep een voldoende nauwe band te bestaan opdat zij in één verzoekschrift aanhangig kunnen worden gemaakt. De benoeming in de standplaats van Lanaken en de niet- benoeming in de standplaats van As zijn in de visie van de verzoeker met elkaar verbonden in de mate de benoeming van de tussenkomende partij in As voor de verzoeker ruimte kan creëren om zelf in Lanaken benoemd te worden; ook in de visie van de verwerende partij is er trouwens een verband tussen de beide bestreden beslissingen aangezien volgens haar de betrekking te As niet kon worden ingevuld, omdat de kandidaten die voor die standplaats werden voorgedragen reeds elders benoemd waren. De exceptie is bijgevolg niet gegrond in zover een gebrek aan samenhang tussen beide voorwerpen van het beroep wordt aangevoerd.
  24. De verzoeker heeft zich geen kandidaat gesteld voor de benoeming tot notaris met standplaats te As. Dat verhindert evenwel niet dat hij de beslissing om in die open betrekking niet te benoemen bij zijn beroep kan betrekken in de mate hij daarmee ruimte kan creëren om zelf in de betrekking te Lanaken benoemd te worden. Men kan immers van een kandidaat voor een betrekking niet verwachten dat hij zich kandidaat stelt voor benoemingen die hij niet echt wenst en louter in de veronderstelling dat hij die kandidaatstelling zou kunnen nodig hebben om een annulatieberoep bij de Raad van State te rechtvaardigen. Verwacht wordt dan wel dat hij middels zijn middelen aantoont dat de tussenkomende partij in de betrekking te As moest benoemd worden of dat de verwerende partij de benoemingen in een bepaalde volgorde moest doen, te beginnen bij deze in As. De omstandigheid dat intussen Bert Vrancken bij koninklijk besluit van 18 december 2008 werd benoemd te As en die benoeming intussen IX-6019-12/34 definitief geworden is, brengt echter met zich mee dat middelen die beogen de tussenkomende partij benoemd te zien te As, geen belang meer vertonen voor de verzoeker. De exceptie is bijgevolg niet gegrond in zover wordt aangevoerd dat verzoeker geen belang heeft bij de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  25. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 44, § 2, tweede lid, van de notariswet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de rechtsplicht tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten voor een benoeming, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat de benoemende overheid geen rekening heeft gehouden met een aantal gegevens die een duidelijke voorsprong verleenden aan de verzoeker ten opzichte van de andere kandidaten, met name wat betreft de kwaliteit van zijn ervaring als notaris en wat betreft zijn vertrouwdheid met de standplaats; uit de benoemingsakte moet daarentegen, zo vervolgt hij, formeel blijken dat de benoemende overheid de titels en verdiensten van de onderscheiden kandidaten op een zorgvuldige wijze met elkaar heeft vergeleken en afgewogen op basis van objectieve en pertinente criteria. In een toelichting bij het middel zet de verzoeker uiteen dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met zijn ervaring als geassocieerd notaris. Die ervaring is nochtans van een geheel andere aard dan de ervaring als kandidaat- notaris, en van een groter nut voor de latere benoeming tot notaris-titularis. De werkzaamheden van de geassocieerd notaris verschillen immers niet van die van de notaris-titularis. Bovendien heeft de geassocieerd notaris de eindverantwoordelijk- heid voor de besluitvorming en de leiding van het notariskantoor. De ervaring van IX-6019-13/34 de verzoeker in de hoedanigheid van geassocieerd notaris gaf hem een duidelijke voorsprong ten opzichte van de overige kandidaten. Het spreekt immers voor zich dat de kandidaat die reeds een kantoor leidt, het beste voorbereid is om zelfstandig een kantoor te leiden. Ook wat de band van de kandidaten met de notariële standplaats te Lanaken betreft, heeft de verwerende partij geen rekening gehouden met het gegeven dat de verzoeker reeds was aangesteld als geassocieerd notaris te Lanaken. In tegenstelling tot de benoemde kandidaat die geen beroepsactiviteit had in de gemeente waar het vacante kantoor gelegen was, heeft de verzoeker reeds een betekenisvolle band met de standplaats Lanaken. Deze vertrouwdheid met de vacante notariële standplaats speelt meer dan anders een doorslaggevende rol, gelet op de bijzondere ligging van het kantoor, vlakbij de grens met Nederland en met de stad Maastricht. De verzoeker was de enige kandidaat met ervaring in een gemeente die voor een belangrijk deel bevolkt is door “Nederbelgen”. Dit vereist bijzondere investeringen in kennis (internationaal privaatrecht, Nederlands burgerlijk recht, Nederlands fiscaal recht en Nederlands vennootschapsrecht) en personeel om de dienstverlening te kunnen waarborgen. De verzoeker was de enige kandidaat die deze investeringen reeds heeft gedaan en de vereiste ervaring en expertise heeft om een kantoor met die bijzondere ligging te leiden. De verzoeker besluit dan ook dat de benoemende overheid, zonder dat dit op enige wijze wordt verantwoord, geweigerd heeft rekening te houden met een aantal gegevens die hem een duidelijke voorsprong gaven ten opzichte van de andere kandidaten. Minstens blijkt uit het bestreden besluit niet hoe de overheid over deze gegevens heeft geoordeeld, noch waarom zij, als zij al zouden in aanmerking zijn genomen, er de overheid er niet toe hebben gebracht om de verzoeker te benoemen.
