id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.505 Rolnummer: A. 180796/X-13172 Zaak: Arrest 205505 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:55 Fiche Arrest nr 205.505 van 21 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.505 van 21 juni 2010 in de zaak A. 180.796/X-13.
- In zake: Claude FIEVEZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 februari 2007, strekt tot de nietigverklaring van de “intrekking van het ministerieel besluit van 21 augustus 2006 en houdende bevestiging van de inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 6 november 2000, waarbij het beroep van (de verzoeker) tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 25 januari 2000 houdende weigering van de vergunning voor het wijzigen van de bestemming van een woning tot een kantoorgebouw aan de Mechelsesteenweg te Kraainem, (kadastraal bekend sectie C, nr. 74/y), ingewilligd wordt”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. X-13.172-1/18 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Lindemans, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Gehoord adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt, daartoe gemachtigd bij besluit van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, in zijn advies. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 9 december 1999 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het wijzigen van de bestemming van een woning tot kantoorgebouw gelegen aan de Mechelsesteenweg 366 te Kraainem, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 74/y. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in woonpark. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
- Op 25 januari 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem de gevraagde vergunning op grond van het ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar. X-13.172-2/18
- Op 6 november 2000 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het op 27 maart 2000 door de verzoeker ingestelde administratief beroep in en verleent ze de gevraagde vergunning.
- Op 12 september 2001 willigt de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening het op 22 december 2000 door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep in en vernietigt hij het besluit van de bestendige deputatie van 6 november
- Bij ’s Raads arrest nr. 154.882 van 14 februari 2006 wordt het laatstgenoemde besluit vernietigd wegens schending van artikel 53, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, met name wegens het niet bezorgen van het in het beroepschrift vermelde dossier aan de aanvrager bij het instellen van het administratief beroep door de gemachtigde ambtenaar. In dit arrest wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, doordat de Minister het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk verklaart, en vervolgens de vergunning weigert, ook al was bij het beroep van de gemachtigde ambtenaar een bijlage gevoegd die niet naar de aanvrager werd verstuurd, terwijl de gemachtigde ambtenaar luidens voormeld artikel 53 een afschrift van zijn beroepschrift dient te verzenden aan de aanvrager, gelijktijdig met zijn beroep, en dergelijk afschrift dient te worden begeleid met alle bijlagen van het beroepschrift; dat luidens de vermeldingen van het beroepsschrift van 22 december 2000 van de gemachtigde ambtenaar gericht aan de minister bij het beroepsschrift één bijlage was gevoegd, namelijk een ‘dossier’, dat aan hem slechts een schrijven met twee bijlagen werd verstuurd, namelijk een tekst omtrent de beroepsmogelijkheden, het recht om gehoord te worden en de mogelijkheid om een rappelbrief te versturen, en een afschrift van het beroepsschrift doch zonder bijlage, met andere woorden zonder ‘het dossier -wat hiermee ook moge bedoeld worden.’; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in het schrijven van 22 december 2000 van de gemachtigde ambtenaar houdende beroep bij de minister geenszins sprake is van ‘het dossier’, dat het beroepsschrift zodoende volledig en met de vereiste bijlagen werd verstuurd; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt dat de exemplaren van het beroepsschrift dat aan hem en zijn raadsman werden toegestuurd elk vermelden dat er in bijlage een dossier werd toegevoegd, dat uit nazicht van het administratief dossier ter griffie blijkt dat op het exemplaar dat aan de Minister werd gericht eveneens wordt vermeldt dat er een dossier in bijlage is toegevoegd, dat aan de Minister een grote enveloppe werd gericht, terwijl hij een kleine enveloppe kreeg toegestuurd wat dus wel op een andere inhoud duidt, namelijk met en zonder dossier; X-13.172-3/18 Overwegende dat artikel 53, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het van toepassing was op het ogenblik van het bestreden besluit, bepaalt wat volgt : ‘§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse Regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse Regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college.’; Overwegende dat voormelde wetsbepaling voorschrijft dat de gemachtigde ambtenaar het beroep terzelfder tijd aan de aanvrager ter kennis brengt; dat hiermee bedoeld is het beroep zelve, d.i. de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970, die o.m. artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw -nadien artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 grondig heeft gewijzigd, blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen, en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep ‘de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak’, waarbij