id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.649 Rolnummer: A. 181911/X-13222 Zaak: Arrest 205649 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Fiche Arrest nr 205.649 van 23 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.649 van 23 juni 2010 in de zaak A. 181.911/X-13.
- In zake: de b.v.b.a. VAN LOOVEREN HOUTINTERIEUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claude Marinower kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Consciencestraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 16 januari 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 23 december 2004 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen wordt ingewilligd en de verzoekende partij de vergunning wordt geweigerd tot regularisatie van een magazijn voor houtopslag op een perceel te Wuustwezel, Brekelen 44, kadastraal bekend sectie F, nr. 836/k. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. X-13.222-1/10 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Geens, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Thomas Ryckalts, die loco advocaat Claude Marinower verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 7 november 2000 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt Paul van Looveren in naam van de verzoekende partij bij het gemeentebestuur van Wuustwezel een vergunning aan voor “regularisatie magazijn voor houtopslag” op een perceel te Wuustwezel, Brekelen 44, kadastraal bekend sectie F, nr. 836/k. In de bij de aanvraag gevoegde “nota bij regularisatie” wordt onder meer het volgende gesteld: “Het gebouwde wijkt qua inplanting, vorm en materialen af van de goedgekeurde bouwaanvraag dd 27/3/95 voor het bouwen van een opslagruimte voor parket en de bouwvergunning dd 10/7/95 voor het regulariseren van garage en houtsopslagmagazijn”.
- Het voormelde magazijn is overeenkomstig het op 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
- Op 6 december 2000 geeft de afdeling Land een gunstig advies. X-13.222-2/10
- Op 18 december 2000 geeft het college van burgemeester en schepenen van Wuustwezel een voorwaardelijk gunstig vooradvies.
- Op 31 oktober 2003, na een vraag vanwege de gemeente Wuustwezel tot herziening van een eerder ongunstig advies van 20 augustus 2001, geeft de gemachtigde ambtenaar opnieuw een ongunstig advies waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “De aanvraag situeert zich aan de rand van het woongebied en sluit aan op een druk bebouwde zone van de agrarische omgeving. In een woongebied dienen constructies te worden opgericht in kwalitatief en esthetisch hoogstaande materialen, meer bepaald baksteenmetselwerk en (...) bij voorkeur een pannen dak zoals vergund op 10/07/
- Eenzelfde stedenbouwkundige norm geldt ook voor het aanpalende agrarisch gebied. Het gebruikte materiaal, namelijk geprofileerde staalplaten, is principieel enkel aanvaardbaar in een industriële omgeving en conflicteert met de aard van de bebouwing in het woongebied en het aanpalend agrarisch gebied. Het college haalt als argument - om ons ongunstig advies dd. 20/08/2001 te herzien - aan dat in de nabije omgeving nog gebouwen met dit soort materiaalgebruik werden vergund. Het gaat hier over constructies in andere straten, dus niet in de onmiddellijke omgeving van de aanvraag. Het aangrijpen van deze constructies om de aanvaardbaarheid van het magazijn in kwestie op betreffende locatie te verantwoorden is wel erg ver gezocht en zou impliceren dat overal in het woongebied en agrarisch gebied in Wuustwezel een minderwaardig materiaalgebruik als staalplaten kan toegestaan worden. Bovendien is het vanuit goede ruimtelijke ordeningsoogpunt niet verantwoord om bestaande negatieve situaties aan te wenden als argument om nieuwe negatieve, stedenbouwkundig minderwaardige situaties toe te staan. De aanvraag betekent een inbreuk op de goede ruimtelijke ordening in deze omgeving, waar het gebruik van geprofileerde staalplaten als gevelmateriaal niet inpasbaar en stedenbouwkundig niet verantwoord wordt geacht. De aanvraag wordt qua materiaalgebruik niet verenigbaar geacht met de goede plaatselijke ordening. Het ongunstig advies dd. 20/08/2001 blijft behouden”.
- Op 17 november 2003 weigert het college de gevraagde vergunning te verlenen, met verwijzing naar de ongunstige adviezen van de gemachtigde ambtenaar.
- Op 24 december 2003 stelt de verzoekende partij administratief beroep in tegen de voormelde weigeringsbeslissing.