  26. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat de controle van de Raad van State op de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten beperkt is tot een marginale controle en enkel tot vernietiging van het benoemings- besluit kan worden overgegaan wanneer de titels en verdiensten van de kandidaten op arbitraire en onredelijke wijze werden vergeleken. Volgens vaste rechtspraak moet het benoemingsbesluit duidelijk aangeven welke redenen de benoemende overheid hebben aangezet de benoemde kandidaat boven de andere te verkiezen, doch zulks houdt niet in dat de aanspraken van al de andere kandidaten moeten IX-6019-14/34 worden besproken. In het onderhavig geval, zo vervolgt de verwerende partij, werd de keuze voor de tussenkomende partij in het bestreden besluit geschraagd met de volgende motieven: zij kan bogen op de hoogste procentuele score op het toegangsexamen, nu zij als derde werd gerangschikt met een score van 75,5 %; zij heeft de langste ervaring in het notariaat (zijnde vijftien jaar) en zij heeft het best gepresteerd door bijkomende opleidingen, behaalde graden, wetenschappelijke publicaties en uiteenzettingen. Teleurgestelde kandidaten kunnen in het bestreden besluit lezen waarom zij niet werden gekozen. De verzoeker die, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, op het toegangsexamen slechts als vierentwintigste werd gerangschikt met een score van 62,875 % en bovendien slechts beschikt over een ervaring van elf jaar in het notariaat, toont niet aan dat hij in vergelijking met de tussenkomende partij direct zichtbaar grotere aanspraken kan doen gelden. De bewering van de verzoeker dat de benoemingscommissie en de benoemende overheid geen rekening hebben gehouden met verzoekers ervaring als geassocieerd notaris is feitelijk onjuist. De benoemingscommissie gaf in haar proces-verbaal van 11 januari 2008 uitdrukkelijk aan dat ofschoon alle kandidaten in vergelijking met Marc Allard, Mia Knapen en Monique Seronvalle aanzienlijk minder ervaring hebben, er diende te worden opgemerkt dat de verzoeker reeds twee jaar ervaring heeft als geassocieerd notaris. Aangezien de benoemende overheid het proces-verbaal van de benoemingscommissie integraal herneemt in het bestreden besluit, en de merites van de kandidaten, zoals deze blijken uit het proces-verbaal, in haar oordeelsvorming betrekt, kan de verzoeker bezwaarlijk voorhouden dat de benoemende overheid geen rekening heeft gehouden met zijn ervaring als geassocieerd notaris. Voor zover het loutere feit om als kandidaat-notaris geassocieerd te zijn al enige bijkomende merites met zich zou meebrengen, vermocht de benoemende overheid echter in redelijkheid te oordelen dat verzoekers ervaring als geassocieerd notaris niet opweegt tegen de langduriger ervaring van de tussen-komende partij. Wat betreft het gegeven dat de tussenkomende partij haar beroepsactiviteit niet uitoefent in Lanaken, gaf de benoemende overheid in het bestreden besluit aan dat zulks geen hinderpaal vormt voor haar benoeming. Uit het curriculum vitae van de tussenkomende partij blijkt dat zij thans op minder dan 10 kilometer werkt van Lanaken. Hierdoor heeft zij talrijke cliënten uit Lanaken en IX-6019-15/34 is zij vertrouwd met de gemeentelijke diensten. De provinciale Adviescommissie gaf bovendien uitdrukkelijk aan dat de tussenkomende partij beschikt over een goede kennis van de gemeente Lanaken, de streek en de bevolking aldaar. De verzoeker kan dan ook bezwaarlijk voorhouden dat hij de enige kandidaat is die ervaring heeft met de plaatselijke bevolking van Lanaken, laat staan dat dit element doorslagge- vend zou kunnen geweest zijn om de kandidatuur van de verzoeker te verkiezen boven die van de tussenkomende partij. De benoemende overheid vermocht de tussenkomende partij dan ook te benoemen tot notaris.
  27. De tussenkomende partij is van oordeel dat de verzoeker niet tegelijk de schending van de formele en materiële motiveringsplicht kan aanvoeren. Wanneer de verzoeker inhoudelijke kritiek uitoefent op de motieven van de bestreden beslissing, staat het immers vast dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent. De tussenkomende partij zet vervolgens uiteen dat het bestreden besluit formeel gemotiveerd is. In werkelijkheid voert de verzoeker de schending aan van het materiële motiveringsbeginsel, omdat geen of onvoldoende rekening zou zijn gehouden met een aantal elementen in zijn dossier die bij de beoordeling van kandidaten doorslaggevend zouden moeten zijn geweest. De tussenkomende partij wijst er op dat de beslissing om een kandidaat als eerste te rangschikken of te benoemen tot de discretionaire bevoegd- heid van de overheid behoort en de Raad van State zijn beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten niet in de plaats mag stellen van deze van de overheid. De loutere vaststelling dat een kandidaat op bepaalde beoordelingscriteria beter zou scoren dan de benoemde kandidaat, kan enkel leiden tot de vernietiging van de benoeming van deze kandidaat, indien zou blijken dat de niet-benoemde kandidaat kennelijk beter scoort op die beoordelingscriteria en daarmee bovendien globaal genomen - en dus na afweging van alle beoordelingscriteria - nog steeds beter zou scoren dan de andere kandidaten. De tussenkomende partij zet vervolgens uiteen dat overeenkom- stig artikel 44, § 2, van de notariswet door de benoemingscommissie een rangschik- king wordt opgemaakt op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaam- heid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt van notaris. De rangschikking van de kandidaten wordt voorbereid door het bevoegde IX-6019-16/34 provinciale adviescomité. Vervolgens betwist de tussenkomende partij dat de benoemings- commissie en de benoemende overheid geen rekening zouden hebben gehouden met het feit dat de verzoeker reeds twee jaar geassocieerd notaris was. Nergens is evenwel voorgeschreven dat de omstandigheid dat een kandidaat een zekere ervaring heeft opgedaan als geassocieerd notaris een doorslaggevend criterium zou zijn. Het was integendeel duidelijk de bedoeling van de wetgever om de kandidaten voor het notarisambt op gelijke wijze te behandelen en geen voorrangsrecht te creëren voor geassocieerde notarissen. Het feit dat de verzoeker gedurende twee jaar als geassocieerd notaris werkzaam was op een kantoor te Lanaken, kent hem dus geen voorrangsrecht toe en is in elk geval niet doorslaggevend bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten. Dat betekent niet dat met de ervaring die de verzoeker heeft opgedaan als geassocieerd notaris geen rekening zou zijn gehouden. Op het vlak van ervaring kan de tussenkomende