genoemde partijen ‘op gelijke voet worden gesteld’; dat wil de door de wetgever beoogde objectieve rechtsbedeling bereikt worden, de gelijke behandeling van de partijen een onmisbare vereiste is; dat dienvolgens de bouwaanvrager, ten aanzien van de aanzegging van het beroep, op gelijke voet moet worden gesteld met de minister; dat dit betekent dat de aanvrager moet beschikken over het beroepschrift waarover de minister beschikt; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar met een ter post aangetekende brief van 22 december 2000 beroep heeft aangetekend bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening tegen de beslissing van 6 november 2000 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij verzoekers beroep werd ingewilligd; dat in dit beroepsschrift onder bijlagen ‘dossier’ wordt vermeld; dat de gemachtigde ambtenaar met een ter post aangetekende brief van dezelfde datum aan verzoeker meedeelt beroep aan te tekenen tegen de beslissing van 6 november 2000 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij verzoekers beroep werd ingewilligd; dat twee bijlagen aan het begeleidend schrijven werden toegevoegd met name een tekst omtrent de beroepsmogelijkheden en een afschrift van het beroepsschrift van de gemachtigde ambtenaar, zoals het werd gericht aan de bevoegde Minister, met de vermelding ‘dossier’ onder de rubriek bijlagen; dat de stukken van het dossier het standpunt van de verwerende partij tegenspreken waar zij stelt dat in het beroepsschrift van de gemachtigde ambtenaar geen sprake is van een dossier; dat het aan de verwerende partij toekomt, als beroepster, bij betwisting aan te tonen dat ze heeft voldaan aan de in artikel 53, § 2, eerste lid bepaalde substantiële pleegvorm; dat de verwerende partij hiertoe zelfs geen enkele poging onderneemt; dat verzoeker door het verzuim van de gemachtigde ambtenaar in het ongewisse is gebleven over de inhoud van het ‘dossier’ dat deel uitmaakte van het beroepsschrift dat aan de bevoegde Vlaamse Minister werd overgezonden; dat een substantieel vormvoorschrift is geschonden; dat het tweede middel gegrond is”. X-13.172-4/18
- Op 28 juli 2006 stuurt de verzoeker een aangetekende rappelbrief aan het bestuur, waarin hij erop aandringt het beroep van de gemachtigde ambtenaar formeel niet ontvankelijk te bevinden, onder meer met verwijzing naar “het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State”.
- Op 21 augustus 2006 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en vernietigt hij het besluit van de bestendige deputatie van 6 november
- Op 30 augustus 2006 stuurt de verzoeker een aangetekende brief aan de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening en vraagt hem het voormelde besluit in te trekken.
- Op 3 oktober 2006 dient de verzoeker bij de Raad van State een verzoekschrift in, strekkende tot het opleggen van een dwangsom indien de verwerende partij het voormelde besluit niet intrekt.
- Op 5 december 2006 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening het voormelde besluit van 21 augustus 2006 in te trekken en het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en vernietigt hij het besluit van de bestendige deputatie van 6 november
- Dit is het bestreden besluit, dat onder meer de volgende motivering bevat: “Overwegende dat als gevolg van een op 28 juli 2006 door de aanvrager verzonden rappelbrief, in het besluit van 21 augustus 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, na een nieuw op het herstel van de wettigheid gericht onderzoek van de concrete gegevens in verband met het op 22 december 2000 door de gemachtigde ambtenaar ingesteld beroep en van het verloop van het aanvankelijk onderzoek van dit beroep, werd geoordeeld dat er argumenten zijn om te concluderen dat de door de Raad van State vermelde wetsbepalingen, bedoeld ter bescherming van de bij het beroep betrokken partijen, niet zijn geschonden, zodat het beroep van de gemachtigde ambtenaar als ontvankelijk moet worden beschouwd en ten gronde kan worden onderzocht; dat echter wanneer de Raad van State vaststelt dat een wetsbepaling geschonden is, het aan de overheid niet toekomt bij het nemen van een nieuwe beslissing gericht op het herstel van de wettigheid, te oordelen dat deze bepaling niet geschonden werd, op straffe van schending van het gezag van gewijsde verbonden aan het vernietigingsarrest nr. 154.882; dat uit de verplichting het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest te eerbiedigen enkel het verbod voor(t)vloeit een tweede maal dezelfde onwettigheid te begaan; dat de Raad van State ambtshalve de schending van het gezag van een vernietigingsarrest opwerpt omdat de eerbiediging van dit gezag de openbare X-13.172-5/18 orde aanbelangt; dat wanneer een vernietigingsarrest kan worden uitgesproken op grond van een door de Raad van State ambtshalve op te werpen middel, de overheid de op die grond aanvechtbare en vernietigbare beslissing kan en moet intrekken wil zij voorkomen dat ze zich daartoe door de Raad van State hoort bevelen, onder verbeurte van een dwangsom, zoals thans gevraagd door de aanvrager in de door de Raad van State met als rolnummer G/A 177.365/X-13.043 ingeschreven rechtsvordering; dat het besluit van 21 augustus 2006 dient te worden ingetrokken; Overwegende dat op 4 oktober 2006, in antwoord op het schrijven van 30 augustus 2006 waarin onder verwijzing naar artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de intrekking werd gevraagd van het ministerieel besluit van 21 augustus 