- Op 23 december 2004 willigt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de verzoekende partij in. In dit besluit wordt onder meer het volgende gesteld: X-13.222-3/10 “II. VERENIGBAARHEID MET DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING. De bestaande constructie werd uitgevoerd in geprofileerde grijze staalplaten. Hoewel het argument van de gemachtigde ambtenaar dat het gebruikte materiaal onverenigbaar is met de algemeen geldende stedenbouwkundige normen in woongebied en/of agrarisch gebied, principieel kan worden bijgetreden, dient in casu gewezen op de specifieke ruimtelijke context van de aanvraag. Beroeper lijst ter staving van de regularisatie-aanvraag een aantal magazijnen in de omgeving op, die zich in een gelijkaardige planologische context bevinden, en dus gelegen zijn op de rand van het woongebied en/of in agrarisch gebied. Aan de hand van de bij het beroepschrift gevoegde foto's toont beroeper aan dat verschillende magazijnen in de omgeving met identieke en vergelijkbare materialen zijn afgewerkt. Beroeper verwijst zowel naar stallingen en loodsen horend bij landbouwbedrijven, als naar werkplaatsen en magazijnen horend bij schrijnwerkerijen, een garage, melkerij, ... opgetrokken in geprofileerde staalplaten, betonstenen of rode gevelsteen. Naar aanleiding van het beroep werd het college van burgemeester en schepenen verzocht de vergunningstoestand van de door beroeper genoemde magazijnen te controleren. Op 26 oktober 2004 werd hierover verslag uitgebracht. Hieruit blijkt dat er (...) in de onmiddellijke nabijheid van het magazijn en in een gelijkaardige planologische context, met name gelegen op de rand van het woongebied en het agrarisch gebied, verschillende constructies te vinden zijn waarbij identieke en vergelijkbare materialen ter afwerking werden aangewend. Het in zitting van 17 maart 2003 uitgebracht gunstig advies wordt bevestigd. In het verleden werden enkele vergunningen verleend voor constructies opgetrokken in silexpanelen of staalplaten. De aanvraag kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaard worden”.
- Op 21 februari 2005 stelt de gemachtigde ambtenaar administratief beroep in tegen het voormelde deputatiebesluit.
- Op 16 januari 2007 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “Overwegende dat de handelswijze van de aanvrager ten opzichte van de vergunningverlenende overheid niet correct is; dat met name de gebruikte materialen mee een essentieel beoordelingsaspect vormen om voor een bepaalde plaats inpassing, kwaliteit en samenhang van de gebouwen te realiseren; dat hier de overheid voor het voldongen feit staat en niet meer met de nodige vrijheid kan handelen; Overwegende evenwel dat elke aanvraag, ook al betreft het regularisatie, een beoordeling ten gronde vergt; dat in huidig geval het gaat om een vestiging die houten parketvloeren plaatst, die dus een zekere bedrijvigheid voorstaat en die dat ook aan de straatzijde wil kenbaar maken; dat daartoe de plaatsing en de vorm van het gebouw volstaan; dat dit geenszins moest vertaald worden in een afwijking van de gegeven vergunning; Overwegende dat de aanvraag zich situeert (...) aan de rand van het woongebied; dat binnen dergelijk gebied de constructies moeten worden opgericht in kwalitatief en esthetisch hoogstaande materialen; dat de X-13.222-4/10 vergunning dd. 10 juli 1995 dan ook met reden het gebruik van baksteenmetselwerk en bruine of rode dakpannen voorschrijft, dit binnen het nastreven van een blijvend verzorgd uitzicht van de uitbouw aan de straat; dat betrokken woongebiedsdeel, ten oosten van de bouwplaats, grotendeels wordt bepaald door gangbare, fysisch verzorgde residentiële bebouwing in vrijstaand verband en met klassieke vormgeving en materialen; Overwegende dat de aanvrager ter staving van de regularisatieaanvraag een aantal magazijnen in de omgeving oplijst, die zich in een gelijkaardige planologische context bevinden, en dus gelegen zijn op de rand van het woongebied en/of in agrarisch gebied; dat de aanvrager aan de hand van foto’s tracht aan te tonen dat verschillende magazijnen in de omgeving met identieke en vergelijkbare materialen zijn afgewerkt, daarbij verwijzend zowel naar stallingen en loodsen