← België

Arrest 205529 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 21/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.529 Rolnummer: A. 185337/IX-5769 Zaak: Arrest 205529 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 21/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:55 Fiche Arrest nr 205.529 van 21 juni 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.529 van 21 juni 2010 in de zaak A. 185.337/IX-5769 In zake: Etienne VAN LINTER wonend te Gent Zwembadstraat 1 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche en Filip Lahaye kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tussenkomende partijen:

  1. Mathieu VOETS,
  2. Liliane WAGEMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Judo kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 2 oktober 2007, strekt tot de nietigverkla- ring van “het collegebesluit nr. 07/283 van 19 juli 2007 houdende de herplaatsing van een directeur (rang A2) in een mandaatfunctie van algemeen directeur (rang A2L) en de herplaatsing van twee directeurs (rang A2) in een mandaatfunctie van directeur (rang A2A) en het collegebesluit nr. 07/284 van dezelfde datum houdende de vacantverklaring van vier mandaatfuncties van algemeen directeur en één mandaatfunctie van directeur, waarbij de niet-toegewezen mandaatfuncties verbonden aan de graad van de rang A2L, A2A vacant verklaard worden”. IX-5769-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 203.845 van 10 mei 2010 werden de debatten heropend en werd de zaak opnieuw vastgesteld op de openbare terechtzitting van 14 juni
  5. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Lahaye, die loco advocaat Frederik Vandendriessche verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Filip De Preter, die loco advocaat Frank Judo verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Joke Goris, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoeker is sinds 1974 werkzaam bij de Vlaamse Gemeen- schapscommissie. Op het ogenblik van de bestreden besluiten is hij vast benoemd directeur (rang A2) op de directie Financiën en Algemene zaken. 3.
  8. In de jaren 2006-2007 reorganiseert de Vlaamse Gemeenschaps- commissie haar administratie. Voor de managementfuncties wordt een mandaatstel- sel ingevoerd. Om de mandaatfuncties in te vullen, wordt ervoor geopteerd de leidinggevenden van de oude structuur via een overgangsmaatregel automatisch te herplaatsen op basis van “alle relevante informatie in functie van de functiebeschrij- ving en het competentieprofiel”. De overgangsmaatregel is opgevat als een verplichte instap van de directeurs in de overeenstemmende mandaatfuncties, zonder aanwervingsprocedure. Hij wordt noodzakelijk geacht om enerzijds de continuïteit IX-5769-2/12 van de dienst te waarborgen en anderzijds de belangen te vrijwaren van de vastbenoemde ambtenaren wier statuut plots wordt gewijzigd. 3.
  9. In het kader van de reorganisatie stelt de leidend ambtenaar van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een “Management en Operationeel Plan” op, dat onder meer de strategische en operationele doelstellingen weergeeft. De leidend ambtenaar werkt tevens een nota met bijkomende oriëntaties en een schema “Organisatieconcept” uit. De nota met bijkomende oriëntaties concretiseert enkele aspecten van de algemene beleidsvisie van het College van de Vlaamse Gemeenschapscom- missie en van de leidend ambtenaar. Ze zet onder meer het nieuwe organisatiecon- cept uiteen en stelt de nieuwe structuur als volgt voor: “[...] Het betreft: - 5 algemene directies (nu 6 directies) met aan het hoofd een algemeen directeur (mandaatfuncties). Het betreft de algemene directies: + ‘Innovatie, Studie en Stedelijk Beleid’ + ‘Ondersteuning en Facility’ + ‘Cultuur, Jeugd en Sport’ + ‘Onderwijs & Vorming’ + ‘Welzijn & Gezondheid’ - 3 directies: Personeel & HR, Financiën & Begroting en Gebouwen & Patrimoniumbeheer met aan het hoofd een directeur (mandaatfuncties) en ressorterend onder de algemene directie ‘Ondersteuning en Facility’. [...]” Aldus blijkt dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie zes directies omvatte, met aan het hoofd telkens een directeur (rang A2). Na de hervorming ontstaat een structuur met vijf algemene directies, met aan het hoofd telkens een algemeen directeur (rang A2L). In de nieuwe algemene directie Ondersteuning en Facility worden drie directies ondergebracht, met name de directie Personeel en HR, de directie Financiën en Begroting en de directie Gebouwen en Patrimonium. Deze drie directies worden alle geleid door een directeur (rang A2A). Over de situatie van de verzoeker en de tweede tussenkomende partij vermeldt de nota met bijkomende oriëntaties: IX-5769-3/12 “
  10. Overgangsbepalingen: [...] Bij wijze van overgangsmaatregel en in het kader van de ‘herplaatsing’ volgen de ‘directeur Personeel & HR’ in hoofde van mevrouw Liliane Wagemans en de ‘directeur Financiën & Begroting’ in hoofde van de heer Etienne Van Linter de weddeschaal van algemeen directeur.” Het schema “Organisatieconcept” geeft op schematische wijze de vernieuwde structuur van de administratie weer, evenals de verhouding en wisselwerking tussen de diensten onderling. 3.
