id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.647 Rolnummer: A. 161587/X-12276 Zaak: Arrest 205647 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Fiche Arrest nr 205.647 van 23 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.647 van 23 juni 2010 in de zaak A. 161.587/X-12.276. In zake: Rudi ANTHONISSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Tine Goossens kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Brusselstraat 59 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van Antwerpen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Vanosselaer kantoor houdend te 2800 MECHELEN Veemarkt 37A/2 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 april 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 9 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stabroek niet wordt ingewilligd en waarbij de vergunning wordt geweigerd tot het regulariseren van de gevelwijziging en verharding en tot het omvormen van een steenslagverharding in betonverharding op een terrein gelegen te Stabroek, Hoogeind 36, kadastraal bekend sectie B, nr. 33/d. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. X-12.276-1/11 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Astrid Gelijkens, die loco advocaten Willem Slosse en Tine Goossens verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoeker is eigenaar van een onroerend goed gelegen aan de Hoogeind 36 te Stabroek, kadastraal bekend sectie B, nr. 33/d. De constructie waarvoor de regularisatie wordt gevraagd was oorspronkelijk vergund op grond van een beslissing van 3 mei 1960. 4. Het kwestieuze perceel is, volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen, gelegen in woongebied. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 5. Op 30 juli 2001 (datum van het ontvangstbewijs) wordt een regularisatieaanvraag ingediend voor het “aanpassen van buitengevels gebouw en betonverharding rondom”. Bij besluit van 27 september 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stabroek de regularisatievergunning. X-12.276-2/11 De verzoeker tekent op 9 oktober 2001 beroep aan tegen het weigeringsbesluit bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Bij besluit van 4 april 2002 willigt de bestendige deputatie het beroep gedeeltelijk in en verleent zij de vergunning “overeenkomstig de voorgebrachte plannen, met uitsluiting van de betonverharding die niet behoort tot de eigendom van betrokkene”. Op 23 mei 2002 tekent het college van burgemeester en schepenen bij de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening beroep aan tegen dit besluit. Bij besluit van 29 augustus 2002 wordt het beroep ingewilligd en de beslissing van de bestendige deputatie vernietigd. 6. Intussen worden verschillende processen-verbaal opgesteld wegens bouwovertredingen, meer bepaald op 5 oktober 2001, op 21 januari 2002, een stopzettingsbevel op 12 september 2002 met bekrachtigingsbeslissing van 20 september 2002, een tweede stopzettingsbevel op 2 juli 2003 met bekrachtigingsbeslissing van 15 juli 2003 en een derde stopzettingsbevel op 28 juli 2003 met bekrachtigingsbeslissing van 5 augustus 2003. 7. Op 12 augustus 2003 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stabroek opnieuw een vergunning aan voor de regularisatie van de gevelwijziging en verharding, alsmede voor het omvormen van steenslagverharding in betonverharding op het kwestieuze perceel. 8. Op 9 september 2003 verleent de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen een gunstig advies “gezien de aanvraag in overeenstemming is met de algemene en bijzondere voorwaarden”. 9. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek, dat wordt georganiseerd van 30 september 2003 tot 15 oktober 2003, worden 14 bezwaarschriften ingediend. 10. Op 23 oktober 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen de gevraagde regularisatievergunning. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “Overwegende echter dat uit het schrijven dd. 20 juni 2003 van de heer BASTIAENSEN aan het College blijkt dat de heer BASTIAENSEN uitbreiding X-12.276-3/11 in het vooruitzicht heeft, en in het magazijn van aanvrager de ideale ruimte hiervoor gevonden heeft. Overwegende dat de heer BASTIAENSEN erbij vermeldt dat het magazijn en het terrein gebruikt worden als opslagplaats van materiaal, en als parkeerplaats voor een drietal bestelwagens van hemzelf en zijn personeel; dat het terrein snel bereikbaar is. Overwegende dat het terrein evenwel helemaal niet zo eenvoudig bereikbaar is, aangezien het achterin gelegen is, en, zoals reeds vermeld, enkel via een servitudewegenis aan de drukke gewestweg paalt Overwegende dat het gebruik van deze servitudewegenis, volledig gelegen temidden van vrijstaande eengezinswoningen, zowel in het verleden als nu voor hinder voor de omwonenden zorgt. Overwegende dat gelet op de hierboven reeds vermelde smalle strook van 36 m³, nog steeds eigendom van IMMOMEX NV en gelegen tussen de eigendomsgrens van het perceel van aanvrager en de rooilijn van de Lassonhoflaan, een uitweg aan de achterzijde van het perceel, temidden in de residentiële wijk, niet mogelijk is. Overwegende dat net deze achterin gelegen ligging van het perceel temidden van een residentiële wijk, i.t.t. wat aanvrager in zijn toelichtingsnota aanvoert, niet te vergelijken valt met de ligging van de percelen aan de voorkant die onmiddellijk aanpalen aan de drukke gewestweg. Overwegende dat dan ook de verwijzing van aanvrager naar andere bedrijvigheden, onmiddellijk gelegen langsheen deze drukke gewestweg, geenszins het karakter van de onmiddellijke omgeving rond zijn achterin gelegen eigendom typeert. Overwegende dat het onverenigbaar karakter van de te regulariseren werken en de geplande bedrijvigheden op het perceel van aanvrager eveneens blijkt uit de bezwaarschriften die werden ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat van 30 september 2003 tot 15 oktober 2003 georganiseerd werd. Overwegende dat er in totaal 14 bezwaarschriften werden ingediend door de bewoners van de panden rondom het achterin gelegen perceel van aanvrager (zowel aan de kant van de Lassonhoflaan, als links en rechts van de servitudewegenissen naar Hoogeind toe). Overwegende dat uit het grote aantal bezwaarschriften en de unanieme toon ervan duidelijk blijkt dat de bestemming die aanvrager aan zijn pand wenst te geven onverenigbaar wordt geacht met het karakter van de onmiddellijke omgeving. Het achterin gelegen perceel van aanvrager ligt inderdaad midden in een residentiële woonwijk, en zowel de activiteiten die er in het verleden hebben plaatsgevonden als de thans aangekondigde (doch reeds gestarte) activiteiten en de te regulariseren werken worden door de buurtbewoners als volstrekt onverenigbaar met de residentiële woonwijk ervaren. Overwegende dat de door de bezwaarindieners als onverenigbaar gepercipieerde bedrijvigheden en te regulariseren werken niet alleen betrekking hebben op de visuele hinder, doch ook op het af- en aanrijden van vrachtwagens of bestelwagens (overdag, doch ook ’s avonds en ’s nachts) langsheen de smalle (en niet verharde) servitudewegenissen naar de drukke gewestweg Hoogeind toe. Dat het verkeer dat over deze wegenissen verloopt niet alleen zeer hinderlijk is, doch tevens al meermaals tot schade aan randbegroeiing heeft geleid, en bovendien zeer onveilig is (temeer gelet op de vlakbij gelegen woningen waar veel kinderen wonen). Dat dit uitwegprobleem hiervoor ook reeds werd geschetst. Overwegende dat dit uitweg-gerelateerd probleem zelfs bij een lagere frequentie van af- en aanrijden blijft bestaan. Dat de inplanting van de door aanvrager beoogde te regulariseren werken en zijn geplande bedrijvigheden volstrekt onverenigbaar worden geacht met de X-12.276-4/11 onmiddellijke omgeving, zijnde een rustige residentiële woonwijk waar veel kinderen wonen en op straat spelen. Overwegende dat de draagkracht van het woongebied wordt aangetast doordat de bouwvergunning de normale functie van het gebied in de onmiddellijke omgeving in het gedrang brengt; dat de duurzame ontwikkeling van het woongebied daardoor wordt aangetast. Overwegende dat de activiteiten van de heer BASTIAENSEN en eventuele andere gelijkaardige activiteiten in de toekomst in de te regulariseren werken, zoals voorgesteld door de aanvrager, geenszins verenigbaar zijn met de buurt”. 11. Op 21 november 2003 tekent de verzoeker beroep aan tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen tot weigering van de regularisatievergunning. Hierbij wijst hij op het feit dat het gebouw terug in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld en zal gebruikt worden als opslagplaats voor bouwmaterialen en -gereedschap, op de bereikbaarheid langs de gewestweg Hoogeind en langs de Lassenhoflaan via een servitudewegenis en op de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving. 12. Bij besluit van 9 december 2004 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep niet in en verleent zij de vergunning niet overwegende dat “de aanvraag en het daarmee gepaard gaande gebruik van de constructie de draagkracht van de onmiddellijke omgeving overschrijdt en onverenigbaar is met de goede aanleg van de plaats”. Dit is het bestreden besluit. 