2006, de aanvrager werd uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting op donderdag 11 oktober 2006; dat aan de aanvrager werd medegedeeld dat de nieuwe hoorzitting kadert in het voornemen een ontwerpbesluit tot intrekking van het besluit van 21 augustus 2006 aan de minister ter ondertekening voor te leggen waarin tevens opnieuw uitspraak zal worden gedaan over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het door de gemachtigde ambtenaar op 22 december 2000 ingesteld administratief beroep; Overwegende dat de aanvrager in zijn schrijven van 11 oktober 2006 meedeelt niet te zullen verschijnen op de hoorzitting die hem overbodig lijkt; dat de aanvrager betwist dat na het vernietigingsarrest nr. 154.882 nog wel een nieuwe beslissing kan genomen worden; dat hij van oordeel is dat: ‘na vernietiging op grond van de vaststelling dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar onontvankelijk is, de Minister niet anders kan dan vaststellen dat hij geen bevoegdheid heeft om zich over het beroep uit te spreken. De Minister ziet zich hier geplaatst voor een gebonden bevoegdheid. Hij is verplicht om, als hij een beslissing neemt, vast te stellen dat het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State impliceert dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar onontvankelijk is’; Overwegende dat de aanvrager verder argumenteert dat het decreet van 21 november 2003 in deze zaak geen enkele relevantie heeft en de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep enkel moet beslist worden aan de hand van het arrest van de Raad van State; dat hij er vervolgens ook op wijst dat het decreet van 21 november 2003 overduidelijk letterlijk een voorbehoud maakt voor ‘de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld’; dat de aanvrager met name betwist dat deze beperking slechts zou slaan op uitspraken die dateren van voor de inwerkingtreding van het decreet van 21 november 2003; Overwegende dat in de eerste plaats moet worden onderzocht wat de deugdelijkheid is van het standpunt van de aanvrager als zou het bestuur in zijn schrijven van 4 oktober 2006 ten onrechte voorhoudt dat na het vernietigingsarrest nr. 154.882 een nieuwe beslissing noodzakelijk is, rekening houdend met de door de aanvrager daartegen aangevoerde rechtspraak die stelt dat dergelijke beslissing niet meer nodig is; dat de aanvrager daarbij verwijst naar de arresten nr. (...); Overwegende dat niet kan worden ingestemd met de aan het arrest (...), uitgesproken in het kader van artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verbonden gevolgtrekking als zou een nieuwe beslissing overbodig zijn; dat zo in dit arrest waarin uitspraak wordt gedaan over een aan de Raad van State gericht verzoek, aan de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Namen te bevelen een beslissing in te trekken op straffe van een dwangsom, inderdaad te lezen is dat ‘de bestendige deputatie na de kennisgeving van het arrest nr. (...) niet opnieuw uitspraak hoefde te doen’, aangezien het te laat vervullen van de vormvereisten het aan de kaak gestelde vormgebrek niet kon verhelpen, mag hieraan geen betekenis worden gegeven X-13.172-6/18 buiten de sfeer van de onderlinge rechtsverhouding tussen de aanvrager en de bestuursoverheid; dat het volstaat hierbij onder ogen te nemen dat de Raad van State slechts kan beslissen een dwangsom op te leggen op verzoek van de persoon op wiens verzoek de nietigverklaring is uitgesproken (...); Overwegende dat de verwijzing naar het arrest (...) verder ook niet opgaat omdat de feiten die er ten grondslag aan liggen totaal verschillend zijn; dat met betrekking tot de feiten die de grondslag vormden van het arrest (...) te noteren is dat, na de vaststelling in een arrest van de Raad van State, van de schending van vormvereisten die ertoe strekken de betrokkenen in de mogelijkheid te stellen de afwikkeling van de procedure te volgen met kennis van zaken en de opmerkingen te formuleren die zij geraden achten, substantiële vormvoorschriften waarvan de schending de nietigheid tot gevolg heeft van de in hoger beroep genomen beslissing, de bestendige deputatie gepoogd had het geschonden vormvereiste opnieuw - en ditmaal correct - te vervullen; dat de Raad van State daarover oordeelt dat na de kennisgeving van het arrest nr. (...), de bestendige deputatie niet opnieuw uitspraak hoefde te doen, aangezien het te laat vervullen van de vormvereisten het aangeklaagde gebrek niet kon verhelpen en dat het haar derhalve staat het onwettige besluit van 3 juli 1997 in te trekken; dat met betrekking tot voorliggend beroep van de gemachtigde ambtenaar op geen enkele wijze gepoogd wordt de door de Raad van State vastgestelde gebreken recht te zetten door het beroep een tweede maal en ditmaal correct, d.i. de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen, hetzij de integrale tekst van het aangetekend schrijven waaruit onmiskenbaar en ondubbelzinnig blijkt dat geen bijlagen gevoegd waren bij het beroep, aan de aanvrager ter kennis te brengen; dat in verband met het beroep dat de gemachtigde ambtenaar op 22 december 2000 instelde thans enkel de vraag aan de orde is of het vormgebreken vertoont ten aanzien van de wettelijke bepalingen geldend op het ogenblik dat opnieuw uitspraak zal worden gedaan na het vernietigingsarrest nr. 154.882 en die verschillen van de interpretatie die de Raad van State tijdens de jongste jaren gaf aan de tot op 7 februari 2004 geldende bepalingen; Overwegende dat de verwijzing naar het arrest nr. (...) opgaat; dat