← België

Arrest 205641 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.641 Rolnummer: A. 190321/IX-6114 Zaak: Arrest 205641 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Fiche Arrest nr 205.641 van 22 juni 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 205.641 van 22 juni 2010 in de zaak A. 190.321/IX-6114 In zake : Patrick LANDUYT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Fernand Moeykens kantoor houdend te Brugge Puienbroeklaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 november 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 14 augustus 2008 van de gewestelijk directeur a.i. van de Federale Overheidsdienst Financiën, belastingen en invorderingen, administratie der Douane en Accijnzen waarbij Patrick Landuyt met ingang van 4 september 2008 voorlopig tewerkgesteld wordt bij de Motorbrigade te Eeklo om er belast te worden met een sedentaire opdracht en er hem geen toelating gegeven wordt om een dienstvoertuig te besturen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 188.046 van 18 november 2008 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-6114-1/7 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni
  3. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is administratief assistent bij de Administratie der Douane en accijnzen van de FOD Financiën, verbonden aan de dienst Eeklo accijnzen. Blijkbaar oefende hij daar een functie uit, die met rondreizen gepaard ging en met het gebruik van een dienstwagen, en genoot hij daarvoor van een toelage rondreizen. Op 17 april 2008 is hij aan het stuur van een dienstwagen betrokken bij een verkeersongeval. Een afgenomen ademtest wijst uit dat hij onder invloed was. Op 13 juni 2008 wordt er omwille van die feiten een tuchtproce- dure tegen hem opgestart. IX-6114-2/7 Op 1 september 2008 wordt de verzoeker opnieuw dronken achter het stuur van zijn dienstvoertuig aangetroffen door de politie. Dientengevolge wordt in opdracht van het parket zijn rijbewijs voor 15 dagen ingetrokken. 3.
  6. In een nota met ref. PD5218 en gedateerd 14 augustus 2008, maar volgens de verwerende partij in werkelijkheid daterend van 4 september 2008, beslist de gewestelijk directeur a.i. W.V.H. dat de verzoeker met ingang van 4 september 2008 voorlopig tewerkgesteld wordt te Eeklo Motorbrigade en daar met een sedentaire opdracht wordt belast. Er mag hem geen toelating meer worden verleend om een dienstvoertuig te besturen, en zijn toelage rondreizen wordt hem ontnomen gedurende de periode van voorlopige tewerkstelling. 3.
  7. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  8. Op 23 oktober 2008 schrijft de raadsman van de verzoeker de gewestelijk directeur aan betreffende de genomen maatregel. Hij betoogt dat het gaat om een tuchtmaatregel vermits de maatregel financiële gevolgen heeft voor zijn cliënt en ook tot gevolg heeft dat hij pas later op pensioen zou kunnen gaan. Hij vraagt om uitleg. Op 28 oktober 2008 antwoordt de gewestelijk directeur dat de verzoeker noodgedwongen tijdelijk van de actieve diensten werd ontheven omdat bij herhaling werd vastgesteld dat hij niet in staat is om veilig een dienstvoertuig te besturen en diensten op de openbare weg uit te voeren waarbij hij met publiek in contact komt. Hij stelt verder dat er voor de afzonderlijke misbruiken tuchtdossiers werden opgestart en dat de betrokken maatregel geen sanctie is maar slechts een bewarende maatregel ter vrijwaring van de veiligheid van de burger, de collega's van de verzoeker en van de verzoeker zelf. Volgens hem zullen de opdrachten die door de verzoeker kunnen worden uitgevoerd na diens terugkeer uit ziekteverlof worden geëvalueerd. Hij betwist dat de betrokken maatregel invloed heeft op de leeftijd waarop de verzoeker met pensioen zal kunnen gaan. 3.
  9. Bij brief van 20 februari 2009 deelt de gewestelijk directeur aan de verzoeker mee dat hij zijn beslissing PD 5218 van 4 september 2008 (verkeerde- lijk gedateerd 14 augustus 2008) betreffende zijn voorlopige tewerkstelling te Eeklo Motorbrigade intrekt en dat de verzoeker zijn dienst moet hernemen bij de Sectie der Accijnzen te Eeklo. De beslissing vermeldt verder dat zijn dienstprestaties vanaf IX-6114-3/7 4 september 2008 geacht worden te zijn gepresteerd in de Sectie der Accijnzen te Eeklo. In een dienstnota van 25 februari 2009 aan de Sectie der Accijnzen te Eeklo vaardigt e.a. inspecteur D. een nieuwe dienstregeling uit voor de drie ambtenaren van de Sectie. Daarin wordt bepaald dat de verzoeker in geen geval het dienstvoertuig mag besturen en alleen op baancontrole mag gaan samen met collega L.D. en dat de verzoeker kantoorwerk heeft op de dagen dat de twee andere collega's controle doen op de baan of bij bedrijven. Op 26 februari 2009 wordt hem meegedeeld dat er nog door de dienst P&O inlichtingen moeten worden bezorgd omtrent de wettelijke basis voor het toekennen van de vergoeding rondreizen en dat de gewestelijke directie ze aan de verzoeker zal overmaken en uitvoeren van zodra ze worden ontvangen. IV. Het voorwerp van de vordering Standpunt van de partijen
  10. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie op dat de bestreden beslissing is ingetrokken en dat het beroep bijgevolg zonder voorwerp is geworden.