horend bij landbouwbedrijven, als naar werkplaatsen en magazijnen horend bij schrijnwerkerijen, een garage, melkerij, ... opgetrokken in geprofileerde staalplaten, betonstenen of rode gevelsteen; Overwegende dat om de precedentwaarde van deze constructies na te gaan, de vergunningstoestand van de vermelde gebouwen is nagegaan en dat daaruit volgende conclusies worden getrokken: • het merendeel van de magazijnen is niet conform de vergunning uitgevoerd, en dient in de regel te worden geregulariseerd; • quasi alle vergunningen leggen een afwerking in baksteenmetselwerk als voorwaarde op (een enkele keer wordt de keuze tussen baksteenmetselwerk of silexpanelen vrij gelaten); • voor enkele magazijnen is geen vergunning bekend; Overwegende dat de door de aanvrager genoemde magazijnen dus bezwaarlijk als precedent kunnen gelden; dat het consequent opnemen van de voorwaarde van afwerking in baksteenmetselwerk aantoont dat de bestaande metalen gevelbekleding vanuit stedenbouwkundig oogpunt in veel gevallen niet kan worden aanvaard; dat het duidelijk is dat het materiaalgebruik dient aan te sluiten bij dat van de bestaande bebouwde omgeving; Overwegende dat in zitting van 17 maart 2003 de gemeente gunstig advies heeft uitgebracht over de aanvraag, met als motivering dat in het verleden enkele vergunningen werden verleend voor constructies opgetrokken in silexpanelen of staalplaten; dat met betrekking tot de door de gemeente genoemde precedenten eerstens kan worden opgemerkt dat deze reeds op enige afstand van de aanvraag gelegen zijn en zich dus niet in de onmiddellijke omgeving van de aanvraag bevinden; dat anderzijds het vanuit oogpunt van de goede ruimtelijke ordening niet wenselijk is om bestaande, stedenbouwkundig minderwaardige situaties aan te grijpen als referentiepunt; dat zulks op termijn immers het gebruik van minderwaardige bouwmaterialen zou bestendigen; Overwegende dat in die zin het beroepsargument van de gemachtigde ambtenaar kan bijgetreden worden; dat het gebruik van staalplaten voor betrokken terrein niet bestaanbaar met de omgeving wordt geacht; dat het beroep van gemachtigde ambtenaar dient bijgetreden; Overwegende dat de aanvrager heeft verzocht om gehoord te worden; dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud dd 6 september 2005 de aanvrager en zijn raadgevers zijn verschenen: BESLUIT: Artikel
- Het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd. Bijgevolg wordt de beslissing van 23 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende toekenning van een vergunning aan advocaat Yves Loix namens de B.V.B.A. Van Looveren Houtinterieur (de heer Paul Van Looveren) vernietigd”. X-13.222-5/10 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel wordt als volgt uiteengezet: “VI.1 EERSTE MIDDEL ‘schending van artikel 4 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening dd. 18 mei 1999 (DORO), alsmede van artikel 19, 3/ lid van het K.B. van 28 december 1972 houdende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen en de ontwerpgewestplannen, alsmede van artikel 53 (...) § 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (DRO)’ Doordat bij het beoordelen van een stedenbouwkundige vergunning steeds een afweging gemaakt dient te worden van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving; Terwijl in casu niet afdoende getoetst wordt aan de goede ruimtelijke ordening zoals deze zich de facto voordoet in de onmiddellijke omgeving van het pand waarop de aanvraag betrekking heeft; Zodat de bestreden beslissing de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen schendt; TOELICHTING BIJ HET MIDDEL
- Overeenkomstig artikel 4 DORO, juncto artikel 19 van het K.B. van 28 december 1972 houdende de inrichting en toepassing van de gewestplannen en de ontwerpgewestplannen dient iedere aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning beoordeeld worden aan de hand van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving.
- Overeenkomstig vaste rechtspraak van Uw Raad dient bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten. Er dient met andere woorden rekening gehouden te worden met de concrete toestand van de onmiddellijke omgeving. In de bestreden beslissing is dit niet gebeurd.
