← België

Arrest 205503 - Individuele akten (fiscaliteit) - 21/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.503 Rolnummer: A. 190106/IX-6100 Zaak: Arrest 205503 - Individuele akten (fiscaliteit) - 21/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:55 Fiche Arrest nr 205.503 van 21 juni 2010 Fiscaliteit - Individuele akten (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.503 van 21 juni 2010 in de zaak A. A.190.106/IX-6100 In zake : 1. Prosper DIERICK 2. Anita VAN ROYEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ivan Van Den Bossche kantoor houdend te Dendermonde Kerkstraat 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 oktober 2008, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 5 augustus 2008 van de Beroepscommissie onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen, houdende de weigering tot het verlenen van het onbeperkt uitstel van de invordering van de directe belastingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei 2010. IX-6100-1/22 Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ivan Van Den Bossche, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen dienen bij verzoekschrift van 5 december 2006 een aanvraag in tot onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastin- gen. Het bedrag waarvoor onbeperkt uitstel wordt gevraagd, bedraagt 62.639,56 euro en heeft betrekking op de aanslagjaren 1981, 1982, 1983, 1984, 1994 en 1995. 3.2. Bij brief van 11 december 2006 wordt aan de verzoekende partijen meegedeeld dat het verzoek tot onbeperkt uitstel is ontvangen en dat er een solvabiliteitsonderzoek zal worden ingesteld om hun vermogenssituatie na te gaan. De verzoekende partijen dienen een vragenlijst in te vullen, waarbij het verstrekken van foutieve inlichtingen zal leiden tot de weigering of de intrekking van de gunstmaatregel. De verzoekende partijen vullen de vragenlijst in en verklaren op 2 januari 2007 dat zij niet in staat zijn om op duurzame wijze de opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen, dat zij hun onvermogen niet kennelijk hebben bewerkstelligd, dat zij geen onjuiste of onvolledige informatie hebben verstrekt om het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen. Zij wijten hun onvermogen aan een raadgever, die hen niet deskundig bijstond. 3.3. De ontvanger van de directe belastingen te Dendermonde brengt op 23 februari 2007 een negatief advies uit wegens gebrek aan goede trouw in IX-6100-2/22 hoofde van de verzoekende partijen die hun vermogenstoestand minder rooskleurig voorstellen dan deze in werkelijkheid is. 3.4. De Gewestelijk directeur van de invorderingen, sector directe belastingen van Gent besluit op 27 september 2007 dat het verzoek niet kan worden ingewilligd omdat de verzoekende partijen de vakken “onroerende goederen” en “Bankrekening(

  1. en)en spaartegoeden” hebben doorgehaald, terwijl ze over minstens twee rekeningen beschikken en een aandeel hebben in een onverdeeld onroerend goed. Volgens de directeur bevinden de verzoekende partijen zich niet in een toestand waardoor zij niet in staat zijn om op duurzame wijze, hun opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen, gelet op het onroerend goed waarvan de verzoek- ster in onverdeeldheid eigenares is. De Gewestelijk directeur merkt eveneens op dat de administratie niet verantwoordelijk is voor nalatigheden of fouten begaan door derden, dat zij nooit een voorstel tot betaling hebben geformuleerd en dat zij zich steeds hebben verzet tegen invorderingsmaatregelen waardoor het gebrek aan vereffening van oude schulden aan hun eigen houding is te wijten. 3.5. De verzoekende partijen stellen conform artikel 413quinquies, § 2, WIB ’92 bij aangetekende brief van 27 oktober 2007 administratief beroep in tegen de beslissing van de Gewestelijk directeur bij de Beroepscommissie onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen (hierna: Beroepscommissie) waarbij ze punt voor punt de beslissing van de Gewestelijk directeur trachten te weerleggen. Aan de verzoekende partijen wordt bij brief van 8 januari 2008 meegedeeld dat het beroep door de Beroepscommissie zal worden behandeld op 21 januari 2008. Aan de verzoekende partijen wordt meegedeeld dat, indien zij dit wensen, zij gehoord kunnen worden op de zitting. Deze brief wordt eveneens verzonden naar de raadsman van de verzoekende partijen. De raadsman en de verzoeker worden op de zitting van 21 januari 2008 gehoord. De Beroepscommissie stelt tijdens deze zitting vast dat het administratief beroep ontvankelijk is, maar vraagt aan het secretariaat om alle bijkomende en nodige informatie op te vragen. Er wordt nog bijkomend onderzoek verricht. IX-6100-3/22 3.6. Het beroep wordt verder behandeld op de zitting van 5 augustus 2008 waarbij de Beroepscommissie het beroep unaniem verwerpt. De beslissing luidt als volgt: “Overwegende dat betrokkenen momenteel volgende aanslagen in de personenbelasting verschuldigd blijven: Ontvangkan- Aanslagjaar Kohierartikel Saldo in toor hoofdsom Dendermonde 1981 365.154 10.215,62 i Dendermonde 1982 3.707.209 5.398,38 i Dendermonde 1982 4.712.804 23.406,60 i Dendermonde 1983 5.710.650 18.061,87 i Dendermonde 1984 6.701.327 1.802,61 i Dendermonde 1994 900.073.385 1.087,24 i Dendermonde 1995 900.052.716 2.667,24 i Totaal 62.639,56 i Overwegende dat het totaalbedrag dient vermeerderd te worden met de op grond van artikel 414 WIB ’92 wettelijk verschuldigde nalatigheidinteresten en de alsnog verschuldigde