  11. Bij besluit nr. 07/94 van 20 maart 2007 keurt het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie het “Management en Operationeel Plan” van de leidend ambtenaar, alsook de bijbehorende nota met bijkomende oriëntaties en het schema “Organisatieconcept” goed. 3.
  12. Op 29 mei 2007 beslist de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel het voormelde collegebesluit nr. 07/94 niet goed te keuren, maar op 5 juni 2007 trekt hij deze beslissing weer in. 3.
  13. Op 22 maart 2007 licht de leidend ambtenaar zijn “Management en Operationeel Plan” toe op de vergadering van het directiecomité van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De verzoeker is in zijn hoedanigheid van directeur ook lid van het directiecomité en is op deze vergadering aanwezig. 3.
  14. De leidend ambtenaar werkt ten behoeve van de vergadering van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie van 26 april 2007 zijn “Management en Operationeel Plan” nader uit in twee nota’s. Eén nota betreft de nieuwe organisatiestructuur, de andere betreft een aantal wijzigingen die moeten worden aangebracht aan het personeelsstatuut van de Vlaamse Gemeenschapscom- missie. Beide nota’s verkrijgen het gunstige advies van de directieraad en worden vervolgens door het College goedgekeurd. Voorts legt de leidend ambtenaar aan het College, eveneens op 26 april 2007, een voorstel voor betreffende de competentieprofielen en functiebe- schrijvingen van de functies van algemeen directeur en directeur. Ook dit voorstel wordt door het College goedgekeurd. IX-5769-4/12 3.
  15. Nadat deze aangelegenheid het voorwerp heeft uitgemaakt van onderhandeling met de representatieve vakorganisaties van het personeel en de directieraad advies heeft verleend, stelt het College van de Vlaamse Gemeenschaps- commissie op 19 juli 2007 de nieuwe organisatiestructuur vast. 3.
  16. De invoering van deze nieuwe organisatiestructuur gaat onder meer samen met het instellen van de mandaatfuncties van directeur en algemeen directeur en met een algemene upgrading van de bestaande betrekkingen. Om de nieuwe mandaatfuncties en de selectie van kandidaten voor deze functies te kunnen realiseren, worden de nodige wijzigingen aangebracht aan het personeelsstatuut van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, nadat ook daarover syndicale onderhandelingen hebben plaatsgehad. Artikel II 54 van het personeelsstatuut wordt als volgt vervangen: “Bij de eerste bezetting worden de mandaatfuncties verbonden aan de graad van de rang A2L, A2A en A2M ingevuld via herplaatsing van de leidinggevenden die benoemd zijn in een graad van rang A3 of rang A2 en toegewezen zijn aan een betrekking van rang A2 binnen de door het College vastgestelde personeelsformatie van de administratie. Het College voert de herplaatsing uit en stelt deze leidinggevenden aan in een mandaatfunctie verbonden aan de graad van rang A2L, A2A of A2M, op basis van alle relevante informatie in functie van de functiebeschrijving en het competentieprofiel. Na toepassing van de maatregelen vermeld in het eerste en het tweede lid van dit artikel, verklaart het College de niet-toegewezen mandaatfuncties verbonden aan de graad van de rang A2L, A2A en A2M vacant.” 3.