het arrest inderdaad een middel gegrond verklaart waarin werd voorgehouden dat een substantieel vormvoorschrift werd miskend waardoor de minister het beroep ingesteld namens de gemachtigde ambtenaar als onontvankelijk had moeten afwijzen; dat het arrest aan de gegrondverklaring van het middel verbindt dat de vergunning verleend door de bestendige deputatie definitief wordt; dat om reden van de scheiding van de bestuurlijke en de rechterlijke functies in de schoot van de uitvoerende macht deze confirmatie niet mag worden gelezen als een door de Raad van State in de plaats van de bestuursoverheid genomen bestuursbeslissing; dat deze confirmatie overigens geen met gezag van gewijsde beklede beslissing vormt daar ze geen enkele ondersteuning biedt aan het beschikkend gedeelte van het vernietigingsarrest; dat met deze formulering het arrest enkel de verwachting van de verzoekende partij kan versterken dat indien het bestuur na het arrest een nieuwe beslissing neemt, deze enkel de bevestiging van het definitief karakter en de uitvoerbaarheid van de beslissing van de bestendige deputatie kan inhouden, bij ongewijzigde juridische omstandigheden; Overwegende dat in de recente rechtspraak van de Raad van State werd verduidelijkt hoe te werk dient gegaan na een vernietigingsarrest waarin de Raad van State een schending vaststelt van artikel 53, § 2 in de interpretatie die de Raad van State gaf aan de tot 7 februari 2004 geldende bepaling, rekening houdend met de vanaf 8 februari 2004 geldende bepalingen; dat in het arrest nr. (...) wordt gesteld: 1) de nieuwe bepalingen van artikel 53, § 2, tweede en derde lid, van het gecoördineerde decreet hebben in elk geval niet tot gevolg dat de minister dit beroep noodzakelijk ontvankelijk en gegrond zal moeten X-13.172-7/18 verklaren; na een eventuele vernietiging, zal de minister het bij hem door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep op grond van de genoemde bepalingen al dan niet ontvankelijk moeten verklaren; 2) de verzoeker zal na een eventuele vernietiging integendeel de gelegenheid hebben om zijn standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep uiteen te zetten, en de minister zal de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep aan een nieuwe beoordeling moeten onderwerpen; Overwegende dat de aanvrager betwist dat het decreet van 21 november 2003, in werking getreden op 8 februari 2004 zou kunnen toegepast worden op beroepen van de gemachtigde ambtenaar waarover opnieuw moet worden beslist als gevolg van een vernietigingsarrest uitgesproken na 8 februari 2004 en waarin de schending door de gemachtigde ambtenaar van een substantieel vormvoorschrift met betrekking tot een vóór 8 februari 2004 ingesteld beroep is vastgesteld; dat zulke toepassing van het decreet van 21 november 2003 naar zijn oordeel zou neerkomen op een niet te rechtvaardigen retroactieve werking van het decreet van 21 november 2003 en strijdig met het door artikel 6.
- van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces; Overwegende dat als algemene regel geldt de onmiddellijke toepassing van de rechtsregel: retroactiviteit, eerbiedigende en uitgestelde werking zijn de uitzonderingen die uitdrukkelijk moeten bepaald zijn of minstens duidelijk blijken uit de bewoordingen of de strekking van de norm; dat artikel 67, 2° van het decreet van 21 november 2003 waardoor een tweede en een derde lid werd ingevoegd in artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 in werking treedt tien dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad en derhalve niet terugwerkt voor het verleden; dat onmiddellijke werking betekent dat de nieuwe regel niet alleen de rechtstoestand regelt die is ontstaan na de inwerkingtreding van de regel maar ook die van de bestaande en de toekomstige rechtsgevolgen van de voor de inwerkingtreding ontstane toestanden; dat zulks ook geldt voor decreten die procedureregels inhouden, dat die procedureregels van onmiddellijke toepassing zijn op hangende procedures en dat zulks geen terugwerkende kracht betekent aangezien wat er in het verleden is geschied door de nieuwe procedureregel niet wordt gewijzigd (...); Overwegende dat bij artikel 67, 2°, van het decreet van 21 november 2003 in artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een tweede en een derde lid wordt ingevoegd, luidend als volgt: ‘De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens : 1° op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2° een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse Regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3° welke instantie het beroep bij de Vlaamse Regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse Regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse Regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2° en 3°, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op X-13.172-8/18 beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State’; Overwegende dat deze bepaling als gevolg van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2004 in werking treedt op 8 februari 2004; Overwegende dat de op 8 februari 2004 in werking getreden bepaling geen effecten beoogt ten aanzien van definitieve rechterlijke beslissingen waarin voorheen schending van vormvoorschriften werd vastgesteld en tevens stelt dat de gewijzigde regels inzake de kennisgeving van het beroep van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen eveneens toepasselijk zijn op beroepen ingesteld vóór 8 februari 2004, evenals op beroepen waarover