vervolgingskosten; Overwegende dat de vervolgingskosten, omwille van hun bijzonder karakter (bedragen voorgeschoten door de administratie aan een gerechtsdeurwaarder of aan derden voor rekening van de Ontvanger), worden uitgesloten van het voordeel van het onbeperkt uitstel. Overwegende dat overeenkomstig artikel 413bis, § 2, WIB ’92, een verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering enkel ontvankelijk is voor zover : % de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevindt waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen; % de belastingplichtige geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering heeft verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek; Overwegende dat het onbeperkt uitstel van de invordering een bijzondere regeling is voor belastingplichtigen te goeder trouw die omwille van tegensla- gen, niet meer in staat zijn om op een duurzame wijze, hun fiscale schulden te betalen; Overwegende dat het onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen tegelijk ook de belastingschuldige, die ongelukkig en te goeder trouw is, een fresh start moet bieden, die hem in staat moet stellen opnieuw deel te nemen aan het maatschappelijk leven (Kamer, 2004-2005, Memorie van Toelichting, doc. 51 1437/001- 1438/001, p. 205 en 206); IX-6100-4/22 Overwegende dat er geen structureel financieel probleem is die de maatregel van een onbeperkt uitstel zou rechtvaardigen; Overwegende dat Mevrouw VAN ROYEN immers eigenaar in onverdeeld- heid is van een onroerend goed gelegen te 9200 Dendermonde, Lambroeck- straat 74; Overwegende dat op verzoek van de bevoegde Ontvanger ter vrijwaring van de rechten van de Schatkist de wettelijke hypotheek op het aandeel van betrokkene is ingeschreven en bij toepassing van artikel 882, Burgerlijk Wetboek, verzet tegen verdeling aan de andere deelgenoten kenbaar is gemaakt; Overwegende dat het verlenen van het onbeperkt uitstel er aldus zou op neerkomen dat de Administratie verzaakt aan de gewaarborgde betaling van haar schuldvordering; Overwegende dat verzoekers bijgevolg niet voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel 413bis, § 2, WIB ’92; Overwegende dat betrokkenen bovendien, in de door hen op 01 januari 2007 ondertekende vragenlijst inzake het onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen, nagelaten hebben melding te maken van dit onroerend goed; Overwegende dat zij aldus onjuiste en onvolledige informatie hebben verstrekt om het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen; Overwegende dat dit gegeven trouwens kan gestaafd worden door het feit dat betrokkenen, in dezelfde vragenlijst, vermelden geen titularis te zijn van enige financiële bankrekening, terwijl daarentegen de Heer Dierick titularis is van de zichtrekening 733-0142658-11, Mevrouw Van Royen titularis is van de financiële rekening 880-5664571-12 en zij samen titularis zijn van de financiële rekening 652-0969806-82; Overwegende dat op grond van artikel 4l3septies, WIB ’92, de belasting- schuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering verliest wanneer hij onder andere onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen, zodat moet aangenomen worden dat dit tevens aanleiding kan geven tot het verwerpen van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen; Overwegende dat de overwegingen van de Gewestelijk directeur in de bestreden beslissing pertinent zijn. OM DEZE REDENEN, HEEFT DE BEROEPSCOMMISSIE ONBEPERKT UITSTEL VAN DE INVORDERING VAN DIRECTE BELASTINGEN IN HAAR ZITTING VAN 05 AUGUSTUS 2008 BESLOTEN: Het beroep te verwerpen en de beslissing van de Gewestelijk directeur Invordering te Gent d.d. 27 september 2007, referte 26/11/06/11.353, te bekrachtigen.” IX-6100-5/22 3.7. Dit is de bestreden beslissing die bij brief van 5 september 2008 aan de verzoekende partijen wordt meegedeeld. Deze brief en de bestreden beslissing, werd eveneens aan de raadsman van de verzoekende partijen meege- deeld. IV. Wettelijk kader: wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB ’92) 4. Afdeling IVbis. - Onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen. “Art. 413bis. § 1. Op het verzoek van een belastingschuldige, natuurlijke persoon, of van zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevor- derd, kan de directeur der belastingen het onbeperkt uitstel van de invordering van de ten laste van de belastingschuldige gevestigde inkomstenbelastingen in hoofdsom, de belastingverhogingen, de boeten en interesten, met uitsluiting van de voorheffingen verlenen. De directeur der belastingen stelt de voorwaarden waaronder hij, geheel of gedeeltelijk, het onbeperkt uitstel van de invordering verleent van een of meerdere aanslagen. Hij verbindt zijn beslissing aan de voorwaarde dat de verzoeker onmiddellijk of gespreid een betaling doet van een som die bestemd is om te worden aangewend op de verschuldigde belastingen en waarvan het bedrag door hem wordt bepaald. Het onbeperkt uitstel van de invordering van de directe belastingen zal slechts uitwerking hebben na de betaling van de in het tweede lid vermelde som. § 2. Het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering is enkel ontvan- kelijk voor zover : 1/ de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevindt waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen; 2/ de belastingplichtige geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering heeft verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. § 