  17. Bij besluit nr. 07/283 van 19 juli 2007 beslist het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie tot de herplaatsing van een directeur (rang A2) in een mandaatfunctie van algemeen directeur (rang A2L) en de herplaatsing van twee directeurs (rang A2) in een mandaatfunctie van directeur (rang A2A). Met name wordt de verzoeker als vast benoemd directeur (rang A2) van de directie Financiën en Algemene zaken herplaatst in de mandaatfunctie van directeur (rang A2A) van de nieuwe directie Financiën en Begroting. De tweede tussenkomende partij wordt als vast benoemd directeur (rang A2) van de directie Personeel herplaatst in de mandaatfunctie van directeur (rang A2A) van de nieuwe directie Personeel en HRM. De eerste tussenkomende partij wordt als vast benoemd directeur (rang A2) van de directie Welzijn en IX-5769-5/12 Gezondheid herplaatst in de mandaatfunctie van algemeen directeur (rang A2L) van de nieuwe algemene directie Welzijn en Gezondheid. Aan alle drie genoemde personeelsleden wordt de salarisschaal van de rang A2L toegekend. Dit is het eerste bestreden besluit. 3.
  18. Omdat de andere mandaatfuncties niet kunnen worden ingevuld door herplaatsing, gaat het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bij besluit nr. 07/284 van 19 juli 2007 over tot de vacantverklaring van de niet- toegewezen mandaatfuncties van de rang A2L en A2A. Het betreft de mandaatfuncties van algemeen directeur (rang A2L) van de algemene directie Innovatie, Studie en Stedelijk beleid, de algemene directie Ondersteuning en Facility, de algemene directie Cultuur, Jeugd en Sport, en de algemene directie Onderwijs en Vorming, alsook de mandaatfunctie van directeur (rang A2A) van de directie Gebouwen en Patrimonium. Dit is het tweede bestreden besluit. 3.
  19. Met een brief van 31 juli 2007, die door de verzoeker naar eigen zeggen wordt ontvangen op 3 augustus 2007, wordt de verzoeker door het hoofd van de dienst Wervingen en Personeelbewegingen in kennis gesteld van zijn herplaatsing in de mandaatfunctie van directeur van de directie Financiën en Begroting. Hij verkrijgt daarbij tevens een afschrift van het collegebesluit nr. 07/283 van 19 juli
  20. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
  21. De verzoeker voert in zijn verzoekschrift aan dat hij een rechtstreeks, persoonlijk, actueel en geoorloofd belang heeft bij zijn beroep tot nietigverklaring. Hij laat gelden dat hij getroffen wordt door een feitelijke degradatie, doordat hij niet in een functie van algemeen directeur wordt aangesteld. Hij betoogt dat de gehele operatie wordt voorgesteld als een “upgrading van het directieniveau”, met als doel “de meest competente en geschikte persoon aan te IX-5769-6/12 trekken voor de invulling van het topkader van de administratie”. Door zijn aanstelling als directeur “tweede klasse” wordt evenwel impliciet publiek gemaakt dat hij niet over de vereiste capaciteiten beschikt om te functioneren in het topkader van de administratie, terwijl hij meer dan dertig jaar lang het tegenovergestelde in de praktijk heeft gebracht. Deze feitelijke degradatie wordt volgens de verzoeker nog benadrukt doordat hij voortaan geen deel meer uitmaakt van het bestuursorgaan van de administratie, aangezien enkel de leidend ambtenaar (rang A3) en de algemeen directeurs (rang A2L) daarin zetelen.