- Op welke wijze wordt de onmiddellijke omgeving in casu omschreven? Uit de tekst van de bestreden beslissing blijkt dat verwerende partij uitsluitend als eigen afweging stelt dat: ‘betrokken woongebiedsdeel, ten oosten van de bouwplaats, grotendeels wordt bepaald door gangbare, fysisch verzorgde residentiële bebouwing in vrijstaand verband en met klassieke vormgeving en materialen’
- Deze beschrijving van de onmiddellijke omgeving is vaag en te algemeen. Er blijkt immers geenszins uit door welke bebouwing de omgeving ten noorden, westen en zuiden van de bouwplaats wordt gekenmerkt. Daarenboven wordt in het bestreden besluit niet verduidelijkt wat wordt bedoeld met de omschrijving ‘gangbare, fysisch verzorgde residentiële bebouwing’. Evenmin wordt aangegeven wat wordt bedoeld met de algemene omschrijving ‘klassieke vormgeving en materialen’.
- Het bestreden besluit blijft manifest in gebreke wat de omschrijving van en de toetsing aan de bebouwing in de onmiddellijke omgeving betreft. X-13.222-6/10
- Het gebrek in de beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving stelt zich des te meer nu de aanvrager in de procedure voor verwerende partij een aantal concrete vergelijkingspunten bijbracht van gelijkaardige panden die in de onmiddellijke omgeving van het eigen pand gesitueerd zijn. Zonder op enigerlei wijze hierover te motiveren wordt er in volstaan te stellen dat het merendeel van deze panden niet vergund zou zijn. Er wordt echter niet aangegeven over welke panden het zou gaan, noch over hoeveel van deze panden. Evenmin wordt nagegaan of de panden waarvoor geen vergunning voorhanden is, eventueel niet als vergund geacht aanzien kunnen worden.
- Ook het college van burgemeester en schepenen maakte een aantal stedenbouwkundige vergunningen over van gelijkaardige panden in de onmiddellijke omgeving. Op geen enkele wijze wordt met deze informatie rekening gehouden in de bestreden beslissing.
- Gelet op het voorgaande dient geoordeeld te worden dat de conclusie van de bestreden beslissing, namelijk dat het gebruik van staalplaten niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving niet gebaseerd is op overwegingen die terug te vinden zijn in de bestreden beslissing. De verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving wordt niet afdoende getoetst, minstens wordt dienaangaande niet afdoende gemotiveerd.
- Het eerste middel is gegrond”. Beoordeling
- Aan de opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de uitspraak over het administratief beroep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- In het bestreden besluit wordt omtrent de onverenigbaarheid van het gevraagde met de goede plaatselijke ordening gesteld dat de gebruikte gevelmaterialen in het licht van een nastreven van een blijvend verzorgd uitzicht van de straat een essentieel beoordelingselement vormen. De mogelijke precedentwaarde van door de verzoekende partij aangebrachte magazijnen in de omgeving wordt afgewezen omdat de meeste magazijnen niet conform de vergunning blijken uitgevoerd te zijn, quasi alle vergunningen een afwerking in baksteenmetselwerk als voorwaarde opleggen en er voor enkele magazijnen zelfs geen vergunning bekend is. X-13.222-7/10 Met betrekking tot de door de gemeente genoemde constructies wordt overwogen dat ze zich niet in de onmiddellijke omgeving van de aanvraag bevinden en dat het “niet wenselijk is om bestaande, stedenbouwkundig minderwaardige situaties aan te grijpen als referentiepunt”. Het gebruik van staalplaten wordt vervolgens als niet bestaanbaar met de omgeving geacht.