3. Het onbeperkt uitstel van de invordering kan eveneens ambtshalve worden verleend aan de belastingschuldige, onder de voorwaarden bedoeld in de §§ 1 en 2, op voorstel van de ambtenaar belast met de invordering. § 4. Onverminderd artikel 410, derde lid, kan de directeur der belastingen geen onbeperkt uitstel van de invordering verlenen voor betwiste belastingen of voor belastingen waarvoor nog een bezwaar of een vordering in rechte kan worden ingediend, noch voor belastingen of aanvullende belastingen gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude, noch in geval van samenloop van schuldeisers. Art. 413ter. § 1. Het verzoek tot uitstel moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen bevatten met betrekking tot de toestand van de verzoeker. IX-6100-6/22 § 2. Het wordt bij ter post aangetekende brief ingediend bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd zijn woonplaats heeft. § 3. Er wordt een ontvangstbewijs van uitgereikt aan de verzoeker met vermelding van de datum van ontvangst van het verzoek. Art. 413quater. De behandeling van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering wordt toevertrouwd aan de ambtenaar belast met de invordering. Teneinde de behandeling van het verzoek te verzekeren, beschikt deze ambtenaar over de onderzoeksbevoegdheden zoals bedoeld in artikel 319bis. In het kader van deze behandeling, kan hij met name van de kredietinstel- lingen, die onderworpen zijn aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, alle hen gekende inlichtingen eisen die nuttig kunnen zijn teneinde de vermogenssituatie van de verzoeker te bepalen. Art. 413quinquies. § 1. De directeur der belastingen doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de zes maanden na de ontvangst van het verzoek. Zijn beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker bij ter post aangetekende brief. § 2. Ze kan, binnen de maand van de kennisgeving, het voorwerp uitmaken van een beroep bij een commissie samengesteld uit ten minste twee en ten hoogste vier directeurs der belastingen aangewezen door de minister die de Financiën onder zijn bevoegdheden heeft, onder het voorzitterschap van de ambtenaar die de leiding heeft over de diensten belast met de invordering van de inkomstenbelastingen, of zijn afgevaardigde. Er wordt een ontvangstbewijs van uitgereikt aan de eiser met vermelding van de datum van ontvangst van het beroep. De commissie doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep. De beslissing van de commissie is niet vatbaar voor beroep. Ze wordt ter kennis gebracht van de eiser per aangetekende brief. Art. 413sexies. De indiening van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering schorst alle middelen van tenuitvoerleg- ging tot op de dag dat de beslissing van de directeur definitief is geworden of, in het geval van beroep, tot op de dag van de kennisgeving van de beslissing van de commissie bedoeld in artikel 413quater. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking. Het indienen van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering doet echter geen afbreuk aan andere maatregelen welke ertoe strekken de invordering van de belastingen te waarborgen, noch aan de betekening van een dwangbevel teneinde de verjaring te stuiten. Art. 413septies. De belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd verliest het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering wanneer hetzij : 1/ hij onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen; 2/ hij de door de directeur der belastingen in zijn beslissing vastgestelde voorwaarden niet eerbiedigt; 3/ hij onrechtmatig zijn passief heeft verhoogd of zijn actief heeft verminderd; 4/ hij zijn onvermogen heeft bewerkt. IX-6100-7/22 Art. 413octies. De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden voor de artikelen 413bis tot 413sexies. Hij kan met name de objectieve voorwaarden bepalen voor het vaststellen van de som die moet worden betaald door de verzoeker, zoals bedoeld in artikel 413bis, § 1.” V. Rechtsmacht van de Raad van State: ambtshalve onderzoek 5. De Raad van State is niet bevoegd wanneer de wetgever in een beroep voorzien heeft bij de justitiële rechter. Dit is het geval, wanneer het gaat over geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, zoals blijkt uit randnummer 6. 6. Bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, in werking getreden op 6 april 1999 werd artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek als volgt aangevuld: “Art. 569. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis (...) 32/ van geschillen betreffende de toepassing van een belastingswet.” Deze bepaling is zeer algemeen. De bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg is niet louter beperkt tot de geschillen over inning van belastingen. De wetgever heeft bepaald dat elk geschil dat betrekking heeft op de toepassing van een belastingswet in de meest ruime zin aan de rechtbanken wordt toevertrouwd. In de memorie van toelichting (Parl. St. Kamer 1997-’98, nrs. 1341-1342, p. 35) bij de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken wordt omtrent artikel 569, 32/, van het Gerechtelijk Wetboek het volgende vermeld: “Dit artikel maakt de kern uit van de voorgestelde hervorming : integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. De terminologie werd ontleend aan artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek. ‘Belastingwet’ moet, zoals van oudsher wordt aangenomen voor de toepassing van voornoemd artikel, in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening. Het gebruik van de notie ‘geschillen over de toepassing van een belastingswet’ als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingsnorm.” IX-6100-8/22 7. Weliswaar bepaalt artikel 413quinquies, § 2, vierde lid, WIB ’92 dat de beslissing van de commissie die uitspraak doet over het beroep, niet vatbaar is voor beroep. Volgens de afdeling wetgeving van de Raad van State houdt deze bepaling niet in dat de beslissing van de Beroepscommissie niet onder de rechtsmacht van de Raad van State zou vallen. Zo staat in het advies te lezen: “5. Bij het ontworpen artikel 413quinquies, § 2, wordt een administratief beroep ingevoerd. In het vierde lid van de voormelde bepaling wordt gesteld ‘dat de beslissing van de commissie ... niet vatbaar (
  2. is)voor beroep’. Deze tekst mag niet worden beschouwd als een afwijking van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.” (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 1437/2, p. 622). Gelet op de opmerkingen van de Raad van State, afdeling wetgeving wordt in de memorie van toelichting uitdrukkelijk aangegeven dat tegen de beslissing van de Beroepscommissie annulatieberoep bij de Raad van State openstaat: “Het ontworpen artikel 413quinquies, § 2, vierde lid, heeft niet de bedoeling af te wijken van de bepalingen van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit heeft tot gevolg dat de beslissing van de commissie vatbaar is voor een beroep bij de Raad van State.” (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 1437/1, p. 210). Bijgevolg moet worden aangenomen dat de Raad van State de rechtsmacht heeft om van het geschil kennis te nemen. VI. Kwalificatie van het beroep 8. De verzoekende partijen gaan er in hun verzoekschrift van uit dat de Beroepscommissie een administratief rechtscollege is en de verwerende partij werpt desbetreffend een exceptie van niet ontvankelijkheid op, omdat de beschik- king van toelaatbaarheid van het cassatieberoep ontbreekt. Beoordeling Een administratief rechtscollege kan worden omschreven als een door de wet ingesteld orgaan dat met de publiekrechtelijke taak van rechtspraak is IX-6100-9/22 belast. Of dit de wil is van de wetgever, valt direct of soms indirect uit de tekst af te leiden. De wil van de wetgever kan afgeleid worden uit andere gegevens dan de wettekst, zoals uit de parlementaire voorbereiding van de wet of aan de hand van een aantal criteria, waaraan niet steeds eenzelfde belang kan worden gehecht en die in hun samenhang moeten worden gezien om tot een kwalificatie te komen. Zo komen de volgende criteria in aanmerking: de organisatie en samenstelling van het betrokken orgaan - magistraten en personen die niet door hun gelijken worden verkozen - de procedurevoorschriften die door het betrokken orgaan moeten worden nageleefd, onder meer inzake de mogelijkheid van tegenspraak, de openbaarheid van de terechtzitting en de uitspraak, de verplichting om te beslissen en om de beslissing met redenen te omkleden. Een administratieve jurisdictionele beslissing kan geen algemene en als regel geldende beschikking uitmaken en een administra- tief rechtscollege beperkt zich in principe tot het nagaan of de toepasselijke rechtsregels werden nageleefd. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de Beroepscommis- sie onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen, uitspraak doet over een georganiseerd administratief beroep, ingesteld tegen de beslissing van de directeur van de belastingen en hiervan niet als een rechtscollege kennis neemt. Zo verklaarde de minister in het parlement: “Om ontvankelijk te zijn, moet het verzoek om uitstel voldoen aan bepaalde voorwaarden die zijn vastgesteld in het nieuwe artikel 413bis, § 2, van het WIB ’92. De verzoeker wordt van de beslissing van de directeur der belastingen in kennis gesteld en kan administratief beroep aantekenen bij een speciaal daartoe samengestelde commissie. Tegen de beslissing van de commissie kan dan weer beroep worden ingesteld bij de Raad van State. Het gaat om een administratieve beslissing die niet voor de hoven en rechtbanken kan worden aangevochten.” (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 1437/27, p. 32). Daarenboven wijzen de volgende elementen erop dat de Beroepscommissie geen administratief rechtscollege is. In de Beroepscommissie zetelen geen magistraten, maar enkel directeuren van de belasting. Er wordt in de wet niet voorzien in regels die omstandig de procedure regelen waaronder de tegenspraak en de openbaarheid van de terechtzitting en de uitspraak. Het verzoekschrift beroept zich bijgevolg ten onrechte op artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarbij de Raad als cassatierechter, kennis neemt van in laatste aanleg door administratieve rechtscolleges gewezen beslissingen. IX-6100-10/22 De voorliggende zaak dient dan ook overeenkomstig artikel 14, § 1, te worden behandeld en de exceptie van de verwerende partij wordt verworpen. VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 9. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 413bis van het WIB ’92 en van artikel 413septies van hetzelfde wetboek. De verzoekende partijen voeren aan dat zij zich bevinden in een toestand waarin zij niet in staat zijn om, op duurzame wijze, hun opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en zij hebben niet hun onvermogen bewerkstelligd. Zij voegen daaraan toe dat zij geen beslissing tot onbeperkt uitstel hebben verkregen in de periode van vijf jaar voorafgaand aan hun aanvraag. Bijgevolg besluiten zij dat zij in aanmerking komen voor een onbeperkt uitstel. Zij preciseren in dit verband dat zij niet bij machte zijn hun opeisbare belastingschulden ten bedrage van i 62.639, 56 te betalen. Zij verwijzen tevens naar de naakte eigendom van een aandeel in een onverdeeld onroerend goed dat de verzoekster heeft geërfd en naar het bestaan van drie bankrekeningen met een uiterst beperkt positief saldo. Vervolgens analyseren zij de bestreden beslissing, die volgens hen artikel 413bis van het WIB ’92 niet op correcte wijze toepast doordat zij een voorwaarde aan dit artikel toevoegt, met name de vereiste van de goede trouw. De bestreden beslissing overweegt ondermeer dat de verzoekende partijen te kwader trouw zijn, door het verzwijgen van het bestaan van voornoemde rekeningen en van het voormeld aandeel in het onverdeeld onroerend goed. IX-6100-11/22 De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat minstens artikel 413septies van het WIB ’92 werd geschonden door de sanctie van de intrekking uit te breiden. Volgens de verzoekende partijen voorziet dit artikel in de intrekking van de beslissing indien later blijkt dat onjuiste informatie werd verstrekt. De wet voorziet niet in een weigeringsgrond indien onjuiste informatie wordt verstrekt. De wetgever heeft, aldus de verzoekende partijen, om dit te vermijden, immers voorzien in een uitgebreide onderzoeksbevoegdheid van de Gewestelijk ambtenaar. 10. In haar memorie van antwoord antwoordt de verwerende partij dat de verzoekende partijen terecht stellen dat artikel 413bis, § 2, van het WIB ’92 twee voorwaarden stelt voor het toekennen van het voordeel onbeperkt uitstel van de invordering. Vervolgens citeert de verwerende partij de volgende passus van de aangevochten bestreden beslissing, betreffende de in artikel 413bis, § 2, 1/, van het WIB ’92 gestelde voorwaarde dat de aanvragers zich in een toestand moeten bevinden waarin zij niet in staat zijn om op duurzame wijze hun fiscale schulden te voldoen: “ (...) Overwegende dat er geen structureel financieel probleem is die de maatregel van een onbeperkt uitstel zou rechtvaardigen; Overwegende dat Mevrouw VAN ROYEN immers eigenaar in onverdeeld- heid is van een onroerend goed gelegen te 9200 Dendermonde, Lambroeck- straat 74; Overwegende dat op verzoek van de bevoegde Ontvanger ter vrijwaring van de rechten van de Schatkist de wettelijke hypotheek op het aandeel van betrokkene is ingeschreven en bij toepassing van artikel 882, Burgerlijk Wetboek, verzet tegen verdeling aan de andere deelgenoten kenbaar is gemaakt; Overwegende dat het verlenen van het onbeperkt uitstel er aldus zou op neerkomen dat de Administratie verzaakt aan de gewaarborgde betaling van haar schuldvordering; Overwegende dat verzoekers bijgevolg niet voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel 413bis, § 2, WIB 92; (...).” De verwerende partij leidt hieruit af dat de aanvraag afgewezen werd omdat er geen duurzaam financieel probleem is die de maatregel van het onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen zou rechtvaardigen, vermits tweede verzoekster mede-eigenares is van een onroerend goed dat te gelde IX-6100-12/22 kan gemaakt worden met het oog op de delging van de fiscale schulden. De verzoekende partijen bevinden zich derhalve niet in “de situatie waarin (zij) niet in staat (zijn) om, op duurzame wijze, (hun) opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen”. Bijgevolg, aldus de verwerende partij, geeft de aangevochten beslissing concreet de redenen aan waarom aan de voorwaarden gesteld in artikel 413bis, § 2, 1/, van het WIB ’92 niet is voldaan. Op dit punt wordt, aldus de verwerende partij, de beslissing niet bekritiseerd door de verzoekende partijen. Daarnaast worden, aldus de verwerende partij, in de aangevochten akte, na de vermelding van de eigenlijke beslissing en de motieven waarop ze is gesteund, nog subsidiaire overwegingen geformuleerd. Deze bijkomende over- wegingen zijn visueel duidelijk van de hoofdbeslissing afgescheiden en luiden als volgt: “Overwegende dat verzoekers bijgevolg niet voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel 413bis, § 2, WIB ’92; Overwegende dat betrokkenen bovendien, in de door hen op 01 januari 2007 ondertekende vragenlijst inzake het onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen, nagelaten hebben melding te maken van dit onroerend goed; Overwegende dat zij aldus onjuiste en onvolledige informatie hebben verstrekt om het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen; Overwegende dat dit gegeven trouwens kan gestaafd worden door het feit dat betrokkenen, in dezelfde vragenlijst, vermelden geen titularis te zijn van enige financiële bankrekening, terwijl daarentegen de Heer Dierick titularis is van de zichtrekening 733-0142658-11, Mevrouw Van Royen titularis is van de financiële rekening 880-5664571-12 en zij samen titularis zijn van de financiële rekening 652-0969806-82; Overwegende dat op grond van artikel 413septies, 1/, WIB ’92, de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering verliest wanneer hij onder andere onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen, zodat moet aangenomen worden dat dit tevens aanleiding kan geven tot het verwerpen van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen.” De verwerende partij voegt hieraan toe dat tegen deze bijkomende overwegingen het eerste onderdeel van het eerste middel is gericht. Deze subsidiaire overwegingen van de Beroepscommissie dragen de hier aangevochten beslissing IX-6100-13/22 niet, zodat het niet dienend is of zij al dan niet regelmatig geformuleerd werden. Zelfs al zouden deze overwegingen niet pertinent zijn, dan nog kan deze vaststelling niet leiden tot de vernietiging van de hier aangevochten beslissing, omdat de bestreden beslissing is gesteund op de vaststelling dat niet voldaan is aan de ontvankelijkheidsvoorwaarde bepaald door artikel 413bis, § 2, 1/, van het WIB ’92. Bijgevolg is het eerste middel volgens de verwerende partij ongegrond. 