partij echter terugvallen op een ononderbroken ervaring van 15 jaar in het notariaat, terwijl de verzoeker slechts beschikt over een ervaring van 11 jaar, waaronder weliswaar twee jaar als geassocieerd notaris. Voorts, zo merkt de tussenkomende partij op, is het niet correct te stellen dat er geen rekening werd gehouden met de specifieke ervaring van de verzoeker in Lanaken zelf en zijn bekendheid met de omstandigheden van een grensnotariaat. Uit niets blijkt evenwel dat deze specifieke ervaring als doorslagge- vend zou moeten worden beoordeeld. Dossiers waarin problemen rijzen die typisch zijn in een grensstreek maken slechts een deel uit van de hele notarispraktijk. De tussenkomende partij zelf is reeds 15 jaar werkzaam op een notariaat met standplaats te Bilzen, een gemeente die grenst aan Lanaken, en werd dus met soortgelijke problemen geconfronteerd. Ook de tussenkomende partij heeft een meer dan voldoende band met de streek om een kantoor te Lanaken te kunnen leiden. Het curriculum vitae van de verzoeker leert dat diens band met Lanaken beperkt is tot enerzijds de periode van 25 maart 1997 tot 30 juni 1999, zijnde een periode van twee jaar, en anderzijds, de periode van 1 december 2005 tot heden, zijnde een periode van 3 jaar. Tussen deze perioden verhuisde de verzoeker naar Antwerpen, zijn geboortestreek, en was hij beroepshalve in Antwerpen werkzaam. De ervaring van de verzoeker binnen de standplaats Lanaken dient dan ook ten zeerste te worden gerelativeerd, gezien de toch wel beperkte duurtijd. Bovendien is het gegeven dat de verzoeker reeds werkzaam was in Lanaken slechts een gegeven naast de andere IX-6019-17/34 en kan de overheid binnen haar discretionaire bevoegdheid wettig oordelen dat een andere kandidaat beter scoort dan een kandidaat die kan terugvallen op specifieke ervaring in een grensgemeente. De tussenkomende partij besluit dat de benoemingscommissie en de benoemende overheid wel degelijk een zorgvuldig onderzoek hebben uitgevoerd naar de titels en verdiensten van de kandidaten, en deze op correcte wijze met elkaar hebben vergeleken. Zij konden binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de tussenkomende partij eerst moest worden gerangschikt en benoemd worden in het litigieuze ambt.
  28. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker vooreerst dat er geen beletsel is om in eenzelfde middel tegelijk de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht aan te voeren. Een beslissing is immers slechts afdoende gemotiveerd in de zin van de wet van 29 juli 1991 wanneer de bestreden beslissing de motieven vermeldt waarop deze steunt en deze niet onjuist zijn. De verzoeker herhaalt dat uit het gemotiveerd proces-verbaal van de rangschikking van de kandidaten blijkt dat de benoemingscommissie geen rekening gehouden heeft met een aantal gegevens die nochtans doorslaggevend zijn om de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten voor het uitoefenen van het ambt van notaris te beoordelen. Ook de benoemende overheid heeft die gegevens niet betrokken bij haar besluitvorming. Meer bepaald betreft het de kwaliteit van de ervaring van de verzoeker en zijn vertrouwdheid met de standplaats te Lanaken. De verwerende en de tussenkomende partij schijnen de stelling te verdedigen dat het volstaat dat in het proces-verbaal van de benoemingscommissie en in het eerste bestreden besluit wordt vermeld “dat toch moet worden aangestipt dat de heer Joossens reeds twee jaar ervaring heeft als geassocieerd notaris”, om te kunnen besluiten dat de betrokken instanties rekening hebben gehouden met de kwaliteit van de ervaring van de verzoeker als geassocieerd notaris. De enkele vermelding van het gegeven dat de verzoeker geassocieerd notaris is, volstaat uiteraard niet om aan te tonen dat dit gegeven daadwerkelijk bij de beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten werd in aanmerking genomen. IX-6019-18/34 De verzoeker is van oordeel dat de benoemingscommissie en de benoemende overheid wat de beroepservaring betreft ten onrechte geen onderscheid hebben gemaakt naargelang de ervaring werd opgedaan als kandidaat-notaris dan wel als geassocieerd notaris. De ervaring opgedaan als geassocieerd notaris is van een geheel andere aard dan de ervaring als kandidaat-notaris, en van groter nut voor de latere benoeming tot notaris-titularis. De werkzaamheden van de geassocieerd notaris verschillen immers niet van die van de notaris-titularis. Bovendien heeft de geassocieerd notaris de eindverantwoordelijkheid voor de besluitvorming en de leiding van het notariskantoor. De ervaring van de verzoeker in de hoedanigheid van geassocieerd notaris gaf hem een duidelijke voorsprong ten overstaan van de overige kandidaten. Vervolgens stelt de verzoeker dat bij de toetsing van de professionele band van de kandidaten met Lanaken, voor de tussenkomende partij enkel negatief wordt opgemerkt dat dit gebrek voor haar “geen hinderpaal” vormt, terwijl dit in hoofde van de verzoeker een duidelijk pluspunt had dienen te zijn, maar dit werd verwaarloosd. De benoemende overheid heeft geen rekening gehouden met het gegeven dat de verzoeker reeds werd aangesteld tot geassocieerd notaris met standplaats Lanaken. In tegenstelling tot de benoemde kandidaat, die geen beroepsactiviteit had in de gemeente waar het vacante kantoor gelegen was, heeft de verzoeker dus reeds een betekenisvolle band met de standplaats Lanaken. Deze vertrouwdheid met de vacante notariële standplaats speelt meer dan anders een doorslaggevende rol, gelet op de bijzondere ligging van het kantoor, vlakbij de grens met Nederland en met de stad Maastricht. De verzoeker besluit dat de benoemende overheid, zonder dat dit op enige wijze wordt verantwoord, geweigerd heeft rekening te houden met een aantal gegevens die de verzoeker een duidelijke voorsprong gaven ten opzichte van de andere kandidaten. Minstens blijkt uit het bestreden besluit niet hoe de overheid over deze gegevens heeft geoordeeld. Indien deze gegevens wel in aanmerking zouden zijn genomen, zou een zorgvuldige overheid er niet toe gebracht kunnen worden om de verzoeker niet te benoemen en de voorkeur te geven aan de tussenkomende partij. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nogmaals dat de verwerende partij voorbijgegaan is aan zijn ervaring als geassocieerd notaris, een hoedanigheid die duidelijk beter aansluit bij het ambt van notaris dan die van IX-6019-19/34 werken in ondergeschikt verband in een notariskantoor. Ook verwijst de verzoeker opnieuw naar de betekenis van het feit dat hij een deel van zijn wettelijke stage doorbracht en geassocieerd notaris is in een notariskantoor te Lanaken. Beoordeling