  22. De verwerende partij antwoordt dat de reorganisatie van haar administratie zich geenszins heeft beperkt tot het “upgraden” van bepaalde directies tot algemene directies. Zij wijst erop dat ook binnen elke directie afzonderlijk aandacht werd besteed aan een opwaardering van de taken en verantwoordelijkheden. Zo werd de verantwoordelijkheid van verzoekers directie Financiën en Begroting opgewaardeerd en werd verzoekers functie uitgebreid met de belangrijke bevoegdheid inzake subsidiebeheer. Na de bestreden besluiten heeft de verzoeker derhalve niet alleen de functie van directeur en zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de directie Financiën en Begroting behouden, maar tevens een uitgebreidere bevoegdheid gekregen. Bij overgangsmaatregel werden deze nieuwe verantwoordelijkheden en taken ook financieel erkend, doordat de verzoeker dezelfde weddeschaal kreeg toegekend als deze verbonden aan de nieuwe functie van algemeen directeur. Bijgevolg kan niet ernstig worden voorgehouden dat de bestreden besluiten de functie van de verzoeker hebben herleid tot die van een “tweederangsdirecteur”. De verwerende partij merkt voorts op dat de verzoeker heeft nagelaten zich kandidaat te stellen voor de functies van algemeen directeur die vacant werden verklaard. De beslissing tot herplaatsing van de verzoeker verhinderde niet dat hij voor één van die functies kon kandideren. Hieruit volgt dat de vermeende schijn van degradatie en het aangevoerde nadeel dat de verzoeker niet langer deel uitmaakt van de directieraad, ook te wijten zijn aan de passieve en defensieve houding van de verzoeker en zijn keuze om niet te kandideren voor één van de functies van algemeen directeur.
  23. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij wordt uitgesloten van de “upgrading van het directieniveau”, waardoor hij niet alleen voor de buitenwereld een directeur “tweede klasse” lijkt, maar dat in feite ook IX-5769-7/12 is. Hij stelt dat hij verstoken blijft van de graad van algemeen directeur, maar ook van de rechten die aan die functie kunnen worden ontleend. De overgangsmaatregel waarbij hem een gelijke weddeschaal wordt toegekend, is volgens de verzoeker irrelevant en moet als een soort “zwijggeld” worden beschouwd. Het feit dat de verzoeker geen deel meer uitmaakt van de directieraad, is niet louter symbolisch, aangezien hij daardoor verwijderd is uit het bestuur van de administratie en zijn directeurschap in tegenstelling tot vroeger een zuiver uitvoerend karakter krijgt. De verzoeker stelt dat de bewering van de verwerende partij dat zijn herplaatsing hem niet zou hebben verhinderd om te kandideren voor één van de achteraf vacant verklaarde functies van algemeen directeur, niet ernstig kan worden genomen. De verwerende partij heeft immers zelf aangegeven dat het gaat om een “verplichte instap van de huidige directeurs in de overeenstemmende mandaatfunctie, zonder aanwervingsprocedure”, en dat dit noodzakelijk werd geacht “om enerzijds de continuïteit van de dienst te waarborgen en anderzijds de belangen te vrijwaren van vastbenoemde ambtenaren wier statuut plots gewijzigd wordt”. Volgens de verzoeker blijkt hieruit dat het statuut van de bedoelde groep als definitief geregeld werd beschouwd. Dit blijkt, zo stelt de verzoeker, eveneens uit het feit dat het tweede bestreden besluit als een noodzakelijk gevolg werd beschouwd van het eerste bestreden besluit.