  11. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de ontvankelijkheid moet worden beoordeeld op het ogenblik van het instellen van de vordering, dat op dat moment de vordering een voorwerp had en dat ze niet onontvankelijk wordt omdat dat voorwerp nadien zou verdwijnen. Hij voert aan, onder de hoofding “betreffende de gegrondheid”, dat hij er nog steeds een moreel belang bij heeft dat de beslissing wordt vernietigd, omdat de intrekking hem in het ongewisse laat betreffende de regelmatigheid van de ingetrokken beslissing. Hij voegt daaraan toe dat hoewel de bestreden beslissing werd ingetrokken, in de dienstnota van 25 februari 2009 een administratieve regeling werd getroffen die deze intrekking in de praktijk ongedaan maakt en dat de Raad van State bijgevolg “bevoegd” blijft. Hij wijst er op dat hij tijdens de periode dat de IX-6114-4/7 beslissing van toepassing was, de vergoeding rondreizen niet heeft ontvangen en dat hij bijgevolg een financieel verlies heeft geleden. Beoordeling
  12. De verzoeker voert ten onrechte aan dat een vordering niet onontvankelijk wordt, indien haar voorwerp hangende het geding verdwijnt. Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat wanneer een vordering in de loop van het geding haar voorwerp verliest door bijvoorbeeld de intrekking van de bestreden beslissing, zij geacht wordt geen voorwerp meer te hebben en om die reden moet worden verworpen. De intrekking van een beslissing betekent immers dat zij met terugwerkende kracht tot op de datum waarop ze werd genomen uit de rechtsorde verdwijnt. Bijgevolg heeft de vordering nooit een voorwerp gehad. Er kan immers niet meer worden vernietigd wat niet meer bestaat en zelfs, wat geacht wordt, nooit te hebben bestaan. Dergelijke beroepen vallen onder de benaming “doelloze beroepen”. Dat zijn dan de beroepen die zonder voorwerp worden en die daardoor hun doel hebben verloren en waaronder vallen de beroepen waarvan de bestreden beslissing in de loop van het geding wordt ingetrokken.
  13. De verzoeker vraagt in zijn memorie van wederantwoord niet dat zijn beroep zou worden uitgebreid tot die intrekkingsbeslissing. Evenmin heeft hij er een afzonderlijk vernietigingsberoep tegen ingediend. De intrekkingsbeslissing is bijgevolg definitief geworden. De verzoeker vraagt evenmin zijn beroep uit te breiden tot de nieuwe beslissing van 25 februari
  14. Hij omschrijft immers in het beschikkend gedeelte van zijn memorie van wederantwoord het voorwerp van de vordering als volgt: “de beslissing genomen, foutief gedateerd op 14 augustus 2008 en betekend bij aangetekend schrijven aangeboden bij verzoeker op 18 september 2008, en ondertekend door de heer (W.V.H.), gewestelijk directeur a.i., waarbij verzoeker een voorlopige tewerkstelling werd meegedeeld, nietig te verklaren en als onbestaande, en te zeggen voor recht dat deze als onbestaande dient beschouwd te worden.” IX-6114-5/7
  15. Vermits de intrekking van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat deze beslissing geacht moet worden nooit te hebben bestaan kan de verzoeker niet aanvoeren dat hij nog een moreel belang heeft bij de vernietiging ervan. Het blijkt dat er na de intrekking nieuwe regelingen zijn getroffen die verzoekers tewerkstelling bij de Sectie der Accijnzen te Eeklo regelen. Weliswaar houdt deze regeling ook in dat de verzoeker het dienstvoertuig niet mag besturen, maar dit is dan het gevolg, niet van de ingetrokken beslissing, maar wel van het nieuwe dienstorder van 25 februari 2009, dat de verzoeker niet bestrijdt. De bestreden beslissing kan ook geen gevolgen meer hebben voor de vergoeding tot rondreizen, vermits ze geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat zij geen gevolgen kan hebben voor de toekenning van die vergoeding. Uit de nota van 26 februari 2009 blijkt alleen dat de verwerende partij de gevolgen van de intrekking op de toekenning van die vergoeding nog aan het onderzoeken is en er wordt een beslissing daarover aangekondigd. Er zal dus eventueel een nieuwe beslissing worden genomen. Het zal dan die beslissing en niet de ingetrokken beslissing zijn die eventueel financiële gevolgen zou kunnen hebben voor de verzoeker.
  16. Ten overvloede wordt daaraan toegevoegd dat uit het ministerieel besluit van 12 april 1965 betreffende de toekenning van een vergoeding voor kosten wegens rondreizen, van een vergoeding voor het gebruik van een fiets en van bijzondere vergoedingen tot dekking der verplaatsingskosten aan sommige personeelsleden van het Ministerie van Financiën, blijkt dat het gaat om een forfaitaire vergoeding die wordt toegekend indien aan de in dat besluit vermelde objectieve voorwaarden is voldaan. Bijgevolg behoort een dergelijke betwisting niet tot de bevoegdheid van de Raad van State. Dienvolgens heeft het beroep zijn voorwerp verloren, is het doelloos geworden en is de exceptie van de verwerende partij gegrond. Er is aanleiding om voornoemd artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 toe te passen. IX-6114-6/7 BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Daniël Moons IX-6114-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.641 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.