← België

Arrest 205556 - Penitentiair recht - 21/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.556 Rolnummer: A. 196787/IX-6843 Zaak: Arrest 205556 - Penitentiair recht - 21/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:55 Fiche Arrest nr 205.556 van 21 juni 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 205.556 van 21 juni 2010 in de zaak A. 196.787/IX-6843 In zake : Jordy DE BAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te Hoeselt Tongersesteenweg 4/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 16 juni 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 11 juni 2010 van de directeur van de gevangenis te Hasselt waarbij aan Jordy De Baere de tuchtstraf van drie maanden individueel regime en ontslag uit de keuken wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni 2010, om 11.30 uur. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6843-1/5 Advocaat Pascal Quadflieg, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor de verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt. Op 9 juni 2010 wordt tegen hem een rapport aan de directeur opgemaakt. Het bevat het relaas van een naaktfouille uitgevoerd op de verzoeker, die op 8 juni 2010 “een uitgangsdag” genoten had. Het onderzoek resulteert in het aantreffen bij de verzoeker van drie flesjes “met een vreemde substantie” en twee naalden. Twee ambtenaren zijn getuige van het voorval. Een tuchtprocedure wordt opgestart. Op 10 juni 2010 wordt de verzoeker en zijn raadsman opgeroepen om op 11 juni 2010 om 10.30 u voor de directeur te verschijnen. Uit een “observatierapport” van 11 juni 2010 blijkt dat de verzoeker zijn tuchtdossier -het tuchtrapport en de oproeping- op 10 juni 2010 “iets na 21 uur” ontvangen heeft en het op 11 juni 2010 om 10.20 u opnieuw aan de penitentiair beambte overhandigd heeft. Bij brief van 11 juni 2010 schrijft de raadsman van de verzoeker aan de directeur om het verhoor uit te stellen. Hij wijst erop dat zijn cliënt, in weerwil van de vermelding in de oproeping, geen tuchtdossier -inbegrepen de stukken om een naaktfouille uit te voeren- had ontvangen en dat hij bijgevolg niet weet wat hem ten laste wordt gelegd. Hij stelt ook dat zijn cliënt niet de nodige tijd gehad heeft om zich grondig voor te bereiden op het verhoor. IX-6843-2/5 Op 11 juni 2010 om 10.30 u heeft het verhoor plaats. Het proces- verbaal van het verhoor vermeldt: “Gelet op de argumenten van de gedetineerde (en / of zijn advocaat) die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 11/06/10 werd gehoord: Betrokkene beschikt over een kopie van het tuchtdossier, maar de advocaat geeft aan dat hij zijn verdediging niet grondig heeft kunnen voorbereiden. Mr. Aendekerk heeft nog voor de tuchtzitting inzage gekregen in het tuchtdossier. Ze bevestigt dat ze het dossier voldoende heeft kunnen inkijken en dat ze de feiten met betrokkene heeft kunnen bespreken. Betr.: het verslag klopt niet helemaal. M’n linkerhand zat in mijn broek en niet mijn rechterhand want dat is een gewoonte van mij als ik tv aan het kijken ben. Ik heb alles wat er gevonden is, afgegeven. Ik heb dinsdag een uitgaansvergunning gehad en maandag ben ik naar de wandeling geweest en toen ik terug binnen kwam heb ik een pakje tabak gevonden. Ik heb dit opgeraapt omdat ik zonder zat. Ik doe dit open en ik vind er dat spul in. Ik heb dit niet mee naar binnen gebracht vanuit mijn uitgaan(s)vergunning. Ik heb het pakje langs mijn radiator in mijn cel gelegd en had de bedoeling om dit weg te doen. Mtr. Aendekerk: mijn cliënt heeft al redelijk wat toegelicht. Hij beweert dat hij dit gevonden heeft en bij gebrek aan tabak heeft hij dit meegenomen wat ook natuurlijk een slechte zet van hem was. Hij blijft er formeel bij dat dit in de gevangenis gevonden is en dat hij dit niet mee naar binnen heeft gebracht na zijn UV en hij