in de toekomst opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State, dat hierdoor een onderscheid wordt gemaakt tussen de arresten uitgesproken in zaken waarin de debatten gesloten worden vóór 8 februari 2004 dan wel op 8 februari 2004 of op een later tijdstip; dat aldus uit het oogpunt van de nieuwe regeling, als definitieve rechterlijke beslissingen te beschouwen zijn, enkel de arresten uitgesproken in zaken waarin op het ogenblik van de sluiting van de debatten de vraag nog niet aan de orde kon zijn of de verzoekende partij, in functie van de op 8 februari 2004 in werking getreden gewijzigde regelgeving, nog een nuttig belang had behouden bij dit specifieke middel afgeleid uit de schending van een wetsbepaling in de interpretatie die de Raad van State er tot op 7 februari 2004 kon aan geven; dat in procedures waarin de debatten gesloten worden na de inwerkingtreding van de gewijzigde regelgeving de verzoekende partijen nog de gelegenheid hadden te verzaken aan dit specifieke middel, wanneer uit het neergelegde administratief dossier niet bleek dat de schending van de gewijzigde regel eveneens vaststaand was; dat in de zaak die aanleiding gaf tot het op 14 februari 2006 uitgesproken arrest nr. 154.882 de openbare terechtzitting bij beschikking van 29 juni 2005 werd bepaald op 21 oktober 2005; Overwegende dat in het arrest nr. (...) (administratief kort geding) wordt geoordeeld dat het met het decreet van 21 november 2003 ingevoegde artikel 53 krachtens het derde lid eveneens van toepassing is ‘op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State’ en daaraan de vaststelling wordt verbonden dat, bij een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit, het door de gemachtigde ambtenaar ingesteld hoger beroep alsnog aan het voornoemde artikel 53, § 2, zoals gewijzigd met het decreet van 21 november 2003, zou moeten worden getoetst; dat de Raad van State verder, bij het onderzoek van de ernst van het middel, vaststelt dat de verzoekers geen nuttig belang kunnen doen gelden bij het middel waarin de schending wordt aangevoerd van de op het ogenblik van de ondertekening van het ministerieel besluit (5 december 2003) en tot op 7 februari 2004 geldende bepaling van artikel 53, § 2, eerste lid, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening; dat de Raad van State tot zulk besluit komt op grond van de vaststelling dat: - de verzoekende partijen met hun raadsman op de voornoemde hoorzitting aanwezig waren en werden gehoord en het bestuur aldus, ook al werden het administratief dossier van de gemachtigde ambtenaar en de inventaris ervan niet samen met het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht, aan dat gebrek alsnog overeenkomstig artikel 53, § 2, 3°, in fine, van het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening heeft verholpen; - aan de finaliteit van die bepaling, met name dat de aanvrager met volledige kennis van zaken zijn standpunt kan uiteenzetten, lijkt te zijn voldaan; X-13.172-9/18 - daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de raadsman van de verzoekende partijen met een brief van 16 december 2003, na de kennisgeving van het bestreden besluit, inzage van het administratief dossier heeft gevraagd; - de verzoekende partijen overigens niet aangeven, laat staan aannemelijk maken, dat zij van bepaalde stukken uit het dossier geen kennis konden nemen; Overwegende dat met toepassing van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening de aanvrager op 4 oktober 2006 werd uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting op donderdag 12 oktober 2006, kaderend in het voornemen een ontwerpbesluit tot intrekking van het besluit van 21 augustus 2006 ter ondertekening voor te leggen waarin tevens opnieuw uitspraak zal worden gedaan over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het door de gemachtigde ambtenaar ingesteld administratief beroep; dat bij dit nieuw onderzoek met het oog op het herstel van de wettigheid tot de vaststelling is gekomen dat het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep op geen andere motieven rust dan deze opgenomen in het aan de minister gericht beroepschrift waarvan aan de aanvrager tezelfdertijd een afschrift werd medegedeeld, enerzijds, het door de gemachtigde ambtenaar aan de minister, samen met het beroepschrift toegezonden dossier geen stukken bevat door hem opgesteld en opgevat om ondersteunende toelichting te verstrekken bij de motieven waarop het beroep rust, en om die reden een integrerend deel van het beroepschrift uitmakend, doch integendeel louter administratieve stukken die samen met het beroepschrift aan de minister werden toegezonden, anderzijds; dat het niet verschijnen van de aanvrager het bestuur heeft verhinderd de aanvrager te ondervragen over zijn standpunt dienaangaande; dat door de aanvrager overigens op geen enkel ogenblik werd opgeworpen dat hij van bepaalde stukken uit het dossier geen kennis kon nemen; dat het door de gemachtigde ambtenaar ingesteld beroep ontvankelijk is en ten gronde kan worden onderzocht”.
- Op 20 december 2006 stuurt de verzoeker een aangetekende brief aan de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening en vraagt hem het bestreden besluit in te trekken.
- Op 25 januari 2007 antwoordt het afdelingshoofd ad interim van de afdeling stedenbouwkundig beleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed dat er geen reden is om gevolg te geven aan die vraag en dat een uitspraak van de Raad van State “definitief uitsluitsel (moet) geven over de zaak”.