11. In hun memorie van wederantwoord en in hun laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar de inhoud van hun verzoekschrift die zij integraal hernemen. Beoordeling 12. De verzoekende partijen roepen de schending in van de artikelen 413bis en 413septies WIB ’92. 13. De programmawet van 27 december 2004 heeft aan de belasting- administratie de bevoegdheid gegeven om onbeperkt uitstel te verlenen van de invordering van de directe belastingschulden ten voordele van natuurlijke personen die duurzame betalingsmoeilijkheden hebben. Het verlenen van het onbeperkt uitstel heeft een dubbele doelstelling. Deze maatregel laat aan de belastingplichtige die ongelukkig en te goeder trouw is, toe om een nieuwe start te nemen waarbij hij wordt aangemoedigd zich te onttrekken aan zijn moeilijke situatie. De Staat wordt anderzijds als schuldeiser verzekerd om een deel van de schuldvordering in ontvangst te nemen. ( Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 1437/001, p. 209). De begunstigde kan pas van het onbeperkt uitstel genieten als hij de voorwaarde heeft nageleefd bestaande uit de betaling van het door de directeur vastgestelde bedrag. De wet voorziet in een ontvankelijkheids- en een gegrondheids- fase. Artikel 413bis, § 2, WIB ’92 bepaalt dat het verzoek tot onbeperkt uitstel enkel IX-6100-14/22 ontvankelijk is, indien is voldaan aan twee voorwaarden. Ten eerste moet de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevinden waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen. Deze ontvankelijkheidsvereiste laat aan de bevoegde administratie een appreciatiemarge toe. Ten tweede mag de belasting- plichtige verzoeker geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering hebben verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. De parlementaire voorbereiding bevestigt dat de bevoegdheid om onbeperkt uitstel te verlenen van de directe belastingschulden zeer uitzonderlijk is en spreekt in dit verband over een “buitengewone gunstmaatregel”. Doordat het verlenen van een onbeperkt uitstel een gunst is, kan de directeur der belastingen, respectievelijk de Beroepscommissie het verzoek inwilligen, zonder echter daartoe verplicht te zijn. De belastingadministra- tie beschikt over een discretionaire beoordelingsmarge. Het komt de Raad van State niet toe om zich in de plaats te stellen van de administratie bij de beoordeling van de motieven om dit onbeperkt uitstel al dan niet toe te staan. Hij kan wel nagaan of de beoordeling van de overheid steunt op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven en of die beoordeling binnen de grenzen van de redelijkheid blijft. 14. De verwerende partij is in de bestreden beslissing van oordeel dat er geen structureel financieel probleem is die de maatregel van onbeperkt uitstel zou rechtvaardigen. In de bestreden beslissing wordt gewezen op het feit dat de verzoekster eigenares in onverdeeldheid is van een onroerend goed gelegen te Dendermonde. De schatkist heeft een wettelijke hypotheek op het aandeel van de betrokkene en een onbeperkt uitstel zou neerkomen op een verzaking door de administratie aan de gewaarborgde betaling van haar schuldvordering. Het komt, gelet op zijn marginale toetsingsbevoegdheid en op het uitzonderlijk karakter van deze gunstmaatregel, niet aan de Raad van State toe, om te oordelen of de verzoekende partijen wel of niet in staat zijn om op duurzame wijze de belasting- schulden te betalen. Door te beweren dat zij niet in staat zijn om dit te doen, tonen de verzoekende partijen de onwettigheid niet aan van de bestreden beslissing. Door te oordelen dat niet aan één van de ontvankelijkheidsvereis- ten is voldaan, kan het verzoek tot onbeperkt uitstel niet worden ingewilligd. Dit volstaat om het verzoek te verwerpen. 15. De kritiek die de verzoekende partijen hebben op de andere motieven, zijnde het toevoegen van de voorwaarde van de goede trouw en de IX-6100-15/22 onterechte beoordeling dat zij te kwader trouw zijn, heeft betrekking op de gegrondheid van de aanvraag. Dit is een kritiek op een overtollig motief, aangezien de verwerende partij geoordeeld heeft dat de aanvraag niet-ontvankelijk is. De kritiek die de verzoekende partijen op deze overtollige motieven uitoefenen, kan niet tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden en is derhalve onontvank- elijk, bij gebrek aan belang. De verzoekende partijen betwisten niet dat het invulformulier, aan hen toegestuurd bij brief van 11 december 2006, niet correct was ingevuld door onder de rubrieken “onroerend(
  3. e)goed(eren)” en “bankrekening(