  24. De beide tussenkomende partijen werpen op dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien de verzoeker zelf ervoor gekozen heeft geen kandidaat te zijn voor de vier vacant verklaarde mandaatfuncties van algemeen directeur. De “feitelijke degradatie” die door de verzoeker als nadeel wordt aangevoerd, vloeit volgens de tussenkomende partijen niet rechtstreeks voort uit de vacantverklaring van de mandaatfuncties van algemeen directeur, maar wel uit de eigen beslissing van de verzoeker om geen kandidaat te zijn voor deze functies. Wanneer de verzoeker zich erover beklaagt dat hij niet werd aangesteld als algemeen directeur, maar wel als directeur, moet voor ogen worden gehouden dat dit het logische gevolg is van zijn eigen beslissing om geen kandidaat te zijn, veeleer dan van de beide bestreden besluiten.
  25. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden dat hem niet kan worden verweten dat hij zich geen kandidaat heeft gesteld voor de vacant IX-5769-8/12 verklaarde functies van algemeen directeur, omdat de onderliggende reden van zijn beroep er juist in bestaat dat hij zulks niet moest doen. Hij stelt zijn belang steeds te hebben verbonden met de feitelijke degradatie die hem werd opgelegd en niet met het missen van een kans om te worden aangesteld tot algemeen directeur. Volgens de verzoeker aast hij niet op een aanstelling tot algemeen directeur zonder meer, maar beoogt hij daarentegen te laten gelden dat het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie hem een dergelijke aanstelling zonder de vereiste van een voorafgaande kandidaatstelling bij wijze van overgangsmaatregel heeft ontzegd. Hij betoogt dat deze beslissing werd genomen met miskenning van het gelijkheidsbeginsel en zonder ernstige motivering, en dat zijn belang bij de vernietiging van die beslissing blijft bestaan, zelfs na de aanstelling van enkele extern gerekruteerde algemeen directeurs. Zelfs indien wordt aangenomen dat hij geen belang meer heeft bij de vernietiging van de bestreden besluiten, omdat de vacatures ondertussen opgevuld zijn, moet volgens de verzoeker worden vastgesteld dat zijn belang minstens gedeeltelijk herleeft, doordat het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie heeft beslist de algemeen directeur van de algemene directie Ondersteuning en Facility met ingang van 25 februari 2010 te ontslaan. Beoordeling
  26. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Dit belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. Om een voldoende belang te hebben, volstaat het niet dat een verzoekende partij gegriefd is door de bestreden beslissing. Een eventuele vernietiging moet aan de verzoekende partij daarenboven enig voordeel verschaffen.
  27. Te dezen moet, wat het tweede bestreden besluit betreft, worden opgemerkt dat de verzoeker weliswaar de vacantverklaring van vier mandaatfuncties van algemeen directeur en van één mandaatfunctie van directeur aanvecht, maar niet de aanstellingen waartoe deze vacatures hebben geleid. IX-5769-9/12 Het tweede bestreden besluit verklaart de mandaatfuncties van algemeen directeur en directeur vacant, die door de herplaatsing, waartoe werd beslist door het eerste bestreden besluit, nog niet waren ingevuld. Het gaat met name om de functies van algemeen directeur (rang A2L) van de algemene directie Innovatie, Studie en Stedelijk Beleid, de algemene directie Ondersteuning en Facility, de algemene directie Cultuur, Jeugd en Sport en de algemene directie Onderwijs en Vorming, alsook om de functie van directeur (rang A2A) van de directie Gebouwen en Patrimonium. De voormelde vacatures hebben alle geleid tot de aanstelling van een algemeen directeur of directeur in de desbetreffende functies. De gekozen kandidaten werden allen, bij afzonderlijke besluiten van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie van 21 december 2007, in hun functie aangesteld met ingang van 1 januari 2008, voor een duur van zes jaar. De verzoeker heeft deze aanstellingsbesluiten niet met een beroep tot nietigverklaring bestreden, zodat ze ten aanzien van hem definitief zijn geworden. Een eventuele vernietiging van het tweede bestreden besluit kan er dan ook niet meer toe leiden dat de verzoeker opnieuw de kans verkrijgt om zelf in één van die functies te worden aangesteld. De omstandigheid dat één van de aangestelden inmiddels uit zijn functie zou zijn ontslagen kan daaraan niets veranderen.