- Op 5 februari 2007 dient de verzoeker bij de Raad van State een verzoekschrift in, strekkende tot het opleggen van een dwangsom indien de verwerende partij het bestreden besluit niet intrekt.
- Bij ‘s Raads arrest nr. 170.932 van 8 mei 2007 wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom die was ingesteld tegen het besluit van X-13.172-10/18 21 augustus 2006, verworpen, gelet op de intrekking van dat besluit door het bestreden besluit.
- Bij ‘s Raads arrest nr. 177.983 van 18 december 2007 wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom die was ingesteld tegen het bestreden besluit van 5 december 2006 verworpen. In dit arrest wordt onder meer het volgende overwogen: “In het litigieuze besluit van 5 december 2006 doet de minister andermaal uitspraak over het beroep van de gemachtigde ambtenaar, en wordt dit beroep ontvankelijk bevonden op grond van de argumentatie dat inzake het door de Raad van State geschonden geachte substantieel vormvoorschrift vervat in artikel 53, § 2 van het coördinatiedecreet, de bepaling ervan bij het decreet van 21 november 2003 is gewijzigd, en de gewijzigde bepalingen ook van toepassing zijn op het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de door de bestendige deputatie aan de verzoeker verleende vergunning. De vraag is dus in wezen niet of uit het vernietigingsarrest van de Raad van State op zich voor de verwerende partij een ‘onthoudingsplicht’ voortvloeit in de zin van artikel 36, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar in hoeverre de wijzigingen die het decreet van 21 november 2003 heeft aangebracht aan het “substantieel vormvoorschrift” dat besloten ligt in artikel 53, § 2 van het coördinatiedecreet zoals het gold op het ogenblik dat het vernietigde besluit werd genomen, incidentie hebben op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar door de minister. De vraag of de verzoeker terecht opwerpt dat de minister de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient te beoordelen op grond van de bepalingen van artikel 53, § 2 van het coördinatiedecreet zoals dit gold op het ogenblik dat het vernietigde besluit werd genomen, en niet op grond van de bij het decreet van 21 november 2003 gewijzigde bepalingen van dit decreet zoals deze worden geïnterpreteerd door de minister, kan, zoals elke betwisting omtrent de rechtmatigheid van een beslissing die na een vernietigingsarrest wordt genomen, enkel worden beslecht in het kader van een annulatieprocedure. Dergelijke procedure werd door de verzoeker ook ingesteld. Er kan derhalve te dezen geen beroep worden gedaan op de dwangsomprocedure. De vordering dient om deze reden te worden verworpen”. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- Het bestreden besluit trekt enerzijds het besluit van 21 augustus 2006 in en willigt anderzijds het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep in en vernietigt de beslissing van 6 november 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. De verzoeker stelt in zijn verzoekschrift terecht dat hij “uiteraard geen belang (heeft) bij een vernietiging van de beslissing van 5 december 2006, in zoverre deze de beslissing van 21 augustus 2006 intrekt” en dat hij het bestreden X-13.172-11/18 besluit enkel aanvecht in de mate dat “een nieuwe beslissing genomen wordt over het beroep van de gemachtigde ambtenaar”. Het voorwerp van het beroep is bijgevolg beperkt tot het bestreden besluit in de mate dat het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep inwilligt en de beslissing van 6 november 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant vernietigt. Te dezen blijken deze twee aspecten van het bestreden besluit niet onlosmakelijk met elkaar verbonden te zijn. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 154.882 van 14 februari 2006, van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. De verzoeker betoogt dat in ‘s Raads arrest nr. 154.882 van 14 februari 2006 in duidelijke bewoordingen wordt gesteld dat door het niet meezenden van het dossier met de kennisgeving van het beroepschrift aan de aanvrager een substantieel vormvoorschrift is geschonden en dat bijgevolg het beroep van de gemachtigde ambtenaar onontvankelijk was, overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). Het gezag van gewijsde van dit arrest verzet zich er tegen dat de minister dit beroep alsnog ontvankelijk zou verklaren. De minister kon enkel beslissen tot de onontvankelijkheid van het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep. De verzoeker heeft dit ook met zoveel woorden gesteld in zijn rappelbrief. De wijziging die bij het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 is aangebracht in artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet, doet hieraan geen afbreuk, aangezien de nieuwe decretale bepaling weliswaar van toepassing is op beroepen die ingesteld werden voor haar inwerkingtreding, maar “onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld”, wat het