  29. De motiveringswet, die te dezen van toepassing is, bepaalt dat de motivering van een bestuursbeslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. De motivering moet in rechte en in feite evenredig zijn aan het belang van de beslissing. Die motivering moet ook draagkrachtig zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Een motivering is afdoende wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en de bestuurde aldus met kennis van zaken desgevallend tegen deze beslissing in rechte kan optreden en wanneer zij de Raad van State in staat stelt de hem opgedragen wettigheidscontrole uit te oefenen. De motiveringsplicht houdt in dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies. De materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijke bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiële motiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het komt de Raad van State daarbij in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de administratie. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze betwist worden. Indien geoordeeld wordt dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende bewezen feiten, dan is eveneens het materiële motiveringsbeginsel geschonden. Te dezen beschikt de verwerende partij over een beoordelingsvrijheid zodat verschillende beslissingen mogelijk kunnen zijn, zij het enkel binnen de grenzen van de redelijkheid. IX-6019-20/34
  30. Inzake benoemingen is de motiveringsplicht nauw verbonden met het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten. Dit beginsel vereist dat bij benoemingen naar keuze de geschiktheid, de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten worden onderzocht op grond van objectieve, redelijke en pertinente criteria. Artikel 43, § 2, tweede lid, van de notariswet bepaalt aldus dat de kandidaten door de benoemingscommissie gerangschikt worden “op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt van notaris”. Inzake benoemingen naar keuze beschikt de benoemde overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid die de redelijkheid als grens heeft. De Raad van State dient zich bij de beoordeling ervan te beperken tot een marginale toetsing; hij kan slechts dan het voorhanden zijn van zichtbaar grotere aanspraken van een kandidaat vaststellen wanneer het gaat om aanspraken waarvan het elke redelijkheid zou tarten eraan voorbij te gaan ten voordele van een kandidaat wiens aanspraken veel kleiner zijn.
  31. Uit de motivering van het bestreden benoemingsbesluit blijkt dat de benoeming van de tussenkomende partij tot notaris met standplaats te Lanaken gesteund is op de volgende motieven: zij werd door de benoemingscommissie als eerste kandidaat gerangschikt; zij heeft de hoogste procentuele score behaald voor het toegangsexamen; zij heeft van alle kandidaten nagenoeg de langste ervaring in het notariaat; door haar bijzonder lange ervaring in het notariaat, ononderbroken in de streek, heeft zij een goede kennis kunnen verwerven van de gemeente, de streek en de bevolking waar het kantoor gevestigd is; zij heeft het best gepresteerd door bijkomende opleidingen, behaalde graden, wetenschappelijke publicaties en uiteenzettingen. De desbetreffende motieven maken het voor de niet-benoemde kandidaten mogelijk de redenen te achterhalen op grond waarvan de tussenkomende partij boven de andere kandidaten werd verkozen. Een positieve motivering van benoemingsbesluiten volstaat. Er moest in het besluit niet vermeld worden waarom andere criteria, die eventueel in het voordeel van de verzoeker zouden spelen, niet als doorslaggevend werden beschouwd. In zin is dan ook aan de formele motive- ringsplicht voldaan. IX-6019-21/34
  32. Volgens de verzoeker hebben de benoemingscommissie en de benoemende overheid bij de vergelijking van de kandidaten ten onrechte geen rekening gehouden met het gegeven dat hij twee jaar ervaring heeft als geassocieerd notaris en dat hij, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, zijn beroepsactiviteit uitoefende te Lanaken waar de vacante plaats te begeven was.
  33. Wat de twee jaar ervaring als geassocieerd notaris betreft moet er vooreerst worden opgemerkt dat dat gegeven de benoemingscommissie niet ontgaan is. In het in het bestreden besluit aangehaald advies van de benoemingscommissie wordt uitdrukkelijk vermeld “dat de heer Joossens reeds twee jaar ervaring heeft als geassocieerd notaris”. Dat gegeven moest door de benoemingscommissie en de benoemende overheid evenwel niet als doorslaggevend worden beschouwd. De tussenkomende partij heeft immers “een zeer ruime beroepservaring van 15 jaar in het notariaat in alle voor het notariaat relevante materies”. De verzoeker had slechts een ervaring in het notariaat van ongeveer elf jaar. Het feit dat de verzoeker twee jaar geassocieerd notaris is, leidt dan ook niet tot de vaststelling dat hij over direct zichtbaar grotere aanspraken beschikt, te meer daar de aanstelling van een geassocieerd notaris niet het resultaat is van een vergelijkend onderzoek naar de bekwaamheid en geschiktheid van verschillende kandidaat-notarissen. De gelijkheid van de kandidaat-notarissen zou in het gedrang komen indien zou worden aangenomen dat de aanstelling als geassocieerd notaris de betrokkene voorrang op de benoeming tot notaris-titularis zou verlenen.
  34. Wat de vertrouwdheid met de standplaats en de specifieke ervaring en expertise die de verzoeker met een grensnotariaat heeft opgedaan betreft, dient het volgende te worden opgemerkt. In het advies van de benoemingscommissie wordt vastgesteld dat de verzoeker als geassocieerd notaris te Lanaken “goed bekend [is] met de specifieke omstandigheden van een grensnotariaat” en dat hij ook vroeger nog in een grensnotariaat (Neerpelt) heeft gewerkt. IX-6019-22/34 Daartegen staat echter dat de tussenkomende partij vijftien jaar werkzaam was in een notariskantoor in de aangrenzende gemeente Bilzen. De benoemende overheid kon dan ook wettig vaststellen “dat zij door deze bijzonder lange ervaring in het notariaat, ononderbroken in de streek, zich uitstekend heeft kunnen voorbereiden; dat zij daardoor een goede kennis heeft kunnen verwerven van de gemeente, de streek en de bevolking waar het kantoor gelegen is”, en kon daaruit besluiten “dat betrokkene weliswaar geen beroepsactiviteit heeft in de gemeente waar het vacante kantoor gelegen is; dat de standplaats echter in de nabijheid ligt van haar huidige werkplaats zodat dit geen hinderpaal oplevert”. De aanspraken van de verzoeker zijn dan ook, wat de band met de vacante standplaats betreft, niet van die aard dat daaraan in redelijkheid niet mocht worden voorbijgegaan.