  28. Met betrekking tot het eerste bestreden besluit, stelt de verzoeker dat deze hem nadeel toebrengt, doordat hij feitelijk wordt gedegradeerd. In essentie lijkt de verzoeker zich gegriefd te voelen doordat hij niet tot algemeen directeur (rang A2L) werd aangesteld. Dienaangaande moet met de verwerende en de tussenkomende partijen worden opgemerkt dat de verzoeker de kans heeft gehad om te kandideren voor de vier vacant verklaarde mandaatfuncties van algemeen directeur, maar heeft nagelaten om dit te doen. Daaruit moet worden besloten dat de verzoeker zelf ermee heeft opgehouden het doel na te streven dat hij met de gevorderde nietigverklaring beoogt. Het feit dat hij bij de reorganisatie als directeur verplicht moest instappen in de overeenstemmende mandaatfunctie van directeur van de nieuwe directie IX-5769-10/12 Financiën en Begroting, stond er niet aan in de weg dat hij kon kandideren voor één van de vacante mandaatfuncties. Voorts moet worden vastgesteld dat de verzoeker bij de uiteenzetting van zijn middelen aanvoert dat er “geen enkele inhoudelijke grond denkbaar [is] waarom hij niet in aanmerking zou komen om de leiding van algemene directies, als bijvoorbeeld ‘Innovatie, Studie en Stedelijk Beleid’ of ‘Ondersteuning en Facility Managament’ op zich te nemen”. In zijn memorie van wederantwoord voegt de verzoeker daaraan toe dat men met recht kan stellen dat de algemene directie Ondersteuning en Facility, waarvan de directie Financiën en Begroting een onderdeel is, de voortzetting is van de voormalige directie Financiën en Algemene zaken. De verzoeker voert evenwel niet aan dat hij in de plaats van de eerste tussenkomende partij had moeten worden aangesteld als algemeen directeur van de algemene directie Welzijn en Gezondheid, noch dat hij specifiek déze functie ambieert. Zoals hiervóór gesteld heeft de verzoeker nagelaten om zich kandidaat te stellen voor de functies van algemeen directeur van de algemene directie Innovatie, Studie en Stedelijk Beleid of de algemene directie Ondersteuning en Facility Management. Nu de vier benoemingen tot algemeen directeur, die zijn tussengekomen na de vacantverklaring van de desbetreffende betrekkingen door het tweede bestreden besluit, definitief zijn geworden en de verzoeker blijkbaar niet beoogt om in de plaats van de eerste tussenkomende partij tot algemeen directeur van de algemene directie Welzijn en Gezondheid te worden aangesteld, kan een eventuele vernietiging van het eerste bestreden besluit voor de verzoeker niet het gewenste resultaat opleveren. De door hem beoogde plaatsen van algemeen directeur zijn immers niet meer te begeven.
  29. Voor zover de verzoeker in zijn laatste memorie laat gelden dat hij het belang bij zijn beroep ontleent aan het feit dat het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie hem een aanstelling tot algemeen directeur zonder de vereiste van een voorafgaande kandidaatstelling bij wijze van overgangsmaatregel heeft ontzegd, lijkt hij bezwaar te maken tegen het feit dat één directie, maar niet de zijne werd omgevormd tot algemene directie. Dit aangevoerde nadeel vloeit evenwel niet voort uit het eerste bestreden besluit, maar uit de beslissingen van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie betreffende de reorganisatie van de IX-5769-11/12 administratie, die niet mede het voorwerp uitmaken van het voorliggende beroep en evenmin door de verzoeker met een afzonderlijk beroep worden bestreden.
  30. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat er reden is om -voor zoveel als nodig ambtshalve- de verzoeker zonder het rechtens vereiste belang bij zijn beroep te verklaren. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het beroep.
  32. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5769-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.529 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.