← België

Arrest 205683 - Bewakingsondernemingen - 24/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.683 Rolnummer: A. 187867/VII-37736 Zaak: Arrest 205683 - Bewakingsondernemingen - 24/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-29 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 205.683 van 24 juni 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 205.683 van 24 juni 2010 in de zaak A. 187.867/VII-37.736. In zake: Burt AGNEESSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Van Vreckem en tevens door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te Brussel Galliërslaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 februari 2008 houdende weigering aan Burt Agneessens van een identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010. VII-37.736-1/11 Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de verzoeker, en attaché Bjorn Verschaeve, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De vergunde bewakingsondernemingen de BVBA Blok Security Mobile en de BVBA Blade dienen respectievelijk op 8 september 2004 en 8 december 2006, in het kader van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna : bewakingswet), een aanvraag in om voor de verzoeker een identificatiekaart te verkrijgen voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten als uitvoerend personeelslid van die ondernemingen. 3.2. Ingevolge die aanvragen wordt een lid van de federale politie belast met een veiligheidsonderzoek. Uit een uittreksel uit het centraal strafregister blijkt dat de verzoeker bij vonnis van 3 oktober 2005 door de correctionele rechtbank te Brussel veroordeeld werd tot een werkstraf van 125 uren wegens opzettelijke slagen en verwondingen met ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg. 3.3. Op 14 februari 2008 wordt de thans bestreden beslissing genomen waarbij aan de verzoeker de gevraagde identificatiekaart wordt geweigerd. Die beslissing bevat de volgende motivering : "Een identificatiekaart kan pas afgeleverd worden nadat de administratie heeft vastgesteld dat de betrokkene voldoet aan alle wettelijke voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de beoogde activiteiten. De identificatiekaart wordt geweigerd indien de betrokkene niet voldoet aan één of meerdere objectieve uitoefeningsvoorwaarden, zoals bepaald in artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private veiligheid, voor wat betreft het uitvoerend personeel van een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst. (artikel 17 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de VII-37.736-2/11 toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden) Artikel 6, eerste lid, 1/ van de wet van 10 april 1990 bepaalt eveneens dat personen die, voor een bewakingsonderneming, een interne bewakingsdienst of een opleidingsinstelling, een uitvoerende functie uitoefenen moeten voldoen aan de volgende voorwaarde: 'niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, tot een gevangenisstraf of een andere straf wegens diefstal, heling, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, opzettelijke slagen en verwondingen, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, of misdrijven, bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek, bij artikel 227 van het Strafwetboek, bij artikel 259bis van het Strafwetboek, bij de artikelen 280 en 281 van het Strafwetboek, bij de artikelen 323, 324 en 324ter van het Strafwetboek, bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en haar uitvoeringsbesluiten, de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en haar uitvoeringsbesluiten, de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, of de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden. Personen die activiteiten uitoefenen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, §§ 1, 6/, 6 en 8, mogen, in afwijking van het eerste lid, niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf. Personen die soortgelijke in kracht van gewijsde gegane veroordelingen hebben opgelopen in het buitenland, worden geacht niet aan de hierboven gestelde voorwaarde te voldoen. Iedere persoon die ingevolge een in kracht van gewijsde gegane veroordeling niet meer aan deze voorwaarde voldoet is gehouden hiervan onmiddellijk de personen die de werkelijke leiding hebben van de onderneming, dienst of instelling op de hoogte