  35. Volledigheidshalve dient ook te worden opgemerkt dat de benoemingscommissie en de benoemende overheid, behalve met de beroepservaring van de kandidaten en hun verbondenheid met de plaats waar het vacante notariskan- toor te begeven was, ook rekening hebben gehouden met andere beoordelingsele- menten. Zo wordt er op gewezen dat de tussenkomende partij van alle kandidaten de hoogste procentuele score heeft behaald voor het toegangsexamen tot kandidaat- notaris. In het benoemingsbesluit wordt bovendien vastgesteld “dat zij van alle kandidaten het best heeft gepresteerd door bijkomende opleidingen, behaalde graden, wetenschappelijke publicaties en uiteenzettingen, waardoor zij zich positief onderscheidt van andere kandidaten”. Ook in dat licht dient tot de afwezigheid van zichtbaar grotere aanspraken in hoofde van de verzoeker te worden besloten.
  36. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  37. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 31, 32, 44, §2, tweede lid, van de notariswet, van de materiële motiverings- plicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. IX-6019-23/34 De benoemende overheid heeft, aldus de verzoeker, minstens impliciet beslist geen notaris te benoemen te As en heeft aldus het aantal plaatsen in het gerechtelijk arrondissement Tongeren verminderd. Overeenkomstig artikel 32, eerste lid van de notariswet echter kan slechts worden overgegaan tot opheffing of vermindering van plaatsen in geval van overlijden, ontslag of afzetting. Voorts, zo betoogt hij verder, werd bij de benoeming van de notaris met standplaats te Lanaken rekening gehouden met de door de kandidaat uitgesproken voorkeur voor een bepaalde standplaats terwijl overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede lid van de notariswet bij de benoeming van een notaris slechts rekening mag gehouden worden met diens bekwaamheid en geschiktheid voor het uitoefenen van het ambt. Ten slotte voert hij aan dat de benoemende overheid op kennelijk onredelijke wijze van haar discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, door in strijd met de geest van artikel 32 van de notariswet en met de door hem eerder vastgestelde behoeften, de geschikte kandidaten voor de standplaatsen As, Genk, Dilsen-Stokkem en Lanaken zo te benoemen dat er uiteindelijk niemand te As kon worden benoemd terwijl de Koning bij de invulling van de standplaatsen een discretionaire bevoegdheid heeft die de redelijkheid tot grens heeft en die in behoorlijk gemotiveerde beslissingen moet worden vertolkt. In een toelichting bij het middel zet de verzoeker uiteen dat de door de benoemingscommissie gunstig gerangschikte kandidaten zo werden benoemd dat er uiteindelijk geen benoeming meer mogelijk was te As. Hoewel bij koninklijke besluiten van 27 april 2007 beslist werd het aantal notarissen in het gerechtelijk arrondissement Tongeren op 40 te brengen en door die besluiten een nieuwe standplaats gevestigd werd te As, heeft de benoemende overheid minstens impliciet beslist geen notaris te benoemen te As. Aldus werd minstens impliciet beslist tot de vermindering van het aantal plaatsen. Nochtans was er geen sprake van een overlijden, ontslag of afzetting, zodat met schending van artikel 32, eerste lid van de notariswet beslist werd tot opheffing of vermindering van plaatsen. Vervolgens stelt de verzoeker dat artikel 44, § 2, tweede lid van de notariswet bepaalt op grond van welke criteria de benoemingscommissie de rangschikking moet opmaken van de drie meest geschikte kandidaten. Die criteria mogen meer bepaald enkel betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid IX-6019-24/34 van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt van notaris. De voorkeur van een kandidaat voor een bepaalde standplaats is dus geen criterium dat door de benoemingscommissie in aanmerking mag worden genomen. A fortiori mag de benoemende overheid evenmin rekening houden met de voorkeur van een kandidaat. In deze zaak blijkt uit de wijze waarop de benoemingscommissie de kandidaten voor de vier kantoren heeft gerangschikt en uit de benoeming van mevrouw Knapen te Lanaken dat met de door haar uitgesproken voorkeur werd rekening gehouden. Zij werd immers door de benoemingscommissie voor elke standplaats als eerste gerangschikt maar te Lanaken benoemd. Aldus steunde de benoemende overheid haar beslissing op een criterium waar volgens de notariswet geen rekening mee mag worden gehouden. De beslissing steunt dus niet alleen op een onwettig motief, maar schendt bovendien artikel 44, § 2, tweede lid van de notariswet. Ten slotte betoogt de verzoeker, onder verwijzing naar het arrest Brandhof, nr. 45.560, van 30 december 1993, dat artikel 31 van de notariswet een geografisch evenwichtige spreiding van de standplaatsen van de notarissen beoogt. Bij koninklijke besluiten van 27 april 2007 werd vastgesteld dat er in het gerechte- lijk arrondissement Tongeren behoefte is aan 40 notarissen en dat er daarvan één zijn standplaats heeft te As. De benoemende overheid heeft op kennelijk onredelijke wijze van haar discretionaire bevoegdheid gebruik gemaakt, door in strijd met de geest van artikel 32 van de notariswet en de door haar vastgestelde behoeften, de geschikte kandidaten zo te benoemen dat er uiteindelijk niemand te As kon worden benoemd. De benoemende overheid had minstens rekening moeten houden met de feitelijke omstandigheden, meer bepaald met het feit dat door de benoeming van alle nuttig gerangschikte kandidaten voor de standplaats te As op andere standplaatsen er uiteindelijk geen notaris te As kon worden benoemd. Er waren dus bijzondere redenen om de toewijzing van de standplaatsen van de te benoemen notarissen van dichtbij te bekijken. Uit het administratief dossier blijkt evenwel niet dat de problematiek van de leefbaarheid en de geografische spreiding van de notariële standplaatsen in het arrondissement Tongeren bij de besluitvorming betrokken werd. De benoemende overheid heeft, gelet op die bijzondere omstandigheden, op een kennelijk onredelijke wijze van haar beleidsvrijheid gebruik gemaakt en afbreuk gedaan aan het zorgvuldigheidbeginsel, dat inhoudt dat de overheid slechts na een behoorlijk onderzoek van de zaak en met kennis van alle relevante gegevens mag beslissen. Had de benoemende overheid, zo besluit de verzoeker, dat beginsel geëerbiedigd, dan had zij de verzoeker tot notaris met standplaats te Lanaken kunnen benoemen. IX-6019-25/34