heeft ook niet gebruikt. Hij is ook bereid om een urinetest af te leggen. Hij is volop aan zijn reclassering bezig en bijgevolg staat er ook veel voor hem op ’t spel. Men kan niet aantonen dat hij dit heeft binnengebracht en volgens mij kan er ook geen tuchtsanctie opgelegd worden bij gebrek aan bewijzen. Mocht hij dit spul vrijwillig hebben afgegeven aan de chef, zouden we hier vandaag nog gezeten hebben.” Dezelfde dag treft de gevangenisdirecteur het thans bestreden besluit waarbij de verzoeker tuchtrechtelijk gestraft wordt met “drie maanden individueel regime (geen gemeenschappelijke activiteiten, individuele wandeling, glasbezoek en geen gemeenschappelijke eredienst gelet op risico smokkel) + ontslag uit de keuken”. De motivering van de beslissing luidt: “Verwijzing naar het tuchtrapport van 09/06/
  5. Betrokkene werd op 09/06/2010 in het bezit gevonden van drie flesjes met een verdachte vloeibare substantie (het etiket vermeldt testosteron) en van attributen om deze substantie toe te dienen (spuit en naald). Hij legt tijdens de hoorzitting een ongeloofwaar- dige verklaring af, als zou hij deze substantie en de voorwerpen in de gevan- genis (cellulair) zonder meer gevonden hebben in een pakje tabak. De gevangenisdirectie weerhoudt het gegeven dat drugsbezit en -gebruik absoluut niet wordt getolereerd: het is in strijd met de lokale leefregels en heeft mogelijks nefaste gevolgen met betrekking tot de eigen gezondheid van IX-6843-3/5 betrokkene en met betrekking tot de orde en de veiligheid in de inrichting. Daarnaast vormen een aantal mogelijke neveneffecten (vechtpartijen, schulden, afpersingen, ...) een minstens even grote bedreiging voor de interne orde en veiligheid. Om deze redenen wordt een gepaste sanctie opgelegd. Betrokkene wordt ontslagen uit de keuken omdat hij gezien de feiten niet langer geschikt wordt geacht om een vertrouwensjob uit de oefenen in de gevangenis.” IV. Onderzoek van de vordering
  6. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Uiteenzetting
  7. De verzoeker zet uiteen dat hij gedurende drie maanden geen contact kan hebben met de medegevangenen en dat zijn contacten met zijn familie beperkt zijn tot glasbezoek, hetgeen “uiteraard een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is”. Het verlies van zijn werk leidt tot inkomstenverlies. Hij moet binnenkort -op 22 juni 2010- voor de strafuitvoeringsrechtbank verschijnen en de zware tuchtstraf zal zeker een invloed hebben op de beoordeling van de strafuitvoerings- modaliteiten. Beoordeling
  8. De last van de opgelegde straf op zich vormt geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat een schorsing rechtvaardigt. Voorts wijst de verzoeker wel de gevolgen aan die de straf voor hem heeft, maar hij zet niet uiteen welk ernstig en moeilijk te herstellen nadeel die gevolgen voor hem inhouden.
  9. De verzoeker stelt dat hij op 22 juni 2010 voor de strafuitvoerings- rechtbank verschijnt met het oog op de vaststelling van de modaliteiten van zijn strafuitvoering en dat zijn gedrag en houding binnen de gevangenis -en derhalve de IX-6843-4/5 opgelegde tuchtstraf- daarbij een rol zal spelen. Die algemene uiteenzetting overtuigt niet: de verzoeker toont niet aan welke negatieve invloed de opgelegde tuchtstraf in zijn geval kan hebben op de beslissing van de strafuitvoeringsrecht- bank. Met algemeenheden houdt de Raad van State geen rekening; overigens wijst de verwerende partij er ter terechtzitting op dat tuchtstrafbesluiten geen tegenaan- wijzing vormen voor de vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de straf.
  10. Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet aangetoond. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt de vordering.
  12. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6843-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.