te brengen. De onderneming, dienst of instelling is gehouden ogenblikkelijk de minister van Binnenlandse Zaken te waarschuwen, zodra de onderneming, dienst of instelling kennis heeft van het feit dat een persoon ingevolge een in kracht van gewijsde gegane veroordeling niet meer aan deze voorwaarde voldoet, en dient ogenblikkelijk een einde te maken aan elke taak die bij deze onderneming, dienst of instelling door deze persoon wordt vervuld'. Bij onderzoek van uw dossier is gebleken dat de Correctionele Rechtbank van Brussel, op datum van 3 oktober 2005, een vonnis heeft uitgesproken waarbij u veroordeeld bent tot een werkstraf van 125 uren wegens opzettelijke slagen en verwondingen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid. Bijgevolg voldoet u niet aan de uitoefeningsvoorwaarden bepaald door artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid zodat geen enkele identificatiekaart (...) aan u afgeleverd (kan) worden. Het is u verboden bewakingsactiviteiten uit te oefenen. De ondernemingen die voor u een kaart hebben aangevraagd zijn op de hoogte gebracht van de huidige beslissing tot weigering". VII-37.736-3/11 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 7, § 3, van de bewakingswet en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens voert hij machtsoverschrijding aan. De verzoeker stelt dat : "(...) het bestreden besluit steunt op het weigeringsmotief dat bij onderzoek van het dossier van verzoekende partij is gebleken dat de Correctionele Rechtbank van Brussel, op datum van 3 oktober 2005, een vonnis heeft uitgesproken waarbij verzoekende partij veroordeeld werd tot een werkstraf van 125 uren wegens opzettelijke slagen en verwondingen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid; Terwijl artikel 7, § 3 van de Wet van 10 april 1990 bepaalt dat er met het oog op de verificatie van de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, eerste lid 1/ en 8/ van de Wet van 10 april 1990, voorafgaandelijk een advies moet worden gegeven door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer". De verzoeker betoogt voorts dat hij in het administratief dossier geen advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna : CBPL) heeft aangetroffen, dat het bestreden besluit aldus werd genomen met schending van artikel 7, § 3, van de bewakingswet en steunt op een onzorgvuldige feitenvinding. 5. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker artikel 7, § 3, van de bewakingswet onjuist interpreteert, aangezien hij er verkeerdelijk van uitgaat dat bij elke raadpleging van het centraal strafregister het advies van de CBPL moet worden gevraagd. Uit de tekst en de parlementaire voorbereiding van artikel 7, § 3, van de bewakingswet blijkt dat het advies van de CBPL enkel vereist is voor het koninklijk besluit dat de personen aanduidt die toegang kunnen hebben tot het centraal strafregister en niet telkenmale de verwerende partij zich effectief toegang verschaft tot het centraal strafregister met het oog op de verificatie van de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, eerste lid, 1/ en 8/, van de bewakingswet. In ondergeschikte orde stelt de verwerende partij dat de gegevens uit het centraal strafregister niet werden opgevraagd door personen bedoeld in artikel 7, § 3, van de bewakingswet, doch de procedure van artikel 7, §§ 1 en 2, van de VII-37.736-4/11 bewakingswet gevolgd werd. De gegevens werden opgevraagd door de leden van de federale politie die binnen de directie Private Veiligheid met het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden zijn belast. Deze personen zijn gedetacheerd bij de verwerende partij maar zijn geen lid van de directie Private Veiligheid. Zij vallen derhalve niet onder het koninklijk besluit bedoeld in artikel 7, § 3, van de bewakingswet. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de bewakingswet bepaalt dat een uitvoerend personeelslid van een bewakingsonderneming niet veroordeeld mag zijn geweest tot een gevangenisstraf of een andere straf wegens onder andere opzettelijke slagen en verwondingen en dat dergelijke veroordeling een objectieve weigeringsgrond vormt die de bevoegde minister geen enkele discretionaire beoordelingsruimte laat. 6. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat artikel 7, § 3, van de bewakingswet duidelijk is en geen interpretatie behoeft en dat het advies van de CBPL bij iedere aanvraag tot toegang van het centraal strafregister moet worden gevraagd. Wat betreft het argument van de verwerende partij dat artikel 7, § 3, van de bewakingswet niet van toepassing zou zijn, merkt de verzoeker op dat uit de bestreden beslissing blijkt dat een onderzoek werd gevoerd naar de uitoefeningsvoorwaarden van artikel 6, § 1, 1/, van de bewakingswet en dat artikel 7, § 3, van deze wet bijgevolg van toepassing is. Beoordeling 7. Op het ogenblik van de bestreden beslissing luidde artikel 7 van de bewakingswet als volgt : "§ 1. Het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden waaraan de personen bedoeld in de artikelen 5 en 6 moeten voldoen, gebeurt op initiatief van de door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen ambtenaar. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, vraagt een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden slechts aan nadat hij heeft vastgesteld dat betrokkene gekend is bij de diensten, als bedoeld in het derde lid, voor feiten of handelingen, bepaald door de Koning. Het onderzoek wordt uitgevoerd, al naargelang het geval, door de personen bedoeld in artikel 16, eerste lid, of door de Veiligheid van de Staat. § 2. De aard van de gegevens die kunnen worden onderzocht, heeft betrekking op inlichtingen van gerechtelijke of bestuurlijke politie of beroepsgegevens van belang in het kader van de bepalingen vervat in de artikelen 5, eerste lid, 4/ en 8/ en 6, eerste lid, 4/ en 8/. De persoon die aan het onderzoek bedoeld in § 1, eerste lid, onderworpen wordt, dient hiertoe voorafgaandelijk en eenmalig, via de onderneming, dienst of instelling, waarvoor hij de activiteiten, zoals bedoeld in artikel 1 uitoefent of zal uitoefenen, zijn instemming te hebben gegeven, op een door de Minister van Binnenlandse Zaken te bepalen wijze. VII-37.736-5/11 De onderneming, dienst of instelling kan omtrent een persoon die zij beoogt aan te werven, en slechts nadat die zijn instemming, als bedoeld in het tweede lid, heeft verleend, de ambtenaar, als bedoeld in het eerste lid, vragen of hij een vraag tot onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden in overweging neemt. § 3. Met het oog op de verificatie van de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1/ en 8/, en in artikel 6, eerste lid, 1/ en 8/, voorafgaand aan de procedure bedoeld in § 1, hebben de personen, werkzaam bij de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid, Directie Private Veiligheid, van de FOD Binnenlandse Zaken, aangeduid bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kosteloos en rechtstreeks toegang tot de in het centraal strafregister opgenomen gegevens, met uitzondering van: 1/ beslissingen vernietigd op grond van artikel 416 tot 442 of artikel 443 tot 447bis van het Wetboek van Strafvordering; 2/ beslissingen tot intrekking genomen op grond van de artikelen 10 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; 3/ veroordelingen en beslissingen uitgesproken op grond van een opgeheven wetsbepaling, op voorwaarde dat de strafbaarheid van het feit is opgeheven. Zij kunnen kennis nemen van de gegevens bedoeld in § 2, eerste lid. De persoonsgegevens die in toepassing van het eerste lid worden ingewonnen of ontvangen, worden onmiddellijk vernietigd zodra de administratieve beslissing, waartoe het onderzoek van deze persoonsgegevens aanleiding gaf, definitief geworden is". Paragraaf 3 werd in artikel 7 van de bewakingswet ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 2 september 2005 houdende vereenvoudiging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. In de memorie van toelichting van die wet werd de volgende verduidelijking gegeven : "Deze wet beoogt een toegang tot het centraal strafregister te voorzien voor de personeelsleden van de Directie Private Veiligheid die belast worden met de verificatie van de veiligheidsvoorwaarden, waaraan de personen werkzaam in de private veiligheidssector moeten voldoen. (...) Omdat de gegevens uit het centraal strafregister verweven zijn met de privacy van de personen die het voorwerp uitmaken van een antecedentenonderzoek, acht de regering het noodzakelijk dat de personen die toegang kunnen hebben tot het centraal strafregister aangeduid worden bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit. In dit koninklijk