13. Bij vonnis van 27 mei 2008 verleent de correctionele rechtbank te Antwerpen de verzoeker “gezien de afwezigheid van een correctionele veroordeling (...) het voordeel van de opschorting” voor de bewezen verklaarde feiten, onder meer het uitbreken van een vensteropening, werken aan de gevel, het aanbrengen van poortopeningen en het dichten van een bestaande poort in de kopgevel en het stapelen van bouwmaterialen, het gebruik van de parking en het gebruik van de bodem voor opslag van afval. III. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 14. In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december X-12.276-5/11 1972 houdende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Meer bepaald voert hij aan dat “in de bestreden beslissing de aanvraag geenszins op afdoende wijze wordt getoetst aan de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening” en dat de beoordeling “volgens de voorschriften van het gewestplan op grond van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening” niet uitdrukkelijk en afdoende is gemotiveerd. De verzoeker stelt dat de omgeving waarin het perceel zich bevindt niet “wordt gekenmerkt door residentiële woningbouw”, maar gelegen is “aan de buitenkant van een wijk, achter een drukke gewestweg waarlangs meerdere grote bedrijven gevestigd zijn” en dat niet “verwacht kan worden dat vrachtwagens die bouwmaterialen en gereedschap aan- en afvoeren een aanzienlijke overlast in de buurt zouden veroorzaken” omdat “het (beperkte) vervoer niet langs een woonwijk (dient) te worden geleid, maar (...) rechtstreeks op de gewestweg (komt)” via een servitudewegenis. Voorts stelt hij dat de huidige eigenaars van de omliggende percelen, die onderdeel zijn van verkavelingen die pas zijn vergund nadat reeds “volop handelsactiviteiten op het perceel 33 C en D (werden) uitgeoefend”, op de hoogte waren van deze situatie. Bovendien waren volgens hem “de bevoegde overheden (...) toentertijd aldus wel degelijk de mening toegedaan dat het magazijn en de bedrijfsactiviteiten die hierin werden uitgevoerd verenigbaar waren met de onmiddellijke omgeving”. Tot slot wijst de verzoeker erop dat “de bestendige deputatie geenszins rekening heeft gehouden met de toelichtingsnota met betrekking tot de toekomstige bestemming en gebruik van het gebouw”, meer bepaald de verhuur “aan een zelfstandige in de bouwsector die het magazijn zal gebruiken als opslagplaats voor bouwmaterialen en gereedschap” en “dus geenszins (...) als werkplaats”. In het bestreden besluit wordt volgens hem geen rekening gehouden met het beperkte “af- en aanrijden van vrachtwagens”, het niet gebruiken van machines en het gegeven dat het geen grote exploitatie is “die gepaard gaat met een drukke bedrijvigheid”. 15. De verwerende partij verwijst in de memorie van antwoord naar de bezwaarschriften van de omwonenden, uitgebracht in het kader van het openbaar onderzoek, om vervolgens te stellen dat “de uitgangspositie van verzoekende partij als zou haar perceel Hoogeind 36 aan de buitenkant van een wijk gelegen zijn, niet overeenstemt met de werkelijkheid”. Bovendien is het feit dat zijn initiële vergunning van 3 mei 1960 dateert van voor de verkavelingsvergunningen van de X-12.276-6/11 omwonenden “geen rechtvaardigheidsgrond voor het wederrechtelijk uitvoeren van werken waarvoor de aanvraag werd ingediend”. Voorts stelt zij dat “de (toekomstige) huurder, doch nu reeds gebruiker, dhr. Bastiaensen (...) in zijn schrijven van 20 juni 2003 (heeft) laten blijken dat hij een uitbreiding in het vooruitzicht stelt en een parkeerplaats voorziet voor een drietal bestelwagens” en dat “dit terrein (...) evenwel niet zo eenvoudig bereikbaar (is), want achterin gelegen en enkel via een servitudewegenis - die nog steeds geen eigendom is van verzoekende partij - bereikbaar, volledig gelegen temidden van vrijstaande eengezinswoningen”. Zij concludeert dat “uitdrukkelijk tegemoetgekomen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.