  4. en)en spaartegoe- den” “nihil” in te vullen. In de begeleidende brief worden de verzoekende partijen op de hoogte gebracht dat het verstrekken van foutieve inlichtingen tot de weigering of intrekking van de gunstmaatregel zal leiden. Ten overvloede stelt de Raad van State vast dat, gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij, om het voordeel al dan niet toe te kennen en gelet op artikel 413septies, 1/, WIB ’92 dat bepaalt dat de belastingplichtige of zijn echtgenote op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, het voordeel verliest van het onbeperkt uitstel wanneer onjuiste informatie wordt verstrekt om het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen, door de verwerende partij in aanmerking kan worden genomen als motief om het voordeel van het onbeperkt uitstel aan de verzoekende partijen te weigeren. 16. Het eerste middel kan niet worden aangenomen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 17. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6 van het EVRM van artikel 149 van de Grondwet en van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de formele motivering. Zij adstrueren dit middel als volgt. IX-6100-16/22 De Beroepscommissie onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen is een administratief rechtscollege. Als administratief rechtscol- lege is het een orgaan met een jurisdictionele bevoegdheid. Eén van de meest fundamentele verschillen tussen administratieve dan wel jurisdictionele beslissin- gen, ligt in de formele motiveringsverplichting. Rechtscolleges moeten immers alle opgeworpen middelen beantwoorden en uit de motivering van hun beslissing moet blijken dat de door de diverse argumenten van partijen gestaafde middelen zijn onderzocht. De bestreden beslissing heeft het voornamelijk over het feit dat de verzoekende partijen het stilzwijgen hebben bewaard over een aandeel in een onverdeeld onroerend goed. Het is echter zo dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift gericht aan de Beroepscommissie hebben voorgesteld “een akte van verzaking te ondertekenen waarbij zij verklaren afstand te doen van de gelden voortvloeiende uit de verkoop van hoger genoemde woning en dit ten voordele van de Staat.” De formele motiveringsverplichting wordt geschonden doordat uit de bestreden beslissing op onvoldoende wijze blijkt of de Beroepscommissie met dit argument rekening heeft gehouden. 18. In de memorie van antwoord schrijft de verwerende partij in essentie wat volgt. Ongeacht het antwoord op de vraag of een jurisdictioneel orgaan kan ingaan op een éénzijdig voorstel tot regeling van het geschil dat uitgaat van één partij, mist dit middel feitelijke grondslag. In de hier aangevochten beslissing antwoordt de Beroepscommis- sie onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen als volgt op het voorstel van de verzoekende partijen: “(...) Overwegende dat Mevrouw VAN ROYEN immers eigenaar in onverdeeldheid is van een onroerend goed gelegen te 9200 Dendermonde, Lambroeckstraat 74; Overwegende dat op verzoek van de bevoegde Ontvanger ter vrijwaring van de rechten van de Schatkist de wettelijke hypotheek op het aandeel van betrokkene is ingeschreven en bij toepassing van artikel 882, Burgerlijk Wetboek, verzet tegen verdeling aan de andere deelgenoten kenbaar is gemaakt; IX-6100-17/22 Overwegende dat het verlenen van het onbeperkt uitstel er aldus zou op neerkomen dat de Administratie verzaakt aan de gewaarborgde betaling van haar schuldvordering; (...).” Artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt het volgende: “Schuldeisers van een deelgenoot kunnen, om te beletten dat de verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt; zij hebben het recht op eigen kosten in de verdeling tussen te komen; tegen een voltrokken verdeling echter kunnen zij niet opkomen, behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met miskenning van een door hen gedaan verzet.” Met toepassing van dit artikel kan de schuldeiser die zich verzet, aanwezig zijn bij de verdeling van het onroerend goed om te beletten dat zijn rechten bedrieglijk worden benadeeld. Het voorstel van de verzoekende partijen om een “akte van verzaking te ondertekenen waarbij zij verklaren afstand te doen van de gelden voortvloeiende uit de verkoop van hoger genoemde woning en dit ten voordele van de Staat” betekent dat afstand wordt gedaan van de opbrengst maar ook dat de verdeling en tegeldemaking van het onroerend goed buiten de aanwezigheid van de fiscus als schuldeiser zal geschieden. De fiscus zal als schuldeiser nadien niet meer kunnen opkomen tegen de gedane verdeling. Het is duidelijk dat het voorstel van de verzoekende partijen afbreuk doet aan de waarborgen van de fiscus als schuldeiser. Dit is precies de reden die de Beroepscommissie onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen heeft vermeld in de hier aangevochten beslissing om niet in te gaan op het voorstel van de verzoekende partijen. Uit de hier aangevochten beslissing blijkt duidelijk dat de Beroepscommissie onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen rekening heeft gehouden met het door de verzoekende partijen geformuleerd voorstel en dat er formeel op geantwoord werd. Bijgevolg is, volgens de verwerende partij, het tweede middel ongegrond. 