- Uit het voorgaande blijkt dat de verwerende partij op afdoende wijze de onmiddellijke omgeving van het perceel in aanmerking heeft genomen. Er wordt verwezen naar de bestemming van het gebouw, zodat de beschrijving niet als “vaag en te algemeen” kan beschouwd worden. Voorts worden in het bestreden besluit expliciet de “precedenten” die de verzoekende partij heeft aangebracht bij de beoordeling betrokken. Het feit dat “niet (wordt) aangegeven over welke panden het zou gaan, noch over hoeveel van deze panden” impliceert niet dat de bestreden beslissing onwettig is, temeer daar de verzoekende partij zelf naar deze panden heeft verwezen en dus geacht mag worden te weten welke magazijnen het betreft. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, heeft de verwerende partij ook rekening gehouden met de door het college vernoemde panden. De verzoekende partij toont de onredelijkheid van de overwegingen hieromtrent niet aan. Overigens, wanneer de vergunningverlenende overheid moet oordelen over een aanvraag tot regularisatie mag ze in haar oordeel over de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening niet zwichten voor het gewicht van het voldongen feit. Dat de omliggende onvergunde panden niet “per definitie uit het straatbeeld zullen verdwijnen”, zoals betoogd wordt in de memorie van wederantwoord, kan er niet toe leiden dat deze panden door de verwerende partij als precedent dienden beschouwd te worden. De verzoekende partij toont de onredelijkheid van de overweging dat “het gebruik van staalplaten voor betrokken terrein niet bestaanbaar met de omgeving wordt geacht” dan ook niet aan.
- De verzoekende partij zet niet uiteen waarin de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zou zijn gelegen, zodat het middel in zoverre onontvankelijk is.
- Het eerste middel wordt verworpen. X-13.222-8/10 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel wordt als volgt uiteengezet: “VI.2 TWEEDE MIDDEL ‘Genomen uit de schending van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (DRO), alsmede genomen uit machtsoverschrijding.’ Doordat verwerende partij, overeenkomstig artikel 53 DRO, slechts over de mogelijkheid beschikt in het kader van een beroepsprocedure tegen een beslissing van de Bestendige Deputatie, de aangevraagde vergunning toe te kennen, dan wel te weigeren; Terwijl, verwerende partij middels de bestreden beslissing het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen weliswaar inwilligt, doch de aangevraagde vergunning niet toestaat dan wel weigert maar het besluit van de Bestendige Deputatie integendeel vernietigt; Zodat, verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing, zijn bevoegdheden zoals toegekend in artikel 53 DRO te buiten is gegaan en de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen geschonden zijn. TOELICHTING BIJ HET MIDDEL
- Overeenkomstig artikel 53 DRO kan de gemachtigde ambtenaar beroep aantekenen bij de Minister tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad waarbij een vergunning wordt verleend.
- Dit beroep van de gemachtigde ambtenaar heeft devolutieve werking, wat impliceert dat de Minister met volheid van bevoegdheid oordeelt over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, en oordeelt of een aangevraagde stedenbouwkundige vergunning al dan niet verleend kan worden.
- De beslissing van de Minister over het beroep van de gemachtigde ambtenaar kan uitsluitend leiden tot het verlenen van de aangevraagde vergunning, dan wel tot het weigeren van de vergunning. De Minister dient uitspraak te doen over de ingediende aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.
- In casu wordt echter geen uitspraak gedaan over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. De Minister beperkt zich tot de beoordeling van het door de gemachtigde ambtenaar aangetekende beroep. Ingevolge deze beoordeling wordt de beslissing van de bestendige Deputatie vernietigd.
- De Minister beschikt overeenkomstig artikel 53 DRO niet over de bevoegdheid een beslissing van de Bestendige Deputatie al dan niet te vernietigen. Er wordt geen vernietigingsbevoegdheid toegekend aan de Minister. De Minister wordt enkel de bevoegdheid gegeven te oordelen over de aanvraag, met volheid van bevoegdheid. Dit kan zoals gezegd uitsluitend leiden tot het verlenen dan wel weigeren van de aangevraagde stedenbouwkundige vergunning.
- Door zoals in casu niet te oordelen over de vergunning, doch wel de beslissing van de Bestendige Deputatie te vernietigen overschrijdt de Minister de hem overeenkomstig artikel 53 DRO toegekende bevoegdheid. De in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen worden geschonden.
- Het tweede middel is gegrond”. X-13.222-9/10 Beoordeling
- Het bestreden besluit weigert de stedenbouwkundige vergunning aan de aanvrager. Er blijkt geen schending van de aangevoerde rechtsregels. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het bestreden besluit gebruik maakt van de bewoordingen “Bijgevolg wordt de beslissing van 23 december 2004 van de bestendige deputatie (...) vernietigd”.
- Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.222-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div