  38. De verwerende partij brengt vooreerst in herinnering dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de beweerde impliciete beslissing om in As geen kandidaat te benoemen. Ten gronde antwoordt zij dat, aangezien de meest geschikte kandidaten voor de standplaats te As elders werden benoemd, de benoemende overheid mocht beslissen om de vacante betrekking te As voorlopig niet in te vullen. Er kan dan ook niet worden ingezien op welke wijze de benoemende overheid haar beoordelingsvrijheid hierdoor kennelijk onredelijk heeft uitgeoefend. Die vaststelling geldt des te meer daar in het Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2008 reeds een nieuwe vacature voor de standplaats te As werd bekendgemaakt en een nieuwe benoemingsprocedure werd opgestart. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker voorhoudt, werd het aantal standplaatsen dan ook niet verminderd of afgeschaft. Artikel 32, tweede lid, van de notariswet is in onderhavig geval dan ook niet van toepassing. Vervolgens merkt de verwerende partij op dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoeker beweert, noch de benoemingscommissie noch de benoemende overheid de voorkeur die de tussenkomende partij heeft geuit voor de standplaats te Lanaken als een criterium heeft gehanteerd bij de beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten. Zoals uit het proces-verbaal van 11 januari 2008 blijkt, beoordeelde de benoemingscommissie de kandidaten uitsluitend op grond van volgende criteria : - uitslagen voor het examen van kandidaat-notaris; - ervaring; - gedegen financiële planning; - inzet binnen notariële organisaties en instellingen; - de band met de provincie Limburg. Op grond van die criteria rangschikte de benoemingscommissie de tussenkomende partij als meest geschikte kandidaat voor de standplaats te Lanaken. Ook voor de standplaatsen Genk, Dilsen-Stokkem en As werd de tussenkomende partij als eerste gerangschikt. Het is dan ook niet onlogisch dat een kandidaat die voor vier standplaatsen tegelijk als eerste wordt gerangschikt, een voorkeur uit voor een welbepaalde standplaats. De tussenkomende partij gaf tijdens de hoorzitting te kennen dat zij een voorkeur had voor Lanaken, nu zij thans op minder dan 10 kilometer werkzaam is van Lanaken en aldaar een groot cliënteel IX-6019-26/34 heeft opgebouwd. De benoemingscommissie gaf louter ten informatieve titel, en pas nadat de tussenkomende partij als eerste werd gerangschikt, aan de benoemende overheid te kennen dat zij bij voorkeur wenste benoemd te worden in Lanaken. Ook zonder voorkeur zou de tussenkomende partij als eerste zijn gerangschikt, zodat dit geenszins kan worden gekwalificeerd als een criterium op grond waarvan de benoemingscommissie of de benoemende overheid haar kandidatuur heeft beoordeeld.
  39. De tussenkomende partij wijst er eveneens op dat het middel niet ontvankelijk is in zover het de vermeende beslissing tot het niet-toewijzen van de standplaats te As tot voorwerp heeft. De annulatie van die beslissing kan de verzoeker geen voordeel verschaffen nu hij geen kandidaat was voor dat ambt en niets de overheid verplicht om de beschikbare mandaten derwijze onder de kandidaten te verdelen dat elke plaats onmiddellijk wordt ingevuld, en niets de overheid verbood om rekening te houden met de voorkeur van de tussenkomende partij om benoemd te worden in de standplaats te Lanaken. Het middel is, zo vervolgt de tussenkomende partij, bovendien ongegrond. De benoemende overheid heeft het aantal standplaatsen niet verminderd en er kan dus geen sprake zijn van een schending van de artikelen 31 en 32 van de notariswet. Bovendien rust op de benoemende overheid geen enkele rechtsplicht tot onmiddellijke benoeming van een notaris-titularis nu zij over een discretionaire bevoegdheid beschikt om al dan niet een notaris-titularis te benoemen. Niets kon de overheid beletten om de tussenkomende partij te benoemen in de standplaats te Lanaken. Zij was voor die standplaats immers als eerste gerangschikt, terwijl de verzoeker slechts als tweede was gerangschikt. De overheid diende bij haar beslissing over de vacature te Lanaken geen rekening te houden met andere lopende vacatures en met de rangschikking die voor die vacatures werd opgesteld. Elke vacature geeft immers aanleiding tot een afzonderlijke rangschikking en een afzonderlijke benoemingsbeslissing. Ook de bewering van de verzoeker als zou de benoemende overheid in strijd met artikel 44, § 2, van de notariswet de voorkeur van de kandidaten als criterium bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten hebben aangewend, houdt volgens de tussenkomende partij geen steek. IX-6019-27/34 De rangschikking van de kandidaten voor de diverse vacante mandaten is uitsluitend gebeurd op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaten. De voorkeur van de kandidaten voor deze of gene standplaats heeft geen enkele rol gespeeld bij de rangschikking van de kandidaten. De benoemingscommissie heeft in haar advies over de invulling van de standplaats te Lanaken weliswaar gewezen op de voorkeur van de kandidaten, maar dat gebeurde louter ten informatieve titel, en werd opgenomen als post scriptum op het einde van het verslag en niet bij de motivering van de rangschikking. De tussenkomende partij is voorts van oordeel dat de benoemende overheid wel degelijk rekening mocht houden met die voorkeur bij de invulling van de vacatures, ook als dit tot gevolg had dat er voor één notarisambt geen gerang- schikte kandidaat meer overbleef. De benoemende overheid werd immers geconfronteerd met het geval waar voor vier verschillende vacatures telkens dezelfde kandidaat unaniem als eerste werd gerangschikt. De notariswet behandelt deze hypothese niet en geeft geen enkele aanduiding omtrent de criteria die de overheid moet hanteren om in dergelijke situatie te beslissen op welke plaats de betrokkene dan uiteindelijk moet benoemd worden. De bevoegdheid van de overheid ter zake blijft dan ook discretionair. Het is niet ongebruikelijk en niet onredelijk dat de overheid in dergelijk geval rekening houdt met de uitgedrukte voorkeur van de betrokken kandidaat. Ten slotte stelt de tussenkomende partij dat zelfs aangenomen kan worden dat de overheid die voorkeur niet zomaar naast zich mag neerleggen. Men mag er immers van uitgaan dat, wanneer een kandidaat voor meerdere functies kandideert en ook al wordt hij voor alle functies even - en meest - geschikt bevonden, voor één daarvan een voorkeur uitdrukt, hij voor die functie meer dan voor andere functies gemotiveerd zal zijn, wat hem voor die functie meteen meer geschikt maakt dan voor de andere functies.