geval is voor de in het voormelde arrest vastgestelde schending van een vormvoorschrift. De nieuwe decretale regeling maakt geen onderscheid X-13.172-12/18 tussen rechterlijke uitspraken van vóór de datum van inwerkingtreding en van na die datum en kan alleszins niet zo worden geïnterpreteerd dat de minister het gezag van gewijsde van het voormelde arrest kan schenden. In het bestreden besluit wordt voorgehouden dat het decreet van 21 november 2003 geen terugwerkende kracht zou hebben. Het decreet wijzigt echter wel degelijk met terugwerkende kracht de voorwaarden waaraan een administratief beroep moet voldoen. Dat het ingestelde administratief beroep pas na de inwerkingtreding van het decreet op haar ontvankelijkheid zou worden onderzocht, verandert niets aan het gegeven dat het decreet de eisen versoepelt met betrekking tot administratief beroepen die vóór zijn inwerkingtreding ingesteld werden. Door de terugwerkende kracht worden definitief geworden rechterlijke beslissingen in het gedrang gebracht, ook al dateert de betrokken beslissing van na de decreetswijziging. Dit komt neer op een schending van een van de essentiële beginselen van de rechtsstaat, alsook van artikel 6 EVRM en van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. In ondergeschikte orde vraagt de verzoeker om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen, die hij nog als volgt herformuleert in de memorie van wederantwoord: “Schendt het artikel 67, eerste lid, 2° van het decreet van 21 november 2006 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, dat een wijziging doorvoert van het artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en waarbij de formaliteiten die in acht genomen moeten worden door de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen bij het instellen van het in artikel 53, §2 genoemde beroep worden gewijzigd, waarbij deze wijzigingen ‘onverminderd de definitieve rechterlijke uitspraken waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld’ ‘eveneens van toepassing zijn op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling en eveneens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State’, in de interpretatie dat met de woorden ‘onverminderd de definitieve rechterlijke uitspraken waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld’ niet de definitieve rechterlijke uitspraken worden bedoeld die na het van kracht worden van deze bepaling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met het rechtszekerheidsbeginsel en het artikel 6 E.V.R.M., doordat zonder objectieve en afdoende verantwoording een onderscheid wordt gemaakt tussen zij die het voordeel van een dergelijke rechterlijke uitspraak konden inroepen, maar die het voordeel door deze bepaling dus verliezen, en zij die het voordeel van een andere rechterlijke uitspraak kunnen inroepen”.
- De verwerende partij stelt dat na de vernietiging van het besluit van 12 september 2001 geen nieuwe kennisgeving van het administratief beroep aan de aanvrager vereist is. De destijds gedane kennisgeving wordt enkel getoetst aan X-13.172-13/18 de nieuwe decretale regeling. De nieuwe decretale regeling biedt de mogelijkheid voor de Vlaamse minister, die opnieuw moet beslissen over het ingestelde administratief beroep, om gebreken in de mededeling aan de aanvrager van het ingestelde administratief beroep te verhelpen, ook indien deze beroepen werden ingesteld vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsdecreet. Rechterlijke uitspraken die dateren van vóór die inwerkingtreding, en waarin een schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, blijven bestaan. Er ligt dan ook geen schending voor van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 154.882 van 14 februari 2006, juist omdat er sindsdien een gewijzigde decretale regeling is die te dezen van toepassing is. De bepaling die vormgebreken verhelpt heeft geen terugwerkende kracht voor wat betreft de uitspraken die nog moeten worden gedaan over administratieve beroepen. Nieuwe procedureregels hebben immers onmiddellijke uitwerking en zijn ook van toepassing op lopende procedures. Hierbij kan ook verwezen worden naar de arresten nrs. 86/95 en 20/96 van 21 december 1995 resp. 21 maart 1996 van het toenmalige Arbitragehof over de nieuwe decretale regeling met betrekking tot de bekendmaking van gewestplannen. Het staat vast dat voldaan is aan de thans geldende decretale regeling, aangezien bij het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar geen bijlagen werden gevoegd “opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken”. Enkel dergelijke bijlagen moeten op straffe van onontvankelijkheid samen met het beroepschrift aan de aanvrager worden bezorgd. Overigens voorziet de nieuwe decretale regeling niet in een nieuwe beroepstermijn voor de gemachtigde ambtenaar. Het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is volgens de verwerende partij overbodig omdat die vraag niet nodig is voor de oplossing van het geschil.