19. De verzoekende partijen hernemen in hun memorie van wederantwoord de inhoud van hun verzoekschrift en voegen daar in ondergeschikte orde het volgende aan toe. IX-6100-18/22 Ondergeschikt, mocht Uw Raad “per impossibile” niet aanvaarden dat de formele motiveringsverplichting werd geschonden, dient minstens vastgesteld dat de materiële motiveringsverplichting werd geschonden. In de optiek dat de formele motieven kenbaar zijn aan de verzoekende partijen, quod non, betekent dit dat de beslissing werd gesteund (zoals verweerster voorhoudt) op de overweging dat tweede verzoekster onverdeeld eigenaar is van een onroerend goed. Het feit dat tweede verzoekster onverdeeld eigenares is van een onroerend goed doet de Beroepscommissie ertoe besluiten dat het voor de verzoekende partijen ipso facto niet onmogelijk is om hun schulden op duurzame wijze te betalen. De verzoekende partijen hebben op heden een belastingschuld van i 62.639,56 in hoofdsom, te vermeerderen met interesten en kosten. De waarde van het onroerend goed bedraagt i 110.000. Voor het overige hebben de verzoekende partijen geen middelen. De financiële rekeningen kennen geen noemenswaardig positief saldo. Komt daarbij dat het onroerend goed onverdeeld in eigendom is van de mede-erfgenamen en dat het slechts gaat om de naakte eigendom. De bestreden beslissing berust dus op foutieve motieven. Ten eerste blijkt nergens of de waarde van het onroerend goed in voldoende mate in overweging werd genomen. Men geeft niet aan hoeveel mede-eigenaars er zijn en wat het concrete aandeel van tweede verzoekster daarin is. De waarde van het onroerend goed mag dan wel op i 110.000 worden geschat. Indien er tien eigenaars zijn, blijft van de i 110.000 maar i 11.000 over. De bestreden beslissing gaat hier volledig aan voorbij. Bovendien betreft het de naakte eigendom. Ten tweede is het ook zo dat tweede verzoekster deze onverdeelde eigendom heeft verworven ingevolge een erfenis. De eigendom behoort dan ook niet tot het gemeenschappelijk huwelijksvermogen. IX-6100-19/22 De openstaande belastingschulden betreffen schulden die wel behoren tot het gemeenschappelijk vermogen. Het zijn immers belastingen die werden ingekohierd na het huwelijk. Er kan dan ook geen rekening worden gehouden met voornoemd onroerend goed. Beoordeling 20. De verzoekende partijen roepen in het verzoekschrift de schending in van artikel 6 EVRM, van artikel 149 van de Grondwet en van het algemeen rechtsbeginsel van de formele motivering. De verzoekende partijen stellen ten onrechte dat de Beroepscom- missie een administratief rechtscollege is. Zoals hiervoor geanalyseerd werd, in de uiteenzetting over de rechtsmacht van de Raad van State, is de Beroepscommissie geen administratief rechtscollege, maar een orgaan van actief bestuur (cfr. randnummers 5-8). Bijgevolg is artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing. Dit artikel heeft het enkel over de motivering van vonnissen en niet over de motivering van bestuurshandelingen. Evenmin kan de schending van artikel 6 EVRM worden ingeroepen. Daargelaten de vraag of artikel 6 EVRM van toepassing is op onderhavige procedure, wordt vastgesteld dat de waarborgen van artikel 6, § 1, EVRM niet van toepassing zijn op de administratieve procedures waartegen beroep openstaat bij een rechterlijke instantie, die aan de vereisten van artikel 6, § 1, EVRM voldoet, zoals de Raad van State. 21. Er bestaat een algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur van (materiële) motivering, maar niet een algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur van formele motivering. Bijgevolg is dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk. 22. In de memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen voor het eerst de schending aan van de materiële motiveringsplicht. Daarin stellen ze dat de bestreden beslissing op foutieve motieven berust omdat de waarde van het aandeel van de verzoekster in het onroerend goed beperkt is. Ten eerste zou uit de IX-6100-20/22 beslissing niet blijken of de waarde van het onroerend goed in rekening werd gebracht, ten tweede zou het eigendom niet tot het gemeenschappelijk huwelijksver- mogen behoren. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State is de verzoeker verplicht om in zijn verzoekschrift zijn middelen uiteen te zetten. De middelen die voor het eerst in latere procedurestukken worden aangevoerd, zijn in principe niet- ontvankelijk. Op dit verbod van het aanvoeren van nieuwe middelen zijn er twee uitzonderingen. Ten eerste kan de verzoeker in de onmogelijkheid verkeren om de middelen in het verzoekschrift aan te voeren omdat hij ze bijvoorbeeld pas na inzage van het administratief dossier kan ontwikkelen. In dat geval kan de verzoeker het middel ontvankelijk aanvoeren in een later procedurestuk. Ten tweede kan een middel dat de openbare orde aanbelangt ten allen tijde ontvankelijk worden aangevoerd, omdat een dergelijk middel ook ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen. In de memorie van wederantwoord wordt evenwel een nieuwe grondslag aan het tweede middel gegeven door de schending van de materiële motiveringsplicht in te roepen en een nieuwe argumentatie te ontwikkelen. Dit is een nieuw middel en kan bijgevolg niet voor het eerst in de memorie van wederant- woord worden aangevoerd. Het was voor de verzoekende partijen niet onmogelijk om deze uiteenzetting reeds in hun verzoekschrift op te nemen. Evenmin raakt dit nieuw middel de openbare orde, waardoor het niet ontvankelijk is. 23. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. IX-6100-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6100-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.503 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.