besluit wordt enkel de graad van de gemachtigde personen bepaald en wordt geen nominatieve opsomming gegeven van de personen. Voorafgaandelijk zal dit koninklijk besluit voor advies aan de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden voorgelegd" (Gedr. St., Kamer, 2004-2005, nr. 1775/001, p. 4). De CBPL stelde in haar advies nr. 15/2004 van 25 november 2004 het volgende in verband met het voorontwerp van die wet : "De regeling van de toegang tot het centraal strafregister voorzien in het voorontwerp zal verder uitgewerkt worden in een in ministerraad overlegd koninklijk besluit dat voor advies aan de CBPL zal voorgelegd worden en dit VII-37.736-6/11 voor de aanduiding van de personen die de toegang zullen verkrijgen. In de Memorie van Toelichting wordt er nu reeds op gewezen dat de aanduiding zal geschieden op basis van de graad van de personen en geen nominatieve lijst zal inhouden" (Gedr. St., Kamer, 2004-2005, nr. 1775/001, p. 95). In uitvoering van het voormeld artikel 7, § 3, van de bewakingswet werd het koninklijk besluit van 18 januari 2007 genomen "betreffende de aanwijzing van personen die tewerkgesteld zijn binnen de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid van de FOD Binnenlandse Zaken, Directie Private Veiligheid, en die rechtstreeks toegang hebben tot de gegevens die opgenomen zijn in het centraal strafregister". Dit koninklijk besluit werd blijkens de aanhef ervan genomen na advies van de CBPL (advies nr. 01/2006 van 18 januari 2006). Uit wat voorafgaat volgt dat de zinsnede "na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" in artikel 7, § 3, van de bewakingswet betrekking heeft op het besluit waarbij de personen, werkzaam in de directie Private Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, die toegang hebben tot het centraal strafregister, worden aangeduid. Voormelde bepaling vereist niet dat bij elke raadpleging van het centraal strafregister telkenmale het advies van de CBPL moet worden gevraagd. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 8. Onder de hoofding "prejudiciële vraag" voert de verzoeker een tweede middel aan waarin wordt betoogd dat artikel 594 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat administratieve overheden geen toegang kunnen krijgen tot de in het strafregister opgenomen gegevens betreffende beslissingen tot veroordeling van een werkstraf, terwijl de minister of een door hem aangestelde ambtenaar wel toegang kan krijgen tot voormelde gegevens op grond van de artikelen 6, eerste lid, 1/, en 7, § 3, van de bewakingswet. De verzoeker ziet hierin een schending van zijn persoonlijke levenssfeer. De verzoeker vraagt dienvolgens aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen : VII-37.736-7/11 "Schenden de artikelen 6, eerste lid, 1/ en 7, § 3 van de Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politiek rechten, doordat deze artikelen toelating geven aan de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, of een door hem aangewezen ambtenaar, om gegevens uit het strafregister van een persoon op te vragen, terwijl artikel 594 van het Wetboek van Strafvordering dit uitdrukkelijk verbiedt, ongeacht het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer?". 9. De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar haar repliek op het eerste middel, dat artikel 7, § 3, van de bewakingswet niet vereist dat voorafgaandelijk aan elke inzage in het centraal strafregister het advies van de CBPL moet worden ingewonnen. Voorts stelt de verwerende partij dat de gegevens waarop het bestreden besluit berust niet verkregen werden op grond van artikel 7, § 3, van de bewakingswet, maar op grond van artikel 7, § 2, van dezelfde wet dat haar toelaat alle gerechtelijke gegevens te onderzoeken. Ten slotte merkt de verwerende partij nog op dat artikel 6, eerste lid, 1/, van de bewakingswet bepaalt dat een veroordeling voor eender welke straf, werkstraffen inbegrepen, een wettelijke weigeringsgrond vormt die elke appreciatiebevoegdheid van de minister uitsluit. De verwerende partij besluit dat voormelde bepaling zinloos zou zijn indien ze niet over alle informatie uit het centraal strafregister zou kunnen beschikken. 10. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de voorgestelde prejudiciële vraag deel uitmaakt van het eerste middel en dat de vraag dient te vervallen wegens de ongegrondheid van dat middel. Voorts benadrukt de verwerende partij dat de door artikel 7, § 3, van de bewakingswet geboden mogelijkheid om rechtstreeks toegang te hebben tot het centraal strafregister om technische redenen niet operationeel is en dat bijgevolg tot op heden alle consultaties van het centraal strafregister nog steeds dienen te gebeuren via tussenkomst van de FOD Justitie, zoals dat ook voor de verzoeker het geval is geweest, wiens uittreksel uit het strafregister via de FOD Justitie werd verkregen op 23 januari 2008. De informatie waarop het bestreden besluit steunt, zo vervolgt de verwerende partij, werd bijgevolg niet verkregen op grond van artikel 7, § 3, van de bewakingswet, doch op grond van artikel 7, § 2, van dezelfde wet die haar machtigt alle gegevens van gerechtelijke of bestuurlijke aard te onderzoeken. VII-37.736-8/11 Beoordeling 11. De bestreden beslissing vermeldt als motief voor het weigeren van de gevraagde identificatiekaart dat "bij onderzoek van uw dossier is gebleken dat de Correctionele Rechtbank van Brussel, op datum van 3 oktober 2005, een vonnis heeft uitgesproken waarbij u veroordeeld bent tot een werkstraf van 125 uren wegens opzettelijke slagen en verwondingen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid". Het administratief dossier bevat een uittreksel uit het strafregister van 23 januari 2008 waarin voormelde veroordeling wordt vermeld. Op het uittreksel wordt de FOD Binnenlandse Zaken aangeduid als "aanvrager". Artikel 594 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde ten tijde van het bestreden besluit onder meer : "Art. 594. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang verlenen tot in het Strafregister opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van : 1/ (...) 2/ (...) 3/ (...) 4/ de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek. (...)". Op grond van deze bepaling, het 4/ is inmiddels opgeheven door artikel 204 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, kon derhalve aan administratieve overheden geen toegang worden verleend tot de gegevens van het centraal strafregister in verband met veroordelingen tot een werkstraf. Artikel 7, § 3, van de bewakingswet verleent daarentegen wel de mogelijkheid om, voorafgaand aan de procedure bedoeld in § 1, de personen die werkzaam zijn in de directie Private Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, met inbegrip van de gedetacheerde leden van de federale politie, toegang te verlenen tot die gegevens. 12. Voor de beoordeling van het tweede middel dringt zich derhalve het stellen van de gesuggereerde prejudiciële vraag op. Het is evenwel gepast de voorgestelde vraag te herformuleren, eensdeels, om de bij voorliggend geding VII-37.736-9/11 betrokken gegevens van het centraal strafregister nauwkeuriger te omschrijven, en anderdeels, om ze in overeenstemming te brengen met de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof. BESLISSING 1. Het eerste middel wordt verworpen. 2. De Raad van State heropent de debatten. 3. De Raad van State stelt, in het kader van het tweede middel, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof : "Schenden de artikelen 6, eerste lid, 1/, en 7, § 3, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid artikel 22 van de Grondwet afzonderlijk en in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat deze artikelen toelating geven aan de minister van Binnenlandse Zaken, of een door hem aangewezen ambtenaar om gegevens betreffende veroordelingen tot werkstraffen uit het strafregister van een persoon op te vragen, terwijl artikel 594, eerste lid, 4/, van het Wetboek van Strafvordering, zoals die bepaling luidde vóór de opheffing ervan door artikel 204 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, zulks uitdrukkelijk verbiedt, ongeacht het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ?". 4. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat ermee, na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de voormelde prejudiciële vraag, een aanvullend verslag op te stellen voor wat betreft het onderzoek van het tweede middel. VII-37.736-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.736-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.683 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.162 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.