- De verzoeker repliceert dat wanneer de Vlaamse minister zich opnieuw uitspreekt over het administratief beroep, hij zich voor de feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan moet baseren op de rechtsregels die er in het verleden op van toepassing waren. Aangezien het decreet van 21 november 2003 deze rechtsregels ook voor feiten uit het verleden wijzigt, is het wel degelijk retroactief, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt. De vergelijking met de regeling over de bekendmaking van gewestplannen is irrelevant, omdat die regeling in werking trad op 1 januari 1994 en niets wijzigde aan het feit dat gewestplannen van vóór die datum niet verbindend waren, zoals ook werd vastgesteld door het toenmalige Arbitragehof. X-13.172-14/18 In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat een grondwetconforme interpretatie van de decretale regeling mogelijk is, zoals hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet, volgens dewelke de Vlaamse minister het administratief beroep onontvankelijk moest verklaren. Beoordeling
- Artikel 53, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet luidde als volgt ten tijde van het instellen door de gemachtigde ambtenaar van het administratief beroep dat heeft geleid tot het bestreden besluit: “§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendigde deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. (...)”. Artikel 67, 2° van het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, heeft de volgende twee leden ingevoegd achter de voormelde bepaling: “De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens: 1° op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2° een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3° welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2° en 3°, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State”. X-13.172-15/18
- De wettigheid van het bestreden besluit moet in beginsel worden beoordeeld volgens de rechtsregels die van toepassing waren bij de totstandkoming van dat besluit. De vraag rijst evenwel of de zo-even aangehaalde bepaling, die in werking is getreden op 8 februari 2004 (overeenkomstig artikel 70 van het voormelde decreet van 21 november 2003), al dan niet van toepassing is op het op 22 december 2000 door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep, dat heeft geleid tot het bestreden besluit. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot het voormelde decreet wordt hieromtrent het volgende gesteld (Parl. St. Vl. Parl., 2002-03, nr. 1800/1, 25): “Tot op heden heeft de rechtspraak niet aanvaard dat gebreken in procedures gericht op tegensprekelijke behandeling van aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunningen, door het bestuur kunnen worden rechtgezet. (...) Omdat voor dergelijke rechtzettingen geen steun te vinden is in de rechtspraak van de Raad van State, is het noodzakelijk via een decreetvoorschrift in die mogelijkheid te voorzien. Daarom wordt in een derde lid in die mogelijkheid voorzien. Er wordt ook bepaald dat dit ook kan voor reeds aanhangig gemaakte beroepen waarover nog niet is beslist. En ook wordt de mogelijkheid voorzien voor de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een toekomstig vernietigingsarrest van de Raad van State”. Hieruit kan worden afgeleid dat de stellers van het ontwerp van decreet niet alleen administratieve beroepen viseerden die worden ingesteld vanaf 8 februari 2004, maar ook eerder ingestelde administratieve beroepen waarover door de Vlaamse minister nog uitspraak moet worden gedaan en zelfs eerder ingestelde administratieve beroepen die hebben geleid tot een besluit dat vervolgens werd vernietigd door de Raad van State en waarover de Vlaamse minister zich nog moet uitspreken. Dit kan tevens worden opgemaakt uit de woorden “is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State” in het nieuwe artikel 53, § 2, derde lid van het gecoördineerde decreet. De verzoeker houdt in hoofdorde voor dat het bestreden besluit niet kon worden beoordeeld volgens de nieuwe decretale bepaling, omdat ‘s Raads arrest nr. 154.882 van 14 februari 2006 beschouwd moet worden als een definitieve rechterlijke beslissing waarin een schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, bedoeld in artikel 53, § 2, derde lid van het gecoördineerde decreet. Deze interpretatie kan niet worden gevolgd. Enerzijds blijkt uit het gebruik van de verleden tijd in het inleidende zinsdeel van het derde lid (“werd vastgesteld”) dat de X-13.172-16/18 decreetgever rechterlijke beslissingen die dateren van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe decretale regeling van het temporele toepassingsgebied van de nieuwe regeling wilde uitsluiten. Anderzijds blijkt uit de zo-even weergegeven passage in de memorie van toelichting dat de nieuwe regeling toepasselijk is op “beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een toekomstig vernietigingsarrest van de Raad van State”, met andere woorden vernietigingsarresten die dateren van na de inwerkingtreding van de nieuwe decretale regeling. Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat, in tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt, de geldigheid van het op 22 december 2000 door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep, dat heeft geleid tot het bestreden besluit, moet worden beoordeeld volgens de nieuwe decretale regeling.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoeker een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof omtrent de verenigbaarheid van de aldus geïnterpreteerde decretale bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en met artikel 6 EVRM. De loutere stelling van de verwerende partij dat het antwoord op deze vraag niet noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil kan niet worden gevolgd, gelet op artikel 26, § 2, derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat deze uitzondering op de verplichting inzake prejudiciële vraagstelling voorbehoudt aan de lagere rechtscolleges. De door de verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag moet worden uitgebreid teneinde het Grondwettelijk Hof ook toe te laten de verenigbaarheid van de decretale bepaling met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM te onderzoeken, nu de verzoeker zelf de schending van die verdragsbepaling heeft aangevoerd in zijn eerste middel. Bijgevolg moet aan het Grondwettelijk Hof de in het dispositief van dit arrest vermelde vraag worden gesteld. BESLISSING
- De debatten worden heropend. X-13.172-17/18
- Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : “Schendt artikel 53, § 2, tweede en derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in die zin geïnterpreteerd dat de nieuwe regeling die het bevat met betrekking tot de vormvereisten voor het instellen van een administratief beroep door de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen ook van toepassing is op administratieve beroepen waarover opnieuw wordt beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State dat dateert van na de inwerkingtreding van deze nieuwe regeling en waarin een schending van de voordien geldende vormvereisten voor het instellen van een administratief beroep werd vastgesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat Verdrag, doordat een onderscheid wordt gemaakt tussen hen die het voordeel van een dergelijke rechterlijke beslissing ingevolge die regeling niet kunnen inroepen en hen die het voordeel van een andere rechterlijke beslissing kunnen inroepen?”.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt er mee gelast, na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof het onderzoek van de zaak voort te zetten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.172-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.505 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.528 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div