  40. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker vooreerst dat de criteria op grond waarvan de benoemingscommissie de rangschikking moet opmaken van de drie meest geschikte kandidaten enkel betrekking mogen hebben op de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten voor het ambt van notaris. De voorkeur van een kandidaat voor een bepaalde standplaats is dus geen criterium dat door de benoemingscommissie in aanmerking mag worden genomen. Volgens de verzoeker blijkt uit de wijze waarop de benoemingscommissie de kandidaten IX-6019-28/34 voor de vier kantoren heeft gerangschikt en uit de benoeming van de tussenkomende partij te Lanaken dat wel degelijk met de door haar uitgesproken voorkeur rekening werd gehouden. Verder wijst de verzoeker erop dat er voor de standplaats te As drie nuttig gerangschikte kandidaten waren. Hij blijft bij zijn standpunt dat de benoemende overheid dan ook op kennelijk onredelijke wijze van haar discretionai- re bevoegdheid heeft gebruik gemaakt, door in strijd met de geest van artikel 32 van de notariswet en met de eerder vastgestelde behoeften, de geschikte kandidaten zo te benoemen dat er uiteindelijk niemand te As kon worden benoemd. Beoordeling
  41. Zoals uit het feitenrelaas blijkt, werden voor de standplaats te As door de benoemingscommissie de volgende kandidaten gerangschikt : 1) Knapen, 2) Allard, 3) Seronvalle. Bij koninklijke besluiten van 18 juni 2008 werd Mia Knapen benoemd tot notaris met standplaats te Lanaken, Marc Allard tot notaris met standplaats te Dilsen-Stokkem, en Monique Seronvalle tot notaris met standplaats te Genk. Er kon dus geen kandidaat benoemd worden in de standplaats te As. Anders dan in het middel wordt aangevoerd, betekent zulks uiteraard niet dat de standplaats te As werd opgeheven of het aantal notarisplaatsen werd verminderd. Voor de vacante plaats van notaris te As werd trouwens in het Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2008 - dus kort na het bestreden besluit - een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt.
  42. Zoals bij randnummer 9 werd vastgesteld, vertoont het middel geen belang voor de verzoeker voor zover hij beoogt aan te tonen dat de tussen- komende partij moet benoemd worden te As. Het wordt dan ook slechts onderzocht in de mate dat de verzoeker poogt aan te tonen dat de tussenkomende partij niet mocht benoemd worden te Lanaken. IX-6019-29/34
  43. Uit het proces-verbaal van de vergadering van de benoemings- commissie van 11 januari 2008 blijkt dat de voorkeur van de kandidaten die voor verschillende standplaatsen hebben gekandideerd “louter ter informatieve titel” wordt vermeld, en zulks na de rangschikking van de kandidaten en de motivering ervan. De voorkeur van de kandidaten is bij het opmaken van de rangschikking van de kandidaten door de benoemingscommissie geen beoordelingscriterium geweest. Het staat derhalve vast dat de tussenkomende partij ook als eerste kandidaat voor de standplaats te Lanaken zou gerangschikt zijn, indien zij geen voorkeur voor die standplaats zou hebben uitgedrukt. Ook uit de motivering van het bestreden benoemingsbesluit blijkt niet dat de tussenkomende partij als de meest bekwame en geschikte kandidaat voor de benoeming tot notaris met standplaats te Lanaken werd beschouwd omdat zij haar voorkeur voor die standplaats te kennen gaf. De voorkeur voor een bepaalde standplaats is bij de vergelijking van de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaten geen beoordelingscriterium geweest.
  44. Aangezien de tussenkomende partij door de benoemingscommis- sie voor de vier vacante standplaatsen als eerste kandidaat was voorgedragen, heeft de benoemende overheid blijkbaar rekening gehouden met de voorkeur van de tussenkomende partij om tot notaris met standplaats te Lanaken benoemd te worden. De benoemende overheid handelt niet onwettig door op dit punt met de voorkeur van de tussenkomende partij rekening te houden.
  45. Wat het middelonderdeel betreft waar de verzoeker aanvoert dat door niemand te benoemen met standplaats As, afbreuk werd gedaan aan een evenwichtige spreiding van de notariskantoren over het gerechtelijk arrondissement die zou inhouden dat de verwerende partij geen standplaats vacant mag laten, voert de verzoeker in essentie aan dat de tussenkomende partij diende benoemd te worden te As. De verzoeker heeft bij dit middelonderdeel geen belang nu de verwerende partij vrijwel onmiddellijk na het thans bestreden benoemingsbesluit de vacature voor de benoeming van een notaris met standplaats te As opnieuw in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt en Bert Vrancken er heeft benoemd. IX-6019-30/34
  46. Het middel is deels onontvankelijk, deels niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  47. De verzoeker roept in een derde middel de schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de rechtsplicht tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten voor een benoeming. Het criterium van de voorkeur van de kandidaat werd enkel in acht genomen bij de beoordeling van de kandidatuur van de benoemde kandidaat en werd terzijde geschoven bij de beoordeling van de verzoeker terwijl de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten met dezelfde maat moeten worden gemeten. In een toelichting bij dit middel zet de verzoeker uiteen dat, indien bij de beoordeling van de kandidaten rekening wordt gehouden met de voorkeur van de kandidaten voor bepaalde standplaatsen, dit criterium op een consequente en gelijke wijze moet worden toegepast op alle kandidaten. Het criterium van de voorkeur van de kandidaat blijkt doorslagge- vend geweest te zijn tijdens de besluitvorming. Dit criterium werd evenwel niet toegepast bij de beoordeling van de kandidatuur van de verzoeker. Immers heeft de verzoeker door zich enkel kandidaat te stellen voor een benoeming te Lanaken, nog meer dan de benoemde kandidaat, een absolute voorkeur uitgesproken voor een benoeming op die standplaats. Echter werd wat de beoordeling van de titels en verdiensten van de verzoeker betreft, geen rekening gehouden met het criterium van de voorkeur.
  48. De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar haar antwoord op het tweede middel, dat noch de beoordelingscommissie, noch de benoemende overheid de voorkeur van de tussenkomende partij voor de standplaats te Lanaken als een criterium bij de beoordeling van haar kandidatuur hebben gehanteerd. De voorkeur voor de standplaats Lanaken werd door de tussenkomende partij pas geuit nadat zij door de beoordelingscommissie, op grond van een doorgedreven afweging van titels en verdiensten, als eerste werd gerangschikt. Niets belette de verzoeker bovendien om te postuleren voor verschillende standplaatsen IX-6019-31/34 in het arrondissement Tongeren, en vervolgens een welbepaalde voorkeur ter kennis te brengen aan de benoemingscommissie.
  49. De tussenkomende partij stelt, eveneens onder verwijzing naar haar antwoord op het tweede middel, dat het middel feitelijke grondslag mist omdat de benoemende overheid bij de beoordeling van geen enkele van de kandidaten rekening heeft gehouden met de voorkeur voor een bepaalde standplaats. De voorkeur van de kandidaten is enkel ter sprake gekomen nadat de kandidaturen reeds definitief waren beoordeeld en de rangschikking van de kandidaten werd vastgesteld. Vervolgens, zo merkt de tussenkomende partij op, bewijst de verzoeker nergens dat de overheid geen rekening zou hebben gehouden met zijn voorkeur voor de standplaats te Lanaken. Het enige wat onomstotelijk vaststaat is dat hij, ondanks zijn voorkeur voor de standplaats te Lanaken, niet op die post benoemd werd omdat de voorkeur uitging naar de eerste gerangschikte kandidaat. De tussenkomende partij merkt vervolgens op dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel nu het resultaat niet anders zou geweest zijn indien de overheid expliciet rekening had gehouden met zijn absolute voorkeur voor de standplaats te Lanaken. De overheid werd immers hoe dan ook geconfronteerd met twee kandidaten met een even absolute voorkeur voor dezelfde standplaats Lanaken. Zij zou in dat geval niet anders hebben kunnen handelen dan voorrang verlenen aan de eerst gerangschikte kandidaat. De benoemingscommissie heeft door de tussenkomende partij met eenparigheid als eerste te rangschikken onmiskenbaar haar duidelijke voorkeur laten blijken. De benoemende overheid had dan ook slechts op grond van zeer pertinente redenen een andere kandidaat kunnen benoemen. Nu dergelijke redenen in voorliggend geval duidelijk niet voorhanden zijn, zou de benoemende overheid, zelfs indien ze eveneens met de voorkeur van de verzoeker voor de standplaats te Lanaken rekening wilde houden, noodzakelijk de tussen- komende partij moeten benoemen. Ten slotte merkt de tussenkomende partij op dat niets de verzoeker kon beletten om zich voor meerdere standplaatsen kandidaat te stellen en daarbij een voorkeur te laten blijken voor een bepaalde standplaats. Door enkel te kandideren voor de standplaats die zijn absolute voorkeur wegdroeg, heeft hij zijn kansen op benoeming door eigen toedoen beperkt. IX-6019-32/34
  50. In zijn memorie van wederantwoord betwist de verzoeker dat het middel niet ontvankelijk zou zijn. Volgens de verzoeker neemt de tussenkomende partij ten onrechte aan dat indien de benoemende overheid rekening had gehouden met zijn absolute voorkeur voor de standplaats te Lanaken, zij geconfronteerd zou zijn geweest met twee kandidaten met een even absolute voorkeur voor de standplaats te Lanaken en niet anders zou gekund hebben dan voorrang te verlenen aan de tussenkomende partij. Deze exceptie mist echter volgens de verzoeker feitelijke grondslag omdat de tussenkomende partij zich kandidaat had gesteld voor vier standplaatsen, terwijl de verzoeker zich enkel kandidaat stelde voor de standplaats te Lanaken. De verzoeker heeft hierdoor, nog meer dan de benoemde kandidaat, een absolute voorkeur uitgesproken voor een benoeming op die standplaats. Mocht dit criterium op consequente wijze en op een gewogen manier toegepast geweest zijn, dan was dit in het voordeel van de verzoeker geweest en dan had de benoemende overheid hem in Lanaken moeten benoemen, zeker gelet op de concrete omstandigheden van de zaak waarbij, ingevolge de benoeming van de verzoeker te Lanaken, de tussenkomende partij te As kon worden benoemd, wat haar tweede keuze was vóór Genk en Dilsen-Stokkem. Beoordeling
  51. Het middel gaat er ten onrechte van uit dat de voorkeur van de kandidaten voor een bepaalde standplaats door de benoemingscommissie en de benoemende overheid werd aangewend als een criterium om de kandidatuur van de tussenkomende partij te beoordelen. Zoals uit de beoordeling van het tweede middel blijkt, heeft dat criterium evenwel bij de vergelijking van de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaten geen rol gespeeld. Er is dan ook geen grond om te stellen dat het criterium van de voorkeur voor een bepaalde standplaats ten opzichte van de kandidaten op ongelijke wijze zou zijn toegepast. Er valt trouwens ook niet in te zien hoe het gelijkheidsbeginsel zou kunnen inhouden dat wanneer twee kandidaten een voorkeur hebben voor dezelfde standplaats, de eerst gerangschikte kandidaat zou moeten wijken voor de minder goed gerangschikte kandidaat om de enkele reden dat de best gerangschikte kandidaat ook voor een andere standplaats gunstig werd gerangschikt. Het middel kan niet worden aangenomen. IX-6019-33/34 BESLISSING
  52. De Raad van State verwerpt het beroep.
  53. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6019-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.501 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.